Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2015:12691

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
17-09-2015
Datum publicatie
16-11-2015
Zaaknummer
09/136001-15
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

De politierechter is van oordeel dat wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte zich in het openbaar, bij geschrit en afbeelding, te weten door middel van het plakken van een sticker op een lantaarnpaal, opzettelijk beledigend heeft uitgelaten over een groep mensen wegens hun ras.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Strafrecht

Politierechter

Parketnummer: 09/136001-15

Datum uitspraak: 17 september 2015

Verstek

(Aantekening mondeling gewezen vonnis)

De politierechter in de rechtbank Den Haag heeft het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren op [geboortedag] 1997 te [geboorteplaats] ,

BRP-adres: [adres] .

1 De terechtzitting

Het onderzoek is gehouden ter terechtzitting van 17 september 2015.

De officier van justitie mr. I. Doves heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het tenlastegelegde. De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot een geldboete van € 600,-, bij gebreke van betaling of verhaal te vervangen door 12 dagen hechtenis en dat de vordering van de benadeelde partij, gemeente Gouda, geheel hoofdelijk wordt toegewezen, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

2 De tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

Feit 1
hij op of omstreeks 24 juni 2015 te Gouda, tezamen en in vereniging met een ander, althans alleen, zich in het openbaar bij geschrift en/of afbeelding opzettelijk beledigend heeft uitgelaten over een groep mensen, te weten mensen met een donkere althans niet blanke huidskleur en/of Afrikanen en/of negroïde personen en/of Arabieren, althans Noord-Afrikanen en/of Moslims, wegens hun ras en/of godsdienst, wegens hun ras en/of godsdienst, door
- op (een) lantaarnpa(a)l(en) en/of elektriciteitskastje(s) en/of verkeersbord(en), althans één of meerdere object(en) op de Hoge Gouwe en/of Lage Gouwe en/of Turfmarkt en/of Aaltje Bakstraat, althans op/aan de openbare weg, (een) sticker(s) te plakken voorzien van de tekst "White Power" en/of een afdruk van het zogenaamde White Power en/of White Pride symbool en/of
- (daarbij) het zogenaamde White Power en/of White Pride symbool zichtbaar op zijn, verdachtes, arm te dragen;

( art 137c lid 1 Wetboek van Strafrecht, art 137c lid 2 Wetboek van Strafrecht )
Feit 2
hij op of omstreeks 24 juni 2015 te Gouda tezamen en in vereniging met een ander of anderen,

althans alleen, opzettelijk en wederrechtelijk één of meerdere lantaarnpa(a)l(en) en/of

elektriciteitskastje(s) en/of verkeersbord(en), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan Gemeente Gouda, in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn

mededader(s), heeft vernield en/of beschadigd en/of onbruikbaar gemaakt door op deze/dit lantaarnpa(a)l(en) en/of elektriciteitskastje(s) en/of verkeersbord(en) stickers te plakken.

( art 350 lid 1 Wetboek van Strafrecht, art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht )

3 Voorvragen

De politierechter heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat het openbaar ministerie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

4 Bewijs

4.1.

Bewijsmiddelen

De politierechter is van oordeel dat met een opgave van onderstaande bewijsmiddelen kan worden volstaan, nu de gehele inhoud daarvan tot het bewijs is gebezigd (conform Hoge Raad 8 december 2009, ECLI:NL:HR:2009:BK0898 en ECLI:NL:HR:2009:BK5605; Hoge Raad 25 januari 2011, ECLI:NL:HR:2011:BO6759; Hoge Raad 17 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:602). De politierechter heeft de volgende bewijsmiddelen gebezigd voor de bewezenverklaring:

I. een proces-verbaal van aangifte door [aangever] namens gemeente Gouda d.d. 24 juni 2015 (dossierpagina 7);

II. een proces-verbaal van bevindingen d.d. 24 juni 2015 (dossierpagina 11);

III. een proces-verbaal van aanhouding verdachte [medeverdachte] d.d. 24 juni 2015 (dossierpagina 15 en 16);

IV. een proces-verbaal van aanhouding verdachte [verdachte] d.d. 24 juni 2015 (dossierpagina 26 en 27) met kennisgeving van inbeslagneming d.d. 24 juni 2015 (dossierpagina 35 tot en met 39);

V. een proces-verbaal van bevindingen d.d. 11 september 2015 (losse dossierbijlage met proces-verbaalnummer PL1500-2015188345-17).

