Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2015:12823

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
01-10-2015
Datum publicatie
12-11-2015
Zaaknummer
C/09/491159 KG ZA 15/923
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Kort geding. Afwijzing vordering tot opnieuw vaststellen retributie met inachtneming van door gedaagde gedane toezeggingen. Die toezeggingen kunnen niet worden begrepen op de wijze zoals eisers menen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank den haag

Team handel - voorzieningenrechter

zaak- / rolnummer: C/09/491159 / KG ZA 15/923

Vonnis in kort geding van 1 oktober 2015

in de zaak van

1 de stichting Stichting Belangenbehartiging Opstalhouders Haarlemmermeer,

gevestigd te Hoofddorp,

2. [gedaagde sub 2],

wonende te [woonplaats 1] , gemeente [gemeente] ,

3. [gedaagde sub 3],

wonende te [woonplaats 2] , gemeente [gemeente] ,

eisers,

advocaat mr. L.E. de Geer te Amsterdam,

tegen:

de publiekrechtelijke rechtspersoon Hoogheemraadschap van Rijnland,

gevestigd en kantoorhoudende te Leiden,

gedaagde,

advocaat mr. W. Lever te Amsterdam.

Eisers worden hierna gezamenlijk aangeduid als ‘SBOH c.s.’ en ieder afzonderlijk als ‘SBOH’, ‘ [gedaagde sub 2] ’ en ‘ [gedaagde sub 3] ’. Gedaagde wordt hierna aangeduid als ‘het Hoogheemraadschap’.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding met producties;

- de door het Hoogheemraadschap overgelegde conclusie van antwoord, met producties;

- de op 8 september 2015 gehouden mondelinge behandeling, waarbij door SBOH c.s. pleitnotities zijn overgelegd.

1.2.

Ter zitting is vonnis bepaald op heden.

2 De feiten

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting wordt in dit geding van het volgende uitgegaan.

2.1.

Het Hoogheemraadschap heeft in 2005 de eigendom van een groot aantal percelen in Haarlemmermeer gekregen, waarop door zijn rechtsvoorgangers opstalrechten waren gevestigd.

2.2.

SBOH is een stichting die tot doel heeft het vertegenwoordigen van de belangen van één of meer opstalhouders die een opstalrecht hebben bij het Hoogheemraadschap. Zowel [gedaagde sub 2] als [gedaagde sub 3] heeft een dergelijk opstalrecht.

2.3.

Het Hoogheemraadschap heeft op 12 april 2006 besloten de retributiesystematiek voor de opstalrechten te wijzigen. Op 31 januari 2007 heeft het Hoogheemraadschap – naar aanleiding van reacties op dat besluit – een nieuw besluit genomen (hierna: het besluit van 31 januari 2007). Dit besluit houdt onder meer in dat voor de bepaling van de retributie wordt uitgegaan van de waarde van de grond en een rentepercentage. Verder is besloten de waarde van de grond iedere vijf jaar vast te stellen door uit te gaan van de WOZ-waarde en van een zogenoemde grondquote met toepassing van een depreciatie en voorts iedere vijf jaar de rente aan te passen naar de gemiddelde 5 jaar Interest Rate Swap (IRS), zoals gepubliceerd in het Financieel Dagblad.

2.4.

Partijen hebben geprocedeerd over het besluit van 31 januari 2007. Het Hoogheemraadschap heeft met een groot aantal opstalhouders, van wie de in hun opstalrecht vermelde termijn na de invoering van het nieuwe beleid is verlopen, waaronder met [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3] , in 2008 een overeenkomst gesloten. Deze overeenkomst houdt onder meer in, samengevat, dat i) gedurende de lopende procedures het opstalrecht waarvan de termijn is verlopen van rechtswege zal voortduren, ii) de opstalhouders de retributie blijven betalen die op het moment van beëindiging van het opstalrecht van toepassing was, iii) vanaf het moment dat onherroepelijk vast komt te staan dat het Hoogheemraadschap gerechtigd is om het nieuwe beleid toe te passen, de opstalhouders alsnog met terugwerkende kracht tot de datum van beëindiging van het oude opstalrecht zullen meewerken aan (her)vestiging van het opstalrecht en het op dat moment geldende retributiebeleid.

