Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2015:12816

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
05-11-2015
Datum publicatie
10-11-2015
Zaaknummer
VK-11_1111
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Asiel, DRC, overgangsrecht, medische omstandigheden, zorgvuldig gehoor, ongeloofwaardig, 64 Vw, motiveringsgebrek 3:46 Awb, aanvullend besluit, BMA-advies

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg

Bestuursrecht

Zaaknummer: AWB 14/13180

V-nummer: [V-nummer]

uitspraak van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken van 5 november 2015 in de zaak tussen

[Naam eiser] , eiser,

gemachtigde mr. M.C.M. van der Mark,

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder,

gemachtigden mrs. S.J.M. Leijtens en A. Hadfy-Kovacs.

Procesverloop

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 26 mei 2014 waarbij de asielaanvraag van eiser is afgewezen (het bestreden besluit).

De behandeling van het beroep ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 november 2014. Eiser is ter zitting verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn gemachtigde mr. Leijtens. Tevens was aanwezig S. Malonga, tolk in de Lingala-taal.

Ter zitting heeft de rechtbank mondeling een tussenuitspraak gedaan, inhoudende dat verweerder alsnog ambtshalve dient te beoordelen of uitstel van vertrek om medische redenen, als bedoeld in artikel 64 van de Vreemdelingenwet (Vw), dient te worden verleend en daaromtrent een nader besluit te nemen, dan wel het bestreden besluit van een nadere motivering te voorzien.

Op 16 april 2015 heeft verweerder een aanvullend besluit genomen. Daarbij heeft verweerder besloten aan eiser geen uitstel van vertrek te verlenen op grond van artikel 64 van de Vw. Op grond van artikel 6:19 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) richt het beroep dat is ingesteld tegen het bestreden besluit zich mede tegen het aanvullend besluit.

Op 4 mei 2015 en 2 juni 2015 heeft eiser aanvullende gronden en stukken ingezonden.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

De nadere behandeling van het beroep ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 september 2015. Eiser is ter zitting verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn gemachtigde mr. Hadfy-Kovács. Tevens was ter zitting aanwezig M. Butu, tolk in de Lingala-taal. Ter zitting is het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. Eiser heeft gesteld te zijn geboren op [geboortedag] 1983 en de nationaliteit te bezitten van de Democratische Republiek Congo (DRC). Op 31 mei 2013 heeft eiser een aanvraag ingediend tot verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Hij heeft aan zijn aanvraag ten grondslag gelegd dat hij een verhouding heeft gehad met de dochter van kolonel Kanyama. Eiser heeft haar geholpen aan medicijnen voor het plegen van abortus nadat zij zwanger van hem is geraakt. De kolonel heeft eiser en zijn vader opgepakt. Eiser is door de militairen gedwongen om zijn moeder te verkrachten en is later zelf door de militairen misbruikt. Eiser is vervolgens mishandeld en gemarteld door de kolonel. Eiser is met hulp van ene Nikolas ontsnapt aan de militairen die hem in opdracht van de kolonel zouden moeten liquideren. Vervolgens is eiser gevlucht.

2. Verweerder heeft bij het bestreden besluit de asielaanvraag afgewezen op grond van artikel 31, eerste lid, gelezen in samenhang met het tweede lid, aanhef en onder f, van de Vw, zoals dat luidde tot 20 juli 2015. Eiser heeft toerekenbaar geen documenten met betrekking tot zijn identiteit en reisroute overgelegd. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat van het asielrelaas geen positieve overtuigingskracht uitgaat. Hiertoe is gesteld dat eiser slechts vage verklaringen over de dochter van de kolonel heeft afgelegd, waardoor de relatie met haar niet geloofwaardig wordt geacht. Bij het aanvullend besluit heeft verweerder bepaald dat eiser niet in aanmerking komt voor uitstel van vertrek op medische gronden.

