Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2015:12788

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
11-11-2015
Datum publicatie
11-11-2015
Zaaknummer
09/818486-15 & 09/837245-15
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Seksueel misbruik kleindochter, waaronder seksueel binnendringen. Gevangenisstraf van 30 maanden waarvan 6 maanden voorwaardelijk.

Vrijspraak kinderporno. Afbeeldingen in map ‘thumbs.db’, niet accessible. Opzet niet bewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Strafrecht

Meervoudige strafkamer

Parketnummers: 09/818486-15; 09/837245-15 (ttz.gev)

Datum uitspraak: 11 november 2015

Tegenspraak

(Promis vonnis)

De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:

[naam] ,

geboren op [geboortedag] 1951 te [geboorteplaats] ,

[adres 1]

thans gedetineerd in PI Haaglanden, locatie Zoetermeer.

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden ter terechtzitting van 9 september 2015 (pro forma) en

28 oktober 2015 (inhoudelijk).

De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie mr. C.C.E.T. Ceuninck van Capelle en van hetgeen door de raadsman van de verdachte mr. P.J.Ph. Dietz de Loos, advocaat te Wassenaar, en door de verdachte naar voren is gebracht.

2 De tenlastelegging

Aan de verdachte is – na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting (voor wat betreft parketnummer 09/818486-15) – ten laste gelegd dat:

parketnummer 09/818486-15 (dagvaarding I)

hij in of omstreeks de periode van 1 januari 2010 tot en met 10 juni 2015 te Leiden, althans (elders) in Nederland, meermalen, althans een maal, (telkens) met (zijn kleindochter) [slachtoffer] , geboren op [geboortedag slachtoffer] 2008, die toen de leeftijd van twaalf jaren nog niet had bereikt, een of meer handelingen heeft gepleegd, die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer] , te weten het (telkens)

- samen met die [slachtoffer] kijken naar porno en/of (daarbij) betasten van de vagina van die [slachtoffer] en/of

- brengen/duwen van zijn penis in de vagina van die [slachtoffer] en/of

- brengen/duwen van zijn penis in de anus van die [slachtoffer] en/of

- brengen/duwen van zijn penis in de mond van die [slachtoffer] en/of

- brengen /duwen van zijn tong in/tegen de vagina van die [slachtoffer] en/of

- zich laten aftrekken en/of betasten van zijn penis door [slachtoffer] en/of;

Subsidiair, indien het vorenstaande niet tot een bewezenverklaring en/of een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij in of omstreeks de periode van 1 januari 2010 tot en met 10 juni 2015 te Leiden, althans in Nederland, meermalen, althans een maal, (telkens) met [slachtoffer] , geboren op 20 december 2008, die toen de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt, buiten echt, een of meer ontuchtige handeling(en) heeft gepleegd, bestaande uit (telkens):

- het bekijken van porno samen met die [slachtoffer] en/of

- ( daarbij) het zich laten aftrekken/betasten van zijn penis door die [slachtoffer] en/of betasten van de vagina van die [slachtoffer] en/of

- het likken van de vagina van die [slachtoffer] en/of

- het laten betasten van zijn penis (terwijl hij op de wc was);

parketnummer 09/837245-15 (dagvaarding II)

hij in of omstreeks de periode van 1 januari 2010 tot en met 16 juni 2015, althans in elk geval op of omstreeks 16 juni te Leiden, in elk geval in Nederland, meermalen, althans eenmaal (telkens) een (aantal/hoeveelheid) afbeelding(en), te weten (een) een aantal (ca 10, althans een of meer) foto('s) (zgn thumbnails) - en/of (een) gegevensdrager(s) bevattende (een) afbeelding(en), te weten één of meer computer(s) en/of (een) (externe) harde schijf) - heeft verworven en/of zich daartoe door middel van een geautomatiseerd werk en/of met gebruikmaking van een communicatiedienst de toegang heeft verschaft,

terwijl op die afbeelding(en) (een) seksuele gedraging(en) zichtbaar is/zijn, waarbij (telkens) een persoon die kennelijk de leeftijd van achttien jaar nog niet had bereikt, was betrokken of schijnbaar was betrokken

welke voornoemde seksuele gedragingen - zakelijk weergegeven - bestonden uit (onder meer):

[bestandsnaam 1]

[bestandsnaam 1]

filename: [bestandsnaam 1]

Te zien is een kind tussen de 5 en 10 jaar oud dat voorover leunt. Een stijve penis van een volwassen man is bij de billen van het meisje en/of

[bestandsnaam 2]

[bestandsnaam 2]

[bestandsnaam 2]

Te zien is een meisje tussen de 6 en 10 jaar een stijve penis vast houdt van een volwassen man en/of

[bestandsnaam 3]

[bestandsnaam 3]

filename [bestandsnaam 3]

Te zien is een meisje tussen de 6 en 10 jaar oud. Het meisje houdt een stijve penis van een volwassen man in haar mond en/of

[bestandsnaam 4]

[bestandsnaam 4]

filename: [bestandsnaam 4]

te zien is een kind tussen de 5 en 10 jaar oud is te zien. Het kind heeft een stijve penis van een volwassen man in de mond en/of

[bestandsnaam 5]

[bestandsnaam 5]

filename: [bestandsnaam 5]

te zien is een meisje tussen de 1 en 4 jaar oud. Zij ligt met haar benen wijd. Tegen haar onderlichaam is een penis van een volwassen man te zien.

3 Bewijsoverwegingen

3.1

Inleiding

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat de verdachte [slachtoffer] , geboren op [geboortedag slachtoffer] 2008 (hierna te noemen: [slachtoffer] ), in de periode van 1 januari 2010 tot en met 10 juni 2015 seksueel heeft misbruikt, welk misbruik bij dagvaarding I primair is ten laste gelegd als het (onder meer) seksueel binnendringen van iemand beneden de leeftijd van twaalf jaren en subsidiair als het plegen van ontuchtige handelingen.

Bij dagvaarding II komt de verdenking erop neer dat de verdachte in de periode van

1 januari 2010 tot en met 16 juni 2015 kinderporno heeft verworven.

De verdachte heeft beide feiten ontkend.

3.2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft – overeenkomstig haar op schrift gestelde requisitoir –gevorderd dat de rechtbank wettig en overtuigend bewezen zal verklaren dat de verdachte de bij dagvaarding I primair en bij dagvaarding II tenlastegelegde feiten heeft begaan.