2.5.

Deze rechtbank heeft bij vonnis van 18 augustus 2010, voor zover thans van belang, voor recht verklaard dat het Hoogheemraadschap jegens [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3] bij verlenging vanaf 1 juni 2007 gerechtigd is tot toepassing van de vergoedingen vastgesteld op basis van het besluit van 31 januari 2007, met uitzondering van de vijfjaarlijkse herberekening van de retributie op basis van de dan geldende WOZ-waarde. De invoering daarvan achtte de rechtbank in strijd met het motiveringsbeginsel en voorts was de rechtbank van oordeel dat hiermee een onvoorspelbare factor werd ingebracht, waardoor het risico ontstond dat de overgangsperiode illusoir wordt en daarmee achtte de rechtbank deze actualisering tevens in strijd met de redelijkheid en billijkheid.

2.6.

Naar aanleiding van dat vonnis van 18 augustus 2010 heeft het Hoogheemraadschap op 12 april 2011 besloten een andere methodiek voor aanpassing van de retributie te hanteren, inhoudende een vijfjaarlijkse indexering met 5% (hierna: het besluit van 12 april 2011).

2.7.

In het door SBOH c.s. ingestelde hoger beroep heeft het Gerechtshof ’s-Gravenhage (hierna: het Hof) bij arrest van 23 oktober 2012 voor recht verklaard:

“dat het Hoogheemraadschap jegens [gedaagde sub 2] , (…) [gedaagde sub 3] (…) bij verlenging/heruitgifte van het opstalrecht gerechtigd is tot uitvoering van het besluit van 12 april 2011, waarbij is besloten tot toepassing van de methodiek voor aanpassing van de retributie met 5% per 5 jaar en wordt afgezien van verdere doorberekening van inflatie en van veranderingen in de WOZ-waarde van de betreffende percelen.”

Hiertoe heeft het Hof, voor zover thans relevant, overwogen:

“27. De rechtbank heeft wel de in de nieuwe retributiesystematiek opgenomen vijfjaarlijkse actualisering van de retributie op basis van dan geldende WOZ-waarde tegenover de zittende opstalhouders (onder meer) in strijd geacht met de redelijkheid en billijkheid wegens de onvoorspelbaarheid van de gevolgen daarvan, met name in de overgangsperiode. (…) Naar aanleiding van het rechtbankvonnis heeft het Hoogheemraadschap de retributiesystematiek aldus gewijzigd dat de vijfjaarlijkse aanpassing thans slechts zal plaatsvinden door een verhoging met een vast percentage (5%). (…) Van een actualisering van de retributie in verband met de inflatie en in verband met de WOZ-waarde wordt afgezien, zoals het Hoogheemraadschap in de akte uitlating producties heeft betoogd en ten pleidooie heeft bevestigd. In het licht hiervan hebben SBOH c.s. bij een behandeling van deze grief geen belang. Aangezien door deze aanpassing voor de opstalhouders de noodzakelijke zekerheid wordt geboden en zijdens SBOH c.s. onvoldoende naar voren is gebracht om het hof tot het oordeel te brengen dat deze vorm van vijfjaarlijkse aanpassing onredelijk bezwarend is, ziet het hof geen grond om dit nieuwe onderdeel van de retributiesystematiek onredelijk bezwarend of in strijd met de redelijkheid, de billijkheid of het evenredigheidsbeginsel te achten.

