Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2015:1289

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
10-02-2015
Datum publicatie
10-02-2015
Zaaknummer
09/797352-13
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bedrijfsongeval. Werknemer (onderaannemer) stapt tijdens werkzaamheden op het dak van een bedrijfshal op een lichtplaat en valt door het dak. Daaronder hingen geen vangnetten. De werknemer van ongeveer 7 meter naar beneden en overlijdt enkele dagen later aan zijn verwondingen. Vervolging van coördinator uitvoering voor dood door schuld en van hoofdaannemer voor overtreding art. 10 Arbeidsomstandighedenwet.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Strafrecht

Meervoudige economische kamer

Parketnummer 09/797352-13

Datum uitspraak: 10 februari 2015

Tegenspraak

(Verkort vonnis)

De rechtbank Den Haag, rechtdoende in economische strafzaken, heeft het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:

[verdachte],

gevestigd: [adres].

De terechtzitting

Het onderzoek is gehouden ten terechtzittingen van 25 november 2013, 28 oktober 2014 en 27 januari 2015.

De verdachte is ter terechtzitting vertegenwoordigd door [directeur van verdachte], geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats], wonende te [woonplaats], zijnde de directeur van de verdachte.

De vertegenwoordiger van de verdachte, bijgestaan door de raadsman van verdachte mr. C.F. Korvinus, advocaat te Amsterdam, is ter terechtzitting verschenen en gehoord.

De officier van justitie mr. J.A.W. van ‘t Westeinde heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het ten laste gelegde. De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte wordt veroordeeld tot een geldboete van € 20.000,-.

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot hoofdelijke toewijzing van de vordering van de benadeelde partij [benadeelde] en daarbij gevorderd dat de rechtbank aan verdachte de verplichting zal opleggen tot betaling aan de Staat van een bedrag groot € 2.402,48 ten behoeve van [benadeelde] voornoemd.

De tenlastelegging
Aan de verdachte is - na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting - ten laste gelegd dat:

zij op of omstreeks 21 oktober 2010 te Alphen aan den Rijn, in elk geval in Nederland, als werkgeefster, die haar werknemers arbeid deed verrichten op een bouwplaats als bedoeld in artikel 1.1 lid 2 onder a van het Arbeidsomstandighedenbesluit - aan de Hoorn aldaar, bestaande die arbeid uit het verrichten van werkzaamheden ten behoeve van dakmontage aan een/de bedrijfshal van [bedrijf 1], bij welke arbeid of in rechtstreeks verband waarmee in dat bedrijf of die inrichting of in de onmiddellijke omgeving daarvan gevaar kon ontstaan voor de veiligheid of de gezondheid van andere

personen dan die werknemers, geen doeltreffende maatregelen heeft genomen ter voorkoming van dat gevaar

-- immers had zij, verdachte, in strijd met artikel 2.33 van het Arbeidsomstandigheden-besluit toen en daar niet zodanige maatregelen genomen dat de coördinator de in artikel 2.31 van dat besluit bedoelde taken naar behoren kon vervullen en/of uitoefenen

te weten had zij, verdachte, er niet voor zorg gedragen dat de coördinator voor de uitvoeringsfase naar behoren

a. coördinerend kon optreden, zodat de maatregelen die werkgevers en zelfstandigen nemen ter bescherming van de veiligheid en gezondheid van werknemers op doeltreffende wijze worden toegepast;

en/of

b. de samenwerking met het oog op de bescherming van de werknemers kon organiseren tussen gelijktijdig of achtereenvolgend aanwezige werkgevers en zelfstandigen op de bouwplaats;

en/of

c. de voorlichting van werknemers op de bouwplaats kon coördineren;

en/of

d. de nodige maatregelen kon nemen opdat alleen bevoegde personen de bouwplaats kunnen betreden;

en/of

e. ervoor kon zorgen dat het veiligheids- en gezondheidsplan, bedoeld in artikel 2.28 van het besluit, en het dossier, bedoeld in artikel 2.30, onder c, van het besluit werden aangepast indien de voortgang van het bouwwerk of de onderdelen daarvan daartoe aanleiding gaven en/of

f. aanwijzingen kon geven indien werkgevers of zelfstandigen naar zijn oordeel niet of in onvoldoende mate of op onjuiste wijze uitvoering gaven aan een samenhangende toepassing van hun verplichtingen als bedoeld onder a en b.