De politierechter heeft de hieronder aangeduide redengevende inhoud van de volgende bewijsmiddelen gebezigd voor de bewezenverklaring (conform Hoge Raad 8 december 2009, ECLI:NL:HR:2009:BK0898 en ECLI:NL:HR:2009:BK5605; Hoge Raad 25 januari 2011, ECLI:NL:HR:2011:BO6759):

VI. een proces-verbaal van verhoor verdachte [medeverdachte] d.d. 24 juni 2015 (dossierpagina 22 en 23), voor zover inhoudende:

“V: Vanwege die stickers plakken. Wiens idee was dat?

A: Ja ik ga niemand verklikken.

V: Van wie waren die stickers?

A: Weet ik niet. Van [verdachte] .

(…)

V: Ik heb toevallig jouw auto gezien en die is ook helemaal beplakt met dat soort stickers. Hoe kom je er aan?

A: Ja van [verdachte] . Ik heb er ook al heel veel afgehaald. Ik wil niet dat mijn achterruit wordt ingegooid ofzo. V: Waarom plakten jullie die stickers?

A: Weet ik niet. Hij vond het wel leuk om te doen.

V: Had jij ook stickers bij je?

A: Ja, ik had er een paar in mijn zak.

(...)

A: Als ik had geweten wat er op die stickers stond, had ik het niet gedaan.”

VII. een proces-verbaal van verhoor verdachte [verdachte] d.d. 24 juni 2015 (dossierpagina 33), voor zover inhoudende:

“(..) de SP had stickers geplakt en we verveelden ons. We hebben niks te doen. Ik had nog een stapel van ongeveer 20 stickers en onderweg naar de tattooshop hebben we die geplakt. Als tegenreactie van de SP.

(..) V: Waar heb je allemaal stickers op geplakt?

A: Lantaarnpaal, (..) Ik heb denk ik 20 stickers geplakt (..).”

VIII de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 17 september 2015, voor zover inhoudende:

“Het klopt dat ik stickers heb geplakt op verkeersborden, masten, elektriciteitskastjes en

lantaarnpalen.”

De door de politierechter als processen-verbaal aangeduide bewijsmiddelen zijn in de wettelijke vorm opgemaakt door personen die daartoe bevoegd zijn en voldoen ook overigens aan de daaraan bij de wet gestelde eisen.

4.2.

Bewijsoverweging

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van de ten laste gelegde feiten.

Door en namens verdachte is integrale vrijspraak bepleit. Verdachte heeft ter terechtzitting aangevoerd andere stickers dan de ten laste gelegde stickers te hebben geplakt, namelijk stickers van Tattooshop [naam Tattooshop] . De raadsman van verdachte heeft voorts bepleit dat, indien de politierechter wel wettig en overtuigend bewezen zou achten dat verdachten de “White Power”-stickers hebben geplakt, louter een symbool onvoldoende is voor een veroordeling voor art. 137c van het Wetboek van Strafrecht en de context van het maatschappelijke debat

– de stickers als reactie op de SP – het beledigend karakter van deze stickers wegneemt. Bovendien zou uit de bewijsmiddelen onvoldoende blijken waar de stickers geplakt zouden zijn door verdachten, zodat beide ten laste gelegde feiten niet wettig en overtuigend bewezen kunnen worden, nu niet vaststaat dat deze stickers niet (reeds) door anderen geplakt waren.

De politierechter overweegt hieromtrent als volgt.

