Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2015:12741

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
11-11-2015
Datum publicatie
11-11-2015
Zaaknummer
C-09-450413-HA ZA 13-1031
Rechtsgebieden
Civiel recht
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Tussenvonnis.

Wet op de Inlichtingen- en Veiligheidsdiensten (Wiv 2002). Nederlandse zakenman functioneert feitelijk als informant en agent in Afghanistan. De MIVD heeft zijn zorgplicht ten opzichte van hem geschonden, nu de relatie met hem door de MIVD niet zorgvuldig is afgebouwd. De vraag of er causaal verband is tussen de zorgplichtschending en de gestelde schade moet nog beantwoord worden. Proportionele aansprakelijkheid?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

vonnis


RECHTBANK DEN HAAG

C/09/415340 / HA ZA 12-3763 juli 2013

Team handel

zaaknummer / rolnummer C/09/450413 / HA ZA 13-1031

Vonnis van 11 november 2015

in de zaak van

[eiser] ,

zonder bekende woon- of verblijfplaats hier te lande,

eiser,

advocaat mr. O.R. van Hardenbroek te Den Haag,

tegen

de publiekrechtelijke rechtspersoon
DE STAAT DER NEDERLANDEN (HET MINISTERIE VAN BUITENLANDSE ZAKEN EN HET MINISTERIE VAN DEFENSIE),
zetelende te Den Haag,
gedaagde,

advocaat mr. E.J. Daalder te Den Haag.

Partijen zullen hierna “ [eiser] ” en “de Staat” genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 18 juni 2014, en de daarin genoemde stukken,

- de processen-verbaal van enquête van 15, 16 en 22 januari 2015, 19 en

20 maart 2015,

- het proces-verbaal van contra-enquête van 9 juni 2015,

- de conclusie na (contra-)enquête van de zijde van [eiser] , met producties,

- de akte van de zijde van [eiser] , met producties,

- de conclusie na (contra-)enquête van de zijde van de Staat, met producties,

- het proces-verbaal van de comparitie voor de meervoudige kamer van 4 september 2015, en de daarin genoemde stukken, waaronder pleitnotities,

- de overige correspondentie tussen partijen en (de griffier van de) rechtbank met betrekking tot (hoofdzakelijk) de praktische gang van zaken tijdens de getuigenverhoren.

1.2.

Ten slotte is een datum voor vonnis bepaald.

1.3.

Het proces-verbaal van de comparitie is buiten aanwezigheid van partijen opgemaakt. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld om opmerkingen te maken over het proces-verbaal voor zover het feitelijke onjuistheden betreft. Mr. Van Hardenbroek heeft bij brief van 18 september 2015 van deze gelegenheid gebruikgemaakt en deze brief is aan het proces-verbaal gehecht. In dit vonnis wordt voor zover nodig op de inhoud hiervan ingegaan.

2 De verdere beoordeling

2.1.

De rechtbank blijft bij hetgeen in het tussenvonnis van 18 juni 2014 (hierna: het tussenvonnis) is overwogen en beslist en overweegt in aanvulling daarop het volgende.

2.2.

Op enkele onderdelen zal worden verwezen naar eerdere rechtsoverwegingen in het tussenvonnis. Verder zal de rechtbank omwille van de leesbaarheid van dit vonnis op sommige punten (delen van) die overwegingen uit het tussenvonnis herhalen dan wel samenvatten.

2.3.

Het vonnis is als volgt opgebouwd:

- I. Inleidende overwegingen
- II. Algemene uitgangspunten bewijswaardering
- III. Inzet door de MIVD van [eiser] en (schending van de) zorgplicht
(1) Op welke wijze heeft de MIVD [eiser] ingezet in Afghanistan?
(2) Heeft de MIVD een op hem rustende zorgplicht jegens [eiser] geschonden?
- IV. Causaal verband
- V. Schade
- VI. Beslissing

I. Inleidende overwegingen

2.4.

Voorop staat dat de rechtbank in het tussenvonnis de vorderingen van [eiser] jegens het ministerie van Buitenlandse Zaken reeds heeft verworpen. Dit vonnis ziet dan ook op de beoordeling van de vorderingen van [eiser] jegens het ministerie van Defensie, welke vorderingen zijn gebaseerd op de handelwijze van de MIVD. De rechtbank heeft [eiser] in het tussenvonnis toegelaten tot het leveren van bewijs van feiten en omstandigheden die de conclusie rechtvaardigen dat hij in Afghanistan door de MIVD als agent is ingezet en dat het (toenmalige) hoofd van de MIVD de zorgplicht uit hoofde van artikel 15, aanhef en sub c van de Wet op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten 2002 (hierna: Wiv) jegens hem heeft geschonden. Dit levert volgens [eiser] een onrechtmatige overheidsdaad op. De gestelde zorgplichtschending bestaat volgens [eiser] – kortweg – uit het niet-verlenen van adequate nazorg bij het afbouwen van zijn relatie met de MIVD. Volgens [eiser] heeft de MIVD hem na de schorsing van MIVD2 (die zijn “runner” was) aan zijn lot overgelaten.

2.5.

De rechtbank heeft in het tussenvonnis overwogen dat, indien [eiser] niet slaagt in de onder 2.3 bedoelde bewijsopdracht dat hij als agent is ingezet, de MIVD op grond van de toepasselijke regelgeving evenzeer een zorgplicht heeft indien komt vast te staan dat [eiser] als informant voor de MIVD is opgetreden. Ook heeft de MIVD een zorgplicht indien de MIVD transacties met een natuurlijke persoon, niet zijnde agent of informant, is aangegaan in een conflict- of oorlogsgebied zoals hier aan de orde, en die persoon door toedoen van de MIVD in een gevaarlijke situatie is beland (zie overweging 4.2 van het tussenvonnis). De rechtbank overweegt dat de reikwijdte van de zorgplicht in die zin een glijdende schaal is, afhankelijk van de soort inzet door de MIVD en afhankelijk van de omstandigheden van het concrete geval.

2.6.

Het voorgaande brengt mee dat de rechtbank in de huidige stand van de procedure, na bewijslevering, het volgende dient vast te stellen:

  • -

    Op welke wijze is [eiser] door de MIVD ingezet in Afghanistan?

  • -

    Heeft de MIVD een op hem rustende zorgplicht jegens [eiser] geschonden?

2.7.

[eiser] heeft bewijs geleverd door middel van getuigen. Ten overstaan van de rechter-commissaris van deze rechtbank zijn in de enquête, chronologisch weergegeven, de volgende getuigen gehoord:

  • -

    MIVD12: leidinggevende binnen de lijnorganisatie van de MIVD in de periode 2006 tot en met 2008. MIVD12 legde verantwoording af aan MIVD13 en was diens plaatsvervanger.

  • -

    MIVD2: Chief of station (“COS”), eindverantwoordelijke en hoogste leidinggevende van het MIVD-operatiecentrum ter plaatse in Kabul (Afghanistan) in de periode 2006 tot en met (medio) 2007. MIVD2 legde verantwoording af aan MIVD13. MIVD2 is in mei 2007 geschorst.

  • -

    [A] : directeur van de MIVD in de periode van 2006 tot en met 2007.

  • -

    [B] : directeur Juridische Zaken bij het ministerie van Defensie in de periode vanaf 2010, en betrokken bij de schikkingsonderhandelingen met [eiser] .

  • -

    MIVD5: MIVD-medewerker op de afdeling Humint. MIVD5 was belast met de operationele veiligheid en logistiek in de periode 2006 en 2007 in Kabul en in die hoedanigheid contactpersoon van MIVD2. Hij legde verantwoording af aan MIVD 12. MIVD5 was gestationeerd in Nederland, maar is in de periode 2006 en 2007 driemaal op locatie in Kabul geweest, tweemaal een week eind 2006 en 2,5 week in april 2007. MIVD5 is in mei 2007 geschorst.

  • -

    MIVD1: In de periode van eind 2005 tot en met 2010 gestationeerd bij de Nederlandse ambassade in Kabul als policy advisor, vanuit zijn dienstverband binnen MIVD. MIVD2 was de leidinggevende in Kabul van MIVD1.

  • -

    MIVD13: Afdelingshoofd van de afdeling Humint in de periode van 2002 tot medio juni 2007. Hij legde direct verantwoording af aan de directeur MIVD ( [A] ) en was leidinggevende van MIVD 1, 2, 5 en 12.

Vervolgens is in de contra-enquête de volgende getuige gehoord:

  • -

    MIVD17: In de periode van januari tot en met november 2007 gestationeerd in Kabul op een dépendance van de Nederlandse ambassade en naar buiten toe werkzaam als security manager. MIVD17 was verantwoordelijk voor de veiligheid van activiteiten van de MIVD in Kabul. Hij legde verantwoording af aan MIVD2.

  • -

    Daarnaast heeft de Staat schriftelijk bewijs in het geding gebracht.

II. Algemene uitgangspunten bewijswaardering

2.8.

De rechtbank stelt bij de beoordeling en waardering van de getuigenverklaringen het volgende voorop. De maatstaf die de rechtbank hanteert, is of het voorhanden bewijsmateriaal een redelijke mate van zekerheid geeft van feiten en omstandigheden die de conclusie rechtvaardigen dat [eiser] door de MIVD als agent of informant is ingezet, althans dat [eiser] door toedoen van de MIVD in een gevaarlijke situatie is beland (zie 2.4 en 2.5) en dat, indien dat het geval is, de MIVD zijn zorgplicht jegens [eiser] heeft geschonden. Daarbij speelt de rechterlijke overtuiging een rol. Een hoge mate van zekerheid is niet vereist. Belangrijke elementen bij het beoordelen van de voorhanden getuigenverklaringen zijn de betrouwbaarheid van de getuigen, of zij hun verklaring in vrijheid en op onafhankelijke wijze hebben kunnen afleggen en de consistentie van de verklaringen in samenhang met het overige bewijsmateriaal. De rechter is vrij in de beoordeling van de geloofwaardigheid van de getuigenverklaringen.

2.9.

Uit de verhoren is duidelijk geworden dat de activiteiten voor de MIVD-missie in Afghanistan deels vanuit het MIVD-hoofdkantoor in Nederland werden aangestuurd en deels ter plaatse in Kabul werden gestuurd en uitgevoerd. In Nederland waren getuigen MIVD5, en daarnaast MIVD12, MIVD13 en (voormalig) MIVD-directeur [A] als leidinggevenden, op opstand verantwoordelijk voor de missie, terwijl op locatie in Kabul naast MIVD2 als chief of station ook MIVD1 en MIVD17 waren gestationeerd. Verder heeft MIVD5 Kabul driemaal bezocht en is ook MIVD13 eenmaal in Kabul ter plaatse geweest. Als het gaat om de vaststelling van de feitelijke inzet van [eiser] ter plaatse in Afghanistan, zijn de getuigenverklaringen van MIVD2, MIVD1, MIVD5 en MIVD17 daarom naar het oordeel van de rechtbank het meest relevant. Deze getuigen waren min of meer op dagelijkse basis bij de feitelijke uitvoering van de MIVD-operatie in Afghanistan betrokken. Zij zaten, anders gezegd, “dichtbij het vuur”. Als het gaat om de vraag naar de effectiviteit van de rapportagelijnen vanuit Kabul naar het MIVD-hoofdkantoor en aldus – kort gezegd – om de vraag in hoeverre op het MIVD-hoofdkantoor door de leidinggevenden kennis en wetenschap bestond over de specifieke feitelijke inzet van [eiser] door de MIVD, zijn vooral de verklaringen van MIVD5, MIVD12 en MIVD13 van belang, alsook die van [A] .

2.10.

De rechtbank overweegt voorts ten aanzien van de waardering van de getuigenverklaringen van de geschorste MIVD-medewerkers MIVD2 en MIVD5 het volgende. De verklaringen van MIVD2 en MIVD5 worden, anders dan de Staat heeft betoogd in verband met die schorsingen (die overigens met de missie in Afghanistan niets van doen zouden hebben gehad), niet op voorhand als ongeloofwaardig of onbetrouwbaar aangemerkt. MIVD2 en MIVD5 hebben op basis van hun eigen wetenschap en herinnering verklaard over de feitelijke gang van zaken in Afghanistan en de rol van [eiser] bij het uitvoeren van MIVD-activiteiten aldaar. Bovendien zijn er andere getuigen en schriftelijke stukken die hun verklaringen op essentiële onderdelen ondersteunen, zoals hierna in de beoordeling van de getuigenverklaringen zal blijken.

III. Inzet door de MIVD van [eiser] en (schending van de) zorgplicht

(1) Op welke wijze heeft de MIVD [eiser] ingezet in Afghanistan?

2.11.

Allereerst zal de rechtbank aan de hand van het bijgebrachte bewijs nagaan op welke wijze [eiser] feitelijk door de MIVD is ingezet.

2.12.