Ten aanzien van dagvaarding I heeft de officier van justitie aangevoerd dat tegenover de ontkenning van de verdachte een uitgebreide verklaring van [slachtoffer] staat welk verhaal geloofwaardig is en getuigt van authenticiteit. De officier van justitie heeft in dit verband gewezen op de gedetailleerdheid van de verklaring over de handelingen, de wijze waarop deze werden uitgevoerd en wat [slachtoffer] daarbij voelde, alsmede de omstandigheid dat [slachtoffer] zich tijdens het studioverhoor – ook toen er kritisch werd doorgevraagd – niet van de wijs heeft laten brengen. Daarnaast heeft [slachtoffer] – in tegenstelling tot de verdachte – zowel tegenover haar ouders als in het studioverhoor consistent verklaard. Vooral de spontane verklaring van [slachtoffer] tegenover haar moeder ‘dat piemels kunnen spugen’, zonder dat er sprake was van een seksueel gesprek, overtuigt ten aanzien van de betrouwbaarheid. De officier van justitie heeft voorts gewezen op de inhoud van het rapport van de medisch-forensisch deskundige, de van de school van [slachtoffer] afkomstige opmerkingen naar aanleiding van haar gedrag, de bekentenis van de verdachte tegenover zijn zoon [betrokkene 1] en ten slotte het vernietigen van de computer door de verdachte.

Ten aanzien van dagvaarding II heeft de officier van justitie gewezen op de omstandigheid dat de verdachte geen aannemelijke verklaring heeft kunnen geven voor de aanwezigheid van de kinderpornografische foto’s op zijn externe harde schijf.

3.3

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft – overeenkomstig zijn op schrift gestelde pleitnotities – integrale vrijspraak bepleit van de bij dagvaarding I en II tenlastegelegde feiten.

Ten aanzien van dagvaarding I heeft de raadsman aangevoerd dat de verdachte, met uitzondering van het vasthouden van zijn penis door [slachtoffer] tijdens het plassen, heeft ontkend dat hij seksuele handelingen met haar heeft verricht. Daartegenover staat enkel de belastende verklaring van het – volgens haar moeder – fantasierijke meisje [slachtoffer] . De raadsman heeft er daarbij op gewezen dat lang voor het ‘verantwoorde’ verhoor in de kindvriendelijke verhoorstudio, [slachtoffer] op een niet verantwoorde ‘gestuurde’ wijze en in een niet verantwoorde omgeving door haar vader is verhoord. Voor zover de verdachte het misbruik tegenover één van zijn zoons zou hebben bekend, is er sprake van een ‘gepushte’ bekentenis. De raadsman heeft voorts gewezen op de conclusies van het – overigens in een zeer laat stadium – uitgevoerde medisch-forensisch onderzoek van [slachtoffer] , die geen bewijs opleveren voor het tenlastegelegde ‘binnendringen’. Nu het door de verdachte erkende ‘vasthouden’ van zijn penis door [slachtoffer] iets anders is dan het tenlastegelegde ‘betasten’, kan voor wat betreft dit onderdeel van dagvaarding I evenmin een bewezenverklaring volgen.

Ten aanzien van dagvaarding II heeft de raadsman betoogd dat het proces-verbaal van bevindingen met betrekking tot de inbeslagname van alle gegevensdragers voor een groot deel voor het bewijs buiten beschouwing moet blijven, nu de cautie niet, dan wel in een veel te laat stadium is gegeven en verdachte daardoor in zijn verdediging is geschaad. Daarnaast bestaat volgens de raadsman de mogelijkheid dat de computer van de verdachte besmet is geworden door bestanden van derden dan wel door bijvangst bij het legaal downloaden van films.

3.4

De beoordeling van de tenlastelegging1

3.4.1

Dagvaarding I

3.4.1.1 Inleiding

Ter beantwoording van de vraag of de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het misbruik van zijn kleindochter, ziet de rechtbank zich met name gesteld voor de vragen of de verklaring van [slachtoffer] als betrouwbaar kan worden aangemerkt en of er voldoende steunbewijs is voor deze verklaring. Om deze vragen te kunnen beantwoorden zal de rechtbank allereerst de inhoud van de bewijsmiddelen bespreken.

3.4.1.2 Bewijsmiddelen

Aangifte

Op 28 mei 2015 heeft de vader van [slachtoffer] (hierna ook: aangever) aangifte gedaan namens zijn dochter [slachtoffer] , geboren op [geboortedag slachtoffer] 2008.2 Aangever heeft als volgt verklaard.

Zijn kinderen [slachtoffer] en [betrokkene 2] kwamen vanaf dat ze drie maanden oud waren minimaal één keer in de week vanaf ongeveer 6.30 tot 17.00 uur bij opa (verdachte) en oma. Daarnaast logeerden zij daar zo nu en dan.3 Op de school van [slachtoffer] was opgevallen dat [slachtoffer] erg opgesloten in zichzelf was en op seksueel gebied verder dan haar leeftijdsgenoten. Er is door een stagiaire gezien dat [slachtoffer] zichzelf in een hoekje aan het masturberen was. Zij benoemde volgens de juf ook dingen als ‘piemel in een kutje’.4

In de winter van 2014 hoorde aangever van zijn echtgenote dat [slachtoffer] tijdens het douchen had gezegd: “Mama, wist jij dat piemels kunnen spugen?” [slachtoffer] zei dat ze dat van opa had. In een daaropvolgend gesprek, dat aangever heeft opgenomen, vertelde [slachtoffer] tegen haar vader: “Dan moet je er heel hard aan trekken en dan gaat hij ineens spugen” en “Opa doet ook hele rare dingen. Dan ben ik aan het spelen en dan gaat hij me roepen en dan zijn er op de tv mensen rare dingen aan het doen met piemels en frummels en dan moet ik naast hem gaan zitten en toen deed hij zijn hand in mijn onderbroek.” Nadat aangever naar de verdachte was gegaan en hem had geconfronteerd met het opgenomen gesprek met [slachtoffer] , werd de verdachte knalrood en gaf hij toe dat het verhaal waarom piemels kunnen spugen is ontstaan toen [slachtoffer] zag dat hij klaarkwam terwijl hij op de computer naar een seksfilm keek.5

Op 6/7 mei 2015 trof aangever zijn dochters met ontbloot onderlijf aan op de slaapkamer. Toen aangever [slachtoffer] hier later op aansprak, zei zij: “Je wordt echt niet boos hè?” en “Als jij niet boos wordt, dan wordt opa wel boos. En dan moet ik de gevangenis in” en “opa doet rare dingen. Dan gaat hij kutje likken.” Volgens aangever is dat een woord dat zij binnen het gezin niet gebruiken. Zij gebruiken in plaats daarvan het woord ‘frummel’. [slachtoffer] vertelde: “Ik was [betrokkene 2] haar kutje aan het likken en zij het mijne” en “Opa doet rare dingen met zijn piemel en mijn frummel en hij zit er maar aan.” Op een vraag van de echtgenote van aangever antwoordde [slachtoffer] : “Je weet toch dat oma altijd vroeg naar bed gaat en ik mag altijd lang opblijven en dan ga ik op de bank zitten en gaat opa die rare films kijken”, films “dat mensen gaan lopen zoenen enzo”. Toen aangever [slachtoffer] vroeg: “En wat nog meer?”, vertelde zij dat opa zijn piemel in haar frummel deed.6

