Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2015:12752

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
09-11-2015
Datum publicatie
09-11-2015
Zaaknummer
15/11913
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Dublin Hongarije. Interstatelijk vertrouwensbeginsel. Beroep gegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg

Bestuursrecht

Zaaknummer: AWB 15/11913

V-nummer: [V-nummer]

uitspraak van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken van 9 november 2015 in de zaak tussen

[Naam eiser], eiser,

gemachtigde mr. G.J. van Kammen,

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder,

gemachtigde mr. S.J.M. Leijtens.

Procesverloop

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 17 juni 2015, genomen in de algemene asielprocedure, waarbij de asielaanvraag van eiser is afgewezen omdat Hongarije verantwoordelijk wordt geacht voor de behandeling van de aanvraag (het bestreden besluit).

De voorzieningenrechter van deze rechtbank, deze zittingsplaats, heeft bij uitspraak van 2 juli 2015, met nummer AWB 15/11914, naar aanleiding van een verzoek van eiser tot het treffen van een voorlopige voorziening, buiten zitting bepaald dat uitzetting van eiser achterwege blijft tot bekendmaking van de uitspraak op het onderhavige beroep.

De behandeling van het beroep heeft plaatsgevonden ter zitting van 2 november 2015. Eiser is verschenen bij zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Tevens was ter zitting aanwezig M. Demudia, tolk in de Engelse taal. Na de zitting is het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. Eiser heeft gesteld te zijn geboren op [geboortedag] 1990 en de Oegandese nationaliteit te bezitten. Op 1 mei 2015 heeft eiser een aanvraag ingediend tot verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd.

2. Bij het bestreden besluit heeft verweerder geconcludeerd dat Hongarije verantwoordelijk is voor de behandeling van de asielaanvraag van eiser. Verweerder komt tot die conclusie omdat eiser op 2 april 2015 een asielaanvraag in Hongarije heeft ingediend. Verweerder heeft daarom op grond van artikel 18, eerste lid, aanhef en onder b, van de Verordening (EU) 604/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 tot vaststelling van de criteria en instrumenten om te bepalen welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van een asielverzoek dat door een onderdaan van een derde land bij een van de lidstaten wordt ingediend (hierna: de Dublinverordening), een terugnameverzoek bij Hongarije ingediend. Op 27 mei 2015 heeft Hongarije daarmee ingestemd. Verweerder ziet in de door eiser bij zienswijze overgelegde landendocumentatie over Hongarije geen aanleiding om de behandeling van de asielaanvraag aan zich te trekken.

3. Eiser heeft in beroep, onder verwijzing naar de door hem ingediende zienswijze op het voornemen tot afwijzing en de daarin aangehaalde landendocumentatie, aangevoerd dat Hongarije het interstatelijk vertrouwensbeginsel heeft geschaad en dat er voldoende concrete aanwijzingen zijn dat in strijd met de verdragsverplichtingen is gehandeld. Eiser stelt verder dat hij bij aankomst in Hongarije direct in de cel is gegooid en vervolgens onder erbarmelijke omstandigheden is ondergebracht in een garage. Hij kreeg daar één keer per dag brood en water en hij heeft niet kunnen beschikken over juridische bijstand. Na twee weken heeft hij de benen genomen. Eiser betoogt dat verweerder de behandeling van de aanvraag op grond van artikel 17 van de Dublinverordening aan zich moet trekken.

4. Verweerder stelt zich in het verweerschrift en ter zitting op het standpunt dat er geen aanleiding bestaat om ten aanzien van Hongarije als lidstaat van de Europese Unie niet langer uit te gaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel.

De rechtbank oordeelt als volgt.

5. Op 20 juli 2015 is de wet van 8 juli 2015 tot wijziging van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) ter implementatie van de herziene Richtlijn 2013/32/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 betreffende gemeenschappelijke procedures voor de toekenning en intrekking van de internationale bescherming (Procedurerichtlijn) en Richtlijn 2013/33/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 tot vaststelling van normen voor de opvang van verzoekers om internationale bescherming (Opvangrichtlijn) in werking getreden.

6. Nu het bestreden besluit dateert van vóór 20 juli 2015, maar het onderzoek eerst na die datum is gesloten, is ingevolge het overgangsrecht de voordien geldende Vw (oud) van toepassing, met uitzondering van artikel 83a (nieuw) van de Vw.

7. Ingevolge artikel 30, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw (oud) wordt een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd afgewezen, indien een ander land, partij bij het Vluchtelingenverdrag ingevolge een verdrag of een dit land en Nederland bindend besluit van een volkenrechtelijke organisatie verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag.

8. Ingevolge artikel 3, tweede lid, van de Dublinverordening is de lidstaat waar het verzoek om internationale bescherming het eerst werd ingediend verantwoordelijk voor de behandeling ervan, wanneer op basis van de in deze verordening vastgestelde criteria geen verantwoordelijke lidstaat kan worden aangewezen.

Indien het niet mogelijk is een verzoeker over te dragen aan de lidstaat die in de eerste plaats als verantwoordelijke lidstaat is aangewezen, omdat ernstig moet worden gevreesd dat de asielprocedure en de opvangvoorzieningen voor verzoekers in die lidstaat systeemfouten bevatten die resulteren in onmenselijke of vernederende behandelingen in de zin van artikel 4 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, blijft de lidstaat die met het bepalen van de verantwoordelijke lidstaat is belast de criteria van hoofdstuk III onderzoeken teneinde vast te stellen of een andere lidstaat als verantwoordelijke lidstaat kan worden aangewezen.