aangezien

* zij, verdachte, de dagelijkse werkzaamheden van de door haar, werkgever, in het projectplan KAM aangewezen coördinator voor de uitvoeringsfase, de heer [directeur van verdachte], had belegd bij de in datzelfde plan aangewezen uitvoerder de heer [medeverdachte]

waarbij zij had nagelaten

* deze [medeverdachte] (in voldoende mate) te wijzen op de taken die hij als coördinator moest uitvoeren op het bouwwerk en/of

* deze [medeverdachte] (in voldoende mate) voor te lichten aangaande de risico's die verbonden waren aan de werkzaamheden die door (medewerkers van) (de) onderaannemer(s) en/of een of meer andere(n) op deze bouwplaats werden verricht en/of

* deze [medeverdachte] als (fungerend) coördinator dusdanig van andere taken en/of taken op andere werkplekken vrij te stellen dat hij zich volledig, althans in voldoende mate, kon wijden aan het aanwezig zijn op de onderhavige bouwplaats en/of aan de aan hem als (fungerend) coördinator opgedragen taken op deze bouwplaats

en/of

-- immers had zij, verdachte, in strijd met artikel 3.16 van het Arbeidsomstandigheden-besluit toen en daar nagelaten er voor te zorgen dat zodanige maatregelen waren genomen

- dat bij het verrichten van arbeid waarbij valgevaar bestond zo mogelijk een veilige steiger, stelling, bordes of werkvloer was aangebracht of het gevaar was tegengegaan door het aanbrengen van doelmatige hekwerken, leuningen of andere dergelijke voorzieningen en/of

- dat,indien deze genoemde voorzieningen niet of slechts ten dele konden worden aangebracht of indien het aanbrengen of wegnemen daarvan grotere gevaren meebracht dan de arbeid ter beveiliging waarvan zij zouden moeten dienen, ter voorkoming van het gevaar voldoende sterke en voldoende grote vangnetten op doelmatige plaatsen en wijze waren aangebracht of doelmatige veiligheidsgordels met vanglijnen van voldoende sterkte werden gebruikt dan wel andere technische middelen werden toegepast, die ten minste een zelfde mate van beveiliging van bedoelde arbeid zouden geven

aangezien bij het verrichten van deze arbeid waarbij valgevaar bestond

*niet (steeds) een veilige steiger, stelling, bordes of werkvloer was aangebracht of het gevaar was tegengegaan door het aanbrengen van doelmatige hekwerken, leuningen of andere dergelijke voorzieningen, althans daarop niet (steeds) voldoende controle/toezicht is gehouden en/of

*niet (steeds) ter voorkoming van het gevaar voldoende sterke en voldoende grote vangnetten op doelmatige plaatsen en wijze waren aangebracht of doelmatige veiligheidsgordels met vanglijnen van voldoende sterkte werden gebruikt dan wel andere technische middelen werden toegepast, die ten minste een zelfde mate van beveiliging van bedoelde arbeid zouden geven, althans daarop niet (steeds) voldoende controle/toezicht is gehouden

al waardoor, toen er door een persoon, genaamd [slachtoffer], niet zijnde een werknemer van haar, verdachte, op het dak werd gewerkt, en deze persoon op een lichtplaat in het dak stapte, waarbij deze lichtplaat bezweek, deze persoon door de ontstane opening (zo’n 7 meter naar beneden) viel en op een pallet met dakplaten en/of (vervolgens) op de grond terecht kwam en/of daarbij letsel bekwam (aan de gevolgen waarvan deze [slachtoffer] is overleden).