Uit de getuigenverhoren is duidelijk geworden dat de betrokkenheid van [eiser] bij de Nederlandse missie in Afghanistan is begonnen met zijn werkzaamheden als aannemer voor de bouw van (onder meer) een safe house voor de MIVD in Kabul. De MIVD-operatie in Afghanistan had op dat moment een hoge prioriteit bij het MIVD-hoofdbureau en was van cruciaal belang voor de veiligheid van de Nederlandse eenheden in Afghanistan, zo volgt uit diverse getuigenverklaringen (onder meer van MIVD5 en MIVD13). Tijdens de bouw is [eiser] eerst in contact gekomen met MIVD1, vervolgens met MIVD2, MIVD 5 en later met MIVD17. Deze getuigen hebben allen vanuit hun functie contact gehad met [eiser] . Ter toelichting overweegt de rechtbank het volgende. MIVD1 was in de periode van eind 2005 tot en met 2010 gestationeerd bij de Nederlandse ambassade in Kabul als zogenaamde policy advisor en is in die hoedanigheid in contact gekomen met [eiser] . MIVD1 was echter in dienst bij de MIVD. Hij heeft vooral met [eiser] gesproken over een mogelijke inzet van het brede maatschappelijke netwerk van [eiser] in Afghanistan en had een goede verstandhouding met [eiser] . MIVD2 was vanaf eind 2006 tot (aan zijn schorsing in) mei 2007 als Chief of Station eindverantwoordelijke voor de MIVD-missie in Afghanistan. MIVD2 heeft [eiser] leren kennen in november 2006 en heeft tot en met april 2007 intensief met [eiser] samengewerkt, waarbij MIVD2 [eiser] inschakelde in logistieke ondersteunende zin en om informatie te vergaren, waarover hierna meer. MIVD5 was werkzaam op het MIVD-hoofbureau in Nederland, op de afdeling Humint (Human Intelligence). Hij was daar verantwoordelijk voor de operationele veiligheid en belast met facilitaire en logistieke zaken van bijzondere operaties. MIVD5 hield zich een groot deel van de tijd (in de periode 2006-2007) vanuit Nederland bezig met het beschouwen en analyseren van informatie vanuit Afghanistan. Die informatie kwam (onder meer) van MIVD1 en MIVD2 en MIVD12. Daarnaast ondersteunde MIVD5 MIVD2. Volgens MIVD5 hadden zij minstens wekelijks contact via een beveiligde cryptotelefoon. MIVD5 is drie keer in Kabul geweest, tweemaal een week eind 2006 en tweeëneenhalve week in april 2007. MIVD5 heeft verklaard dat hij vanuit het oogpunt van veiligheid voor MIVD-ers in Afghanistan (het voorkomen dat de MIVD of [eiser] zouden worden gecompromitteerd) ook kennis heeft genomen van de activiteiten die [eiser] ondernam voor de MIVD. MIVD17 was op de ambassade in Kabul gestationeerd vanuit de MIVD als security officer. Hij viel onder de verantwoordelijkheid van MIVD2. MIVD17 had logistieke contacten met [eiser] vanaf begin 2007 en heeft hem voor het laatst gezien na de zomer 2007. MIVD17 heeft met name verklaard over wapenleveranties aan de Nederlandse militairen in Afghanistan.


Logistieke en faciliterende werkzaamheden

2.13.

Op grond van de verklaringen van de in 2.12 genoemde getuigen, die verklaard hebben over de feitelijke inzet van [eiser] in Afghanistan, acht de rechtbank bewezen dat [eiser] , die wel is aangeduid als “de klusjesman” van de MIVD en daar “kind aan huis” was, op frequente basis hand- en spandiensten verrichtte voor de MIVD. Hij heeft niet alleen aannemerswerkzaamheden voor de MIVD verricht, maar de locatie in Kabul in logistieke zin gefaciliteerd, onder meer door de locatie van eten en drinken te voorzien. Onderdeel van die hand- en spandiensten vormden tevens meer risicovolle, soms ook strafwaardige activiteiten. Zo heeft [eiser] , zoals reeds in het tussenvonnis vastgesteld, een medewerker van Defensie, naar later bleek een MIVD-er, naar Kandahar in het zuiden van Afghanistan laten vervoeren, heeft hij bemiddeld bij het verkrijgen van valse stempels in paspoorten van Nederlandse militairen die Afghanistan bezochten en heeft hij één of meerdere auto’s met valse kentekenplaten aan Nederlandse militairen in Afghanistan geleverd. MIVD2, MIVD5 en MIVD1 hebben dit in hun getuigenverklaringen bevestigd en daarbij ook verklaringen afgelegd over de specifieke omstandigheden waaronder die activiteiten door [eiser] zijn verricht, zoals blijkt uit het navolgende.

2.14.

Uit de verklaring van MIVD2 volgt dat [eiser] , op verzoek van MIVD2, valse stempels in paspoorten heeft geregeld voor Nederlandse militairen in Afghanistan. [eiser] heeft daarvoor ook mensen uit zijn netwerk moeten omkopen. MIVD2 heeft dit naar eigen zeggen vastgelegd, hetgeen is erkend door de Staat onder overlegging van de weekly van 6 maart 2007 van MIVD2 (“Cos heeft daarna zelf via lokale contacten en $800,- smeergeld het probleem opgelost. Paspoorten zijn nu weer officieel current inclusief entry stempels.”). MIVD2 heeft hierover nog verklaard dat het kopen van stempels risico’s meebrengt omdat “je hogere functionarissen moet omkopen en de kans bestaat dat die betreffende persoon niet corrupt is”. MIVD5 heeft verklaard dat hij, in verband met de hieraan klevende veiligheidsrisico’s, is geconsulteerd over de eventuele inzet van [eiser] bij het verkrijgen van valse stempels in paspoorten.

2.15.

MIVD2 heeft in zijn getuigenverklaring voorts bevestigd dat [eiser] een aanzienlijke hoeveelheid auto’s leverde aan de MIVD en ook eenmalig valse kentekens heeft geregeld. MIVD5 heeft verklaard dat [eiser] voor de MIVD “operationele vervoersactiviteiten” regelde, zoals auto’s en valse kentekens. MIVD5 heeft verklaard dat hij, toen hij in april 2007 een bezoek bracht aan Kabul, zelf heeft gezien en gehoord dat [eiser] hiertoe opdracht kreeg van MIVD2. Ook MIVD1 heeft verklaard dat hij via MIVD2 heeft begrepen dat [eiser] werd gevraagd om auto’s en kentekens te leveren.

2.16.

Naar het oordeel van de rechtbank is echter niet bewezen dat [eiser] , zoals hij stelt, ook heeft bemiddeld bij wapenleveranties aan de MIVD. Uit diverse getuigenverklaringen volgt dat men bij de MIVD en Defensie lange tijd heeft gedacht dat de desbetreffende wapens via bemiddeling van [eiser] zijn geleverd. De Staat is daar in aanvang ook vanuit gegaan. De Staat heeft echter aangevoerd dat inmiddels na uitgebreid intern onderzoek is gebleken dat [eiser] niet bij de wapenleveranties was betrokken. De Staat heeft daartoe in de contra-enquête MIVD17 als getuige doen horen.

2.17.

MIVD17 heeft voor zover relevant het volgende verklaard. [eiser] heeft geen wapens geleverd aan de MIVD in Afghanistan, want MIVD17 heeft die leverantie zelf gedaan. Het is niet zo dat men het over twee verschillende wapenleveranties heeft. Het ging om één aanvullende wapenleverantie voor het team van MIVD2 waarover MIVD17 de regie had. De leverantie is door MIVD17 zelf geregeld via diens eigen netwerk en dat was een kanaal waar [eiser] buiten stond. MIVD8 wist van de leveranties maar was niet op de hoogte van het bewandelde traject. MIVD17 was fysiek aanwezig bij de aankoop en levering van de wapens. Alleen hem is bekend welke individuele personen daarbij betrokken waren en op welke afgeschermde wijze dit heeft plaatsgevonden (waarbij hij zich met betrekking tot het noemen van namen en de modus operandi heeft beroepen op zijn verschoningsrecht). Tot zover MIVD17. De Staat heeft ter nadere onderbouwing een weekly overgelegd van, zo stelt de Staat, MIVD17, gedateerd 23 januari 2007, waarin is vermeld dat hij, MIVD17, “ten behoeve van de persoonlijke bewapening van de operators” Russische wapens en munitie heeft gekocht, dat hij deze getest heeft op de schietbaan en dat een aantal goed waren, en een aantal niet (“die zullen worden omgeruild”). Ook getuige [A] heeft op dit punt verklaard dat hij “exact op de hoogte [was] van de procedure die daarbij gevolgd is en ik weet met een aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid dat [eiser] de wapens niet gekocht heeft, noch daarbij betrokken is.

2.18.

[eiser] heeft weliswaar tijdens het getuigenverhoor van MIVD17 – op verzoek van de rechter-commissaris – als niet-beëdigde partijgetuige betoogd dat hij via een bepaalde persoon (een ex-commando die MIVD17 ook kende) de betreffende wapens heeft gekocht en deze fysiek door hem heeft laten afleveren bij het safe house van de MIVD, waar MIVD17 niet bij aanwezig was, maar voor deze lezing is geen ondersteunend bewijs voorhanden. Ter toelichting geldt dat MIVD2 op dit onderdeel slechts heeft verklaard dat hij niet zelf met [eiser] hierover heeft gesproken, maar dat hij “denkt” dat [eiser] dit heeft gefaciliteerd. Ook hebben MIVD5 en MIVD1 verklaard dat zij niet uit eigen waarneming weten of [eiser] betrokken was bij de wapenleveranties; zij hebben hiermee geen bemoeienis gehad.


Opzetten en onderhouden inlichtingennetwerk

2.19.

De rechtbank acht, naast de inzet van [eiser] in logistieke en faciliterende zin, voorts bewezen dat [eiser] door de MIVD is ingezet om inlichtingen te verwerven. De getuigenverklaringen in samenhang met de schriftelijke stukken geven immers blijk van de navolgende, voor dit oordeel relevante feiten en omstandigheden.

2.20.

MIVD1 was de eerste MIVD-er die, in de periode vanaf begin 2006, met [eiser] heeft gesproken over het leveren van informatie over de Afghaanse gemeenschap aan de Nederlandse ambassade. MIVD1 had als zwaartepunt Uruzgan. MIVD1 heeft verklaard dat hij [eiser] heeft gevraagd een organogram te maken van Uruzgan met stamindelingen, achtergronden, stamrelatie en uitstraling naar het buitenland. [eiser] was volgens MIVD1 één van de velen aan wie dit is gevraagd, zoals MIVD2 ook heeft bevestigd. [eiser] ging er in eerste instantie vanuit dat MIVD1 een medewerker van Buitenlandse zaken was, hij wist toen nog niet dat MIVD1 als MIVD-er was gestationeerd bij de Nederlandse ambassade; dat is pas later door MIVD2 aan [eiser] verteld, kort nadat MIVD2 in Kabul was gearriveerd. MIVD1 heeft verklaard dat [eiser] gemakkelijk aan informatie kon komen, omdat hij een groot netwerk had, niet alleen in Kabul maar ook daarbuiten, tot aan het zuiden van Afghanistan. MIVD5 heeft verklaard dat hij zelf niet betrokken is geweest bij een mogelijke inzet van [eiser] bij de opbouw van een inlichtingennetwerk in Afghanistan ten behoeve van de MIVD. Hij heeft verklaard dat hij van die inzet, gelet op de modus operandi van de MIVD, wel overtuigd is. MIVD5 heeft toegelicht dat [eiser] in Afghanistan maatschappelijk gezien een goede positie had en dat hij veel mensen kende die voor de MIVD niet onbelangrijk waren. Met het netwerk van [eiser] zou de MIVD zich een brede informatiepositie kunnen verwerven, aldus MIVD5.

2.21.

Dat [eiser] over een voor de MIVD gewild netwerk beschikte, blijkt ook uit enkele door de Staat overgelegde weekly’s. In de weekly van MIVD1 van 20 februari 2006 is onder meer vermeld dat [eiser] een Afghaanse delegatie uit Helmand en Uruzgan had aangedragen. In de weekly van MIVD6 van 12 februari 2007 is het volgende vermeld: “In de ochtend een uitgebreid gesprek tussen MIVD02 en [eiser] (…). Betr. spreekt goed Nederlands en lijkt over een schat aan informatie te beschikken. (…)”. En in de weekly van MIVD6 van 11 februari 2007 staat vermeld dat MIVD2 en MIVD6 hebben besloten om [eiser] “eens uitgebreid te debriefen over zijn contacten”. Verder volgt ook uit de weekly’s van MIVD6 van 26 februari 2007 en van 2 april 2007 dat de MIVD oriënterende gesprekken met “[eiser] ” voerde, kennelijk om hem anders dan als faciliterend “manusje van alles” – dat was hij immers al – in te zetten. Dit was vlak voor de schorsing in mei 2007 van MIVD2 (en MIVD5). Opvallend is, zo overweegt de rechtbank in dit verband, dat [eiser] door de MIVD wel degelijk met naam en toenaam werd genoemd in deze weekly’s. Daar waar een enkele getuige, waaronder MIVD12, verklaard heeft dat [eiser] slechts een marginale rol gehad moet hebben “omdat hij in de weekly’s niet voorkwam”, vinden deze verklaringen geen steun in de feiten.

2.22.

Verder staat in een ongedateerd gespreksverslag tussen de opvolger van MIVD2 en [eiser] in de periode van 25 april 2007 tot 2 mei 2007 het volgende vermeld, waarbij [eiser] is aangeduid als BCF, Business Cover Facility. Overigens is door de Staat in verband met de staatsveiligheid een deel van de tekst onleesbaar gemaakt (en door de rechtbank weergegeven als […].