In een aanvullende verklaring d.d. 22 juni 2015 heeft aangever verklaard dat zijn vader sinds twee jaar op de [adres 1] woont en daarvoor op de [adres 2] (de rechtbank begrijpt: de [adres 1] te Leiden, zijnde het BRP-adres van de verdachte, en de [adres 2] te Leiden).7

De moeder van [slachtoffer] heeft onder meer verklaard dat [slachtoffer] tegen haar heeft gezegd: “Wist je dat piemels kunnen spugen?”8 Tevens heeft zij verklaard dat [slachtoffer] , nadat haar echtgenoot haar en haar zusje met ontbloot onderlijf had aangetroffen, had verteld dat ze deden wat opa ook altijd deed.9

Verklaringen [slachtoffer]

Uit het studioverhoor van [slachtoffer] komt – verkort en zakelijk, dan wel letterlijk weergegeven – het volgende naar voren:

- Opa bier (…) piemel in mijn frummel gedaan. En in mijn kont. En soms ook dat ik in mijn mond moet doen. Nu slaap ik niet meer bij opa bier omdat hij zo gek doet.10

- Het is heel vaak gebeurd. Soms op de bank en soms in opa zijn bed. Soms op de grond. Dat ik op de grond lig en opa dan staand en dan zijn piemel in mijn frummel.11

- Ik zeg steeds nee, gaat hij het weer doen. Ik lig op de grond in woonkamer, op mijn rug en op mijn zij. Opa staat dan en ik lig op mijn rug. Hij likt ook steeds in mijn gummel.12

- Opa maakt mijn knoopje van mijn broek los, onderbroek ook naar beneden. En opa deed mijn trui omhoog. Broek en onderbroek gingen tot mijn voeten. Hij doet zijn werkbroek naar beneden en zijn onderbroek ook. En dan zijn piemel eruit en dan doet hij het. Duwen. Het doet wel pijn.13

- Dan moet ik van opa steeds mijn benen zo omhoog doen. Dat hij er beter rechtdoor in kan. Als ik dat niet doe, dan moet wel die piemel juist naar beneden, maar het doet opa pijn. Maar dan moet hij een beetje verder opschuiven en dan komt het niet meer. Dan doet het wel heel erg pijn en dan moet hij wel mijn benen omhoog doen. En mijn benen zo wijd, per ongeluk. Opa zit dan op zijn knieën.14

- Als ik op mijn buik lig (…) dan doet hij soms in mijn kont.15

- Ik lig dan op de bank. Dan lig ik zo, goede tijden slechte tijden te kijken. Dan zegt opa: “Mag ik bij je doen?” maar ik zeg “nee.” Gaat hij gewoon. Dan zit opa op zijn knieën en dan gaat hij in mijn frummel.16

- Die piemel gaat in mijn frummel tot mijn navel. Maar volgens mij heb ik dat wel gevoeld. Dat het een beetje pijn doet ofzo. Als hij gaat duwen, doet het heel pijn. Maar mijn zusje (…) frummel heel klein. Want opa zegt: “Bij jou past hij wel lekker in.”17

- Als opa in mijn gummel gaat duwen, dan gaat mijn gummel rood worden en dat is niet heel goed niet. Dan doet het heel pijn.18

- Ik ga op mijn buik liggen en dan zit opa tussen mijn benen. Dat is in de woonkamer. Opa zegt dat ik zo moet gaan liggen: “Draai je effe om.” Mijn kleren zitten dan op mijn voeten. Opa gaat weer tussen mijn benen zitten, met zijn piemel. Ik weet dat het zijn piemel tussen mijn benen is. Dat ik het moet kijken. Dat ik hem soms, dat ik ook van opa soms in mijn mond moet doen. Als ik op mijn buik lig, gaat opa met zijn piemel in mijn kont of in mijn middelste.19

- Als opa de piemel in mijn gummel doet, dan duwt hij heel hard en dan gaat hij nog harder duwen. En nog harder, nog harder, nog harder, nog harder. Dan doet het heel pijn en dan zeg ik: “Stop opa!” en dan gaat hij door.20

- Maar hij doet het alleen als oma naar bed is.21

- Ik moest van opa mijn mond open doen zo. Doet hij gewoon de hele piemel in mijn mond. Dat was in de woonkamer.22

Verklaringen van de verdachte

De verdachte heeft het tenlastegelegde – met uitzondering van na te noemen incident(en) – ontkend en wisselende (alternatieve) scenario’s aangedragen voor de oorzaak van het gedrag van [slachtoffer] en haar verklaringen over het vermeende misbruik.

De verdachte heeft in zijn eerste verhoor verklaard dat hij tot haar vierde jaar wekelijks op vrijdag op zijn kleindochter [slachtoffer] paste. Daarna haalde de verdachte haar op donderdag van school. Zijn vrouw was dan aan het werk.23

Op een gegeven moment ging [slachtoffer] rare dingen doen, maar de verdachte ging er verder niet op in. Nadat [slachtoffer] herhaaldelijk de broek van de verdachte naar beneden bleef trekken – ook nadat hij had aangegeven dat hij dat niet leuk vond – kwam van het een het ander en heeft [slachtoffer] tijdens het plassen de penis van de verdachte vastgehouden. Het waren volgens de verdachte allemaal incidenten. Het is hooguit drie of vier keer gebeurd vanaf dat [slachtoffer] een jaar of vierenhalf was tot een jaar geleden. De verdachte werd er opgewonden van en kreeg een erectie. [slachtoffer] reageerde een beetje vreemd, maar zij schrok er niet van. De verdachte kreeg er ook een warm, prettig gevoel van. Volgens hem vond [slachtoffer] het misschien ook wel prettig omdat zij wel elke keer weer op zijn schoot ging zitten. De verdachte heeft tegen [slachtoffer] gezegd dat hij zulke dingen niet mag doen en dat hij daarvoor de gevangenis in kon gaan.24

De verdachte heeft bevestigd dat [slachtoffer] onverwachts de deur opendeed toen hij achter de computer naar porno keek. Hij had toen ‘zijn pik in zijn handen’.25