De bewijsoverwegingen

Op grond van de stukken en het verhandelde ter terechtzitting stelt de rechtbank het volgende vast:

Op 21 oktober 2010 heeft er op het terrein van [bedrijf 1] te Alphen aan den Rijn een ongeval plaatsgevonden. [slachtoffer], die met enkele collega’s op het dak van een bedrijfshal aldaar aan het werk was, stapte op een lichtplaat, zakte daar doorheen en viel ongeveer zeven meter naar beneden. Hij liep daarbij ernstig hersenletsel op, aan de gevolgen waarvan hij op 23 oktober 2010 is overleden. Onder het gedeelte van het dak waar het slachtoffer aan het werk was, hing geen vangnet (meer).

Aan verdachte wordt verweten dat zij – kort gezegd – geen doeltreffende maatregelen heeft genomen ter voorkoming van valgevaar bij de door/in haar opdracht uitgevoerde werkzaamheden. De door verdachte aangestelde coördinator voor de uitvoeringsfase, die onder meer was belast met de veiligheid op de bouwplaats, zou niet/onvoldoende in de gelegenheid zijn gesteld zijn taken naar behoren uit te voeren doordat verdachte hem onvoldoende op die taken en de aan de arbeid verbonden risico’s had gewezen en hem onvoldoende vrijstelling van overig werk had verleend. Verdachte zou bovendien geen/onvoldoende maatregelen, zoals het plaatsen van een steiger, hekwerken, leuningen en/of vangnetten, hebben genomen, althans daarop onvoldoende toezicht hebben gehouden. Het hiervoor omschreven ongeval was hiervan het gevolg.

De verdediging heeft onder meer aangevoerd dat niet verdachte maar [bedrijf 2] ten tijde van het project de eerstverantwoordelijke was voor de werkzaamheden en de veiligheidsvoorzieningen. Voorts heeft de verdediging aangevoerd dat verdachte alle noodzakelijke veiligheidsmaatregelen heeft getroffen die van haar mochten worden gevergd. De door haar aangestelde coördinator voor de uitvoeringsfase, [medeverdachte], is in de gelegenheid gesteld zijn taken uit te voeren en heeft dat ook gedaan; hij was dagelijks op het werk, had overleg met de vertegenwoordigers van verdachte, de onderaannemers, onder wie degene die zorg droeg voor het ophangen van de vangnetten, en het latere slachtoffer. Vertegenwoordigers van verdachte en de onderaannemers hebben (deel)veiligheidsplannen opgesteld en deze zijn doorgesproken.

De rechtbank overweegt als volgt.

[medeverdachte] is door verdachte aangesteld als (vervangend) coördinator uitvoeringsfase ter plaatse. Hij had de dagelijkse leiding over de werkzaamheden op de bouwplaats. Zijn functie hield onder meer in dat hij op de bouwplaats verantwoordelijk was voor de veiligheid van de werknemers aldaar. Aan een werknemer die een dergelijke functie vervult, mag de eis worden gesteld dat deze actief toeziet op de naleving van veiligheidsvoorschriften, controleert of gemaakte afspraken die de veiligheid betreffen worden nagekomen en of werkzaamheden van alle betrokkenen – die immers van invloed (kunnen) zijn op de veiligheidsrisico’s – op elkaar zijn afgestemd. [medeverdachte] heeft dit in onvoldoende mate gedaan.