(…) BCF speelt een belangrijke rol voor […] Hij verzorgt allerlei zaken voor […] zoals het wagenpark, bouwkundige activiteiten enz.

(…)

De contacten die BCF in Afghanistan heeft, vinden hun basis in de relaties die zijn in [… ] woonachtige vader tijdens het Sovjet-tijdperk met de Afghaanse Mujahedeen heeft opgebouwd. (…) Gezien zijn relatie met Nederland heeft BCF zich aanvankelijk primair gericht (…) NL troepen in Kabul en tot slot ook op de MIVD bij de opzet van […] en is destijds via M01 in contact gebracht met M02. BCF is op de hoogte van de achtergrond van […] hetgeen M06 bevestigd heeft gekregen tijden een gesprek met BCF, die zei dat hij wist dat M06 ook van de ‘Dienst’ is. BCF probeert dan ook op regelmatige basis te bemiddelen in het aangaan van contacten [met] Afghanen die van nut kunnen zijn voor de MIVD. BCF bezit een bepaalde flair om met mensen om te gaan en vormt, mede door zijn goede kennis van het Nederlands, een goeie gesprekspartner met wel met een sterk zakelijke inslag. (…)”

2.23.

Voorts heeft MIVD1 verklaard dat hij [eiser] meermalen om specifieke informatie heeft gevraagd, die [eiser] zonder veel moeite kon verkrijgen door zijn netwerk aan te boren. Volgens de verklaring van MIVD1 heeft [eiser] “ongetwijfeld” contacten uit diens netwerk benaderd voor informatie. In het begin was de informatie van [eiser] volgens MIVD1 een 9 waard op een schaal van 1 tot 10. Later is die waarde minder geworden, aldus MIVD1. Verder heeft MIVD1 verklaard dat hij via [eiser] een ingang tot informatie had via diens bestaande netwerk; om die reden was er geen noodzaak voor de MIVD om iemand anders daarvoor te zoeken of te rekruteren. MIVD1 heeft nooit aan [eiser] gevraagd om een inlichtingennetwerk “op te bouwen”. MIVD2 heeft verklaard dat hij [eiser] (mondeling) heeft verzocht om specifieke contacten of personen uit zijn netwerk te benaderen en op die manier voor de MIVD informatie in te winnen, gericht op bepaalde personen, steeds met het oog op de belangen van de Nederlandse troepen in Afghanistan en de veiligheid van de Nederlandse Staat. Dit is gaandeweg zo gegroeid, zo leidt de rechtbank uit de verklaring van MIVD2 af. In eerste instantie was [eiser] , net als andere contacten van de MIVD in Afghanistan, iemand met een voor de MIVD mogelijk bruikbaar netwerk en werd toen nog niet voor een specifiek doel ingezet, aldus MIVD2. Toen [eiser] met bruikbare informatie terugkwam, heeft MIVD2 vervolgens actief aan [eiser] gevraagd om op basis van de verkregen informatie bij de desbetreffende personen door te vragen op die informatie. MIVD2 heeft verklaard dat op het moment dat de MIVD informatie wilde verkrijgen van iemand uit het netwerk van [eiser] , de dienst [eiser] dan inzette om die informatie te verkrijgen. MIVD2 heeft verder verklaard dat hij [eiser] heeft vermeld in de weekly’s onder vermelding van een broncode. Omdat MIVD2 geen operateur was, hield hij geen dagelijkse rapportages (daily’s) bij.

2.24.

In april 2007, één dag voordat MIVD2 naar Nederland vertrok, zo heeft MIVD2 verder verklaard, vertelde [eiser] hem dat iemand uit zijn netwerk kennis had van een bermbommenfabriek. MIVD2 heeft [eiser] gezegd dat hij er “actief mee aan de gang” moest. MIVD2 zou de mededeling van [eiser] mee naar Nederland nemen, maar had eerst meer informatie nodig. Hij heeft de informatie niet vastgelegd in de verslaglegging, maar heeft wel MIVD5 hierover verteld. MIVD2 heeft [eiser] gezegd dat hij alleen met MIVD2 over dit onderwerp contact moest onderhouden, omdat diens plaatsvervanger (MIVD6) op dat moment met verlof was en zijn formele opvolger nog niet aanwezig was. MIVD2 zou op korte termijn weer terugkeren naar Afghanistan. Eenmaal terug in Nederland werd MIVD2 geschorst. Tot zover MIVD2. MIVD5 heeft op zijn beurt het verhaal van MIVD2 bevestigd. Hij heeft verklaard dat MIVD2 via de cryptotelefoon heeft gezegd dat [eiser] informatie zou hebben over een bermbommenfabriek. Dat was de dag voordat MIVD2 uit Afghanistan naar Nederland terugkeerde. Het betreft volgens MIVD5 belangrijke informatie omdat bermbommen een gevaar vormen voor de aanwezige Nederlandse troepen. Het was echter geen informatie die voor MIVD5 op dat moment in diens functie reeds van belang was, omdat het nog niet tot een operationele actie behoorde. MIVD2 heeft MIVD5 verteld dat hij [eiser] heeft gevraagd om (tijdens zijn afwezigheid) een vinger aan de pols te houden, zo heeft MIVD5 verklaard. MIVD1 heeft vervolgens op dit punt verklaard dat [eiser] hem (na de schorsing van MIVD2) vertelde dat hij inlichtingen had over een bermbommenfabriek. In de perceptie van [eiser] zou het gaan om iets groters, aldus MIVD1. MIVD1 heeft, nadat MIVD2 uit Afghanistan was vertrokken en kort daarna was geschorst, van [eiser] gehoord in een gesprek met hem dat hij op verzoek van MIVD2 een inlichtingennetwerk heeft opgebouwd en dat hij verantwoordelijk was voor het betalen van dat netwerk. [eiser] heeft in datzelfde gesprek verder tegen MIVD1 gezegd dat hij afspraken met MIVD2 had waaraan consequenties waren verbonden, “hij riep iets over mijnenfabrieken” en [eiser] had een verhaal over een politiecommandant uit Kandahar die in zijn netwerk zat. MIVD2 heeft voorts verklaard dat hij zich na zijn schorsing zorgen maakte over [eiser] omdat er in zijn netwerk een aantal gevaarlijke personen zat, waaronder Talibanleden.

2.25.

Uit het voorgaande volgt dat [eiser] , toen hij in contact kwam met de MIVD, reeds over een groot zakelijk netwerk beschikte en een positie binnen de Afghaanse gemeenschap had verworven. [eiser] heeft dat netwerk vervolgens aangeboord en onderhouden om op verzoek van de MIVD (in de persoon van MIVD2) actief en gericht inlichtingen te verwerven, als laatste ter zake van een mogelijke bermbommenfabriek waarmee hij van MIVD2 “actief aan de slag” moest.

Resumerend ten aanzien van de inzet van [eiser] door de MIVD

2.26.

De rechtbank concludeert dat op grond van de aangehaalde getuigenverklaringen in samenhang met de MIVD-documenten als bewezen is komen vast te staan dat [eiser] de MIVD in Afghanistan op diens verzoek in logistieke zin heeft gefaciliteerd, waarbij hij ook risicovolle, strafwaardige activiteiten heeft ontplooid zoals het vergaren van valse stempels in paspoorten en valse kentekens voor auto’s. Daarnaast is komen vast te staan dat [eiser] zijn netwerk heeft aangeboord en heeft onderhouden om op verzoek van de MIVD inlichtingen in te winnen.

2.27.

De vervolgvraag is of de MIVD, gegeven de inzet van [eiser] , een zorgplicht jegens [eiser] in acht had moeten nemen en zo ja, of die zorgplicht is geschonden.

(2) Heeft de MIVD een op hem rustende zorgplicht jegens [eiser] geschonden?

2.28.

Voor de beantwoording van de vraag of de MIVD een zorgplicht jegens [eiser] in acht had moeten nemen, is richtinggevend hoe de inzet van [eiser] zich volgens het wettelijke kader van de Wiv laat kwalificeren.

Was [eiser] informant en/of agent in de zin van de Wiv?

2.29.

Zoals in het tussenvonnis reeds is overwogen (in 4.17 e.v.), maakt de Wiv onderscheid tussen informanten en agenten. De Wiv kent geen andere benamingen voor de inzet van menselijke bronnen, ook niet de door de Staat aangeduide mogelijke inzet van [eiser] als “bron” of “Business Cover Facility. Deze kwalificaties hebben dus geen wettelijke status. In het tussenvonnis heeft de rechtbank het verschil tussen informanten en agenten, zoals dat in het kader van de Wiv wordt gemaakt, uiteengezet:

4.18. De MIVD mag bij het door hem te verrichten onderzoek gebruikmaken van diensten van natuurlijke personen. In het kader van het verzamelen van gegevens is de MIVD op grond van artikel 17 lid 1 sub a van de WIV 2002 bevoegd zich te wenden “tot een ieder die geacht wordt de benodigde gegevens te kunnen verstrekken”. Op grond van artikel 21 lid 1 van die wet is de MIVD bevoegd tot de inzet van natuurlijke personen die onder verantwoordelijkheid en onder instructie van een dienst zijn belast met a) “het gericht gegevens verzamelen omtrent personen en organisaties die voor de taakuitvoering van een dienst van belang kunnen zijn” en/of b) “het bevorderen of het treffen van maatregelen ter bescherming van door een dienst te behartigen belangen”. Blijkens de memorie van toelichting bij de WIV 2002 ziet artikel 17 lid 1 sub a op de informant en artikel 21 lid 1 op de agent (Kamerstukken II, 1997/98, 25 877, nr. 3, p. 38).

4.19.

De CTIVD merkt in haar “Toezichtsrapport inzake het onderzoek van de Commissie van Toezicht naar de inzet door de MIVD van informanten en agenten, meer in het bijzonder in het buitenland” van 12 april 2006 (dagvaarding, productie 7, hierna: het toezichtsrapport) op dat voor zowel de informant als de agent geldt dat de wet veronderstelt dat de beslissing om hem te benaderen respectievelijk in te zetten, van de dienst uitgaat. Dit sluit echter niet uit dat een derde zich zelfstandig tot de MIVD wendt met een aanbod van informatie. De CTIVD vervolgt in het toezichtsrapport: “Van de reactie van de dienst hangt dan af of zij als informant of agent worden benaderd dan wel van het aanbod geen gebruik wordt gemaakt.” Van belang is nog dat voor de benadering van een informant niet de wettelijke eis van voorafgaande toestemming geldt, maar voor de inzet van een agent wel.
4.20. De figuur van agent wordt in de memorie van toelichting bij de WIV 2002 als volgt toegelicht: “De agent is een natuurlijk persoon die doelbewust door een dienst wordt ingezet om gericht gegevens te verzamelen die voor de taakuitvoering van de dienst van belang kunnen zijn. Daarnaast, doch slechts in uitzonderingsgevallen, kan het voorkomen dat de agent tevens belast wordt met het bevorderen of nemen van maatregelen in verband met door een dienst te behartigen belangen. De taak van een agent is echter primair om jegens een bepaalde persoon of in een bepaalde organisatie die in het kader van een onderzoek van een dienst de aandacht heeft, een zogeheten informatiepositie te verwerven en -eenmaal verworven- die ook te behouden. De inzet van een dergelijk persoon geschiedt onder verantwoordelijkheid en instructie van de betreffende dienst. De instructiebevoegdheid is uitdrukkelijk neergelegd, teneinde de verantwoordelijkheid voor de inzet van een agent ook daadwerkelijk waar te kunnen maken. De agent dient zich aan de instructie te houden. De instructie aan een agent wordt als regel mondeling gegeven. Toch is het wenselijk dat deze mondeling gegeven instructie door de dienst schriftelijk wordt vastgelegd. In artikel 21, zesde lid, wordt dit voorgeschreven. Niet alleen is dat vanuit intern-beheersmatig oogpunt wenselijk (sturing van operationele activiteiten), maar ook om het optreden van de agent, indien daartoe aanleiding is, achteraf te kunnen toetsen en evalueren.”(Kamerstukken II, 1997/98, 25 877, nr. 3, p. 39). De CTIVD beschrijft in het toezichtsrapport de agent als “iemand van buiten de dienst met een goede informatiepositie, die werkzaam is op basis van een afspraak met de dienst om al dan niet tegen een zekere vergoeding of beloning inlichtingen te verzamelen”.

4.21.

Voorts zijn de leden 3-5 van artikel 21 van de WIV 2002 van belang, waarin is geregeld dat de agent bij instructie van de dienst tevens kan worden belast met het verrichten van handelingen die tot gevolg kunnen hebben dat medewerking wordt verleend aan het plegen van een strafbaar feit, dan wel een strafbaar feit wordt gepleegd. Naar aanleiding van die instructiebevoegdheid wordt in de memorie van toelichting opgemerkt dat de agent die zich aan de gegeven instructie houdt, strafrechtelijk vrijuit dient te gaan; hij is straffeloos nu de instructie als bevoegd gegeven ambtelijk bevel kan worden aangemerkt in de zin van artikel 43 van het Wetboek van Strafrecht (Kamerstukken II, 1997/98, 25 877, nr. 3, p. 40-42). Dat laat echter onverlet dat indien de agent buiten Nederland medewerking aan een strafbaar feit verleent dan wel een strafbaar feit pleegt, de in dat land geldende strafrechtelijke regelgeving van toepassing is, met alle mogelijke gevolgen van dien (Kamerstukken II, 2000/01, 25 877, nr. 59, p.10).