Ter terechtzitting heeft de verdachte als volgt verklaard. [slachtoffer] heeft tweemaal zijn penis vastgehouden tijdens het plassen, waarbij hij eenmaal een ‘kleine’ erectie heeft gekregen. Hij keek soms samen met [slachtoffer] televisie, onder meer naar ‘goede tijden slechte tijden’. Tijdens het televisie kijken voelde hij wel eens aan de binnenkant van de luier van [slachtoffer] of de luier nog droog was. Hij was ook altijd degene die de luier van [slachtoffer] verschoonde tijdens het oppassen. [slachtoffer] was toen drieënhalf tot vier jaar oud, het ging om de periode voordat zij naar school ging. De verdachte legde haar dan op de grond en maakte de ‘frummel’ en de schaamlipjes van [slachtoffer] goed schoon. Toen [slachtoffer] naar school ging heeft de verdachte haar ook nog weleens verschoond als zij in haar broek had gepoept.26

Medische stukken

Bij op 7 oktober 2015 verricht medisch-forensisch onderzoek werden geen letsels of andere afwijkende bevindingen gezien in het anogenitaal gebied van [slachtoffer] . De rapporteur kan niet uitsluiten dat [slachtoffer] met haar uitspraak dat de piemel tot haar navel in haar frummel ging, een vorm van penetratie van het voorhof bedoelde. Het zou daarbij mogelijk zijn dat een penis letterlijk tot haar navel reikte, maar dan wel vanaf de buitenzijde. Een andere mogelijkheid is dat er sprake was van anale penetratie, waarbij een penis wel diep kan penetreren en waarbij blijvend letsel van de anus niet te verwachten is.27

3.4.1.3 Het oordeel van de rechtbank

Waardering van het bewijs

De rechtbank overweegt dat een kenmerk van zedendelicten is dat zij doorgaans in beslotenheid worden begaan, zonder de aanwezigheid van getuigen die het gebeurde kunnen bevestigen, ontkrachten of nader beschrijven. Dat staat op gespannen voet met het bepaalde in artikel 342, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering. In dat artikel is een wettelijk bewijsminimum neergelegd (de zogeheten ‘unus testis nullus testis’-regel), inhoudende dat het bewijs dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan niet uitsluitend kan worden aangenomen op de verklaring van één getuige. De Hoge Raad heeft bij zijn arresten van 30 juni 2009 (ELCI:HR:2013:BH3704 en ECLI:HR:2013:BG7746) in dit verband overwogen dat een aangifte in voldoende mate moet worden ondersteund door andere bewijsmiddelen. Bij arrest van 26 januari 2010 is daaraan toegevoegd dat de vraag of aan dit bewijsminimum is voldaan, zich niet in algemene zin laat beantwoorden, maar een beoordeling van het concrete geval vergt (ECLI:HR:2010:BK2094).

Voor de beoordeling van het onderhavige geval acht de rechtbank het volgende van belang.

De rechtbank overweegt allereerst dat [slachtoffer] tegenover verschillende personen (haar vader, haar moeder en de verbalisant tijdens het studioverhoor) op verschillende momenten steeds consistent heeft verklaard over de manier en de momenten waarop het seksueel misbruik zou hebben plaatsgevonden. Tijdens het studioverhoor heeft zij zich niet laten meeslepen en heeft zij de verhoorder waar nodig gecorrigeerd. Anders dan de verdediging heeft betoogd, acht de rechtbank het onaannemelijk dat [slachtoffer] op haar nog jonge leeftijd zo gedetailleerd heeft kunnen verklaren over seksuele handelingen en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan, zonder het daadwerkelijk zelf te hebben meegemaakt. Het reproduceren van een dergelijk uitgebreid en gedetailleerd verhaal dat door de ouders van [slachtoffer] zou zijn ingeprent – zoals de verdachte heeft opgeworpen – sluit de rechtbank in het licht van het voorgaande eveneens uit. Daarnaast acht de rechtbank het onaannemelijk dat [slachtoffer] zou verzinnen of fantaseren dat zij tijdens de vermeende handelingen pijn heeft ondervonden.

Tijdens het studioverhoor heeft [slachtoffer] – na doorvragen – de door de verdachte verrichte handelingen verdergaand en uitvoeriger omschreven, en heeft zij zaken benoemd waarover zij nog niet eerder tegenover anderen had verklaard. Dit ondersteunt de betrouwbaarheid van de verklaring van [slachtoffer] en wijst er naar het oordeel van de rechtbank op dat zij niet tot een verhaal is gekomen naar aanleiding van het – wellicht in enige mate sturende – gesprek met haar vader. De rechtbank merkt in dit verband ook op dat uit de voornoemde verklaringen van de ouders van [slachtoffer] volgt dat er sprake was van een spontane ‘disclosure’ (de eerste keer dat zij over het vermeende misbruik heeft verteld), nu [slachtoffer] tijdens het douchen spontaan tegen haar moeder vertelde over ‘spugende piemels’.

Daarbij komt dat de verklaring die [slachtoffer] tijdens het studioverhoor heeft afgelegd over een aantal feiten en omstandigheden tot op zekere hoogte aansluit bij de verklaring van de verdachte. De rechtbank wijst in dit verband op de uitleg die de verdachte – overigens eerst ter terechtzitting – heeft gegeven over het verschonen van [slachtoffer] , dat tot vlak voor haar vierde levensjaar zou hebben plaatsgevonden. Nog daargelaten dat [slachtoffer] op die leeftijd hoogstwaarschijnlijk al zindelijk was, komt de wijze van het op de grond leggen overeen met de beschrijving die [slachtoffer] heeft gegeven van de door verdachte gepleegde seksuele handelingen. Hetzelfde geldt voor hetgeen [slachtoffer] blijkens de aangifte tegenover haar vader heeft verklaard over het in haar broekje voelen door de verdachte tijdens het kijken naar porno op de televisie, terwijl de verdachte – overigens ook eerst ter terechtzitting – heeft verklaard dat hij ook tijdens het televisie kijken aan de binnenkant van haar luier voelde of deze nog droog was. Voorts heeft [slachtoffer] tijdens een van de gesprekken over het misbruik tegen haar vader gezegd dat opa boos zou worden en dat zij dan de gevangenis in zou moeten. De rechtbank constateert in dit verband dat de verdachte met [slachtoffer] heeft gesproken over dat hij de gevangenis in kon gaan voor de dingen die hij met [slachtoffer] deed. Ten slotte kan uit de verklaring van de verdachte dat [slachtoffer] op het toilet meermalen zijn penis heeft vastgehouden worden afgeleid dat er kennelijk sprake was van een sfeer waarin het aanraken van geslachtsdelen plaatsvond. Daarbij heeft de verdachte verklaard dat de aanrakingen van [slachtoffer] hem niet onberoerd lieten, hetgeen ook blijkt uit de omstandigheid dat hij (eenmaal) een erectie zou hebben gekregen.