[medeverdachte] heeft naar eigen zeggen op 20 oktober 2010 met [betrokkene], die was ingehuurd om vangnetten aan te brengen, afgesproken dat de vangnetten die in het voorste deel van de kleine hal waren geplaatst zouden worden losgeknoopt. Het latere slachtoffer en diens collega’s zouden de dag erna op het achterste deel van dat dakdeel gaan werken. [betrokkene] zou [medeverdachte] aan het eind van de dag hebben gemeld dat hij zijn werk had afgerond. De rechtbank stelt op basis van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting vast dat [medeverdachte] noch op dat moment, noch de dag erna vóór het begin van de werkzaamheden heeft gecontroleerd of de veiligheid van de werknemers die op het dak aan het werk zouden gaan voldoende was gewaarborgd. Zo heeft [medeverdachte] nagelaten te controleren of [betrokkene] de werkzaamheden volgens afspraak had uitgevoerd; tevens heeft hij zich er onvoldoende van vergewist of de werknemers op het dak op de hoogte waren van de afspraak alvorens zij op 21 oktober 2010 aan het werk gingen en heeft hij nagelaten te controleren of die werknemers zich hielden aan de afspraak omtrent de plaats op het dak waar zij uit veiligheidsoogpunt wél en waar zij niet aan het werk konden gaan. Dit klemt te meer, nu [medeverdachte] ervan op de hoogte was dat timmerlieden op 20 oktober 2010 netten hadden losgeknoopt en één van de werknemers die op het dak aan het werk waren daarover boos was geworden en [medeverdachte] daarop later die dag nog had aangesproken. [medeverdachte] mocht er dus niet zonder meer op vertrouwen dat ten aanzien van de netten door iedereen volgens voorschrift en/of in overleg zou worden gehandeld.

De vraag die de rechtbank moet beantwoorden is of verdachte [medeverdachte] niet, althans onvoldoende in de gelegenheid heeft gesteld zijn taken naar behoren uit te voeren door hem onvoldoende te wijzen op die taken en op de aan de arbeid verbonden risico’s en hem onvoldoende vrijstelling van overig werk te verlenen.

Uit het dossier komt onder meer het volgende naar voren:

- [medeverdachte] heeft tegenover de inspecteur van de arbeidsinspectie verklaard dat hij niet wist welke risico’s konden ontstaan bij het monteren van de op het dak aan te brengen dakbeplating, dat hij niet wist welke werkzaamheden het latere slachtoffer op 21 oktober 2010 zou moeten uitvoeren en dat hij op de dag van het ongeval grotendeels afwezig was;

- [medeverdachte] heeft tegenover de rechter-commissaris verklaard dat hij op 1 oktober 2010 bij verdachte in dienst is getreden en op dat moment nog geen ervaring had met het soort werkzaamheden dat hij zou gaan uitvoeren, en dat hij dienaangaande, met uitzondering van een cursus op het gebied van persoonlijke beschermingsmiddelen, geen cursus, opleiding of training had gevolgd. Hij had een opleiding tot timmerman afgerond en had het vervolg gedaan. Hij had geen cursussen gevolgd op het gebied van op hoogte werken. Zijn werk hield naar zijn mening niet in dat hij toezicht moest houden op de veiligheid op het dak;

- De directeur van verdachte, [directeur van verdachte], heeft verklaard dat [medeverdachte] geen andere coaching of training heeft gekregen om zijn werk te kunnen doen en dat het zou kunnen kloppen dat [medeverdachte] niet persoonlijk is gezegd welke taken hij had als coördinator uitvoeringsfase;

- De getuige [getuige 1] heeft tegenover de rechter-commissaris verklaard dat hij sinds ongeveer twee weken voor het ongeval werkzaam was op de betreffende bouwplaats, dat hij geen instructies met betrekking tot de veiligheid heeft gehad, dat in de keet van de uitvoerder een kaart met de veiligheidsregels hing en dat [medeverdachte] hem slechts heeft gezegd ‘even notie te nemen’ van die regels;

- De getuige [getuige 2] heeft tegenover de arbeidsinspectie verklaard dat hij sinds twee dagen voor het ongeval werkzaam was op de bouwplaats en dat hij niet was ingelicht over de risico’s die bij het werken op hoogte kunnen ontstaan en welke veiligheidsmaatregelen daarbij moeten worden getroffen.