43. In rechtsoverweging 27 heeft het hof overwogen dat het het besluit van het Hoogheemraadschap van 12 april 2011 tot invoering van een vijfjaarlijkse verhoging van de retributie met 5%, zoals zijdens het Hoogheemraadschap laatstelijk ten pleidooie toegelicht, niet in strijd acht met de redelijkheid en billijkheid en evenmin onredelijk bezwarend. Dit leidt ertoe dat het onder 2 gevorderde in zoverre voor toewijzing gereed ligt. (…) Hetgeen SBOH c.s. inhoudelijk nog tegen het besluit hebben aangevoerd, berust op een andere lezing van het besluit dan die van het hof. Met het oog op de duidelijkheid zal het hof de door het Hoogheemraadschap ten pleidooie aangegeven strekking in de beslissing expliciteren.”

2.8.

Naar aanleiding van het arrest van 23 oktober 2012 heeft het Hoogheemraadschap bij besluit van 22 januari 2013 een vaste vijfjaarlijkse indexering met 5% ingevoerd en het besluit van 31 januari 2007 voor het overige in stand gelaten.

2.9.

SBOH c.s. hebben beroep in cassatie ingesteld tegen het arrest van 23 oktober 2012. De Hoge Raad heeft bij arrest van 31 oktober 2014 het arrest van 23 oktober 2012 vernietigd en het geding verwezen naar het Gerechtshof Amsterdam ter verdere behandeling en beslissing. Deze vernietiging vloeit voort uit een onderdeel dat door de Hoge Raad gegrond is verklaard, dat geen betrekking heeft op het geschil tussen partijen dat in dit geding aan de orde is. Het door SBOH c.s. geformuleerde onderdeel, dat wel betrekking heeft op het onderhavige geschil tussen partijen, keert zich blijkens de tekst van het arrest van 31 oktober 2014 tegen de vaststelling van het Hof dat bij de nieuwe retributiesystematiek, waarbij de eenmalig vast te stellen retributie elke vijf jaar met 5% wordt verhoogd, wordt afgezien van een actualisering van de retributie in verband met de inflatie. Volgens het onderdeel is deze vaststelling onbegrijpelijk in het licht van het betoog van SBOH c.s. dat uit het RIGO-rapport (het rapport van de instantie waar het Hoogheemraadschap advies aan heeft gevraagd) blijkt dat a) de inflatiecorrectie al deel uitmaakt van de – eveneens op een rente gebaseerde – nieuwe retributie, b) de verhoging van 5% heeft te gelden als een gefixeerde verhoging van de grondwaarde bovenop de inflatie, terwijl c) in de komende vijf jaar geen verhoging van de grondprijzen te verwachten is. De Hoge Raad heeft geoordeeld dat dit onderdeel faalt en daartoe overwogen: “In rov. 43 heeft het hof het betoog van SBOH uitdrukkelijk verworpen, met de overweging dat het berust op een andere lezing van het besluit dan die van het hof. Duidelijkheidshalve heeft het hof die lezing (waarvan de juistheid, naar het hof vaststelt, uitdrukkelijk door het Hoogheemraadschap bij pleidooi is bevestigd) expliciet vastgelegd in het dictum van zijn arrest. Die lezing komt erop neer dat toepassing van de methodiek waarin de retributie vijfjaarlijks met 5% wordt aangepast, meebrengt dat wordt afgezien van (verdere) doorberekening van inflatie. Aangezien daarmee volledig is tegemoetgekomen aan hetgeen SBOH c.s. beogen, hebben zij geen belang bij hun klacht.”

2.10.

Het Hoogheemraadschap hanteert thans, met terugwerkende kracht vanaf 1 juni 2007, de volgende retributiesystematiek. Bij het bepalen van de aanvangsretributie wordt uitgegaan van de waarde van de grond en van een rentepercentage. De waarde van de grond wordt vastgesteld door uit te gaan van de WOZ-waarde en van een grondquote waarbij een depreciatie van 40% wordt toegepast. Het rentepercentage betreft het gemiddelde vijfjaarlijkse IRS. De op deze wijze vastgestelde aanvangsretributie wordt vervolgens enkel verhoogd met een vaste vijfjaarlijkse indexering van 5% (1% per jaar).

3 Het geschil

3.1.

