Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2015:1282

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
10-02-2015
Datum publicatie
10-02-2015
Zaaknummer
09/797353-13
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bedrijfsongeval. Werknemer (onderaannemer) stapt tijdens werkzaamheden op het dak van een bedrijfshal op een lichtplaat en valt door het dak. Daaronder hingen geen vangnetten. De werknemer valt van ongeveer 7 meter naar beneden en overlijdt enkele dagen later aan zijn verwondingen. Vervolging van coördinator uitvoering voor dood door schuld en van hoofdaannemer voor overtreding art. 10 Arbeidsomstandighedenwet.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Strafrecht

Meervoudige kamer

Parketnummer 09/797353-13

Datum uitspraak: 10 februari 2015

Tegenspraak

(Verkort vonnis)

De rechtbank Den Haag, rechtdoende in strafzaken, heeft het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1973,

adres: [adres].

De terechtzitting

Het onderzoek is gehouden ten terechtzittingen van 25 november 2013, 28 oktober 2014 en 27 januari 2015.

De verdachte, bijgestaan door zijn raadsman mr. A.J.M. van Roy, advocaat te Amsterdam, is ter terechtzitting verschenen en gehoord.

De officier van justitie mr. J.A.W. van ‘t Westeinde heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het ten laste gelegde. De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte wordt veroordeeld tot een taakstraf van 120 uren, subsidiair 60 dagen hechtenis.

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot hoofdelijke toewijzing van de vordering van de benadeelde partij [benadeelde] en daarbij gevorderd dat de rechtbank aan verdachte de verplichting zal opleggen tot betaling aan de Staat van een bedrag groot € 2.402,48 ten behoeve van [benadeelde] voornoemd.

De tenlastelegging
Aan de verdachte is - na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting - ten laste gelegd dat:
hij op of omstreeks 21 oktober 2010 te Alphen aan den Rijn roekeloos, en/of grovelijk in elk geval zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend en/of onachtzaam en/of nalatig op de bouwplaats aan de Hoorn in de bedrijfshal van [bedrijf 1]

- er niet voor heeft gezorgd dat bij die arbeid, waarbij valgevaar bestond gebruik werd gemaakt van een (veilige) steiger en/of stelling en/of bordes en/of een werkvloer en/of het gevaar werd tegengegaan door het aanbrengen van doelmatige hekwerken, leuningen of andere dergelijke voorzieningen en/of

- er niet voor heeft gezorgd dat er ter voorkoming van het valgevaar voldoende sterke en voldoende grote vangnetten op doelmatige plaatsen en wijze waren en bleven aangebracht of doelmatige veiligheidsgordels met vanglijnen van voldoende sterkte werden gebruikt dan wel andere technische middelen waren/werden toegepast en/of

- er niet voor heeft gezorgd dat de werkzaamheden en/of veiligheidsmaatregelen van diverse op de bouwplaats werkende (medewerkers van) (onder)aannemers en/of een of meer andere(n) in voldoende mate op elkaar werden afgestemd en/of

- er niet voor heeft gezorgd dat de werkzaamheden van de diverse op de bouwplaats werkende (onder)aannemers dusdanig op elkaar waren afgestemd dat een ieder veilig haar werkzaamheden kon verrichten en/of

- heeft toegelaten en/of niet heeft voorkomen dat op de bouwplaats werd gewerkt op een (deel van het) dak waaronder geen en/of onvoldoende veilige vangnetten (meer) aanwezig waren;

waardoor het (mede) aan zijn, verdachte's, schuld te wijten is geweest dat [slachtoffer], die aldaar op het dak aan het werk was en op een lichtplaat in het dak stapte, waarbij deze lichtplaat bezweek, waarna deze [slachtoffer] door de ontstane opening (zo’n 7 meter) naar beneden viel en/of op een pallet met dakplaten en/of (vervolgens) op de grond terecht kwam en/of daarbij letsel bekwam, aan de gevolgen waarvan deze [slachtoffer] is komen te overleden.

De bewijsoverwegingen

Op grond van de stukken en het verhandelde ter terechtzitting stelt de rechtbank het volgende vast.

Op 21 oktober 2010 heeft er op het terrein van [bedrijf 1] te Alphen aan den Rijn een ongeval plaatsgevonden. Ten tijde van het ongeval werden door meerdere aannemers werkzaamheden verricht bij [bedrijf 1]. De werkzaamheden bestonden onder andere uit het vervangen van dakplaten van de loods. Deze loods was opgedeeld in een kleine en een grote hal. Het dak van de kleine hal lag lager dan het dak van de grote hal. Hoofdaannemer van de werkzaamheden was medeverdachte [bedrijf 2] (hierna: [bedrijf 2]). Coördinator uitvoering (namens en in dienst van [bedrijf 2]) op de werkplek was verdachte.