In het licht van de regelgeving in de Wiv concludeert de rechtbank, gegeven de bewezen feiten en omstandigheden, dat [eiser] eerst als informant en vervolgens als agent voor de MIVD heeft gefunctioneerd. Dit wordt in het navolgende toegelicht.

2.30.

De inlichtingenwerkzaamheden die [eiser] in de beginfase heeft verricht op verzoek van MIVD1, laten zich kwalificeren als werkzaamheden van een informant. MIVD1 heeft verklaard dat hij [eiser] als een informant zag, te weten als iemand die volgens MIVD1 op natuurlijke wijze toegang heeft tot informatie en deze informatie op gemakkelijke wijze kan te vergaren, en waarbij hij geen (specifiek) gevaar loopt. Daarbij acht de rechtbank van belang dat [eiser] vrij snel van MIVD1 als MIVD2 (en MIVD5) had gehoord dat zij MIVD’ers waren. MIVD2, zo heeft hij verklaard, heeft zich tegenover [eiser] al spoedig kenbaar gemaakt als MIVD’er. Ook MIVD1 heeft zich volgens zijn verklaring bij [eiser] kenbaar gemaakt als MIVD’er, terwijl hij evengoed had kunnen volhouden dat hij ambassadepersoneel was. Meerdere getuigen hebben verklaard dat het zich kenbaar maken als MIVD-er, uit het oogpunt van veiligheid en exposure voor zowel de MIVD als de betrokkene, niet gemakkelijk gebeurt. De rechtbank begrijpt daaruit dat MIVD2 en MIVD1 er kennelijk bewust voor hebben gekozen om “hun identiteit” aan [eiser] prijs te geven, met als gevolg dat voor [eiser] kenbaar was dat hij werkzaamheden verrichtte voor de MIVD.

2.31.

Verder is de rechtbank van oordeel dat [eiser] voor MIVD2 op diens aansturing als agent werkzaamheden voor de MIVD heeft verricht. MIVD2, die naar eigen zeggen een nauwe band met [eiser] onderhield en met hem een intensief één-op-één contact had, heeft [eiser] onder meer actief gevraagd om bij personen in diens netwerk door te vragen op reeds verkregen informatie en heeft [eiser] ook ingezet om inlichtingen te verkrijgen op het moment dat de MIVD informatie nodig had uit het netwerk van [eiser] . Een en ander vindt bevestiging in de verklaring van MIVD5. Volgens MIVD5 is [eiser] , in vogelvlucht, begonnen als civiel contractant zonder status. [eiser] wist in het begin niet dat hij met de MIVD te maken had. Toen duidelijk werd dat [eiser] van nut kon zijn voor de MIVD, is hij volgens MIVD5 vanuit de positie van informant gegroeid naar die van agent: een persoon aan wie ook gevraagd werd om dingen voor de MIVD te doen. MIVD2, zo constateert de rechtbank, heeft [eiser] met name in de loop van 2006 en begin 2007 “gestuurd” in die zin dat [eiser] in opdracht en onder supervisie van MIVD2 feitelijk als agent activiteiten voor de MIVD uitvoerde. Daaronder was ook begrepen de opdracht van MIVD2 aan [eiser] om valse stempels in paspoorten van Nederlandse militairen en valse kentekens voor auto’s van de MIVD te regelen en daarmee de opdracht om strafbare feiten te plegen. MIVD13 heeft op dit punt verklaard dat hij van dergelijke strafwaardige activiteiten door MIVD2 op de hoogte had moeten zijn gebracht. MIVD2 had dit separaat met MIVD13 moeten bespreken, en mogelijk zelfs met [A] , aldus MIVD13. Het regelen van valse documenten en het omkopen van ambtenaren om dat gedaan te krijgen zijn volgens MIVD13 immers van geheel andere orde dan het regelen van eten, drinken, gas etc. De veiligheid van het MIVD-personeel is dan in het geding. Indien een derde daar opdracht toe krijgt, is dat niet dan nadat daaraan voorafgaand reeds een onderzoek naar de (betrouwbaarheid van de) desbetreffende persoon heeft plaatsgevonden, zoals dat in het kader van een het traject van die persoon naar bron of agent plaatsheeft, aldus MIVD 13. De rechtbank concludeert op grond van het voorgaande dan ook dat [eiser] , in termen van de Wiv, onder verantwoordelijkheid en onder instructie van de MIVD is belast met zowel het gericht gegevens verzamelen omtrent personen en organisaties die voor de taakuitvoering van de MIVD van belang kunnen zijn, als het bevorderen of het treffen van maatregelen ter bescherming van door de MIVD te behartigen belangen. Hieraan doet niet af dat [eiser] zich, zoals de Staat heeft aangevoerd, steeds actief bij de MIVD aanbood. Daar waar (met name) MIVD2 van dat aanbod gebruikmaakte en [eiser] vervolgens heeft ingezet en aangestuurd, heeft [eiser] “onder verantwoordelijkheid en onder instructie van de dienst” gefunctioneerd. Tot slot is voor het oordeel van de rechtbank omtrent de inzet en aansturing van [eiser] van belang hetgeen (met name) MIVD2, MIVD5 en MIVD 1 hebben verklaard over het voornemen van MIVD2 om [eiser] als agent te laten registreren. MIVD2 heeft begin 2007 bij MIVD1 en MIVD6 gepolst hoe zij aankeken tegen het vastleggen van [eiser] als agent, zo volgt uit de verklaring van MIVD1. Begin 2007 heeft MIVD2 aan hem gevraagd of het niet verstandig zou zijn om [eiser] vast te leggen als agent, maar daarop heeft MIVD1 gezegd dat [eiser] volgens hem niet aan de eisen voldeed. Ook heeft MIVD2 hierover gesproken met een oudere en ervaren collega (MIVD6), die op dat moment als ondersteuning vanuit de MIVD bij de ambassade in Afghanistan was geplaatst. Ook deze MIVD’er vond het volgens MIVD1 geen goed idee om [eiser] als agent vast te leggen. MIVD13 heeft op dit punt verklaard dat hij tijdens zijn bezoek aan Afghanistan in februari 2007 van MIVD2 heeft begrepen dat [eiser] over een netwerk beschikte waarvan de MIVD mogelijk gebruik kon maken. MIVD2 heeft toen een uitgebreide beschrijving over de achtergrond en positie van [eiser] gegeven. In een gesprek met MIVD2 kreeg MIVD13 het idee dat hij, MIVD2, meer gebruik wilde maken van de kennis van [eiser] “om zaken inlichtingentechnisch voor elkaar te krijgen”. MIVD2 heeft verklaard dat MIVD13 daarop heeft aangegeven dat vastlegging van de rol van [eiser] noodzakelijk was; MIVD 13 kon zich dat laatste blijkens diens verklaring niet herinneren.

2.32.

[eiser] is uiteindelijk niet als agent geregistreerd. Aan de kwalificatie van [eiser] als agent op grond van de Wiv doet dit niet af, zoals uit de onderdelen 2.29 tot en met 2.31 van dit vonnis volgt. Bovendien geldt dat aan het feit dat [eiser] niet als agent geregistreerd is, geen bewuste keuze van de MIVD ten grondslag lag, integendeel; het registratieproces is in gang gezet maar als gevolg van de schorsing van MIVD2 en MIVD5 niet afgerond. Dat blijkt uit het navolgende.

2.33.

MIVD1 heeft verklaard dat hij uit gesprekken met MIVD2 uiteindelijk heeft begrepen dat MIVD2 niettemin het voornemen had om [eisers] rol te formaliseren. MIVD1 heeft hem toen gezegd dat dit zijn (MIVD2’s) verantwoordelijkheid was. De rechtbank leidt uit deze getuigenverklaringen af dat MIVD2 vast van plan was om [eiser] als agent te registreren. [eiser] was in de periode daarvoor al door MIVD2 ingezet voor het regelen van valse stempels in paspoorten en valse kentekens voor auto’s van de MIVD.

2.34.

In maart of april 2007 heeft MIVD2 actie ondernomen om de positie van [eiser] te formaliseren. De MIVD heeft daarop begin mei 2007 een begin gemaakt met het registratieproces voor [eiser] . In een ongedateerd verslag van een gesprek tussen de opvolger van MIVD2 en [eiser] in de periode van 25 april 2007 tot 2 mei 2007 is het volgende beschreven (waarbij [eiser] als “BCF” te weten Business Cover Facility, wordt omschreven):

BCF is mede gezien zijn relatie met Nederland nauw betrokken geweest bij de opzet van […] en heeft hierdoor goed zicht op wat er daadwerkelijk bij […] is gebeurd. Om die reden is tijdens een recent bezoek van M05 aan Kabul gesproken met BCF met als doelstelling hem formeel te benaderen en hem op te voeren als BCF/supportbron. Van M06 vernomen dat er een positief gesprek heeft plaatsgevonden, maar het gespreksverslag zoals door M05 was opgemaakt per abuis niet vanuit […] verzonden is naar Den Haag, maar, naar achteraf bleek toen M05 weer in Den Haag terug was, op […] is gedelete. Op basis van het bovenstaande door […] toch een BCF-broncode aangevraagd om daarmee verslag te kunnen doen van de activiteiten en/of gesprekken met BCF.”

2.35.

MIVD2 en MIVD5 hebben deze gang van zaken op onderdelen van betekenis bevestigd. Volgens beiden is in maart of april 2007 met [eiser] (bij hem thuis) gesproken over het vastleggen van zijn gegevens (onder meer zijn paspoort) om hem uiteindelijk in Nederland in het administratieve systeem van de MIVD te laten vastleggen in het bestand van geregistreerde agenten of bronnen. De gegevens van [eiser] zijn bij hem thuis op een PDA (een voorloper van een smartphone) gezet, en gecrypteerd op een flash drive (een kleine geheugenkaart), zo hebben MIVD5 en MIVD2 verklaard. Omdat MIVD5 (die op dat moment in Kabul verbleef) als eerste naar Nederland zou gaan, is uit praktische overwegingen besloten dat MIVD5 de gegevens van [eiser] zou meenemen naar de MIVD in Nederland. Dit was in april 2007. De registratieaanvraag is echter misgegaan omdat MIVD5 de gegevens op de cryptocontainer niet geopend kreeg en de informatie dus niet kon openen. De flashdrive was gecrasht. Kort daarna zijn zowel MIVD2 en MIVD5 geschorst. MIVD13 heeft verklaard dat hij van deze gang van zaken met betrekking tot het opnemen van gegevens van [eiser] met het doel om hem te registreren, niet op de hoogte is geweest. Niettemin leidt de rechtbank uit het hiervoor weergegeven gespreksverslag af dat de opvolger(s) van MIVD2 er voor heeft of hebben gekozen om [eiser] te registeren. Dit blijkt echter uiteindelijk een aanvraag voor een zogenaamde broncode voor een Business Cover Facility te zijn geweest.

2.36.

Business Cover Facility is, als reeds overwogen, niet een onder de Wiv bestaande aanduiding van een natuurlijke persoon die door de MIVD wordt ingezet. De MIVD hanteert deze aanduiding voor interne doeleinden in de Humint-werkinstructie – de werkinstructie die geldt op de afdeling “Human Intelligence” van de MIVD – en komt niet terug in de (parlementaire geschiedenis van de) Wiv. De MIVD hanteert een eigen terminologie voor de diverse vormen van inzet van natuurlijke personen. In het hierna volgende gaat de rechtbank nader in op de betekenis van die Humint-instructie voor de onderhavige zaak, met als conclusie dat de aanvraag voor een registratie van [eiser] als Business Cover Facility niet afdoet aan de kwalificatie van “agent” zoals de rechtbank die aan [eiser] heeft toegekend.

Betekenis van de Humint-werkinstructie – Toezichtsrapport CTIVD (2006)

2.37.

De MIVD maakt gebruik van de Humint-werkinstructie, waarin is vermeld wat de MIVD verstaat onder een agent en een informant en waarin tevens gebruik wordt gemaakt van het (in de Wiv niet-bestaande) begrip “bron”. Deze werkinstructie is (deels) beschreven door de CTVID in het “Toezichtsrapport inzake het onderzoek van de Commissie van Toezicht naar de inzet door de MIVD van informanten en agenten, meer in het bijzonder in het buitenland” van 12 april 2006 (in 4.19 van het tussenvonnis reeds aangeduid als: het toezichtsrapport). Zoals in het tussenvonnis reeds is overwogen, heeft de rechtbank zelf geen kennis genomen van de Humint-instructie en baseert zij zich op de inhoud, zoals door de CTIVD in het toezichtsrapport is weergegeven.

2.38.