De rechtbank leidt uit voornoemde verklaringen af dat [medeverdachte] onvoldoende toegerust was om de hem opgedragen taken naar behoren uit te voeren. Het was de taak van verdachte, in haar hoedanigheid van werkgever, om haar werknemer [medeverdachte] op die taken te wijzen en hem in de gelegenheid te stellen die taken op juiste wijze te verrichten. Verdachte is daarin ernstig te kort geschoten.

De raadsman heeft aangevoerd dat de verantwoordelijkheid voor de veiligheid van de werknemers die de werkzaamheden op het dak van de bedrijfshal verrichtten niet bij verdachte maar bij de onderaannemer [bedrijf 2] (hierna: [bedrijf 2]) berustte.

De rechtbank verwerpt dit verweer en overweegt daartoe als volgt.

Uit de stukken is gebleken dat verdachte [medeverdachte] heeft aangesteld als coördinator van de uitvoeringsfase. Deze coördinator is onder andere verantwoordelijk voor het coördineren van de werkzaamheden van de werknemers en voor hun veiligheid op de bouwplaats. Verdachte heeft voorts met [bedrijf 2] een onderaannemingsovereenkomst gesloten voor het vervangen van dakplaten van de bedrijfshal. [bedrijf 2] heeft [slachtoffer] ingehuurd om deze werkzaamheden voor haar te verrichten. Tevens is gebleken dat [medeverdachte] daadwerkelijk betrokken is geweest bij (het coördineren van) de werkzaamheden en de daarmee samenhangende veiligheidsmaatregelen van de op de bouwplaats aanwezige werknemers, ook van degenen die bij onderaannemers in dienst waren.

Gelet op de (eind)verantwoordelijkheid die verdachte als hoofdaannemer ten aanzien van de controle op veiligheidsaspecten heeft, de feitelijke gang van zaken betreffende de uitvoering van de coördinerende taken door [medeverdachte] en het feit dat de werknemers voor hun werkzaamheden en de daarmee samenhangende veiligheidsmaatregelen (deels) afhankelijk waren van verdachte, moet verdachte (in ieder geval mede-)verantwoordelijk worden gehouden voor de veiligheid van de medewerkers op de bouwplaats, ook voor wat betreft de door de onderaannemer [bedrijf 2] ingehuurde werknemers. Dat er sprake was van onderaanneming doet derhalve niet ter zake. Verdachte behoudt in dit opzicht haar eigen verantwoordelijkheid.

De raadsman heeft voorts aangevoerd dat het ongeval slechts heeft plaatsgevonden door de onvoorziene omstandigheid dat het latere slachtoffer in weerwil van afspraken daarover op het dakdeel waaronder geen vangnetten hingen, is gaan werken en daar door een lichtplaat is gevallen.

De rechtbank verwerpt dit verweer en overweegt daartoe als volgt.

Het slachtoffer [slachtoffer] was werknemer van verdachte in de zin van de Arbeidsomstandighedenwet. Dat brengt met zich dat hij weliswaar een eigen verantwoordelijkheid had ten aanzien van zijn eigen veiligheid maar dat evenzeer bij verdachte de primaire verantwoordelijkheid rustte van de werkgever in de zin van diezelfde wet om ervoor zorg te dragen dat er voldoende deugdelijke voorzieningen op de arbeidsplaats aanwezig waren ter voorkoming van valgevaar. Het is de taak van de werkgever daarop voldoende toezicht te houden.

De bewijsmiddelen

De rechtbank grondt haar overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

In die gevallen waarin de wet aanvulling van het vonnis vereist met de bewijsmiddelen, dan wel met een opgave daarvan, zal dit plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit vonnis zal worden gehecht.