[slachtoffer], die op 21 oktober 2010 met enkele collega’s op het dak van de kleine bedrijfshal aan het werk was, stapte op een lichtplaat, zakte daar doorheen, viel ongeveer 7 meter naar beneden en kwam terecht op een betonnen vloer. Hij liep daarbij ernstig hersenletsel op, aan de gevolgen waarvan hij op 23 oktober 2010 is overleden. Ten tijde van het ongeval was er geen veiligheidsnet (meer) gespannen onder de plek waar [slachtoffer] door het dak is gevallen. Aanvankelijk had daar wel een veiligheidsnet gehangen, dat de val van [slachtoffer] had kunnen breken. Het bewuste veiligheidsnet was echter op 20 oktober, de dag voor het incident, aan het einde van de middag door [getuige] (ter plaatse werkzaam namens [bedrijf 3]) verwijderd.

De vraag die de rechtbank moet beantwoorden is of het overlijden van [slachtoffer] aan verdachte kan worden verweten en zo ja, in welke mate hem een verwijt kan worden gemaakt.

Verwijderen van het veiligheidsnet onder het voorste deel van de kleine hal

De rechtbank stelt vast dat zich in het dossier tegenstrijdige verklaringen bevinden met betrekking tot de gang van zaken rondom het weghalen van het veiligheidsnet op 20 oktober 2010.

De getuige [getuige] heeft verklaard dat hij op 20 oktober in opdracht van verdachte het veiligheidsnet onder het voorste deel van het lager gelegen dak (de kleine hal) – het dakdeel waar later het ongeval plaatsvond – heeft verwijderd. Verdachte zou hem te kennen hebben gegeven dat hij erbij moest voor een reparatie aan de gootconstructie. [slachtoffer] was niet bij dit gesprek tussen de getuige en verdachte aanwezig. Hij had de bouwplaats toen al verlaten omdat hij naar een bruiloft moest, aldus de getuige. Nadat [getuige] het net had weggehaald was er inmiddels niemand meer op de bouwplaats aanwezig en heeft hij er ook met niemand meer over gesproken, zo heeft hij verklaard. Wel heeft hij verdachte nog laten weten dat zijn werkzaamheden gereed waren.

Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat [slachtoffer] op 21 oktober in eerste instantie werkzaamheden zou verrichten op het hoger gelegen dakdeel, d.w.z. het dak van de grote hal. Omdat van dit dakdeel de gordingen moesten worden gerepareerd, kon [slachtoffer] daar op 21 oktober echter niet aan de slag. Verdachte stelt dat hij de dag ervoor, op 20 oktober 2010, met [getuige] en [slachtoffer] heeft besproken dat [slachtoffer] op 21 oktober 2010 alleen werkzaamheden op het achterste deel van het lagere dak, d.w.z. het dak van de kleine hal, zou verrichten (het deel dat tegen het hoger gelegen dak aanlag). Verdachte heeft beaamd dat in de kleine hal een deel van de gootconstructie moest worden vervangen en dat daarom, onder de bewuste plek van de reparatie, het net moest worden losgeknoopt zodat de reparateurs van de goot er bij zouden kunnen. Volgens verdachte heeft hij geen opdracht gegeven om het veiligheidsnet in het voorste deel van de kleine hal in zijn geheel te verwijderen. Verdachte heeft verklaard dat hij op 20 oktober met [getuige] had afgesproken dat hij die dag de netten onder het deel waar op 21 oktober de gootconstructie zou worden gerepareerd zou losknopen. [getuige] heeft hem op 20 oktober aan het eind van de dag inderdaad medegedeeld dat zijn werkzaamheden gereed waren.

Verdachte heeft noch toen noch op 21 oktober 2010, de dag van het ongeval, gecontroleerd of het net was opgeknoopt zoals hij naar eigen zeggen had verzocht. Voorts weet hij niet meer of hij op 21 oktober heeft gezien dat het bewuste net was verwijderd. Verdachte heeft verklaard dit verder ook niet besproken te hebben met [slachtoffer].

Onder deze omstandigheden valt niet vast te stellen of verdachte al dan niet opdracht heeft gegeven tot het verwijderen van het gehele net onder het voorste deel van de loods en/of hiervan op de hoogte was.