Volgens de Humint-werkinstructie wordt als informant aangemerkt een persoon die door de positie waarin hij verkeert dan wel de hoedanigheid die hij heeft, over gegevens kan beschikken die voor de dienst van belang zijn. Een informant is in de zienswijze van de dienst vaak slechts bereid die informatie te verstrekken waarover hij zonder al te veel inspanning en risico kan beschikken. Het gevolg is “dat hij zich moeilijk laat sturen”. Een agent wordt in de Humint-instructie aangeduid als een persoon die doelbewust wordt ingezet om gericht gegevens te verzamelen onder instructie en verantwoordelijkheid van de MIVD. Agenten kennen “een hoge mate van aansturing” door de operateur. Aansturen wordt door de MIVD omschreven als het rekruteren en begeleiden van bronnen of agenten met het doel niet vrij toegankelijke informatie te verzamelen. Ten slotte is een bron volgens de MIVD een persoon die formeel door de dienst is benaderd met het verzoek om op basis van vertrouwelijkheid en vrijwilligheid medewerking te verlenen door het geven van inlichtingen dan wel door het verlenen van operationele ondersteuning, welke ondersteuning bijvoorbeeld kan bestaan in het huren van een auto e.d. Een bron die alleen operationele ondersteuning verleent wordt door de MIVD ook wel aangeduid als supportbron.

2.39.

De CTIVD heeft in het hiervoor genoemde toezichtsrapport geconstateerd dat de MIVD een eigen definitie hanteert van het begrip “informant”, die botst met de geldende Wiv-bepalingen. De CTIVD heeft op pag. 11 van het toezichtsrapport onder meer het volgende overwogen:

De suggestie dat een informant in enigermate zou kunnen worden gestuurd – de ‘actieve informant’ uit de interne regelgeving van de dienst – kan ertoe leiden dat een persoon langer wordt aangehouden als informant dan wettelijk is toegestaan. Deze praktijk wordt bovendien gestimuleerd door de strenge eisen die de MIVD stelt aan de betrouwbaarheid van een agent. (…) Deze benadering (…) zorgt er in voorkomend geval voor dat de MIVD in het kader van het voortraject van de Humint Verwervings Cyclus een persoon reeds feitelijk heeft ingezet als agent voordat de Minister om toestemming is verzocht.”

En voorts op pag. 12:

“De drempel om te verzoeken om de inzet van een agent is voor de MIVD vooral ten aanzien van de buitenlandoperaties een stuk hoger dan voor de AIVD. Wanneer men pas een verzoek tot toestemming indient wanneer de betrouwbaarheid vaststaat, is het in veel gevallen te laat, de agent heeft dan al in de hoedanigheid van agent werkzaamheden verricht.”

De aanbeveling van de CTIVD op dit punt luidde dat de interne regeling van de MIVD zodanig moest worden aangepast dat de MIVD voortaan tijdig toestemming verkrijgt van de minister, en waarbij tevens de door de MIVD gehanteerde vereisten om een persoon aan te merken als agent opnieuw dienen te worden bezien.

2.40.

Voorts is volgens de CTIVD de interne regeling van de MIVD ten aanzien van het aanmelden van een persoon als agent niet in overeenstemming met de eisen uit de Wiv. Met betrekking tot de eisen die moeten worden gesteld aan de verslaglegging van (mondelinge) instructies aan agenten, heeft de CTIVD de aanbeveling gedaan om interne richtlijnen te ontwikkelen ter bevordering van de eenheid. Op pag. 13 heeft de CTIVD het volgende overwogen:

“Wel wil de Commissie opmerken dat de kwaliteit van de weergave van de instructie (…) van operatie tot operatie verschilt. Soms is de instructie zeer gedetailleerd vastgelegd, andere keren is er slechts sprake van een instructie op hoofdlijnen. In het laatste geval is controle op de kwaliteit van de instructie problematisch. (…) De Commissie is van oordeel dat meer eenheid zou moeten worden betracht in de wijze van verslagleggen.”

2.41.

De rechtbank overweegt naar aanleiding van de zojuist geschetste overwegingen en aanbevelingen uit het toezichtsrapport van de CTIVD, dat de situatie van [eiser] in sterke mate doet denken aan de genoemde gevallen, waarin een door de MIVD aangezochte persoon reeds feitelijk als agent werd aangestuurd, zonder dat formeel toestemming was verzocht aan de minister. De inzet van [eiser] lijkt zich te hebben afgespeeld in juist dit grijze gebied. Eén van de oorzaken was gelegen in de gebrekkige verslaglegging door MIVD2 aan het hoofdkantoor van de MIVD in Den Haag. Een andere oorzaak was mogelijk gelegen in het (bewust) passeren van het lijnmanagement door MIVD2. Uit de diverse getuigenverklaringen lijkt het beeld te ontstaan dat MIVD2 – als hoofdverantwoordelijke chief of station ter plaatse in Afghanistan – van de MIVD een grote vrijheid had gekregen bij de opbouw en inrichting van de missie. MIDV13 heeft verklaard dat MIVD2 in de opbouwfase goed werk heeft verricht en dat hij een capabele man was, die de missie in Afghanistan adequaat op poten heeft gezet. De rechtbank constateert verder dat MIVD2 zich ook voor het onderhouden van zijn contacten met en de aansturing van [eiser] , een grote mate van vrijheid heeft aangemeten. Hij zag potentieel in [eiser] om hem in te zetten voor het verkrijgen van inlichtingen voor de MIVD, hetgeen onder meer blijkt uit zijn gesprekken met MIVD1 (en MIVD6) waarbij hij heeft gevraagd hoe zij erover dachten om [eiser] als agent in te zetten. MIVD2 heeft in de verslaglegging – voor zover daarop werkelijk zicht bestaat – geen melding gemaakt van die activiteiten. De verslaglegging van MIVD2 aan het hoofdkantoor van de MIVD was gebrekkig, niet alleen door het ontbreken van goede en beveiligde (telefoon)verbindingen. De verklaringen van de getuigen die als leidinggevenden op het MIVD-hoofdkantoor in Nederland zaten, bevestigen het beeld dat MIVD2 zich niet strikt aan de rapportageverplichtingen en overige formaliteiten hield. MIVD2 viel onder de verantwoordelijkheid van MIVD13 en moest aldus aan hem rapporteren. Hoewel MIVD2 heeft verklaard dat hij waar mogelijk heeft teruggekoppeld naar zijn lijnmanagers, volgt uit de getuigenverklaring van MIVD13 (die afdelingshoofd van de afdeling Humint was en de leidinggevende van MIVD2) dat hierop een en ander aan te merken viel. Op enig moment kreeg MIVD13 (begin 2007) het idee dat MIVD2 “teveel cowboytje” wilde spelen. MIVD13 heeft verklaard dat hij een bepaalde detaillering heeft gemist in de verslaglegging en dat hij “delen gemist had die wel gemeld moeten worden. Dit had ook betrekking op de activiteiten in Afghanistan in 2006 – 2007.” Toen MIVD13 in februari 2007 in Afghanistan was, heeft hij MIVD2 gewezen op de gebrekkigheid van diens verslaglegging. Het ging daarbij om de samenwerking met andere partijen en om de veiligheidsmaatregelen die werden getroffen.

2.42.

Na de schorsing van MIVD2 zijn (onder meer) naar aanleiding van de gebrekkige verslaglegging maatregelen getroffen door MIVD-directeur [A] . [A] heeft als getuige verklaard dat vóór mei 2007 de registratie van de toestemming van bronnen en agenten plaatsvond op afdelingsniveau (de afdeling Humint van MIVD13), maar dat na de schorsing bleek dat die vastlegging niet afdoende was. Besloten werd dat bij de besprekingen tussen MIVD13 en [A] voortaan een jurist zou aanschuiven. Dit was volgens MIVD13 het geval“omdat moest worden voldaan aan de door de Wiv gestelde voorwaarden ten aanzien van bronnen en agenten.” MIVD13 heeft verklaard dat in zijn herinnering toen ook gesproken is over het bronnenbestand, er is niet specifiek gesproken over [eiser] , maar wel over zogenaamde [bronnen] : “de broncode [X] is de algemene naam van bronnen in Afghanistan. Daar komt een nummer achter.”

2.43.

In het verslag van het interne MIVD-onderzoek van 11 mei 2007 naar het handelen van de geschorste MIVD’ers MIVD2 en MIVD5 is het gebrek aan verslaglegging en het (bewust) passeren van lijnmanagers eveneens geconstateerd. De CTVID is echter van oordeel dat deze verwijten van de MIVD niet aan MIVD2 en MIVD5 kunnen worden toegerekend:

De Commissie is van oordeel dat de MIVD in een positie was om genoemde gedragingen, voor zover daar sprake van was, te voorkomen dan wel te corrigeren.

(…)”.

Conclusie: informant en agent

2.44.

De rechtbank is van oordeel dat [eiser] voor wat betreft de inlichtingenwerkzaamheden die hij in die beginfase heeft verricht op verzoek van MIVD1, moet worden aangemerkt als informant als bedoeld in artikel 17 lid 1 sub a Wiv. De rechtbank acht op basis van het in 2.37 tot en met 2.43 overwogene voorts in hoge mate waarschijnlijk dat [eiser] feitelijk – (kennelijk) zonder medeweten van zijn leidinggevenden – door MIVD2 is aangestuurd als agent in de zin van artikel 21 lid 1 onder a Wiv. Daarbij is [eiser] , zo stelt de rechtbank vast, tevens geïnstrueerd om strafbare feiten te plegen, zonder dat daartoe een schriftelijke instructie was verstrekt als bedoeld in artikel 21 lid 6. De rechtbank is van oordeel dat het feit dat MIVD2 [eiser] (kennelijk) zonder medeweten van zijn leidinggevenden feitelijk als agent heeft aangestuurd, niet wegneemt dat de MIVD als werkgever verantwoordelijk is voor de gedragingen en uitlatingen van MIVD2 jegens [eiser] . De inzet en aansturing van [eiser] door MIVD2 – of deze nu al of niet “buiten zijn boekje” is gegaan – moeten worden toegerekend aan de MIVD.

2.45.

Dat, zoals de Staat verder nog heeft aangevoerd, [eiser] niet zou zijn genoemd in informatierapportages (die volgens de Staat op informanten en agenten zien), maar alleen in weekly’s (die op alle praktische zaken zien) en dat de informatie die daarin staat “bijvangst” is, maakt de reeds vastgestelde feitelijke inzet van [eiser] als agent onder aansturing van MIVD2 niet anders. Het bevestigt veeleer dat de verslagleggings- en rapportageverplichtingen door MIVD2 niet goed werden nageleefd en de MIVD-top in Nederland onvoldoende zicht heeft gehad op de activiteiten van MIVD2 in Afghanistan. De rechtbank overweegt in dit verband nog het volgende. Uit de getuigenverklaringen (onder meer van [A] en MIVD13) volgt dat in die tijd (in weerwil van de Wiv) de afdeling Humint zelf toestemming kon geven om iemand als agent te formaliseren. In dit licht is het niet onbegrijpelijk dat MIVD2 en MIVD5 in de veronderstelling waren dat zij [eiser] binnen de afdeling Humint als agent konden aanmelden (en dat zij daartoe ook bevoegd waren, zoals MIVD2 heeft verklaard). De betrokkenheid van MIVD5 hierbij kan worden verklaard uit het feit dat weliswaar aan MIVD12 rapporteerde, maar volgens de verklaring van MIVD12 voor 90% werd ingezet (uitgeleend) voor de missie in Afghanistan en om die reden feitelijk onder MIVD2 en MIVD13 viel.

2.46.

In dit vonnis is voorts dus uitgangspunt dat [eiser] zich, gegeven de wijze waarop hij is ingezet, laat kwalificeren als informant (in de beginfase) en als agent. Volgens de Wiv en de Humint-werkinstructie heeft de MIVD in dit geval een zorgplicht. De vraag is of de MIVD aan die zorgplicht heeft voldaan.

Heeft de MIVD aan zijn zorgplicht voldaan?

2.47.

Op de MIVD rust op grond van artikel 15 Wiv een zorgplicht voor de veiligheid van de personen met wier medewerking gegevens worden verzameld, onder wie informanten en agenten. Zoals in het tussenvonnis reeds is overwogen, is die zorgplicht niet nader in de wet gedefinieerd en ook in de memorie van toelichting niet van commentaar voorzien. Wel heeft MIVD in de Humint-werkinstructie een invulling gegeven aan die zorgplicht. In het toezichtsrapport van de CTIVD is daarover vastgesteld:

“Deze instructie heeft betrekking op het exploiteren van menselijke bronnen en de uitoefening van daarmede samenhangende bijzondere bevoegdheden, mede om de veiligheid van deze bronnen, die in sommige gevallen een hoog (politiek) afbreukrisico kennen, zo mogelijk te waarborgen. (…)

De Humint Werkinstructie beschrijft het belang van een gedegen afbouw van de relatie van de dienst met de agent of informant. Er is immers gedurende de operatie een vertrouwensband opgebouwd met de agent of informant. Vermeden moet worden dat de agent of informant zich in de steek gelaten voelt. Aandacht moet worden besteed aan timing, zorgvuldigheid, aflopende beloning, duidelijkheid en eventueel psychologische nazorg. (…)

Ingevolge artikel 15, onder c, Wiv 2002 draagt de Directeur van de MIVD (…) zorg voor de veiligheid van de personen met wier medewerking gegevens worden verzameld. Deze bepaling geeft uitdrukking aan de zorgverplichting die op de dienst rust en wordt nader uitgewerkt in de Humint Werkinstructie. Zo dient de dienst oog te hebben voor het veiligheidsbewustzijn bij de agent of informant en tevens te letten op diens privé-situatie. (…)”

2.48.

