Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2015:12885

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
17-08-2015
Datum publicatie
11-11-2015
Zaaknummer
C/09/489272 KG ZA 15-726
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

kort geding; tussenvonnis; Turkse autoriteiten hebben om uitlevering van eiser verzocht. De medeverdachten van eiser zijn door het Hof van Cassatie in Turkije vrijgesproken. De zaak wordt aangehouden teneinde de Staat in de gelegenheid te stellen bij de Turkse autoriteiten na te vragen of het uitleveringsverzoek wordt gehandhaafd en zo ja waarvoor thans nog uitlevering wordt verzocht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank den haag

Team handel - voorzieningenrechter

zaak- / rolnummer: C/09/489272 / KG ZA 15-726

Vonnis in kort geding van 17 augustus 2015

in de zaak van

[eiser],

wonende te [woonplaats],

eiser,

advocaat mr. B. Stapert te Amsterdam,

tegen:

de Staat der Nederlanden (Ministerie van Veiligheid en Justitie),

zetelend te Den Haag,

gedaagde,

advocaat mr. A.Th.M. ten Broeke te Den Haag.

Partijen worden hierna respectievelijk aangeduid als ‘[eiser]’ en ‘de Staat’.

1 De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding met producties;

- de door de Staat overgelegde producties;

- een faxbericht van de raadsman van [eiser] van 7 augustus 2015, met producties;

- de op 10 augustus 2015 gehouden mondelinge behandeling, waarbij door beide partijen pleitnotities zijn overgelegd.

2 De feiten

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting wordt in dit geding van het volgende uitgegaan.

2.1.

[eiser] heeft zowel de Nederlandse als de Turkse nationaliteit.

2.2.

De Turkse autoriteiten hebben om uitlevering van [eiser] verzocht in verband met de verdenking dat [eiser] als lid van een criminele organisatie zich vanuit Nederland heeft beziggehouden met de invoer in Turkije van XTC en/of heroïne.

2.3.

Bij brief van 15 oktober 2013 heeft de minister van Veiligheid en Justitie (hierna: de minister) de Turkse autoriteiten om de toezegging verzocht dat [eiser] een in Turkije opgelegde gevangenisstraf in Nederland kan ondergaan en dat deze straf kan worden omgezet door de Nederlandse rechter. Bij nota van 26 november 2013 hebben de Turkse autoriteiten deze garantie gegeven, waarna het uitleveringsverzoek in behandeling is genomen.

2.4.

[eiser] is op 22 januari 2014 in verzekering gesteld. Sinds 30 januari 2014 is [eiser] geschorst uit de uitleveringsdetentie.

2.5.

Bij uitspraak van 20 maart 2014 heeft deze rechtbank de uitlevering van [eiser] naar Turkije toelaatbaar verklaard. Bij advies van diezelfde datum heeft de rechtbank de minister geadviseerd aan het uitleveringsverzoek gevolg te geven, mits door de Turkse autoriteiten wordt gewaarborgd dat [eiser], indien hij in Turkije wordt veroordeeld tot een vrijheidsstraf, hij die straf in Nederland mag ondergaan.

2.6.

[eiser] heeft cassatieberoep ingesteld tegen de beslissing van de rechtbank van 20 maart 2014. Bij arrest van 11 november 2014 is dit cassatieberoep verworpen.

2.7.

Bij beschikking van 3 februari 2015 heeft de minister de uitlevering van [eiser] aan Turkije toegestaan.

2.8.

Naar aanleiding van een Turks rechtshulpverzoek om [eiser] als verdachte te horen heeft de minister de Turkse autoriteiten bij brief van 14 april 2015 gevraagd of het uitleveringsverzoek wordt gehandhaafd. Bij nota van 6 mei 2015 hebben de Turkse autoriteiten dit bevestigd.

2.9.

Bij arrest van 29 april 2015 heeft het Hof van Cassatie te Turkije beslist dat in de strafzaak van de medeverdachten van [eiser] waarvoor [eiser]’s uitlevering wordt gevraagd er geen sprake is van een criminele organisatie onder Turks recht.