3. Op wat eiser daartegen heeft aangevoerd wordt hierna – voor zover van belang – ingegaan.

De rechtbank oordeelt als volgt.

wettelijk kader

4. Op 20 juli 2015 is de wet van 8 juli 2015 tot wijziging van de Vw ter implementatie van de herziene Richtlijn 2013/32/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 betreffende gemeenschappelijke procedures voor de toekenning en intrekking van de internationale bescherming (Procedurerichtlijn) en Richtlijn 2013/33/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 tot vaststelling van normen voor de opvang van verzoekers om internationale bescherming (Opvangrichtlijn) in werking getreden. Op grond van het in die wetswijziging opgenomen overgangsrecht, neergelegd in artikel II, eerste lid, is op aanvragen tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd waarop is besloten voor inwerkingtreding van deze wet en intrekkingen voor inwerkingtreding van deze wet, het recht zoals dit gold voor inwerkingtreding van deze wet van toepassing, met uitzondering van artikel 83a (nieuw) van de Vw, tenzij het onderzoek door de rechtbank is gesloten.

5. Nu het bestreden besluit en het aanvullend besluit dateren van vóór de datum van inwerkingtreding van de gewijzigde Vw, 20 juli 2015, maar het onderzoek van de rechtbank daarna is gesloten, is voormelde gewijzigde Vw in dit geval niet van toepassing, met uitzondering van artikel 83a (nieuw) van de Vw.

6. Ingevolge artikel 31, eerste lid, van de Vw (oud) wordt een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd afgewezen, indien de vreemdeling niet aannemelijk heeft gemaakt dat zijn aanvraag is gegrond op omstandigheden die, hetzij op zichzelf, hetzij in verband met andere feiten, een grond voor verlening vormen.

7. Ingevolge artikel 83a van de Vw (nieuw) omvat de toetsing van de rechtbank een volledig en ex nunc onderzoek naar zowel de feitelijke als de juridische gronden, met inbegrip van, indien van toepassing, een onderzoek naar de behoefte aan internationale bescherming.

met betrekking tot het asielbesluit

8. De stelling van eiser dat verweerder onvoldoende rekening heeft gehouden met de medische omstandigheden van eiser tijdens de gehoren, volgt de rechtbank niet. Verweerder heeft, nadat MediFirst op 13 september 2013 heeft geconcludeerd dat eiser vanwege zijn psychische problematiek niet gehoord kon worden, het geplande nader gehoor uitgesteld voor de geadviseerde duur van drie maanden. Uit het vervolgadvies van MediFirst van 28 januari 2014 volgt dat eiser in staat is gehoord te worden. Wel wordt als advies gegeven dat een pauze wenselijk is indien eiser emotioneel zou reageren en dat in het geval eiser zou blokkeren, afleiding zou helpen. Uit het rapport van het nader gehoor van 28 januari 2014 blijkt dat verweerder hiermee rekening heeft gehouden. Zo zijn er diverse pauzes ingelast en heeft eiser zelf ook tijdens het gehoor diverse keren aangegeven dat het geen probleem was om het gehoor voort te zetten. Voorts heeft eiser verklaard blij te zijn met de manier waarop met hem is gesproken, dat de gehoorambtenaar het goed heeft gedaan en dat eiser zijn verhaal heeft kunnen doen. Ten slotte merkt de rechtbank op dat eiser in het geheel niet heeft aangegeven in welke mate er onvoldoende rekening is gehouden met de medische situatie van eiser noch hoe de geestesgesteldheid van eiser de inhoud van zijn verklaringen zou hebben beïnvloed. Verweerder heeft daarom van de tijdens de gehoren afgelegde verklaringen van eiser mogen uitgaan en deze aan het bestreden besluit ten grondslag kunnen leggen.