Ook uit de getuigenverklaringen van de betrokken MIVD-ers volgt (desgevraagd) dat een gedegen afbouw van de relatie van de MIVD met de informant of agent van groot belang wordt geacht. Naar de rechtbank begrijpt, dient zo veel als mogelijk voorkomen te worden dat het netwerk van de informant agent zich tegen hem of haar keert. De rechtbank overweegt dat de vraag wat onder een gedegen afbouw moet worden verstaan, van geval tot geval moet worden beantwoord en dat ook de duur en de intensiteit van die afbouw afhankelijk zijn van de specifieke omstandigheden van het geval. In deze zaak gaat het om de vraag in welke specifieke omstandigheden [eiser] verkeerde.

2.49.

Uit de verklaring van MIVD1 en MIVD17 volgt dat na de schorsing van MIVD2 de veiligheidseisen op de back-uplocatie (het safehouse) werden opgeschroefd en dat [eiser] op enig moment de toegang werd ontzegd. MIVD17 heeft bevestigd dat hij [eiser] na het vertrek van MIVD2 in april 2007 de toegang heeft ontzegd tot de compound. De relatie van MIVD17 met [eiser] was volgens hem “bekoeld” door de levensstijl van [eiser] die volgens MIVD17 niet (meer) paste binnen het zo onopvallend mogelijke profiel dat de MIVD in Kabul nastreefde. Volgens MIVD17 heeft hij dit besproken met MIVD2, en was dit nog vóór de schorsing van MIVD2. [eiser] was daarvóór, zo heeft onder meer MIVD1 verklaard, nog “kind aan huis” op die locatie. MIVD1 maakte zich dan ook zorgen over de gang van zaken. Hij heeft verklaard dat [eiser] na de schorsing inderdaad de toegang tot de back-uplocatie is ontzegd en voorts:

“Dit vernam ik eerst van [eiser] zelf. Bij navraag op de back-uplocatie bleek dit te kloppen. De verantwoordelijke toen heeft mij dat verteld. (…) Het was een uitvloeisel van de schorsing van MIVD2 en een aantrekking van het veiligheidsregime. (…) Tijdens de bouw liepen veel mensen op de back-uplocatie in en uit. (…) [eiser] was op die locatie kind aan huis geworden, dagelijks bezoeker van de locatie. (…) Het verbaasde mij dat hem de toegang was ontzegd, omdat voor mij niet helder was hoe de situatie was in verband met de schorsing van MIVD2. (…) Ik wist toen nog niet van het verhaal dat [eiser] mij later pas vertelde over zijn werkzaamheden voor MIVD2.”

2.50.

Relevant in dit verband is ook het verslag van de opvolger van MIVD2 van 1 juli 2007, waarin over [eiser] is vermeld:

Gezien de ‘vrije’ toegang tot […], de deelname aan BBQ’s e.d., het gebruik maken van allerlei diensten van de […] (zoals bestellen van alcoholische dranken) was en voelde hij zich ‘kind aan huis’. In het verleden heeft M05 in zijn functie als security officer uitgebreid met bron gesproken (geen rapportage) en door […] is vanwege de betrokkenheid van bron bij de opzet van de […] een dossier aangelegd en een broncode aangevraagd. Uit oogpunt van ‘damage control’ zal daarom een gesprek met bron plaatsvinden.”

Uit dit verslag volgt verder dat [eiser] boos en ontstemd was dat hem na de schorsing van MIVD2 en MIVD5 plots de toegang was ontzegd.

2.51.

MIVD1 heeft verder verklaard dat hij van MIVD13 de opdracht heeft gekregen om – na de schorsing van MIVD2 – vast te stellen wat MIVD2 aan lopende werkzaamheden had achtergelaten en om dit “op te lossen”. Daarbij is ook de naam van [eiser] genoemd. MIVD1 heeft na de schorsing met [eiser] gesproken en gevraagd welke afspraken hij met MIVD2 had gemaakt. Dat was volgens MIVD1 een emotioneel gesprek, waarover hij als volgt heeft verklaard:

“Hij riep dingen waar mijn nekharen van overeind gingen staan, iets met mijnenfabrieken. Ik vroeg hoe ik hem zou kunnen helpen. Hij wilde met mij geen zaken doen omdat hij met MIVD2 afspraken had. (…) ik kreeg keer op keer te horen ik kan en mag niets vertellen. Hij heeft het mij uiteindelijk ook nooit verteld. Hierop kreeg ik twijfels over het waarheidsgehalte van zijn verhaal. Hij had een verhaal over een politiecommandant in Kandahar die in zijn netwerk zat. (…) Verder sprak hij over opbouw van een inlichtingennetwerk, en zei verantwoordelijk te zijn voor het betalen van dat netwerk, maar hij weigerde openheid te geven buiten aanwezigheid van MIVD2. (…)”.

2.52.

Naar aanleiding van dit verhaal van [eiser] heeft MIVD1 (samen met een andere collega) vervolgens aan (onder meer) MIVD13 te kennen gegeven dat hij graag zou zien dat MIVD2 zou worden gedebriefd om duidelijk te krijgen wat hij had achtergelaten in Kabul, naar aanleiding van de contacten met [eiser] . Dat is gedurende enkele weken bij herhaling aan de orde gesteld, waarbij MIVD1 en zijn collega op eigen initiatief een aantal keren telefonisch en in persoon met (MIVD12 en) MIVD13 hebben gesproken, zo heeft MIVD1 verklaard:

“(…) Ik heb contact met Nederland gezocht,(…), met het verzoek om MIVD2 te contacten om te debriefen met betrekking tot de werkzaamheden die hij heeft achtergelaten om meer zicht op zijn werkzaamheden te krijgen. Dit had betrekking op [eiser] en op de werkzaamheden van MIVD2 in het algemeen. Ik geloof niet dat MIVD2 ook met anderen zulk diepgaand contact had zoals met [eiser] . Ik maakte mij zorgen. Ik zat in Kabul en had te maken met een contact die refereerde aan MIVD2 en daarover inhoudelijk met mij niet wilde spreken. Veiligheid was voor mij niet een punt van zorg, maar meer de vraag of dat netwerk er daadwerkelijk lag. Als dat netwerk er daadwerkelijk lag, zou [eiser] begeleid moeten worden in de voortzetting of de afbouw van dit netwerk. Dit is in Nederland niet opgepakt. Ik heb daar nooit antwoord op gekregen.”

2.53.

MIVD13 heeft bevestigd dat MIVD1 aan hem te kennen had gegeven dat MIVD2 moest worden gedebriefd. MIVD13 heeft dat toen aan [A] voorgelegd, maar deze heeft dat geweigerd. MIVD13 heeft verder verklaard dat hij zich weinig kan herinneren over de noodzaak van debriefing van [eiser] . Pas nadat de hiervoor genoemde verklaring van MIVD1 door de rechtbank was voorgehouden aan MIVD13, heeft deze verklaard “It rings a bell”. MIVD12 heeft desgevraagd verklaard dat hij zich over een eventueel debriefen van MIVD2 in verband met [eiser] niets kan herinneren. De rechtbank overweegt dat deze uitspraak in die zin van beperkte waarde is nu MIVD12 niet is geconfronteerd met de inhoud van de getuigenverklaring van MIVD1, doordat MIVD12 zijn getuigenverklaring eerder heeft afgelegd.

2.54.

MIVD1 heeft verder het volgende verklaard:

“Ik vond onze vraagstelling aan MIVD12 en 13 plausibel. Wij hadden achtergrondgegevens nodig. Professioneel verbaasde het mij dat er niets met mijn zorgen werd gedaan. Ik weet niet waarom er niets (…) gedaan is. Daarover kan ik alleen speculeren. Het was een door [A] genomen beslissing. (…). U vraagt mij op welke wijze is gezorgd voor de veiligheid en de belangen van [eiser] na de schorsing van MIVD2 en nadat ik op de hoogte ben geraakt van de status die MIVD2 aan [eiser] toedichtte. Ik heb daar nog weleens nachtmerries van. Ik stond machteloos, omdat [eiser] mij niet wilde inlichten en ik hem dus ook niet kon beschermen”

2.55.

MIVD2 heeft desgevraagd in zijn getuigenverklaring bevestigd dat hij niet is gedebriefd:

“Nadat ik ben geschorst ben ik niet debriefd over de missie in Afghanistan. Voor de schorsing ook niet, want toen was ik nog in het proces. Ik heb gevraagd om te worden debriefd. Dat is niet gebeurd. De directeur gaf aan dat gezien de fase van het onderzoek er met mij geen gesprek kon worden aangegaan.”

2.56.

MIVD5 heeft met betrekking tot het debriefen verklaard:

“Ik weet wel dat MIVD2 terugkwam uit Afghanistan en met verlof en vervolgens meteen werd geschorst zonder operationele debrief zodat de nodige informatie niet bij de dienst bekend is geworden. Ik weet dat MIVD2 de directeur schriftelijk heeft verzocht om deze informatie wel te kunnen delen. Ook ik heb bij de onderzoekers te kennen gegeven dat het absoluut noodzakelijk was dat MIVD2 zou[den] worden debriefd, onder andere met het verhaal van de bermbommenfabriek in het achterhoofd. MIVD2 is uiteindelijk niet gedebriefd.”

2.57.

Samengevat constateert de rechtbank dat de MIVD aan [eiser] kort na de schorsing van MIVD2 en MIVD5 van de ene op de andere dag de toegang heeft ontzegd tot de back-uplocatie. Ondanks aandringen van MIVD1 bij zijn leidinggevenden heeft de directeur van de MIVD, [A] , vervolgens besloten om MIVD2 niet te debriefen. Dit terwijl uit het interne onderzoek van de MIVD naar de schorsing van MIVD2 (en MIVD5) reeds duidelijk was geworden dat MIVD2 gedurende de missie in Afghanistan zijn leidinggevenden passeerde en dat zijn verslaglegging gebrekkig was. Onder deze omstandigheden was een debriefing van MIVD2 naar het oordeel van de rechtbank juist noodzakelijk om de op het moment van schorsing van MIVD2 lopende zaken in Afghanistan in kaart te brengen. Dit klemt temeer omdat op dat moment de naam van [eiser] bekend was bij het lijnmanagement van de MIVD, en niet alleen als operationele en faciliterende persoon voor de MIVD in Afghanistan. Op basis van de terugkoppeling door MIVD1 van zijn gesprekken met [eiser] was deze evenzeer bekend als mogelijke “inlichtingenman” die door MIVD2 was aangestuurd, die lopende contacten in zijn netwerk onderhield en informatie zou hebben over bermbommenfabrieken. Voorts had de informatie die de MIVD ter beschikking stond over [eiser] nadat MIVD1 aan de bel had getrokken, aanleiding moeten vormen voor de MIVD om, afgezien van het debriefen van MIVD2, gedegen onderzoek te doen naar de risico’s van de lopende activiteiten van [eiser] voor de MIVD. [eiser] wilde ten overstaan van MIVD1 weliswaar geen openheid van zaken geven, maar er waren op dat moment reeds voldoende aanwijzingen dat [eiser] contacten zou onderhouden zowel met Taliban-strijders als met belangrijke personen uit de hogere Afghaanse echelons, en [eiser] daardoor mogelijk een hoog (politiek) afbreukrisico kende. Het was de taak van de MIVD om de veiligheid van [eiser] in dat opzicht zo goed mogelijk te waarborgen en samen met [eiser] de mogelijkheden voor een gedegen afbouw te bespreken en hem daarin te faciliteren. Dat [eiser] geen openheid van zaken wilde geven, kan hem niet met succes worden tegengeworpen. Er was gedurende de missie in Afghanistan door MIVD2 in een periode van ruim een jaar een intensieve één-op-één vertrouwensband opgebouwd met [eiser] . Door de plotselinge weigering te worden toegelaten tot de back-uplocatie onder de omstandigheid dat het contact van [eiser] met MIVD2 verbroken was als gevolg van diens schorsing, heeft de MIVD het vertrouwen van [eiser] geschonden, met als gevolg dat hij zich door de MIVD in steek gelaten voelde en op dat moment ook MIVD1 niet meer vertrouwde. Mede daardoor heeft MIVD1 onvoldoende specifieke informatie van [eiser] losgekregen over diens inlichtingennetwerk. Dat komt voor rekening en risico van de MIVD.

2.58.

De conclusie luidt dan ook dat de MIVD na schorsing van MIVD2 onvoldoende heeft geïnvesteerd in [eiser] . Het feit dat [eiser] als informant en later agent, gezien zijn netwerk en positie in Afghanistan, mogelijk een hoog (politiek) afbreukrisico moet hebben gekend, bracht de verplichting voor de MIVD mee om, zoals de Humint-werkinstructie voorschrijft, tot een “gedegen afbouw” van de relatie van [eiser] met de MIVD te komen, om zo, waar mogelijk, te voorkomen dat het netwerk van [eiser] zich tegen hem zou keren. De MIVD heeft de beschikbare mogelijkheden, waaronder het debriefen van MIVD 2 en MIVD5, om zo zicht op “lopende zaken” te krijgen, niet benut en heeft de relatie met [eiser] niet, met oog voor eventuele veiligheidsrisico’s die [eiser] liep, gefaseerd beëindigd. Evenmin heeft de MIVD aandacht besteed aan het feit dat [eiser] zich in de steek gelaten voelde. In termen van de Humint-werkinstructie: er is geen aandacht besteed aan “timing, zorgvuldigheid, aflopende beloning, duidelijkheid en eventueel psychologische nazorg”. Een en ander leidt tot het oordeel dat de directeur van de MIVD, gelet op de hiervoor beschreven specifieke feiten en omstandigheden, de in artikel 15, onder c, Wiv genoemde zorgplicht heeft geschonden.