De bewezenverklaring

Door de voormelde inhoud van vorenstaande bewijsmiddelen - elk daarvan, ook in zijn onderdelen, gebruikt voor het bewijs van datgene waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft - heeft de rechtbank de overtuiging bekomen dat de verdachte het tenlastegelegde feit heeft begaan, te weten dat:

zij op 21 oktober 2010 te Alphen aan den Rijn als werkgeefster, die haar werknemers arbeid deed verrichten op een bouwplaats als bedoeld in artikel 1.1 lid 2 onder a van het Arbeidsomstandighedenbesluit - aan de Hoorn aldaar, bestaande die arbeid uit het verrichten van werkzaamheden ten behoeve van dakmontage aan de bedrijfshal van [bedrijf 1], bij welke arbeid of in rechtstreeks verband waarmee in dat bedrijf of die inrichting of in de onmiddellijke omgeving daarvan gevaar kon ontstaan voor de veiligheid of de gezondheid van andere personen dan die werknemers, geen doeltreffende maatregelen heeft genomen ter voorkoming van dat gevaar

-- immers had zij, verdachte, in strijd met artikel 2.33 van het Arbeidsomstandigheden-besluit toen en daar niet zodanige maatregelen genomen dat de coördinator de in artikel 2.31 van dat besluit bedoelde taken naar behoren kon vervullen en uitoefenen

te weten had zij, verdachte, er niet voor zorg gedragen dat de coördinator voor de uitvoeringsfase naar behoren

a. coördinerend kon optreden, zodat de maatregelen die werkgevers en zelfstandigen nemen ter bescherming van de veiligheid en gezondheid van werknemers op doeltreffende wijze worden toegepast en

b. de samenwerking met het oog op de bescherming van de werknemers kon organiseren tussen gelijktijdig of achtereenvolgend aanwezige werkgevers en zelfstandigen op de bouwplaats

aangezien

* zij, verdachte, de dagelijkse werkzaamheden van de door haar, werkgever, in het projectplan KAM aangewezen coördinator voor de uitvoeringsfase, de heer [directeur van verdachte], had belegd bij de in datzelfde plan aangewezen uitvoerder de heer [medeverdachte]

waarbij zij had nagelaten

* deze [medeverdachte] in voldoende mate te wijzen op de taken die hij als coördinator moest uitvoeren op het bouwwerk en

* deze [medeverdachte] in voldoende mate voor te lichten aangaande de risico's die verbonden waren aan de werkzaamheden die door medewerkers van de onderaannemers en anderen op deze bouwplaats werden verricht en

* deze [medeverdachte] als fungerend coördinator dusdanig van andere taken en/of taken op andere werkplekken vrij te stellen dat hij zich in voldoende mate kon wijden aan het aanwezig zijn op de onderhavige bouwplaats en aan de aan hem als fungerend coördinator opgedragen taken op deze bouwplaats

en

-- immers had zij, verdachte, in strijd met artikel 3.16 van het Arbeidsomstandigheden-besluit toen en daar nagelaten er voor te zorgen dat zodanige maatregelen waren genomen

- dat bij het verrichten van arbeid waarbij valgevaar bestond zo mogelijk een veilige steiger, stelling, bordes of werkvloer was aangebracht of het gevaar was tegengegaan door het aanbrengen van doelmatige hekwerken, leuningen of andere dergelijke voorzieningen en

- dat, indien deze genoemde voorzieningen niet of slechts ten dele konden worden aangebracht of indien het aanbrengen of wegnemen daarvan grotere gevaren meebracht dan de arbeid ter beveiliging waarvan zij zouden moeten dienen, ter voorkoming van het gevaar voldoende sterke en voldoende grote vangnetten op doelmatige plaatsen en wijze waren aangebracht dan wel andere technische middelen werden toegepast, die ten minste een zelfde mate van beveiliging van bedoelde arbeid zouden geven

aangezien bij het verrichten van deze arbeid waarbij valgevaar bestond

*niet steeds een veilige steiger, stelling, bordes of werkvloer was aangebracht of het gevaar was tegengegaan door het aanbrengen van doelmatige hekwerken, leuningen of andere dergelijke voorzieningen en