Indien de overdracht uit hoofde van dit lid niet kan geschieden aan een op grond van de criteria van hoofdstuk III aangewezen lidstaat of aan de eerste lidstaat waar het verzoek werd ingediend, wordt de lidstaat die met het bepalen van de verantwoordelijke lidstaat is belast, de verantwoordelijke lidstaat.

9. Ingevolge artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening, voor zover hier van belang, kan elke lidstaat, in afwijking van artikel 3, eerste lid, besluiten een bij hem ingediend verzoek om internationale bescherming van een onderdaan van een derde land of een staatloze te behandelen, ook al is hij daartoe op grond van de in deze verordening neergelegde criteria niet verplicht.

10. Eiser heeft niet bestreden dat Hongarije verantwoordelijk is voor de behandeling van de asielaanvraag van eiser. Gelet op de beroepsgronden is in geschil of verweerder de behandeling van de asielaanvraag op grond van artikel 17 van de Dublinverordening aan zich moet trekken omdat ten aanzien van Hongarije niet langer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan.

11. Eiser heeft ter zitting ter onderbouwing van zijn standpunt onder meer een beroep gedaan op de uitspraak van de voorzieningenrechter van deze rechtbank, deze zittingsplaats, van 23 september 2015 (ECLI:NL:RBDHA:2015:11086, JV 2015/326) en de daarin besproken landeninformatie met betrekking tot Hongarije.

12. De rechtbank stelt vast dat eiser, net als de vreemdeling op wie voormelde uitspraak betrekking heeft, via Servië naar Hongarije is gereisd. In de voormelde uitspraak, in rechtsoverweging 16, is geoordeeld dat niet valt uit te sluiten dat de aanvraag van de vreemdeling met toepassing van de nieuwe Hongaarse wetgeving van 1 augustus 2015 niet toelaatbaar zal worden verklaard omdat hij door Servië is gereisd.

Uit het op 27 oktober 2015 verschenen rapport “Crossing Boundaries” van Asylum Information Database (AIDA) en European Council on Refugees and Exiles (ECRE), (vindplaats: http://www.asylumineurope.org/news/27-10-2015/crossing-boundaries-ecre-publishes-report-visit-hungary), dat betrekking heeft op een fact-finding-mission van ECRE in Hongarije in de tweede helft van september 2015, blijkt dat dit risico reëel is. Eén van de conclusies van het rapport luidt als volgt (pagina 37):

As discussed in Chapter III of this report, the retroactive application of the “safe third country” concept on all applicants having transited through Serbia, against the unchanged recommendation of UNHCR not to consider Serbia as a safe third country because of the lack of access to effective protection in that country, also has further implications for the operation of the Dublin Regulation. As the asylum applications of Dublin returnees may be declared inadmissible on that basis upon return in Hungary, this presents a real risk of indirect refoulement. Consequently, EU Member States must refrain from effecting transfers to Hungary, as recommended in this report.

13. De rechtbank is van oordeel dat deze informatie, gevoegd bij alle in voormelde uitspraak van 23 september 2015 in rechtsoverweging 16 tot en met 19 besproken informatie over Hongarije, het ernstige vermoeden versterkt dat Hongarije zijn verdragsverplichtingen jegens asielzoekers in het algemeen, en jegens eiser in het bijzonder, niet zal naleven.

14. De rechtbank concludeert dat verweerder onvoldoende heeft onderzocht of, en gemotiveerd dat, hij nog steeds van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan uitgaan ten aanzien van Hongarije. Verweerder had voormelde informatie in het kader van zijn vergewisplicht, zoals geformuleerd in het arrest in de zaak van M.S.S. tegen België en Griekenland van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens van 21 januari 2011, ECLI:NL:XX:2011:BP4356, in zijn geheel en in samenhang moeten betrekken bij de beoordeling van de vraag of verweerder de behandeling van de asielaanvraag van eiser aan zich moet trekken op grond van artikel 17, eerste lid, gelezen in samenhang met artikel 3, tweede lid, tweede alinea, van de Dublinverordening, omdat mogelijk sprake is van aan het systeem gerelateerde tekortkomingen in de opvang en de procedure van asielzoekers.

15. Het beroep is gegrond. Het bestreden besluit komt in aanmerking voor vernietiging wegens strijd met de artikelen 3:2 en 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht. Er is geen aanleiding om de rechtsgevolgen van het te vernietigen besluit in stand te laten.

16. De rechtbank ziet in dit geval aanleiding verweerder te veroordelen in de door eiser gemaakte kosten. Deze kosten zijn op voet van het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op € 980,- (1 punt voor het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 490,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- bepaalt dat verweerder een nieuw besluit neemt;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten ad € 980,- (negenhonderdtachtig euro), te betalen aan eiser.

Deze uitspraak is gedaan door mr. B.F.Th. de Roos, rechter, in tegenwoordigheid van S.A.K. Kurvink, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 9 november 2015.

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen één week na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.