Ten aanzien van beide feiten is van belang dat in bewijsmiddel II gerelateerd staat dat medewerkers van stadstoezicht van de gemeente Gouda telefonisch aan de politie hebben gemeld dat zij op camerabeelden zagen dat in het centrum van Gouda een tweetal jongens liep dat op diverse lichtmasten, elektrakasten en verkeersborden stickers aan het plakken was met daarop onder andere white power tekens en racistische teksten. Nadat de politie de bewuste camerabeelden had ontvangen en bekeken, werden beide verdachten door een verbalisant herkend als de jongens die op de beelden te zien waren.

Vervolgens is blijkens bewijsmiddel V op de Aaltje Bakstraat te Gouda, een van de plaatsen zoals gerelateerd in bewijsmiddel II, een sticker aangetroffen op een lantaarnpaal met daarop onder meer de tekst “WHITE POWER” en een zogenaamd Keltisch kruis. Voorts is op een andere locatie waar verdachten volgens bewijsmiddel II stickers geplakt hebben, een sticker met de tekst “Always be yourself, unless you can be Mussolini, then always be Mussolini” op een verkeersbord aangetroffen. Bij verdachte [medeverdachte] zijn bij zijn aanhouding stickers met laatstgenoemde tekst aangetroffen blijkens bewijsmiddel III. Bij verdachte [verdachte] is bij zijn aanhouding onder meer dezelfde sticker aangetroffen als ook is aangetroffen op de lantaarnpaal op de Aaltje Bakstraat, vergelijk bewijsmiddel IV.

De politierechter acht de verklaring van de verdachten, dat zij de bij hen aangetroffen stickers toevallig op zak hadden, maar niet hebben geplakt, volstrekt onaannemelijk. Als zij daadwerkelijk stickers zouden hebben geplakt van Tattooshop [naam Tattooshop] , zoals zij (overigens pas) ter terechtzitting hebben verklaard, zou de melding van stadstoezicht anders hebben geluid. Bovendien worden op de locaties, waar verdachten herkend zijn op de camerabeelden terwijl zij stickers plakten, stickers aangetroffen die hetzelfde zijn als de stickers die zij op zak hadden tijdens hun aanhouding. Ten slotte zijn de verklaringen die zij tegenover de politie hebben afgelegd, namelijk dat verdachte [verdachte] de SP wilde opfokken en dat als verdachte [medeverdachte] wist wat er op de stickers stond, hij het niet had gedaan, niet te rijmen met het plakken van stickers met een onschuldige inhoud zoals de naam van een tattooshop.

Nu de politierechter wettig en overtuigend bewezen acht dat verdachten stickers hebben geplakt, waarvan ten minste één sticker (te weten die op de Aaltje Bakstraat) de ten laste gelegde inhoud bevatte, dient te worden beoordeeld of dit te gelden heeft als een groepsbelediging.

De politierechter overweegt hieromtrent als volgt.

De tekst van artikel 137c, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, luidt als volgt:

Hij die zich in het openbaar, mondeling of bij geschrift of afbeelding, opzettelijk beledigend uitlaat over een groep mensen wegens hun ras, hun godsdienst of levensovertuiging, hun hetero- of homoseksuele gerichtheid of hun lichamelijke, psychische of verstandelijke handicap, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste een jaar of geldboete van de derde categorie.

Ten aanzien van de sticker moet worden beoordeeld worden of deze beledigend is over een groep mensen wegens – in dit geval – hun ras; met andere woorden wordt door deze openbare uitlating bij geschrift en afbeelding een negatief beeld geschept over de betreffende groep wegens hun ras.

De politierechter hanteert daarbij het navolgende toetsingskader: is de uitlating

  1. op zichzelf beledigend, en zo ja;

  2. neemt de context waarin deze is geplaatst het beledigend karakter weg, en indien dit het geval is;

  3. is de uitlating onnodig grievend.

Stap 1: Beledigend?