SBOH vordert, zakelijk weergegeven, het Hoogheemraadschap te veroordelen:

1) binnen een maand na dit vonnis voor opstalhouders van wie de in het opstalrecht vermelde termijn is verlopen en aan wie het opstalrecht na invoering van het nieuwe beleid is heruitgegeven of verlengd of ten aanzien van wie de overeenkomst is gesloten, de retributie opnieuw vast te stellen aan de hand van het IRS percentage van de voorgaande vijf jaren verminderd met het in dat percentage opgenomen deel dat ziet op vergoeding voor de te verwachten geldontwaarding, op straffe van verbeurte van een dwangsom;

2) de teveel betaalde retributie aan voormelde opstalhouders terug te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente;

[gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3] vorderen ditzelfde maar dan ten aanzien van de retributie voor henzelf.

3.2.

Daartoe voeren SBOH c.s. – samengevat – het volgende aan. Het Hoogheemraadschap heeft in de tussen partijen gevoerde procedures verklaard dat de verhoging van vijfjaarlijks 5% niet slechts ziet op de stijging van de grondwaarde maar tevens op de aanpassing aan de geldontwaarding en toegezegd overigens af te zien van het doorberekenen van de geldontwaarding. Als gevolg van die toezegging heeft het Hof een grief van SBOH c.s. afgewezen en heeft de Hoge Raad geoordeeld dat SBOH c.s. geen belang hadden bij een klacht in dat kader. Het Hoogheemraadschap is dientengevolge verplicht af te zien van het doorberekening van de geldontwaarding in de retributie op een andere wijze dan middels de verhoging van 5% elke 5 jaar. Vast staat echter dat het door het Hoogheemraadschap ter berekening van de aanvangsretributie gehanteerde rentepercentage (IRS) een vergoeding voor geldontwaarding bevat. Op grond van hun toezegging is het Hoogheemraadschap gehouden bij de berekening van die aanvangsretributie het gehanteerde percentage te verminderen met de daarin opgenomen vergoeding voor geldontwaarding, maar dat weigert het Hoogheemraadschap.

3.3.

Het Hoogheemraadschap voert gemotiveerd verweer, dat hierna, voor zover nodig, zal worden besproken.

4 De beoordeling van het geschil

4.1.

Het Hoogheemraadschap heeft op meerdere gronden verweer gevoerd tegen het gevorderde. Volgens het Hoogheemraadschap is van een spoedeisend belang van SBOH c.s. geen sprake, is de vordering onvoldoende bepaalbaar en is de vordering ook op inhoudelijke gronden niet voor toewijzing vatbaar. De voorzieningenrechter ziet aanleiding eerst dit laatste verweer te beoordelen. Indien dit slaagt, kunnen de overige weren onbesproken blijven.

4.2.

Hetgeen partijen verdeeld houdt is hoe de toezegging die het Hoogheemraadschap heeft gedaan – kort gezegd: af te zien van verdere doorberekening van inflatie – moet worden begrepen. In dat kader moet het volgende vooropgesteld worden. Het Hof heeft reeds overwogen dat, kort gezegd, hetgeen SBOH c.s. inhoudelijk nog tegen het besluit van 12 april 2011 hebben aangevoerd, op een andere lezing van het besluit berust dan die van het Hof. SBOH c.s. heeft de Hoge Raad daarna gewezen op de omstandigheid, die zij ook thans aan haar vorderingen ten grondslag legt, te weten dat in de aanvangsretributie een vergoeding zit begrepen voor geldontwaarding (zie hiervoor onder 2.9. sub a). De Hoge Raad heeft echter overwogen dat de lezing van het besluit door het Hof erop neerkomt dat toepassing van de methodiek waarin de retributie vijfjaarlijks met 5% wordt aangepast, meebrengt dat wordt afgezien van (verdere) doorberekening van inflatie en de betreffende klacht van SBOH c.s. verworpen. Gelet hierop is er weinig ruimte om in kort geding de voorzieningen te treffen, zoals door SBOH c.s. gevorderd. Daarbij wordt het volgende overwogen.