*niet steeds ter voorkoming van het gevaar voldoende sterke en voldoende grote vangnetten op doelmatige plaatsen en wijze waren aangebracht dan wel andere technische middelen werden toegepast, die ten minste een zelfde mate van beveiliging van bedoelde arbeid zouden geven, althans daarop niet steeds voldoende controle/toezicht is gehouden,

terwijl, toen er door een persoon, genaamd [slachtoffer], niet zijnde een werknemer van haar, verdachte, op het dak werd gewerkt, en deze persoon op een lichtplaat in het dak stapte, waarbij deze lichtplaat bezweek, deze persoon door de ontstane opening zo’n 7 meter naar beneden viel en op een pallet met dakplaten en

vervolgens de grond terecht kwam en daarbij letsel bekwam, aan de gevolgen waarvan deze [slachtoffer] is overleden.

Voor zover in de tenlastelegging type- en taalfouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.

De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Het bewezenverklaarde levert het volgende strafbare feit op:

Overtreding van het voorschrift, gesteld bij artikel 10, lid 1, van de Arbeidsomstandighedenwet, begaan door een rechtspersoon.

De strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is eveneens strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die haar strafbaarheid uitsluiten.

De strafoplegging

Na te melden straf is in overeenstemming met de ernst van het gepleegde feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en gegrond op de omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Voorts wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Ten laste van de verdachte vennootschap is bewezen verklaard dat zij geen doeltreffende maatregelen heeft genomen ter voorkoming van gevaar op een bouwlocatie. Verdachte heeft als werkgever nagelaten om de werknemer die namens haar verantwoordelijk was voor de veiligheid aldaar voldoende in de gelegenheid te stellen zijn taken naar behoren uit te voeren. Daardoor kon het gebeuren dat [slachtoffer], die op het dak aan het werk was, nadat hij op een lichtplaat was gestapt en daar doorheen was gezakt, zo’n zeven meter naar beneden viel en op een betonnen vloer terecht kwam. [slachtoffer] liep daardoor zeer ernstig letsel op, aan de gevolgen waarvan hij is overleden. Het overlijden op jonge leeftijd van het slachtoffer heeft, zoals duidelijk naar voren komt uit de ter terechtzitting voorgedragen schriftelijke slachtofferverklaring, de nabestaanden onherstelbaar leed aangedaan.

Werknemers moeten er in alle omstandigheden – maar met name bij arbeid waaraan grotere veiligheidsrisico’s kleven, zoals het werken op daken van gebouwen – op kunnen vertrouwen dat door de verantwoordelijke(n) voldoende maatregelen worden genomen om de veiligheid en het welzijn van die werknemers bij de door hen te verrichten arbeid te waarborgen. Verdachte is in die taak tekortgeschoten.

Ter terechtzitting is niet gebleken dat verdachte eerder met justitie in aanraking is geweest.

De rechtbank heeft voorts rekening gehouden met de lange periode die is verstreken tussen het begaan van het bewezenverklaarde feit en het tijdstip van de laatstgehouden terechtzitting.

De rechtbank ziet in het enkele feit dat overtreding van artikel 10 van de Arbeidsomstandighedenwet thans geen strafbaar feit meer is, maar middels een bestuurlijke boete wordt afgedaan, geen aanleiding om – zoals door de raadsman is bepleit – verdachte daarom rechterlijk pardon te verlenen, nu deze wijziging in de wetgeving slechts is ingegeven door de wens om de wijze van afdoening van een geconstateerde overtreding te vereenvoudigen en niet door gewijzigd inzicht omtrent de strafwaardigheid daarvan.

Gelet op het vorenstaande acht de rechtbank een straf als door de officier van justitie geëist passend en geboden.