2.59.

Het feit dat de MIVD [eiser] in de loop van 2009 een vliegticket naar Nederland heeft aangeboden, doet aan dit oordeel niet af. Dat aanbod is immers gedaan nadat de veiligheid van [eiser] reeds in het geding was geraakt, zoals hierna zal blijken. Ook het feit dat de MIVD (onder meer in de persoon van [B] ) in de loop van 2009 alsnog intern onderzoek heeft gedaan naar de rol van [eiser] , is in het kader van de in acht te nemen zorgplicht niet van betekenis, reeds omdat dit onderzoek, dat overigens plaatsvond met het oog eventuele schikkingsonderhandelingen met [eiser] , eerst twee jaar na de schorsing van MIVD2 in gang is gezet. Al die tijd heeft [eiser] adequate nazorg moeten ontberen.

IV. Causaal verband

2.60.

Beoordeeld moet voorts worden wat het gevolg is van het feit dat de MIVD zijn zorgplicht jegens [eiser] heeft geschonden en – in het verlengde daarvan – of, en zo ja in welke omvang, dat tot schade heeft geleid.

2.61.

[eiser] heeft over het causale verband het volgende gesteld. Hij is, naar de rechtbank begrijpt in de zomer van 2009, althans in september van dat jaar, uit Afghanistan gevlucht naar Nederland nadat hij bedreigd was. In de periode van april 2007 (na de schorsing van MIVD2) tot en met juni 2009, is hij naar eigen zeggen niet bedreigd. Wel heeft hij in een gesprek met MIVD1 op 8 oktober 2008 toegelicht dat hij zakelijke schade zou lijden door zijn samenwerking met Nederland. Zo zou hij zakelijk gezien op een zijspoor zijn gezet door de broer van [C] ( [C] ), met wie hij “tot voor een jaar terug” samenwerkte. Zelf maakte hij, [eiser] , gebruik van de contacten verkregen uit de relatie met [C] . Hij kreeg zonder reden plotseling geen contract meer voor het leveren van gepantserde auto’s. Dit gesprek met MIVD1 is vastgelegd in een door de Staat overgelegd gespreksverslag van MIVD1.

2.62.

In mei of juni 2009 is [eiser] , aldus nog steeds zijn verklaring, in Afghanistan vlakbij Kabul Airport door twee auto’s klemgereden door vier gewapende personen, die waren gekleed als Afghaanse politiemensen en gewapend waren met AK47 machinegeweren. [eiser] is met zijn gepantserde jeep doorgereden en vervolgens direct naar de Nederlandse ambassade gegaan om veiligheid te zoeken. [eiser] werd daar niet door het ambassadepersoneel toegelaten. Enkele dagen later is hij gebeld door MIVD1 met de mededeling dat toestemming was verleend om naar de ambassade te komen. Onderweg is hij opnieuw bijna klemgereden, door personen met AK47 machinegeweren. Ook daaraan is hij ontkomen door door te rijden. Hij heeft op 30 juni en 12 juli 2009 een verklaring afgelegd ten overstaan van de Nederlandse ambassadeur in Kabul. [eiser] heeft verder gesteld dat hij vermoedt dat de bedreigingen afkomstig waren van personen uit zijn inlichtingennetwerk. De rechtbank overweegt dat dit verhaal van [eiser] met zoveel woorden wordt bevestigd in het (door de Staat overgelegde) gespreksverslag van 31 juli 2009, waarin een gesprek is weergegeven tussen MIVD1 en [eiser] in Kabul. Hierin is, onder meer, het volgende vermeld:

“[I] gaf aan dat hij zich als een opgejaagd stuk wild voelde. I heeft meerdere huizen gehuurd in Kabul en slaapt nooit langer dan 1 of 2 nachten op dezelfde plaats. I vervolgde dat hij zich nog steeds bedreigd voelde al heeft hij hiervan de laatste weken weinig gemerkt. Na de twee incidenten met het klemrijden van zijn auto door geüniformeerde mensen, enkele maanden terug, had hij nog maar 1 incident meegemaakt. Dit incident gebeurde enkele weken terug toen I thuis in bed lag (…) Bij het oppakken van dit kussen zag I een grote “SCHORPIOEN” onder dit kussen zitten. I was ervan overtuigd dat deze schorpioen, gezien de grootte, niet op een natuurlijke weg daar gekomen was. I is er van overtuigd dat dit een waarschuwing was. (…)

(…)

Zo’n zes maanden geleden werd één van mijn hoofdcontacten in Kandahar […] vermoord. Ik weet dat één van zijn zoons op de hoogte was van onze samenwerking. (…) Kort hierna ontving ik de eerste dreigtelefoontjes. Voor mij niet echt iets om bij stil te staan omdat dit wel eens eerder gebeurde.

Toen ik echter, enkele maanden terug, werd gewaarschuwd door een goed contact van mij die aangaf dat iemand het op mijn leven had voorzien, gierden bij mij de zenuwen door mijn lijf. In eerste instantie gebeurde er niets (…).

Toen ik echter de eerste keer klem werd gereden (…) sloeg de schrik mij om het hart. Twee auto’s met daarin geüniformeerde mensen, probeerden mij van de weg af te drukken. Ik heb hierop gereageerd door één van de auto’s te rammen en flink gas te geven. (…) waardoor ik weg kon komen.

De tweede keer was kort geleden, toen weer twee auto’s mij probeerden klem te rijden. Ik heb toen mijn wapen getrokken (…) Dit gebaar was voldoende om ze af te schrikken en dat gaf mij de ruimte om er vandoor te kunnen gaan. Uit het feit dat het twee keer een actie betrof van mensen in uniform, maak ik op dat de bedreiging/aanslag van een hoog niveau moet komen. Ik denk dan ook dat de dader in het contacten netwerk moet worden gezocht die, of uit Kandahar komt of hier uit Kabul op ministerieel niveau. Dat de dreiging komt uit het netwerk wat ik met M02 heb opgebouwd staat voor mij als een paal boven water.

(…)

M01 heeft hierbij gevraagd hoeveel mensen er uit zijn netwerk in staat zouden zijn om geüniformeerde mensen aan te kunnen sturen. I kwam op een aantal van 5 contacten die hiertoe in staat waren. Gevraagd naar deze contacten (…) hield I de boot af.

I had aan M02 beloofd om geen openheid te geven over de contacten en dat wilde hij zo houden. (…) M01 heeft I in overweging gegeven om nog eens diep na te denken over deze […] contacten en alle voor en nadelen tegen elkaar af te wegen. I hoefde nu niet te antwoorden maar moest goed nadenken over de vraag of het niet beter voor zijn en de veiligheid voor zijn gezin zou zijn, om hierover toch openheid te betrachten.”

2.63.

MIVD1 heeft, zo volgt uit het verslag, [eiser] gezegd dat de MIVD de bedreigingen tegen hem serieus neemt en alles wil doen om die bedreigingen weg te nemen, maar dat daarbij wel de medewerking van [eiser] nodig is. MIVD1 heeft [eiser] de toezegging gedaan hem te helpen:

“I hoeft maar te bellen en M01 zal ervoor zorgen dat I (persoonlijk) in veiligheid wordt gebracht en eventueel veilig naar Nederland zal worden gevlogen.

2.64.

Verder heeft [eiser] gezegd dat hij tot 15 augustus 2009 in Kabul zou blijven en daarna naar Nederland zou gaan voor een korte vakantie en in september weer in Kabul zou zijn. Niet duidelijk is of [eiser] na zijn vertrek naar Nederland niet meer naar Kabul is teruggekeerd, of wel is teruggekeerd maar toen alsnog is gevlucht. In ieder geval is hij sinds september 2009, zo volgt uit zijn toelichting op de door hem gestelde schade, niet meer in Kabul woonachtig.

2.65.

Vervolgens heeft [eiser] verklaard dat hij, toen hij Afghanistan reeds had verlaten, in oktober 2012 opnieuw is bedreigd in Nederland, waarna de MIVD hem heeft aangeboden om samen met zijn gezin voor onbepaalde tijd in een kazerne in Nederland te verblijven. [eiser] is hier met zijn gezin ondergebracht van 12 oktober 2012 tot 11 januari 2013. Tijdens zijn verblijf in de kazerne heeft [eiser] op (2 en) 12 november 2012 officieel aangifte gedaan van bedreiging, nadat hij gedeeltelijke ontheffing had verkregen van de directeur van de MIVD. [eiser] betoogt dat de bedreigingen verband kunnen houden met het aantreden (in [datum] ) van [H] in Afghanistan als [Z] en de veronderstelling van [H] en [D] dat [eiser] mogelijk een bedreiging voor hun positie vormt door zaken die hij van hen weet.

2.66.

De rechtbank is van oordeel dat op grond van de voorgaande, door [eiser] naar voren gebrachte feiten en omstandigheden, in ieder geval als voldoende aannemelijk is komen vast te staan dat [eiser] is bedreigd, zowel in Afghanistan halverwege 2009 en opnieuw in Nederland in 2012. Voorts acht de rechtbank voldoende aannemelijk dat die bedreigingen afkomstig waren uit het netwerk van [eiser] . Immers, vast staat dat MIVD2 [eiser] opdracht heeft gegeven om in diens (zakelijke) netwerk bepaalde inlichtingen te vergaren die voor de MIVD op dat moment belangrijk waren en om bij bepaalde personen door te vragen op bestaande informatie. [eiser] heeft zich daardoor (op verzoek van de MIVD) mogelijk tegenover deze personen kwetsbaar gemaakt omdat zij – zo heeft [eiser] onweersproken gesteld – ervan op de hoogte waren dat [eiser] werkzaamheden voor de Nederlanders verrichtte.

2.67.

[eiser] stelt niet alleen dat de bedreigingen terug te voeren zijn op personen uit zijn netwerk, zoals hiervoor door de rechtbank is aangenomen, maar hij stelt tevens dat de bedreigingen voortkomen uit het feit dat hij zijn positie als agent voor de MIVD van de ene op de andere dag is kwijtgeraakt. Anders gezegd: hij stelt dat de bedreigingen direct verband houden met de schending van de zorgplicht. Zijn netwerk zou zich tegen hem gekeerd hebben. Dat laatste is relevant omdat [eiser] voorts heeft gesteld dat die bedreiging in 2009 de reden is geweest van het feit dat hij Afghanistan heeft moeten verlaten en de schade die hij heeft geleden grotendeels (met uitzonderingen van de betalingen aan zijn netwerk, zie hierna) uit die vlucht voortkomt, onder meer omdat hij zijn positie als zakenman in Afghanistan is kwijtgeraakt.
Aanknopingspunten voor de mogelijke juistheid van de stelling van [eiser] dat de bedreigingen samenhangen met zijn eerdere positie als informant/agent en het gebrek aan “afbouw” daarvan, vindt de rechtbank in het feit dat de MIVD [eiser] een vliegticket heeft aangeboden om Afghanistan te verlaten en hem bescherming heeft geboden door hem en zijn gezin in een kazerne op te vangen. Voorts is naar het oordeel van de rechtbank, zeker nu het gaat om een zorgvuldigheidsnorm die bescherming moet bieden tegen veiligheidsrisico’s en persoonlijke afbreukrisico’s, niet uitgesloten dat er enige tijd overheen gaat alvorens dergelijke risico’s zich openbaren. Hierbij verdient opmerking dat [eiser] een breed maatschappelijk en zakelijk netwerk onderhield, waarin zich ook personen van het politieke niveau bevonden, hetgeen door de Staat niet is weersproken. Juist de status en belangen van dergelijke personen kunnen al naar gelang hun politieke positie op enig moment in het gedrang komen. De rechtbank acht dan ook niet uitgesloten dat een bepaalde verschuiving in het politieke spectrum in Afghanistan tot gevolg heeft gehad dat zich op een veel later moment dan direct na de schorsing van MIVD2 in 2007 veiligheidsrisico’s voor [eiser] hebben voorgedaan – het na-ijleffect – die voortkomen uit zijn eerdere werkzaamheden voor de MIVD.

2.68.

De Staat heeft daartegen aangevoerd dat [eiser] er zelf voor heeft gekozen, onder meer uit zakelijke overwegingen, om zijn netwerk uit te bouwen en onderhouden, ook nadat MIVD2 was verdwenen in verband met diens schorsing. [eiser] is op dat punt “zijn eigen weg” ingegaan, en de MIVD heeft daar niets (meer) mee van doen gehad, aldus de Staat. Verder heeft de Staat aangevoerd dat [eiser] ook zakelijke activiteiten verrichtte voor andere NAVO-landen (zoals het leveren van wooncontainers aan de Duitsers en pantserauto aan de Amerikanen), dat hij banden had met mensen uit “de onderwereld” (zoals ook is vermeld in het gespreksverslag van MIVD1 met [eiser] in 2009) en dat hij ondanks de concrete bedreigingen en de door MIVD1 aangeboden hulp in Afghanistan is gebleven.