De verdachte heeft in zijn tweede verhoor bij de politie verklaard dat [slachtoffer] hem had verteld dat haar neef ( [betrokkene 3] ) en de vriend van haar tante ( [betrokkene 4] ) seksuele handelingen in het bijzijn van [slachtoffer] hadden verricht. Nog daargelaten dat de overige inhoud van het dossier geen enkele aanwijzing hiervoor biedt – zowel [betrokkene 3] als [betrokkene 4] hebben dit ontkend –, kan de rechtbank dit scenario niet rijmen met het besluit van de verdachte om deze informatie stil te houden. Van een opa – die naar eigen zeggen gek is op zijn kleindochter – is immers te verwachten dat hij in het belang van [slachtoffer] haar ouders hiervan zo spoedig mogelijk op de hoogte zou stellen, ook als daarmee het – in vergelijking daarmee als minder ernstig aan te merken – incident op het toilet aan het licht zou komen.

Voor zover de verdachte heeft verklaard dat de ouders van [slachtoffer] hem door de beschuldiging van seksueel misbruik proberen zwart te maken, overweegt de rechtbank dat het dossier ook hiervoor geen enkele steun biedt. In het licht hiervan merkt de rechtbank op dat de ouders – die voor de opvang van [slachtoffer] en hun andere dochter (mede) afhankelijk waren van de verdachte – zelfs na het eerste incident ondanks ‘onderbuikgevoelens’ in ieder geval hun jongste dochter aan de verdachte zijn blijven toevertrouwen en contact met hem zijn blijven houden. Daarnaast merkt de rechtbank op dat de vader van [slachtoffer] in zijn aangifte de verdachte – ook na de uitlatingen van [slachtoffer] – omschrijft als een behulpzame en lieve man die altijd voor hem klaar stond en met wie hij een goede band had.

De rechtbank hecht voorts waarde aan de omstandigheid dat door derden (op school) een gedragsverandering bij [slachtoffer] is opgemerkt en – niet bij haar leeftijd passend – seksueel gedrag is waargenomen.

De rechtbank overweegt tot slot dat de medisch-forensisch deskundige een mogelijke uitleg heeft gegeven aan de – op het eerste gezicht wat wonderlijke – uitlating van [slachtoffer] dat de piemel tot haar navel in haar frummel ging. Overigens sluit het ontbreken van letsel of andere afwijkende bevindingen seksueel misbruik niet uit.

Op grond van het vorenstaande acht de rechtbank de verklaring van [slachtoffer] over het seksueel misbruik betrouwbaar, met name omdat [slachtoffer] in het studioverhoor zeer specifiek heeft verklaard over de seksuele handelingen die zij moest ondergaan of die zij moest plegen, de locaties waar – zoals in de woonkamer op de grond – en de situaties waarin deze hebben plaatsgevonden. De rechtbank is voorts van oordeel dat de verklaring van [slachtoffer] in voldoende mate wordt ondersteund door andere bewijsmiddelen, waarvan de redengevende inhoud hiervoor is weergegeven en waarnaar in de voetnoten is verwezen.

Dit alles geldt niet voor de verklaringen van de verdachte, die bovendien wisselend zijn en op sommige onderdelen ook weinig geloofwaardig, bijvoorbeeld ten aanzien van het verschonen van [slachtoffer] en het voelen aan de binnenkant van haar luier.

De rechtbank zal derhalve het bij dagvaarding I primair ten laste gelegde bewezen verklaren, met uitzondering van het onderdeel het ‘zich laten aftrekken’, waarvoor het dossier onvoldoende bewijs bevat. Hoewel uit de bewijsmiddelen niet precies kan worden afgeleid wanneer de handelingen hebben plaatsgevonden, is wel duidelijk dat dit moet zijn geweest in de periode van 1 januari 2010 (toen [slachtoffer] één jaar oud was; van de periode daarvoor zal zij geen concrete herinneringen hebben) tot 10 juni 2015 (de dag na het studioverhoor).

3.4.2

Dagvaarding II

Op de aan de verdachte toebehorende inbeslaggenomen externe schijf zijn tien miniatuur kinderpornografische afbeeldingen aangetroffen. Nu de verdachte heeft ontkend dat hij zich bewust was van de aanwezigheid van deze foto’s, ziet de rechtbank zich gesteld voor de vraag of de verdachte de aangetroffen kinderpornografische afbeeldingen in de tenlastegelegde periode opzettelijk heeft verworven en/of daartoe de toegang heeft verschaft (hierna: verwerven etc.).

De rechtbank stelt voorop dat het verwerven etc. van kinderporno, in de zin van artikel 240b van het Wetboek van Strafrecht, slechts strafbaar is indien sprake is van opzet, al dan niet in voorwaardelijke vorm. De rechtbank stelt in dit verband vast dat de tien afbeeldingen zijn aangetroffen in de map ‘ thumbs.db ’. De miniatuur afbeeldingen zijn niet ‘accessible’ en niet voorzien van exif data. Het FilePath (of een gedeelte daarvan) van de afbeeldingen is ‘Mijn documenten/Mijn afbeeldingen/ Thumbs.db ’. Voornoemde map/bestand ‘ thumbs.db ’ is niet standaard zichtbaar en alleen visueel inzichtelijk te maken door middel van het aanpassen van de standaard instelling in het besturingssysteem Windows en op het internet vrijelijk en eenvoudig verkrijgbare software welke tevens eenvoudig in gebruik is.

De enkele aanwezigheid van afbeeldingen in de niet standaard zichtbare map ‘ thumbs.db ’ is naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende redengevend voor het bewijs van het opzettelijk verwerven etc. van kinderporno. Verdachte heeft ontkend deze afbeeldingen opzettelijk verworven te hebben, hij heeft verklaard dat hij geen verstand heeft van computers, hetgeen is bevestigd door zijn zoon [betrokkene 5] . Uit het dossier kan voorts niet worden afgeleid dat de verdachte handelingen heeft verricht als het wijzigen van instellingen en het downloaden van de benodigde software. Onder voornoemde omstandigheden valt niet uit te sluiten dat de afbeeldingen op een andere wijze, onbedoeld, op de harde schijf terecht zijn gekomen zonder dat deze op enig moment door de verdachte zijn bekeken. Derhalve is de rechtbank van oordeel dat niet wettig en overtuigend bewezen kan worden dat de verdachte het opzet heeft gehad, ook niet in voorwaardelijke zin, op het verwerven etc. van kinderpornografisch materiaal. De rechtbank zal de verdachte daarom vrijspreken van het bij dagvaarding II tenlastegelegde.