9. Voorts is in geschil of het asielrelaas van eiser als ongeloofwaardig moet worden aangemerkt.

10. De rechtbank overweegt dat, los van de vraag naar de toerekenbaarheid van het ontbreken van identiteits- en reisdocumenten, verweerder terecht tot de slotsom is gekomen dat het asielrelaas van eiser ongeloofwaardig is. Zo heeft verweerder hieraan terecht ten grondslag gelegd dat eiser vaag en summier en daarmee onvoldoende overtuigend heeft verklaard over zijn gestelde partner, de dochter van kolonel Kanyama, waardoor de relatie niet geloofwaardig wordt geacht. Eiser weet immers slechts te benoemen dat hij haar ‘La Charmante’ noemde, terwijl hij geen (verdere) basale informatie over haar heeft kunnen geven, zoals haar werkelijke naam of haar leeftijd. Van eiser, die stelt gedurende zes maanden een relatie met haar te hebben gehad, mag verwacht worden dat hij meer over zijn partner kan vertellen. Te meer, nu het de dochter van kolonel Kanyama zou zijn. Dat er slechts sprake zou zijn geweest van een seksuele relatie doet hier niet aan af. Eiser heeft immers ook verklaard dat hij en zijn partner verliefd waren. Verder heeft eiser slechts gesteld dat zijn partner de dochter van de kolonel was, maar kan hij niet verklaren hoe de familieband in elkaar zit en hoe hij aan de wetenschap is gekomen dat zijn partner de dochter van de kolonel zou zijn. De enkele stelling dat hij zijn partner en kolonel Kanyama een keer samen op de werkplaats heeft gezien, is hiertoe niet afdoende. Ook heeft verweerder terecht in aanmerking genomen dat niet valt in te zien waarom eiser zijn partner op de bouwplaats van de woning, waar meerdere werknemers aanwezig waren, heeft ontmoet terwijl de relatie strikt geheim moest blijven. Niet valt in te zien waarom eiser een dergelijk risico zou hebben genomen.

11. Het beroep, voor zover gericht tegen het asielbesluit, is ongegrond.

met betrekking tot artikel 64 van de Vw

12. In de tussenuitspraak van deze rechtbank van 10 november 2014 is overwogen dat verweerder in het bestreden besluit ten onrechte heeft overwogen dat in de onderhavige procedure geen ambtshalve toets in het kader van artikel 64 van de Vw plaatsvindt, maar dat eiser hiertoe een nieuwe (reguliere) aanvraag dient in te dienen. Gelet hierop kleeft aan het bestreden besluit een motiveringsgebrek als bedoeld in artikel 3:46 van de Awb.

13. Verweerder is in de gelegenheid gesteld het gebrek te herstellen, wat heeft geleid tot het aanvullend besluit van 16 april 2015 waarbij de aanvraag om toepassing van artikel 64 van de Vw is afgewezen. Aan de afwijzing is ten grondslag gelegd de adviesnota van het Bureau Medische Advisering (BMA) van 20 februari 2015.

14. Ter beoordeling staat vervolgens, gelet op de beroepsgronden, of het bestreden besluit kan worden gedragen door het BMA-advies van 20 februari 2015.

15. Een advies van het BMA moet worden aangemerkt als het advies van een deskundige. Volgens vaste rechtspraak kan verweerder een advies van het BMA aan zijn besluiten ten grondslag leggen. Voorwaarde is dan wel dat verweerder zich ingevolge artikel 3:2 van de Awb ervan dient te gewissen dat het advies – naar wijze van totstandkoming – zorgvuldig is en – naar inhoud – inzichtelijk en concludent. Indien een BMA-advies aan deze eisen voldoet, moet worden uitgegaan van de conclusies ervan, tenzij er concrete aanknopingspunten zijn voor twijfel aan de juistheid of de volledigheid van het advies.

16. Het BMA-advies van 20 februari 2015 is tot stand gekomen na raadpleging van de brieven van de behandelaar E. Bouwman, vluchtelingenarts GGZ Friesland van 23 mei 2014 en 4 februari 2014. Bij eiser is sprake van psychische klachten, die voortkomen uit een depressieve stoornis. Eiser krijgt eens per maand een uitnodiging voor een individueel gesprek bij de GGZ Friesland, waarin begeleiding en medicatie centraal staat. Het BMA stelt zich op het standpunt dat het uitblijven van behandeling zal leiden tot een toename van de depressieve klachten, maar dat een medische noodsituatie op korte termijn niet is te verwachten gezien de beperkte klachten en de relatief beperkte intensiteit van de behandeling. Eiser wordt in staat geacht te reizen met gangbare vervoersmiddelen. Aanbevolen wordt dat eiser een schriftelijke overdracht van medische gegevens meeneemt, om de medicatie te continueren tijdens de reis, alsmede om voldoende medicatie mee te nemen om de periode van de reis te overbruggen.