2.69.

De rechtbank constateert dat in het geval van [eiser] onzekerheid bestaat over de vraag of de door hem gestelde schade is veroorzaakt door (a) de vastgestelde zorgplichtschending (zoals hijzelf stelt), (b) door oorzaken die voor zijn eigen risico komen (zoals de Staat aanvoert), of mogelijk (c) door een combinatie van beide oorzaken. De rechtbank stelt hierbij voorop dat de in artikel 15 Wiv bedoelde zorgplicht met name ziet op het waarborgen van de veiligheid van door de MIVD ingeschakelde agenten en informanten. In het geval van [eiser] acht de rechtbank (zoals eerder overwogen) het aannemelijk dat er een kans bestaat dat de schending van de zorgplicht door de MIVD, mede gelet op de aard van die zorgvuldigheidsnorm, tot gevolg heeft gehad dat [eiser] veiligheidsrisico’s heeft gelopen (en dat hij heeft moeten vluchten) en daardoor schade heeft geleden. De rechtbank acht die kans bij deze stand van zaken in de procedure nog niet zodanig klein of groot dat zij kan oordelen dat het causale verband afwezig of juist aanwezig is. De rechtbank acht het op dit punt van belang dat partijen zich uitspreken over de vraag of het leerstuk van de proportionele aansprakelijkheid van toepassing zou kunnen zijn op de onderhavige kwestie (HR 31 maart 2006, NJ 2011/250, Nefalit/Karamus, en HR 24 december 2010, NJ 2011/251, Fortis/Bourgonje). Dit leerstuk houdt in dat de rechter in gevallen waarin niet kan worden vastgesteld of de schade is veroorzaakt door een normschending (in dit geval de schending van de zorgplicht door de MIVD), dan wel door een oorzaak die voor risico van de benadeelde zelf (in dit geval [eiser] ) komt, of door een combinatie van beide oorzaken, en waarin de kans dat de schade door de normschending is veroorzaakt niet zeer klein noch zeer groot is, de aansprakelijk gestelde persoon mag veroordelen tot schadevergoeding in evenredigheid met de in een percentage uitgedrukte kans dat de schade door zijn normschending is veroorzaakt.

2.70.

De rechtbank heeft voor de beoordeling van het causale verband voorts behoefte aan een nadere toelichting van [eiser] op de causale relatie tussen de schending van de zorgplicht zoals die is geconcretiseerd in dit vonnis enerzijds en de bedreigingen en zijn vlucht anderzijds. De processtukken die tot nog toe gewisseld zijn, hebben in het bijzonder betrekking gehad op de rol van [eiser] en in mindere mate op die causale relatie, terwijl [eiser] noch in de enquête, noch in de contra-enquête als getuige is voorgebracht en daaromtrent dus ook in die hoedanigheid geen verklaring heeft afgelegd. De rechtbank zal [eiser] in de gelegenheid stellen die toelichting bij akte te geven en de Staat aansluitend in de gelegenheid stellen om daarop bij antwoordakte te reageren. Daarbij dient [eiser] in het bijzonder meer duidelijkheid te bieden over de volgende punten:

  1. Welke (invloedrijke) personen zaten in het netwerk van [eiser] , en welke personen heeft [eiser] op verzoek van de MIVD om inlichtingen gevraagd?

  2. Van welke (hiervoor bedoelde) personen had [eiser] veiligheidsrisico’s te duchten en waarom?

  3. Waarom heeft [eiser] geen informatie aan MIVD1 gegeven over deze personen?

  4. Wat was volgens [eiser] de concrete aanleiding voor de eerste bedreigingen aan zijn adres in 2009?

  5. Wat was de concrete aanleiding voor [eiser] om uit Afghanistan te vluchten? Wanneer is [eiser] precies gevlucht en hoe is deze vlucht naar Nederland verlopen, gezien de hiervoor onder 2.62 tot en met 2.64 weergegeven gang van zaken (dat [eiser] in augustus 2009 nog in Afghanistan was en met vakantie naar Nederland zou gaan)?

  6. Wat was volgens [eiser] de concrete aanleiding voor de eerste bedreigingen aan zijn adres in 2012?

2.71.

Om proceseconomische redenen, zonder dat daarmee reeds een oordeel over het bedoelde causale verband is gegeven, verzoekt de rechtbank [eiser] zich bij diezelfde akte ook over de door hem gestelde schade, die door de Staat, zowel wat de schadeposten als de omvang betreft, wordt betwist, nader uit te spreken. De rechtbank overweegt in dit verband het volgende.

V. Schade

2.72.

[eiser] stelt dat hij naar schatting $ 7.000.000 aan schade heeft geleden doordat hij heeft moeten vluchten uit Afghanistan en al zijn bezittingen, zakelijke projecten in de bouw- en vastgoedsector en aandelenbelangen heeft moeten achterlaten. [eiser] heeft in de periode [periode] een bouwbedrijf, genaamd [Ltd 1] Ltd, opgezet met als opdrachtgevers NAVO-lidstaten en de Afghaanse regering. [eiser] was directeur-grootaandeelhouder van dit bedrijf. Verder was hij directeur en mede-aandeelhouder van [Ltd 2] Ltd. Grootaandeelhouder was [G ] . Daarnaast hield hij, zo stelt hij voorts, een belang van 20% van de aandelen in een [bedrijf 1] .

2.73.

[eiser] heeft verder aangevoerd dat hij schade heeft geleden door het doen van betalingen aan contacten in zijn inlichtingennetwerk, een geschat bedrag van $ 1.201.000. Volgens [eiser] heeft hij op verzoek van MIVD2 binnen zijn oorspronkelijke zakelijke netwerk contacten opgebouwd met dertien personen die de interesse hadden van MIVD2. Deze contacten waren zich ervan bewust dat hij inlichtingenwerk deed voor de Nederlandse staat, en hij heeft die contacten vanaf april 2007 steeds betaald voor hun informatie. Enkele invloedrijke personen uit zijn netwerk waren: twee [Y] , waaronder [… ] ( [… ] ) [D] (hierna: [D] ), hoge officieren van de Afghaanse politie, waaronder [H] . Tevens had hij twee contactpersonen in Uruzgan. [H] en [D] wisten van elkaar dat zij door [eiser] betaald werden voor inlichtingen. [… ] , aldus nog steeds [eiser] .

2.74.

[eiser] heeft ter onderbouwing van zijn schade een overzicht overgelegd (een “lijst met uitgaven”), waarin de volgende schadeposten staan vermeld:

  1. $ 51.000 aan kosten voor vergaderingen met de Taliban op verzoek van de Nederlandse ambassade;

  2. $ 3.000 aan kosten voor het verzorgen van een reis (met beveiliging) van een journalist, die later van de MIVD bleek te zijn, naar Kandahar;

  3. $ 500.000 aan kosten voor lopende projecten, die hij heeft moeten achterlaten naar aanleiding van zijn vlucht uit Afghanistan. De projecten zijn niet doorgegaan en de kosten nodeloos gemaakt;

  4. $ 1.201.000 aan terugkerende maandelijkse betalingen en eenmalige uitgaven aan personen uit het inlichtingennetwerk op verzoek van MIVD2 en MIVD5. Dit betreft de periode vanaf april 2007 tot en met juli 2009;

  5. $ 800.000 aan lopende bouwprojecten misgelopen, $ 1.200.000 voor het niet-bouwen van het Olympisch stadion van Kaboel, $ 60.000 aan gestolen bouwmachines,
    $ 100.000 aan investeringen in wegenbouwproject met [bedrijf 2] , en $ 12.500.000 door het verlies van zijn positie als CEO van [Ltd 1] als gevolg van uitlatingen van [E] over [eisers] positie (ontslag zonder vergoeding). $ 1.980.000 aan gestolen wooncontainers (180 stuks) en $ 800.000 aan gestolen bouwmachines,
    $ 780.000 aan Toyota Cruisers (26 stuks) en $ 1.680.000 aan gepantserde Landcruisers (14 stuks) achtergelaten, en verlies van het 20% aandeel in het [bedrijf 1] .

  6. verlies van verdienvermogen vanaf september 2009 (geen inkomen, werk en geen sociale zekerheid).

2.75.

De rechtbank overweegt ten aanzien van de onder a) en b) genoemde schadeposten dat deze niet het gevolg kunnen zijn van enig handelen van de MIVD. Dit betreft werkzaamheden die [eiser] heeft verricht op verzoek van de ambassade en dus op verzoek van het ministerie van Buitenlandse Zaken. De rechtbank heeft in het tussenvonnis reeds geoordeeld dat (de Staat door tussenkomst van ) het ministerie van Buitenlandse Zaken geen zorgplicht jegens [eiser] heeft geschonden, zodat deze schadeposten daarom zullen worden afgewezen. Bij gebrek aan schending van een zorgplicht door het ministerie van Buitenlandse Zaken zal ook schade als gevolg het verlies van zijn positie als CEO van [Ltd 1] “als gevolg van uitlatingen van [E] over [eisers] positie”, worden afgewezen.

2.76.

De overige gestelde schadeposten vallen – kort samengevat – uiteen in (A) achtergelaten bezittingen, misgelopen investeringen in lopende projecten, verloren aandelenbelangen en gederfde inkomsten en (B) betalingen aan contactpersonen in het netwerk van [eiser] die na een verzoek van MIVD2 aan [eiser] informatie aan [eiser] hebben verstrekt.

ad A

2.77.

Dat [eiser] bezittingen en zakelijke belangen in Afghanistan had, heeft [eiser] , tot op zekere hoogte, wel met stukken onderbouwd. Indien het causaal verband tussen de schending van de zorglicht en de vlucht van [eiser] uit Afghanistan komt vast te staan, acht de rechtbank schade als gevolg van verloren bezittingen en inkomstenderving als gevolg van het verlies van positie(s) over een zekere periode aannemelijk. De rechtbank zal [eiser] in de gelegenheid stellen deze schadeposten nader en concreet, met inbegrip van bewijs van bezittingen, verlies daarvan en van aanstellingen en loonstroken, nader te onderbouwen. Daarbij dient [eiser] tevens te onderbouwen op welke periode de inkomstenderving ziet, mede in acht genomen het feit dat hij mogelijk op enig moment na zijn vertrek uit Afghanistan opnieuw inkomen heeft verworven en/of verwerft. Voor toekenning van bedragen wegens ”misgelopen projecten” in aanvulling op gederfde looninkomsten ziet de rechtbank zonder nadere toelichting, die vooralsnog ontbreekt, geen grond.

2.78.

Daarnaast zal de rechtbank [eiser] in de gelegenheid stellen nader toe te lichten waarom hij als gevolg van zijn vertrek zijn aandelenpositie in het [bedrijf 1] is kwijtgeraakt.

ad B
2.79. Dat [eiser] in het kader van zijn inlichtingenwerk betalingen heeft verricht aan zijn contactpersonen, voor zover gevorderd in de periode april 2007-september 2009, vloeit volgens [eiser] voort uit het feit dat hij, op verzoek van MIVD2, na diens vertrek zijn inlichtingennetwerk moest onderhouden. De rechtbank overweegt dat vooralsnog onvoldoende duidelijk is geworden of (en zo ja, in hoeverre) het niet-bieden van adequate nazorg en afbouw door de MIVD ertoe heeft geleid dat [eiser] , gelet op de positie waarin hij verkeerde na de schorsing van MIVD2, niet anders kon dan dit netwerk (financieel) te onderhouden zonder veiligheidsrisico’s te lopen. [eiser] stelt zich op het standpunt dat hij noodgedwongen zijn contacten heeft (door)betaald na de schorsing van MIVD2. De Staat heeft daartegen aangevoerd dat [eiser] er zelf voor heeft gekozen, onder meer uit zakelijke overwegingen, om zijn netwerk uit te bouwen en onderhouden, nadat MIVD2 was verdwenen in verband met diens schorsing. De MIVD heeft hiermee niets van doen gehad, aldus de Staat. De rechtbank stelt [eiser] in de gelegenheid ook deze post nader te onderbouwen, zowel op feitelijk niveau – aan wie heeft hij welk(-e) bedrag(-en) betaald, in hoeverre enig verband bestaat met de aansturing door MIVD2 in de periode tot april 2007 en waarom het noodzakelijk was om hen (door) te betalen, als met betrekking tot het causaal verband tussen de zorgplichtschending en de volgens [eiser] door hem te verrichten betalingen.

2.80.

De Staat krijgt de gelegenheid bij antwoordakte ook te reageren op de toelichting van [eiser] op de schadeposten.

2.81.

Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.

3.De beslissing


De rechtbank

3.1.

verwijst de zaak naar de rol van 9 december 2015 voor het nemen van een akte aan de zijde van [eiser] over de in 2.69, 2.70, 2.71, 2.77, 2.78 en 2.79 genoemde onderwerpen;

3.2.

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mrs. H.F.M. Hofhuis, W.A.G.J.W. Ferenschild en M.J. van Cleef-Metsaars en in het openbaar uitgesproken op 11 november 2015.