3.5

De bewezenverklaring

De rechtbank verklaart ten aanzien van de verdachte bewezen dat:

(dagvaarding I, primair)

hij in de periode van 1 januari 2010 tot en met 10 juni 2015 te Leiden meermalen telkens met zijn kleindochter [slachtoffer] , geboren op [geboortedag slachtoffer] 2008, die toen de leeftijd van twaalf jaren nog niet had bereikt, handelingen heeft gepleegd die bestonden uit of mede

bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer] , te weten het:

- samen met die [slachtoffer] kijken naar porno en betasten van de vagina van die [slachtoffer] en

- brengen/duwen van zijn penis in de vagina van die [slachtoffer] en

- brengen/duwen van zijn penis in de anus van die [slachtoffer] en

- brengen/duwen van zijn penis in de mond van die [slachtoffer] en

- brengen /duwen van zijn tong in/tegen de vagina van die [slachtoffer] en

- betasten van zijn penis door [slachtoffer] .

4 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. De rechtbank verwerpt het niet nader onderbouwde verweer van de raadsman strekkende tot ontslag van alle rechtsvervolging.

Het bewezenverklaarde levert het volgende strafbare feit op:

ten aanzien van dagvaarding I, primair:

met iemand beneden de leeftijd van twaalf jaren handelingen plegen die bestaan uit of mede bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam, meermalen gepleegd.

5 De strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is eveneens strafbaar, omdat er – mede gelet op de conclusie van de hierna nog te bespreken rapportage – geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten. De rechtbank verwerpt het niet nader onderbouwde verweer van de raadsman strekkende tot ontslag van alle rechtsvervolging.

6 De strafoplegging

6.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd aan de verdachte een gevangenisstraf voor de duur van tweeëndertig maanden op te leggen met aftrek van de in voorarrest doorgebrachte tijd, waarvan zes maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren. De officier van justitie heeft tevens gevorderd hieraan de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden te verbinden en deze voorwaarden dadelijk uitvoerbaar te verklaren.

6.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft geen strafmaatverweer gevoerd.

6.3

Het oordeel van de rechtbank

Na te melden straf is in overeenstemming met de ernst van het gepleegde feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek ter terechtzitting is gebleken. De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.

Ernst van het feit

De verdachte heeft gedurende een periode van enige jaren meermalen de lichamelijke integriteit van zijn kleindochter [slachtoffer] – die aan zijn zorg was toevertrouwd – geschonden door haar op vergaande wijze seksueel te misbruiken. Het is een feit van algemene bekendheid dat als gevolg van dat fysieke misbruik de psychische gezondheid van het slachtoffer ernstig kan worden geschaad. [slachtoffer] is, zo volgt uit de slachtofferverklaring die ter terechtzitting is voorgelezen, inmiddels ook onder behandeling van een psycholoog. De geestelijke schade kan van lange duur zijn omdat seksueel misbruik een normale en gezonde seksuele ontwikkeling, waar ieder kind recht op heeft, doorkruist. De verdachte heeft bij dit alles kennelijk nimmer stilgestaan.

Voorts acht de rechtbank zeer kwalijk dat de strafbare feiten zijn gepleegd door een grootvader ten opzichte van zijn kleindochter, een verhouding die een vertrouwensband inhoudt. De verdachte paste in zijn woning wekelijks op zijn kleinkinderen wanneer de ouders werkten en daarnaast logeerde [slachtoffer] met enige regelmaat bij hem. Door het kwetsbare jonge slachtoffer niet te beschermen of in bescherming te nemen tegen zichzelf, heeft de verdachte op grove wijze misbruik gemaakt van het overwicht dat hij als volwassene had en tevens van de vertrouwensrelatie die hij met zijn kleindochter had. Nu de verdachte heeft bevestigd dat hij opgewonden raakte van het vasthouden van zijn penis door [slachtoffer] , moet het ervoor worden gehouden dat hij zijn eigen gevoelens en de bevrediging van zijn seksuele behoeften bij het misbruik voorop heeft gesteld. Daarnaast vonden de handelingen plaats in de woning van de verdachte, een omgeving die veiligheid en geborgenheid zou moeten bieden, nu [slachtoffer] hier geregeld verbleef.

De rechtbank rekent het de verdachte aan dat hij niet de verantwoordelijkheid voor zijn handelen neemt, en de handelingen die hij wel heeft bekend lijkt te bagatelliseren.

Documentatie

De rechtbank heeft kennisgenomen van een uittreksel uit de justitiële documentatie d.d. 15 oktober 2015, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder wegens strafbare feiten met politie of justitie in aanraking is gekomen.

Persoon van de verdachte

De rechtbank heeft met betrekking tot de persoon van de verdachte kennisgenomen van de volgende stukken:

  • -

    het Pro Justitia rapport psychologisch onderzoek d.d. 17 augustus 2015, opgesteld door dr. R.A.R. Bullens (klinisch psycholoog, hierna Bullens);

  • -

    het reclasseringsadvies van Reclassering Nederland (hierna: de reclassering) d.d. 31 augustus 2015, opgesteld door S. Steijger (reclasseringswerker) onder supervisie van G. van Langen (leidinggevende).

Bullens concludeert uit het door hem verrichte klinisch-psychologisch onderzoek dat de verdachte een zeer positief zelfbeeld heeft waarbij hij ten aanzien van de door hem erkende handelingen (het tonen van zijn penis en vasthouden ervan door [slachtoffer] ) in passieve termen spreekt, zoals: “Het gebeurde gewoon”. De verdachte lijkt daarbij weinig oog te hebben voor de mogelijk impact van zijn handelen op [slachtoffer] , maar voornamelijk bezig te zijn met de negatieve gevolgen voor hemzelf, zoals het niet meer zien van zijn kleinkinderen en de echtscheiding. De verdachte vindt dat hij behandeling nodig heeft voor zijn seksverslaving op de computer, maar niet voor hetgeen er met [slachtoffer] is voorgevallen. Volgens Bullens is er bij de verdachte sprake van een benedengemiddelde intelligentie, tegen zwakbegaafdheid aan. Hij schiet in stressvolle situaties tekort in zijn probleemoplossende vermogens. De verdachte lijkt een seksuele copingstrategie te hanteren door de leegte in de vorm van zijn sterk verminderde seksuele relatie sinds zijn longproblemen op te vullen met het kijken naar porno op internet. Volgens Bullens is er bij de verdachte geen sprake van een stoornis en was hij ten tijde van het tenlastegelegde volledig toerekeningsvatbaar. Nu de verdachte, naar eigen zeggen, aanvankelijk afwijzend heeft gereageerd op het gedrag van [slachtoffer] , was hij zich volledig bewust van het wederrechtelijke karakter van de door hem erkende handelingen, aldus Bullens. Bullens schat de kans op herhaling in als laag. Wel zijn de sociale afwijzing/eenzaamheid (arbeidsongeschikt, geen langdurige vriendschappen, negatieve emotionaliteit, seksuele motivatie/preoccupatie) aan te merken als risicofactoren. Bullens acht vanuit zorgoogpunt behandeling bij De Waag geïndiceerd om de seksuele gedachten en gevoelens uit te pluizen, inzicht te verwerven in het handelen met betrekking tot het seksueel misbruik (indien bewezen) en adequate copingstrategieën aan te leren, hetgeen een bijdrage kan leveren aan delictpreventie.