De vordering van de benadeelde partij

[benadeelde] – nabestaande van het slachtoffer [slachtoffer] - heeft zich als benadeelde partij gevoegd ter zake van de vordering tot schadevergoeding, groot € 2.402,48. De benadeelde partij vordert vergoeding van materiële schade, te weten de cateringkosten bij de condoleance en de kosten van een grafmonument.

Nu uit het onderzoek ter terechtzitting is vast komen te staan dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden als gevolg van het bewezenverklaarde feit, de hoogte van de vordering door de verdachte niet is betwist en deze voldoende is onderbouwd, zal de rechtbank de vordering toewijzen.

De rechtbank zal voorts de gevorderde wettelijke rente toewijzen, nu vast is komen te staan dat de schade met ingang van 23 oktober 2010 is ontstaan.

Dit brengt mee dat de verdachte dient te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met zijn vordering heeft gemaakt, welke kosten de rechtbank tot op heden begroot op nihil, en de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Nu de rechtbank heeft vastgesteld dat de gevorderde schade zowel is ontstaan door het in onderhavige zaak als het in de zaak van de verdachte [medeverdachte] bewezenverklaarde feit, zijn zij daarvoor ieder hoofdelijk aansprakelijk. Indien en voor zover [medeverdachte] de benadeelde partij betaalt, is verdachte in zoverre jegens de benadeelde partij van deze betalingsverplichting bevrijd.

Schadevergoedingsmaatregel.

Nu verdachte jegens de benadeelde partij naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het bewezenverklaarde strafbare feit is toegebracht en verdachte voor dit feit zal worden veroordeeld, zal de rechtbank aan verdachte de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van een bedrag groot € 2.402,48, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 23 oktober 2010 tot aan de dag waarop deze vordering is voldaan, ten behoeve van de benadeelde partij. De rechtbank zal ook de schadevergoedingsmaatregel hoofdelijk opleggen.

De toepasselijke wetsartikelen.

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen:

  • -

    23, 24, 36f en 51 van het Wetboek van Strafrecht;

  • -

    1, 2, 6 van de Wet op de economische delicten;

  • -

    10 van de Arbeidsomstandighedenwet.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

De beslissing

De rechtbank:

verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte het bij dagvaarding ten laste gelegde feit heeft begaan en dat het bewezenverklaarde uitmaakt:

OVERTREDING VAN HET VOORSCHRIFT, GESTELD BIJ ARTIKEL 10 VAN DE ARBEIDSOMSTANDIGHEDENWET, BEGAAN DOOR EEN RECHTSPERSOON;

verklaart het bewezenverklaarde en de verdachte deswege strafbaar;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

veroordeelt de verdachte tot:

een geldboete van € 20.000,-;

wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij hoofdelijk toe en veroordeelt verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan [benadeelde], een bedrag van € 2.402,48, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 23 oktober 2010 tot aan de dag waarop deze vordering is voldaan;

veroordeelt de verdachte tevens in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

legt aan verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat van een bedrag groot € 2.402,48, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 23 oktober 2010 tot aan de dag waarop deze vordering is voldaan, ten behoeve van [benadeelde];

met bepaling dat de verdachte bij gehele of gedeeltelijke betaling door [medeverdachte] aan de benadeelde partij, dan wel bij gehele of gedeeltelijke voldoening van de, aan [medeverdachte] opgelegde, verplichting tot betaling aan de Staat, zal zijn bevrijd tot de hoogte van het betaalde bedrag;

bepaalt dat voldoening van de gehele of gedeeltelijke betalingsverplichting aan de benadeelde partij de betalingsverplichting aan de Staat in zoverre doet vervallen, alsmede dat voldoening van de gehele of gedeeltelijke betalingsverplichting aan de Staat de betalingsverplichting aan de benadeelde partij in zoverre doet vervallen.

Dit vonnis is gewezen door

mr. E. Rabbie, voorzitter,

mr. G.J. Schiffers-Hanssen, rechter,

mr. A.P. Sno, rechter,

in tegenwoordigheid van E.T. Rietbroek, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 10 februari 2015.