3 Het geschil

3.1.

[eiser] vordert – zakelijk weergegeven –:

- primair: de Staat te bevelen hem niet uit te leveren aan Turkije en de overname van de strafvervolging te gelasten;

- subsidiair: de Staat te bevelen, in geval de uitlevering toelaatbaar wordt geacht, duidelijke garanties aan de uitlevering te verbinden, waaronder een tijdslimiet voor de terugkeer naar Nederland van niet langer dan twee jaar en een Nederlandse monitor om toe te zien op de rechtsgang in Turkije.

3.2.

Daartoe voert [eiser] – samengevat – het volgende aan.

Er dreigt een schending van het specialiteitsbeginsel, temeer nu de Turkse autoriteiten in mei 2014 een rechtshulpverzoek hebben gedaan, nadat het uitleveringsverzoek van [eiser] reeds door de uitleveringsrechter was behandeld, waarin verzocht werd [eiser] als verdachte te horen met betrekking tot geheel andere feiten. Er bestaat geen duidelijkheid over de precieze feiten waarvoor de Turkse autoriteiten uitlevering verzoeken en over het tijdstip waarop deze feiten zouden zijn gepleegd. Het juridisch kader voor de beoordeling van een verzoek tot uitlevering geeft aan dat de tijd, plaats en de kwalificatie van de beschreven feiten zo nauwkeurig mogelijk dienen te worden opgegeven. Het uitleveringsverzoek voldoet dan ook niet aan de vereisten van vaste uitleveringsrechtspraak en artikel 18 lid 3 sub b van de Uitleveringswet.

Uitlevering is in strijd met de goede rechtsbedeling, nu de in het uitleveringsverzoek aan [eiser] te laste gelegde feiten zich primair in Nederland hebben afgespeeld. Daarbij komt dat [eiser] al sinds 1976 in Nederland woont en sinds 1993 Nederlands staatsburger is. Hij werkt hier en is volledig geïntegreerd. Mochten de tenlastegelegde feiten tot het opleggen van een gevangenisstraf leiden, dan zou resocialisatie het beste geschieden in Nederland.

Onduidelijk is voorts of de verstrekte terugkeergarantie wordt gedekt en wordt uitgevoerd door de justitiële instanties in Turkije. Het vertrouwensbeginsel biedt op dit punt onvoldoende houvast. Mocht de uitlevering doorgang vinden, dan dient daaraan in ieder geval een tijdslimiet verbonden te worden en, gelet op de trage rechtsgang in Turkije en ter voorkoming dat het proces onnodig wordt getraineerd, een vanuit Nederland aangestuurde monitor aan te worden gesteld.

Het risico op schending van de artikelen 3 en 6 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) bij uitlevering naar Turkije is groot. Rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens toont immers aan dat Turkije regelmatig niet in staat blijkt het recht op een eerlijk proces te waarborgen.

3.3.

De Staat voert gemotiveerd verweer, dat hierna, voor zover nodig, zal worden besproken.

4 De beoordeling van het geschil

4.1.

De raadsman van [eiser] heeft de voorzieningenrechter bij faxbericht van 7 augustus 2015 verzocht de zitting van 10 augustus 2015 aan te houden in verband met het eerst kort daarvoor door hem ontvangen arrest van Hof van Cassatie te Turkije, waarin is beslist dat in de strafzaak van de medeverdachten van [eiser] in Turkije geen sprake is van een criminele organisatie onder Turks recht. Volgens [eiser] bestaat de aanklacht tegen hem, en daarmee het uitleveringsverzoek, uitsluitend uit activiteiten die zouden samenhangen met deze criminele organisatie. [eiser] stelt zich op het standpunt dat met dit arrest de basis aan het uitleveringsverzoek is komen te ontvallen en dat het arrest op zijn minst aanleiding geeft voor het stellen van aanvullende vragen aan de Turkse autoriteiten, zodat duidelijk is of en zo ja waarvoor thans nog uitlevering wordt gevraagd.