De rechtbank acht het hoogst onaannemelijk dat [slachtoffer] en zijn werknemers, die op 21 oktober 2010 ten tijde van het ongeval op het dak werkzaam waren, ervan op de hoogte waren dat het bewuste net was verwijderd. Dit temeer nu uit het dossier naar voren komt dat [slachtoffer] veiligheidsaspecten hoog in het vaandel had staan en uit de verklaringen van de mannen blijkt dat geen van hen wist dat het net was verwijderd.

Schuld in de zin van artikel 307 WvSr

Voor schuld als bedoeld in artikel 307 van het Wetboek van Strafrecht moet sprake zijn van een aanmerkelijke mate van verwijtbare onvoorzichtigheid. De rechtbank dient in dat kader de vraag te beantwoorden of verdachte minder heeft gedaan dan een ‘normaal’ mens in de gegeven situatie en omstandigheden zou hebben gedaan.

Verdachte was door zijn werkgever, de medeverdachte [bedrijf 2], aangesteld als coördinator uitvoeringsfase ter plaatse en was op de bouwplaats verantwoordelijk voor onder andere de veiligheid van de werknemers aldaar. Verdachte had in zijn rol als uitvoerend coördinator de taak om werkzaamheden op elkaar af te stemmen en veiligheidsmaatregelen op elkaar af te stemmen en te waarborgen. Aan een werknemer die een dergelijke functie vervult mag de eis worden gesteld dat deze actief toeziet op naleving van veiligheidsvoorschriften, controleert of gemaakte afspraken die de veiligheid betreffen worden nagekomen en of de werkzaamheden van alle betrokkenen – die immers van invloed (kunnen) zijn op de veiligheidsrisico’s – op elkaar zijn afgestemd.

Verdachte heeft dit in onvoldoende mate gedaan. Hij heeft, nadat hij op 20 oktober 2010 met [getuige] had gesproken over de te verrichten werkzaamheden aan de goot en de daarvoor benodigde aanpassingen aan de netten en nadat [getuige] hem had gemeld dat hij zijn werk had afgerond, niet op dat moment, en ook niet de dag erna gecontroleerd of de veiligheid van de werknemers die op het dak aan het werk zouden gaan, voldoende was gewaarborgd. Hij had dit wel behoren te doen, bijvoorbeeld door te controleren of de getuige de werkzaamheden volgens afspraak had uitgevoerd, door de afspraak met de werknemers op het dak te bevestigen of door te controleren of die werknemers zich hielden aan de afspraak omtrent de plaats op het dak waar zij aan het werk zouden gaan.

Dit klemt te meer, nu uit het dossier naar voren komt dat verdachte ervan op de hoogte was dat, voorafgaande aan de werkzaamheden van [getuige] aan de netten op 20 oktober, timmerlieden eerder die dag netten hadden losgeknoopt. Eén van de werknemers die op het dak aan het werk waren, [betrokkene], was daarover boos geworden en had verdachte daarop aangesproken. Verdachte mocht er dus niet zonder meer op vertrouwen dat ten aanzien van de netten door iedereen volgens voorschrift en/of in overleg zou worden gehandeld. Daar komt nog bij dat uit het dossier naar voren komt dat verdachte niet wist welke werkzaamheden [slachtoffer] en zijn medewerkers op 21 oktober 2010 verrichtten. Zo heeft verdachte op 12 januari 2011 tegenover de arbeidsinspectie desgevraagd beaamd dat [slachtoffer] en zijn medewerkers op 21 oktober 2010 niet op het hoger gelegen dak (het dak van de grote hal) konden beginnen met het aanbrengen van dakbeplating. Ernaar gevraagd wat [slachtoffer] dan wel moest doen op dat moment heeft verdachte geantwoord “geen idee” te hebben.

De raadsman heeft ter terechtzitting aangevoerd dat de werknemers die op het dak aan het werk waren, onder wie het latere slachtoffer, op de hoogte moeten zijn geweest van het feit dat het net onder het deel van het dak waar zij aan het werk waren, was verwijderd; zij zouden dit moeten hebben gezien toen zij die dag bouwmaterialen en gereedschappen uit de loods haalden.

De rechtbank verwerpt dit verweer. De vraag of de werknemers hiervan wetenschap hadden acht zij niet van belang voor de vaststelling van de (mate van) schuld van verdachte. De eigen verantwoordelijkheid van de werknemers op het gebied van hun eigen veiligheid staat immers los van de verantwoordelijkheid van de werkgever en degene die namens de werkgever verantwoordelijk is voor naleving van de arbeidsomstandighedenregels op de werkvloer.

Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat verdachte inderdaad anders had moeten en kunnen handelen en dat sprake is geweest van een aanmerkelijke mate van verwijtbare onvoorzichtigheid, onoplettendheid, onachtzaamheid en nalatigheid zijnerzijds. De rechtbank acht het aan verdachte ten laste gelegde feit (‘dood door schuld’) dan ook wettig en overtuigend bewezen.

De bewijsmiddelen

De rechtbank grondt haar overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

In die gevallen waarin de wet aanvulling van het vonnis vereist met de bewijsmiddelen, dan wel met een opgave daarvan, zal dit plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit vonnis zal worden gehecht.

De bewezenverklaring

Door de voormelde inhoud van vorenstaande bewijsmiddelen - elk daarvan, ook in zijn onderdelen, gebruikt voor het bewijs van datgene waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft - heeft de rechtbank de overtuiging bekomen dat de verdachte het tenlastegelegde feit heeft begaan, te weten dat:

hij op 21 oktober 2010 te Alphen aan den Rijn aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend en onachtzaam en nalatig op de bouwplaats aan de Hoorn in de bedrijfshal van [bedrijf 1]

- er niet voor heeft gezorgd dat er ter voorkoming van het valgevaar voldoende sterke en voldoende grote vangnetten op doelmatige plaatsen en wijze waren en bleven aangebracht en

- er niet voor heeft gezorgd dat de werkzaamheden en veiligheidsmaatregelen van diverse op de bouwplaats werkende medewerkers van (onder)aannemers en anderen in voldoende mate op elkaar werden afgestemd en

- er niet voor heeft gezorgd dat de werkzaamheden van de diverse op de bouwplaats werkende (onder)aannemers dusdanig op elkaar waren afgestemd dat een ieder veilig haar werkzaamheden kon verrichten en

- niet heeft voorkomen dat op de bouwplaats werd gewerkt op een deel van het dak waaronder geen of onvoldoende veilige vangnetten meer aanwezig waren,

waardoor het mede aan zijn, verdachtes, schuld te wijten is geweest dat [slachtoffer], die aldaar op het dak aan het werk was en op een lichtplaat in het dak stapte, waarbij deze lichtplaat bezweek, waarna deze [slachtoffer] door de ontstane opening zo’n 7 meter naar beneden viel en op een pallet met dakplaten en vervolgens op de grond terecht kwam en daarbij letsel bekwam, aan de gevolgen waarvan deze [slachtoffer] is komen te overlijden.

Voor zover in de tenlastelegging type- en taalfouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.

De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Het bewezenverklaarde levert het volgende strafbare feit op:

Aan zijn schuld de dood van een ander te wijten zijn.

De strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is eveneens strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

De strafoplegging

Na te melden straf is in overeenstemming met de ernst van het gepleegde feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Voorts wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft er, als coördinator belast met onder andere de veiligheid op de arbeidsplaats, niet voor gezorgd dat die arbeidsplaats voldoende veilig was. Daardoor is een werknemer die op het dak aan het werk was, op een lichtplaat stapte en daar doorheen zakte zo’n 7 meter naar beneden gevallen waardoor hij ernstig letsel opliep, aan de gevolgen waarvan hij is overleden. De vangnetten die een dergelijke val hadden behoren op te vangen bleken op die plek niet (meer) te hangen. Het overlijden op jonge leeftijd van het slachtoffer heeft, zoals duidelijk naar voren komt uit de ter terechtzitting voorgedragen schriftelijke slachtofferverklaring, de nabestaanden onherstelbaar leed aangedaan.

Werknemers moeten er in alle omstandigheden – maar met name bij arbeid waaraan grotere veiligheidsrisico’s kleven, zoals het werken op daken van gebouwen – op kunnen vertrouwen dat door de verantwoordelijke(n) voldoende maatregelen worden genomen om de veiligheid en het welzijn van die werknemers bij de door hen te verrichten arbeid te waarborgen. Verdachte was als coördinator bij uitstek de persoon die dit had moeten doen. Hij is in die taak tekortgeschoten. Hij heeft onvoldoende gecontroleerd of de met partijen gemaakte afspraken op de juiste wijze werden uitgevoerd, of de veiligheidsrisico’s (steeds) voldoende waren afgedekt en de werkzaamheden van de verschillende bedrijven en werknemers voldoende met elkaar waren afgestemd en besproken.

De rechtbank neemt hierbij overigens ook in aanmerking dat naar haar oordeel verdachte, die nog maar net bij de hoofdaannemer van dit werk, [bedrijf 2], in dienst was, door dit bedrijf onvoldoende was toegerust om zijn functie op een goede manier uit te voeren.