De rechtbank is van oordeel dat bovengenoemde rapportage op zorgvuldige wijze tot stand is gekomen en dat de conclusie van het psychologisch onderzoek met betrekking tot de toerekenbaarheid wordt gedragen door een deugdelijke en inzichtelijk gemotiveerde onderbouwing. De rechtbank neemt deze conclusie dan ook over en maakt deze tot de hare.

De reclassering ziet problemen op het gebied van huisvesting, opleiding/werk/financiën, partner/gezin. Volgens de reclassering moet de verdachte worden beschouwd als een gelegenheidsdader die onvoldoende zelfreguleringsmogelijkheden heeft gehad. Het recidiverisico wordt als laag ingeschat. In het kader van een daderbehandeling kan nader onderzoek worden gedaan naar de totstandkoming van het delictgedrag. Daarnaast dient het inzicht van de verdachte in de gevolgen van seksueel misbruik bij slachtoffers te worden vergroot, dienen zijn copingvaardigheden te worden verbeterd en moet er een terugvalpreventie- en toekomstplan worden gemaakt. De reclassering adviseert derhalve een gedeeltelijk voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen met als bijzondere voorwaarden:

- een meldplicht,

- een behandelverplichting bij De Waag,

- een contactverbod met [slachtoffer] en [betrokkene 2] .

Straf

Gelet op de ernst van het feit is de rechtbank van oordeel dat niet kan worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf welke onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming met zich brengt. Nu de rechtbank – anders dan de officier van justitie heeft gevorderd – tot een vrijspraak komt van het bij dagvaarding II tenlastegelegde, acht zij een iets lagere onvoorwaardelijke gevangenisstraf dan is gevorderd passend. Daarbij heeft de rechtbank meegewogen de leeftijd van de verdachte en zijn gezondheidsproblemen en het feit dat zijn relaties met gezins- en familieleven onherstelbaar lijken te zijn ontwricht.

De rechtbank zal op deze straf de tijd die de verdachte in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht in mindering brengen en tevens een deel van de gevangenisstraf in voorwaardelijke vorm opleggen en daaraan een proeftijd voor de duur van twee jaren verbinden. Deze voorwaardelijke straf strekt ertoe de verdachte ervan te weerhouden zich in de toekomst wederom aan strafbare feiten schuldig te maken. De rechtbank zal aan de voorwaardelijke straf de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden verbinden. Mede gelet op de duur van de onvoorwaardelijke gevangenisstraf, ziet de rechtbank geen aanleiding om deze voorwaarden dadelijk uitvoerbaar te verklaren.

7 De vordering van de benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel

[slachtoffer] (wettelijk vertegenwoordiger [betrokkene 6] ) heeft zich als benadeelde partij gevoegd ter zake van een vordering tot schadevergoeding, groot:

  • -

    € 34,26 inhouding zorgverlof op loon juni 2015

  • -

    € 24,75 inhouding zorgverlof op loon juli 2015

  • -

    € 107,34 correctie wachtdagen bij ziekte juli 2015

  • -

    € 208,20 opname vakantieverlof 15 uur

  • -

    € 3.500,00 immateriële schade

€ 3.874,55 totaal, te vermeerderen met de wettelijke rente.

7.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering van de benadeelde partij, te vermeerderen met de wettelijke rente en onder oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

7.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft primair verzocht de vordering niet-ontvankelijk te verklaren, althans af te wijzen, nu er voor wat betreft het tenlastegelegde waar de vordering op ziet vrijspraak dan wel ontslag van alle rechtsvervolging is bepleit. Subsidiair heeft de raadsman betoogd dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de vordering moet worden verklaard voor zover deze ziet op de opgevoerde kostenposten, dan wel dat de vordering moet worden afgewezen, nu deze kosten niet door [slachtoffer] maar door haar moeder [betrokkene 6] zijn gemaakt.

7.3

Het oordeel van de rechtbank

Materiële schade

Anders dan de verdediging heeft betoogd, is de rechtbank van oordeel dat uit het onderzoek ter terechtzitting – en dan met name de toelichting van de moeder van [slachtoffer] – vast is komen te staan dat de benadeelde partij rechtstreeks materiële schade heeft geleden als gevolg van het bij dagvaarding I primair bewezenverklaarde feit. De rechtbank overweegt hiertoe dat het, gelet op de jeugdige leeftijd van [slachtoffer] , voor haar niet mogelijk is geweest om zonder begeleiding het, als gevolg van het bewezenverklaarde misbruik, noodzakelijke studioverhoor en lichamelijk onderzoek te ondergaan. De door de moeder van [slachtoffer] – als wettelijk vertegenwoordiger van [slachtoffer] – gemaakte kosten om haar dochter hierin en in het kader van de onderhavige vordering te kunnen bijstaan komen derhalve voor vergoeding in aanmerking. De vordering voor zover deze betrekking heeft op materiële schade, is daarom toewijsbaar tot een bedrag van € 374,55.

Immateriële schade

De rechtbank acht de vordering ten bedrage van € 3.500,- als vergoeding ter zake van immateriële schade tot dat bedrag naar billijkheid toewijsbaar, nu door de verdachte de omvang daarvan niet is betwist en is komen vast te staan dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden als gevolg van het bij dagvaarding I primair bewezenverklaarde feit.

De rechtbank zal derhalve de vordering toewijzen tot een bedrag van € 3.874,55.

De rechtbank zal voorts de gevorderde wettelijke rente toewijzen, op de navolgende wijze:

  • -

    ten aanzien van de immateriële schade (€ 3.500,-) met ingang van 10 juni 2015, zijnde de dag waarop de schade laatstelijk is ontstaan;

  • -

    ten aanzien van de materiële schade (€ 374,55) met ingang van de dag dat deze kosten zijn gevorderd, te weten 13 oktober 2015.