4.3.

Naar aanleiding van het vonnis van 18 augustus 2010 is de berekening van de aanvangsretributie gelijk gebleven, maar heeft het Hoogheemraadschap besloten een andere methodiek te hanteren voor aanpassing van de retributie. Het Hof beoordeelt in zijn arrest van 23 oktober 2012 in overweging 27 enkel die wijziging van de systematiek, inhoudende de vijfjaarlijkse verhoging van de vastgestelde retributie met een vast percentage van 5%. Het Hof komt tot de conclusie dat dit nieuwe onderdeel van de retributiesystematiek niet onredelijk bezwarend dan wel in strijd met de redelijkheid en billijkheid of het evenredigheidsbeginsel is. Het Hof heeft daarbij de toezegging van het Hoogheemraadschap in aanmerking genomen. Die toezegging moet worden bezien in het kader van de context waarin deze werd gedaan, zijnde zoals voormeld de beoordeling van het gewijzigde systeem van aanpassing van de aanvangsretributie. Gelet daarop moet aangenomen worden dat de toezegging ook daarop betrekking had, zoals het Hoogheemraadschap stelt, en niet ook op de (ongewijzigde berekening van de) aanvangsretributie, zoals SBOH c.s. stellen, nu dat laatste hier niet ter beoordeling voorlag. De voorzieningenrechter begrijpt de toezegging dan ook aldus dat er, naast de vijfjaarlijkse aanpassing van de aanvangsretributie, niet nog een verdere aanpassing van die aanvangsretributie komt in verband met de inflatie. Voor het verminderen van het percentage dat door het Hoogheemraadschap wordt gehanteerd ter berekening van de aanvangsretributie met een (overigens bij beide partijen onbekend) percentage dat ziet op een vergoeding voor geldontwaarding, zoals SBOH c.s. wenst, biedt deze toezegging geen aanknopingspunt.

4.4.

Al hetgeen SBOH c.s. overigens hebben aangevoerd over de uitlatingen van het Hoogheemraadschap in producties, pleidooien en aktes kan het vorenstaande niet anders maken. Ook die uitlatingen moeten bezien worden in het licht van hetgeen hiervoor is overwogen, te weten betreffende de aanpassing van de aanvangsretributie en niet (tevens) de vaststelling daarvan. De verwijzing door SBOH c.s. ter zitting naar andere systemen, zoals van de gemeente Amsterdam, zijn in dit kader niet relevant, nu het hier gaat om de uitleg van een toezegging van het Hoogheemraadschap ten aanzien van het door hem gehanteerde systeem. Ten slotte wordt voorbij gegaan aan de verwijzing door SBOH c.s. naar de conclusie van de Procureur Generaal, gelet op hetgeen hiervoor is vermeld over de verwerping door de Hoge Raad van de betreffende klacht van SBOH c.s.

4.5.

Het vorenstaande leidt tot de conclusie dat niet (met de vereiste mate van waarschijnlijkheid) te verwachten is dat SBOH c.s. in een bodemprocedure in het gelijk zullen worden gesteld, zodat de vorderingen in dit kort geding niet voor toewijzing vatbaar zijn.

4.6.

SBOH c.s. zullen, als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de kosten van dit geding als na te melden.

5 De beslissing

De voorzieningenrechter:

5.1.

wijst het gevorderde af;

5.2.

veroordeelt SBOH c.s. om binnen veertien dagen nadat dit vonnis is uitgesproken de kosten van dit geding aan het Hoogheemraadschap te betalen, tot dusverre aan de zijde van het Hoogheemraadschap begroot op € 1.429,-, waarvan € 816,- aan salaris advocaat en € 613,- aan griffierecht;

5.3.

bepaalt dat SBOH c.s. bij gebreke van tijdige betaling de wettelijke rente over de proceskosten verschuldigd is;

5.4.

verklaart deze kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.E. Groeneveld-Stubbe en in het openbaar uitgesproken op 1 oktober 2015.

ts