Uit een op naam van verdachte staand Uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 29 december 2014 blijkt dat verdachte niet eerder met justitie in aanraking is geweest.

De rechtbank heeft voorts rekening gehouden met de lange periode die is verstreken tussen het begaan van het bewezenverklaarde feiten en de dag waarop dit vonnis wordt gewezen.

Gelet op het vorenstaande acht de rechtbank na te melden straf passend en geboden.

De vordering van de benadeelde partij

[benadeelde] – nabestaande van het slachtoffer [slachtoffer] – heeft zich als benadeelde partij gevoegd ter zake van de vordering tot schadevergoeding, groot € 2.402,48. De benadeelde partij vordert vergoeding van materiële schade, te weten de cateringkosten bij de condoleance en de kosten van een grafmonument.

Nu uit het onderzoek ter terechtzitting is vast komen te staan dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden als gevolg van het bewezenverklaarde feit, de hoogte van de vordering door de verdachte niet is betwist en deze voldoende is onderbouwd door de benadeelde partij, zal de rechtbank de vordering toewijzen.

De rechtbank zal voorts de gevorderde wettelijke rente toewijzen, nu vast is komen te staan dat de schade met ingang van 23 oktober 2010 is ontstaan.

Dit brengt mee dat de verdachte dient te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met zijn vordering heeft gemaakt, welke kosten de rechtbank tot op heden begroot op nihil, en de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Nu de rechtbank heeft vastgesteld dat de gevorderde schade zowel is ontstaan door de in onderhavige zaak als in de zaak van de verdachte [bedrijf 2] bewezenverklaarde feiten, zijn zij daarvoor ieder hoofdelijk aansprakelijk. Indien en voor zover [bedrijf 2] de benadeelde partij betaalt, is verdachte in zoverre jegens de benadeelde partij van deze betalingsverplichting bevrijd.

Schadevergoedingsmaatregel.

Nu verdachte jegens de benadeelde partij naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het bewezenverklaarde strafbare feit is toegebracht en verdachte voor dit feit zal worden veroordeeld, zal de rechtbank aan verdachte de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van een bedrag groot € 2.402,48, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 23 oktober 2010 tot aan de dag waarop deze vordering is voldaan, ten behoeve van de benadeelde partij. De rechtbank zal ook de schadevergoedingsmaatregel hoofdelijk opleggen.

De toepasselijke wetsartikelen.

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen:

- 9, 22c, 22d, 24c, 36f en 307 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

De beslissing

De rechtbank:

verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan en dat het bewezenverklaarde uitmaakt:

AAN ZIJN SCHULD DE DOOD VAN EEN ANDER TE WIJTEN ZIJN;

verklaart het bewezenverklaarde en de verdachte deswege strafbaar;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

veroordeelt de verdachte tot:

een taakstraf, zijnde een werkstraf, voor de duur van 120 uren;

beveelt dat, voor het geval dat de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de tijd van 60 dagen;

wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij hoofdelijk toe en veroordeelt verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan [benadeelde], een bedrag van € 2.402,48, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 23 oktober 2010 tot aan de dag waarop deze vordering is voldaan;

veroordeelt de verdachte tevens in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

legt aan verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat van een bedrag groot € 2.402,48, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 23 oktober 2010 tot aan de dag waarop deze vordering is voldaan, ten behoeve van [benadeelde];

bepaalt dat in geval volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt - onder handhaving van voormelde verplichting - vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 34 dagen;

met bepaling dat de verdachte bij gehele of gedeeltelijke betaling door [bedrijf 2] aan de benadeelde partij, dan wel bij gehele of gedeeltelijke voldoening van de, aan [bedrijf 2] opgelegde, verplichting tot betaling aan de Staat, zal zijn bevrijd tot de hoogte van het betaalde bedrag;

bepaalt dat voldoening van de gehele of gedeeltelijke betalingsverplichting aan de benadeelde partij de betalingsverplichting aan de Staat in zoverre doet vervallen, alsmede dat voldoening van de gehele of gedeeltelijke betalingsverplichting aan de Staat de betalingsverplichting aan de benadeelde partij in zoverre doet vervallen.

Dit vonnis is gewezen door

mr. E. Rabbie, voorzitter,

mr. G.J. Schiffers-Hanssen, rechter,

mr. A.P. Sno, rechter,

in tegenwoordigheid van E.T. Rietbroek, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 10 februari 2015.