Nu de vordering geheel wordt toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met haar vordering heeft gemaakt, welke kosten de rechtbank tot op heden begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Schadevergoedingsmaatregel

Nu de verdachte voor het bij dagvaarding I primair bewezenverklaarde strafbare feit zal worden veroordeeld en hij jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door dit feit is toegebracht, zal de rechtbank aan de verdachte de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van een bedrag groot € 3.874,55, vermeerderd met de wettelijke rente over een bedrag van € 3.500,- vanaf 10 juni 2015 en over een bedrag van € 374,55 vanaf 13 oktober 2015, beide tot aan de dag waarop deze vordering is voldaan, ten behoeve van het slachtoffer genaamd [slachtoffer] (wettelijk vertegenwoordiger [betrokkene 6] ).

8 De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen straf en maatregel zijn gegrond op de artikelen:

- 14a, 14b, 14c, 14d, 24c, 36f, 57 en 244 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

9 De beslissing

De rechtbank:

verklaart niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het bij dagvaarding II met parketnummer 09/837245-15 tenlastegelegde feit heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het bij dagvaarding I met parketnummer 09/818486-15 primair tenlastegelegde feit heeft begaan en dat het bewezenverklaarde uitmaakt:

met iemand beneden de leeftijd van twaalf jaren handelingen plegen die bestaan uit of mede bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam, meermalen gepleegd;

verklaart het bewezenverklaarde en de verdachte deswege strafbaar;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

veroordeelt de verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van 30 (dertig) maanden;

bepaalt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijk gedeelte van de hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;

bepaalt dat een gedeelte van die straf, groot 6 (zes) maanden, niet zal worden tenuitvoergelegd onder de algemene voorwaarden dat de veroordeelde:

- zich voor het einde van de hierbij op twee jaren vastgestelde proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

- ter vaststelling van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

- medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen;

en onder de bijzondere voorwaarden dat de veroordeelde:

- gedurende de proeftijd geen contact legt of laat leggen – direct of indirect – met zijn kleinkinderen [slachtoffer] en [betrokkene 2] , zolang de reclassering dit noodzakelijk acht;

- zich gedurende de proeftijd meldt bij Reclassering Nederland, adres: Bezuidenhoutseweg 179 te Den Haag, op door de reclassering te bepalen tijdstippen, zo frequent en zolang de reclassering dat noodzakelijk acht;

- zich gedurende de proeftijd onder behandeling stelt van een instelling voor ambulante forensische zorg zoals De Waag, zulks ter beoordeling van de reclassering, waarbij de veroordeelde zich zal houden aan de aanwijzingen die hem in het kader van die behandeling door of namens de instelling/behandelaar zullen worden gegeven;

geeft opdracht aan Reclassering Nederland tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde bijzondere voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden;

wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij toe en veroordeelt de verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan [slachtoffer] (wettelijk vertegenwoordiger [betrokkene 6] ) een bedrag van € 3.874,55, vermeerderd met de wettelijke rente over een bedrag van € 3.500,- vanaf 10 juni 2015 en over een bedrag van € 374,55 vanaf 13 oktober 2015, beide tot aan de dag waarop deze vordering is voldaan;

veroordeelt de verdachte tevens in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

legt aan de verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat van een bedrag groot

€ 3.874,55, vermeerderd met de wettelijke rente over een bedrag van € 3.500,- vanaf 10 juni 2015 en over een bedrag van € 374,55 vanaf 13 oktober 2015, beide tot aan de dag van de algehele voldoening, ten behoeve van het slachtoffer genaamd [slachtoffer] (wettelijk vertegenwoordiger [betrokkene 6] );

bepaalt dat in geval volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt - onder handhaving van voormelde verplichting - vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 48 dagen;

bepaalt dat voldoening van de gehele of gedeeltelijke betalingsverplichting aan de benadeelde partij de betalingsverplichting aan de Staat in zoverre doet vervallen, alsmede dat voldoening van de gehele of gedeeltelijke betalingsverplichting aan de Staat de betalingsverplichting aan de benadeelde partij in zoverre doet vervallen.

Dit vonnis is gewezen door

mr. M.L. Ruiter, voorzitter,

mr. A.J. Milius, rechter,

mr. S.L.M. Staals, rechter,

in tegenwoordigheid van mr. E. Noorlander, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 11 november 2015.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door (een) daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en). Waar wordt verwezen naar dossierpagina’s, betreft dit de pagina’s van het proces-verbaal met het nummer PL1500-2015136596, van de politie eenheid Den Haag, Dienst Regionale Recherche, Afdeling Thematische Opsporing, met bijlagen (doorgenummerd blz. 1 t/m 236).

2 Proces-verbaal van aangifte door [betrokkene 5] namens [slachtoffer] , d.d. 28 mei 2015, blz. 34.

3 Ibidem, blz. 35 en 43.

4 Ibidem, blz. 35 en 36.

5 Ibidem, blz. 38 en 39.

6 Ibidem, blz. 40 en 41.

7 Proces-verbaal van verhoor getuige [betrokkene 5] d.d. 22 juni 2015, p. 135.

8 Proces-verbaal van verhoor getuige [betrokkene 6] d.d. 10 juni 2015, blz. 88.

9 Ibidem, blz. 89.

10 Proces-verbaal van bevindingen d.d. 11 juni 2015, met als bijlage het uitgewerkte studioverhoor, blz. 58.

11 Ibidem, blz. 60.

12 Ibidem, blz. 61 en 62.

13 Ibidem, blz. 62 t/m 64.

14 Ibidem, blz. 65 en 66.

15 Ibidem, blz. 66.

16 Ibidem, blz. 66.

17 Ibidem, blz. 67.

18 Ibidem, blz. 68.

19 Ibidem, blz. 68 en 69.

20 Ibidem, blz. 70.

21 Ibidem, blz. 70.

22 Ibidem, blz. 71.

23 Proces-verbaal van verhoor meerderjarige verdachte d.d. 16 juni 2015, blz. 107.

24 Ibidem, blz. 100 t/m 101.

25 Ibidem, blz. 107.

26 Verklaring van de verdachte ter terechtzitting van 28 oktober 2015.

27 Een geschrift, te weten een medisch-forensisch rapport naar aanleiding van een lichamelijk onderzoek van een minderjarige van het Nederlands Forensisch Instituut d.d. 12 oktober 2015 met zaaknummer 2015.10.06.076, opgesteld door W.A. Karst, NFI-deskundige forensische geneeskunde en forensisch arts KNMG, blz. 222 en 223.