17. Bij brief van 29 mei 2015 heeft vluchtelingenarts Bouwman op het BMA-advies gereageerd. Voor zover van belang staat in deze brief het volgende. In maart 2015 is bij eiser een posttraumatisch stress-stoornis (PTSS) vastgesteld. Er is sprake van een depressieve stoornis in het kader van een PTSS. Het uitblijven van een behandeling zal leiden tot een toename van de depressieve klachten, maar ook van de trauma gerelateerde klachten in het kader van de PTSS. Ook bestaat een verhoogde kans op een nieuwe suïcidepoging bij het uitblijven van de behandeling. Er is reeds sprake geweest van een drietal pogingen tot suïcide, welke nimmer goed zijn gedocumenteerd omdat eiser in die periode niet onder behandeling was bij een GGZ-instelling.

18. De rechtbank is van oordeel dat niet gezegd kan worden dat het BMA-advies niet zorgvuldig tot stand is gekomen, noch dat dit advies niet inzichtelijk of concludent is. Weliswaar staan in het advies enkele kennelijke verschrijvingen, maar dat doet niet af aan de juistheid van de inhoud van het advies. De brief van de behandelaar van 29 mei 2015 leidt niet tot twijfels over de inzichtelijkheid en de concludentheid van dat advies. De rechtbank leidt uit het BMA-advies af dat het risico op een suïcidepoging onder ogen wordt gezien, maar dat er volgens het BMA geen duidelijk gedocumenteerde pogingen nopend tot acute psychiatrische interventie hebben plaatsgehad. Eiser heeft niet aangetoond dat deze stelling onjuist is. Uit het overgelegde patiëntendossier kan zulks niet blijken, terwijl eiser desgevraagd ter zitting geen inzicht en openheid heeft willen geven over de gestelde zelfmoordincidenten. Verweerder behoefde evenmin in de brief van vluchtelingenarts Bouwman van 29 mei 2015 aanleiding te zien deze voor te leggen aan het BMA. Weliswaar was de diagnose PTSS ten tijde van het opstellen van het BMA niet aan de orde, maar de klachten waarop deze diagnose is gebaseerd zijn dezelfde klachten op basis waarvan het BMA tot zijn advies is gekomen. De rechtbank acht het standpunt van het BMA dat stopzetting van de behandeling niet leidt tot een medische noodsituatie op korte termijn daarom inzichtelijk en concludent.

19. De stelling van eiser dat het BMA vermeldt dat eiser voldoende medicatie dient mee te nemen en dat daarin reden gelegen is om ook te onderzoeken of deze medicatie beschikbaar is in het land van het herkomst, berust op een onjuiste lezing van het advies. Het BMA doet immers slechts een aanbeveling. Bovendien hoeft de gestelde noodzaak van medicijnengebruik tijdens de reis niet te betekenen dat het niet-gebruiken ervan in het land van herkomst leidt tot een medische noodzaak op korte termijn.

20. De slotsom is dat verweerder het BMA-advies van 20 februari 2015 aan het bestreden besluit, zoals aangevuld op 16 april 2015, ten grondslag heeft kunnen leggen. De daartegen gerichte gronden falen.

21. De rechtbank laat het bestreden besluit, zoals aangevuld op 16 april 2015, in stand met toepassing van artikel 6:22 van de Awb. Het beroep, voor zover gericht tegen het niet-toepassen van artikel 64 van de Vw, is ongegrond.

22. De rechtbank ziet in dit geval, gelet op het bepaalde in rechtsoverweging 12, aanleiding verweerder te veroordelen in de door eiser gemaakte kosten. Deze kosten zijn op voet van het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op € 1.715,- (1 punt voor het beroepschrift, ½ punt voor de gronden na het aanvullend besluit en 2 punten voor het verschijnen ter zitting en nadere zitting, met een waarde per punt van € 490,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep ongegrond;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten ad € 1.715,-

(duizendzevenhonderdvijftien euro), te betalen aan eiser.

Deze uitspraak is gedaan door mr. B.F.Th. de Roos, rechter, in tegenwoordigheid van mr. M. Valk, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 5 november 2015.

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.