4.2.

De Staat heeft te kennen gegeven niet met de gevraagde aanhouding akkoord te gaan. De Staat stelt zich in deze op het standpunt dat het uitleveringsverzoek niet enkel ziet op het deelnemen aan een criminele organisatie, maar evenzeer op het invoeren van verdovende middelen (XTC en heroïne) door [eiser]. Het opiumdelict is daarmee volgens de Staat niet van de baan. De Staat stelt voorts navraag te zullen doen bij de Turkse autoriteiten over de vraag of het uitleveringsverzoek wordt gehandhaafd, maar dat hoeft naar de mening van de Staat niet in de weg te staan aan de behandeling van het onderhavige kort geding.

4.3.

Uit het uitleveringsverzoek van de Turkse autoriteiten van 24 juni 2013 volgt dat [eiser] wordt verdacht van: “een criminele organisatie oprichten en als bestuurder deelnemen aan de organisatie, drugshandel doen en drugs importeren in het kader van de activiteiten van een criminele organisatie”. Uit de uitspraak van deze rechtbank van 20 maart 2014 kan worden afgeleid dat uit een aanhoudingsbevel van 5 juni 2013 volgt dat [eiser] ervan wordt verdacht dat hij lid was van een criminele organisatie en/of vanuit Nederland naar Turkije drugstabletten en/of harddrugs (heroïne) heeft laten importeren. In het arrest van het Hof van Cassatie tenslotte is het misdrijf in kwestie omschreven als “Lidmaatschap van een

organisatie opgericht met het oogmerk misdrijven te plegen, handel in verdovende of stimulerende middelen, invoer van verdovende of stimulerende middelen”. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter volgt uit deze omschrijvingen dat deelname aan een criminele organisatie in ieder geval een belangrijk onderdeel is geweest voor de door de Turkse autoriteiten verzochte en toegestane uitlevering van [eiser] naar Turkije. Hoewel niet kan worden uitgesloten dat Turkije het uitleveringsverzoek handhaaft, mag van de Staat in de gegeven situatie verwacht worden dat zij de Turkse autoriteiten verzoekt daarover op korte termijn duidelijkheid te verschaffen. [eiser] heeft er recht op en belang bij te weten waarvoor uitlevering wordt verzocht, alvorens daartoe daadwerkelijk zal worden overgegaan. Dat de Staat tot nu toe geen bericht heeft ontvangen van de Turkse autoriteiten over het al dan niet handhaven van het uitleveringsverzoek maakt dit niet anders.

4.4.

Het voorgaande leidt er toe dat, alvorens in het onderhavige kort geding een inhoudelijke beoordeling plaatsvindt, de Staat zich dient te wenden tot de Turkse autoriteiten met de vraag of zij het uitleveringsverzoek, gelet op de inhoud van het arrest van het Hof van Cassatie voornoemd handhaven, en zo ja waarvoor thans nog uitlevering wordt verzocht. Daartoe zal de voorzieningenrechter de zaak aanhouden tot 26 september 2015 pro forma, teneinde de Staat in de gelegenheid te stellen de reactie van de Turkse autoriteiten in het geding te brengen, waarna [eiser] in de gelegenheid zal worden gesteld daarop te reageren. Partijen hebben hun inhoudelijke standpunten ter zitting van 10 augustus 2015 naar voren gebracht, zodat de zaak vervolgens naar verwachting zonder nadere mondelinge behandeling inhoudelijk kan worden behandeld en vonnis worden gewezen.

4.5.

Iedere verdere beslissing in deze zaak worden aangehouden.

5 De beslissing

De voorzieningenrechter:

5.1.

houdt de behandeling van de zaak aan tot zaterdag 26 september 2015 pro forma;

5.2.

houdt iedere beslissing over de zaak zelf aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. G.P. van Ham en bij vervroeging in het openbaar uitgesproken op 17 augustus 2015.

hf