In weerwil van hetgeen door de raadsman van verdachte is bepleit, is naar het oordeel van de politierechter geen sprake van stickers die louter een symbool bevatten. Het is een feit van algemene bekendheid dat het Keltisch kruis ook een symbool is van de zogenaamde White Power beweging. Zoals ook het Hof ’s-Hertogenbosch overwoog in zijn uitspraak van 11 oktober 2004, ECLI:NL:GHSHE:2004:AR3683, is het Keltisch kruis in het verleden gebruikt door partijen als De Centrumpartij '86, De Nationale Volkspartij en het Jongerenfront Nederland als symbool van extreem nationalistische opstelling. Naast het Keltisch kruis is immers de tekst “WHITE POWER” op de stickers te lezen. De politierechter overweegt, onder verwijzing naar het in het arrest van het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch d.d. 11 oktober 2004 overwogene, dat in dit geval de gebruikte tekst het gebruik van het Keltisch kruis nader inkleurt. De betekenis van dit symbool met genoemde tekst die derden hieraan zouden kunnen toekennen binnen genoemde context, is er maar één: de suprematie van het blanke ras.

Door het plakken van de sticker met deze inhoud worden bevolkingsgroepen die niet tot het blanke ras behoren in diskrediet gebracht, wordt hun eigenwaarde aangetast en wordt een negatief beeld opgeroepen dat door andere mensen kan worden overgenomen, hetgeen beledigend is (vgl. rechtbank Oost-Nederland, 26 februari 2013, NJFS 2013/110).

Stap 2: Maatschappelijke context?

In weerwil van hetgeen door de raadsman van verdachte is bepleit, is er naar oordeel van de politierechter geen sprake van een maatschappelijke context waarbinnen deze uitlating heeft plaatsgevonden, nu er bij het plakken van deze sticker op de lantaarnpaal op de Aaltje Bakstraat geen sprake is van deelname aan een discussie, geoorloofde kritiek op een maatschappelijke fenomeen of een stelling waarop met argumenten gereageerd kan worden.

Stap 3: Onnodig grievend?

Aan de derde stap van het hierboven geschetste beoordelingskader wordt hierdoor niet toegekomen.

Opzet

Verdachte heeft bij de politie aangegeven dat hij de stickers plakte om tegenwicht te geven aan de stickers van de SP. Hieruit blijkt dat [verdachte] zich bewust moet zijn geweest van de beledigende betekenis van de stickers.

Partiële vrijspraak

Tot slot wordt verdachte vrijgesproken van het onder 1 ten laste gelegde bestanddeel

“- (daarbij) het zogenaamde White Power en/of White Pride symbool zichtbaar op zijn, verdachtes, arm te dragen”, nu uit de bewijsmiddelen blijkt dat medeverdachte [medeverdachte] dit symbool op zijn arm droeg en niet wettig en overtuigend bewezen is dat dit in een bewuste en nauwe samenwerking met verdachte geschiedde.

Conclusie

De politierechter is van oordeel dat wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte zich in het openbaar, bij geschrit en afbeelding, te weten door middel van het plakken van een sticker op een lantaarnpaal, opzettelijk beledigend heeft uitgelaten over een groep mensen wegens hun ras.

De politierechter komt aldus tot de volgende bewezenverklaring.

4.3.

Bewezenverklaring

De politierechter acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan, in dier voege dat:

Feit 1
hij op 24 juni 2015 te Gouda, tezamen en in vereniging met een ander, zich in het openbaar bij geschrift en afbeelding opzettelijk beledigend heeft uitgelaten over een groep mensen, te weten mensen met een donkere althans niet blanke huidskleur en/of Afrikanen en/of negroïde personen en/of Arabieren, althans Noord-Afrikanen, wegens hun ras, door
- op een lantaarnpaal op de Aaltje Bakstraat, een sticker te plakken voorzien van de tekst "White Power" en een afdruk van het zogenaamde White Power en/of White Pride symbool;

Feit 2
hij op 24 juni 2015 te Gouda tezamen en in vereniging met een ander, opzettelijk en wederrechtelijk

lantaarnpa(a)l(en) en elektriciteitskastje(s) en verkeersbord(en), toebehorende aan Gemeente Gouda, heeft beschadigd door op deze lantaarnpa(a)l(en) en/of elektriciteitskastje(s) en/of verkeersbord(en) stickers te plakken.

Hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

5 Kwalificatie en strafbaarheid van het feit

Het bewezenverklaarde levert op:

t.a.v. feit 1: medeplegen van zich in het openbaar bij geschrift en bij afbeelding opzettelijk

beledigend uitlaten over een groep mensen wegens hun ras;

t.a.v. feit 2: medeplegen van opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, beschadigen.

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden waardoor de wederrechtelijkheid aan het bewezenverklaarde zou ontbreken. Het bewezenverklaarde is derhalve strafbaar.

6 Strafbaarheid verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is derhalve strafbaar.

7 Motivering van de sanctie

Bij de beslissing over de straf die aan verdachte moet worden opgelegd, heeft de politierechter zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede door de persoon van verdachte zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

In het bijzonder overweegt de politierechter het volgende.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het beledigen van een groep mensen wegens hun ras door stickers te plakken met daarop een Keltisch kruis en de tekst “WHITE POWER”. De inhoud van deze stickers is zeer kwetsend, nu daarmee alle personen die niet blank zijn als inferieur worden afgeschetst. Het krenken van anderen vanwege ras, godsdienst of seksuele geaardheid – kortom het wezen van een persoon – is verwerpelijk en past niet binnen een samenleving waarin iedereen zich - ongeacht ras, geaardheid, godsdienst of geloofsovertuiging - veilig moet kunnen voelen en in vrijheid de hem of haar toekomende burgerrechten moet kunnen genieten. Het gelijkheidsbeginsel en het respecteren van anderen is van groot belang in onze maatschappij. Juist het feit dat op verschillende plaatsen en in verschillende tijden, zoals ten tijde van de slavernij en de apartheid, personen op grond van ras inferieur zijn geacht en vrijheden zijn ontnomen, tekent de noodzaak van het bestrijden van discriminatie op basis van ras en/of huidskleur. De uitlatingen van verdachte dragen bij aan een klimaat waarin de kans op een discriminerende en gewelddadige bejegening van personen met een huidskleur, anders dan blank, groter wordt. Dit is verdachte zeer kwalijk te nemen. De op te leggen straf dient verdachte duidelijk te maken hoezeer de samenleving zijn uitlatingen veroordeelt en verafschuwt. Tevens dient deze straf ter algemene preventie.

Naar het oordeel van de politierechter komen de aard en ernst van het bewezenverklaarde en de door de politierechter in aanmerking genomen omstandigheden onvoldoende tot uitdrukking in de door de officier van justitie gevorderde straf(modaliteit), temeer nu ter terechtzitting is gebleken dat de financiële situatie van verdachte ontoereikend is om een boete te betalen en verdachte door zijn moeder onderhouden wordt, hetgeen zou kunnen resulteren in het ongewenste resultaat dat ofwel verdachtes moeder uiteindelijke de boete betaalt, ofwel verdachte de vervangende hechtenis zal moeten uitzitten. Bovendien heeft verdachte ter terechtzitting niet getoond het laakbare van zijn handelen in te zien noch daar verantwoordelijkheid voor genomen. Het is op deze grond dat de politierechter de hierna te vermelden zwaardere straf zal opleggen dan door de officier van justitie gevorderd.

Alles afwegende is de politierechter van oordeel dat een taakstraf van na te noemen aantal uren moet worden opgelegd.

8 Vordering benadeelde partij en schadevergoedingsmaatregel

8.1.

De vordering

Gemeente Gouda heeft zich als benadeelde partij gevoegd ter zake van de vordering tot schadevergoeding, groot € 344,25, bestaande uit materiële schade.

8.2.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot hoofdelijke toewijzing van de vordering van de benadeelde partij, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

8.3.

Het standpunt van de verdachte en zijn raadsman

De raadsman van verdachte heeft verzocht om afwijzing van de vordering benadeelde partij, nu onvoldoende duidelijk is of de door de gemeente verwijderde stickers door verdachte en zijn medeverdachte geplakt zijn. Bovendien zijn de administratiekosten onvoldoende onderbouwd.

8.4.

Het oordeel van de rechtbank

De vordering is voldoende onderbouwd door de benadeelde partij. Uit het onderzoek ter terechtzitting is vast komen te staan dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden als gevolg van het onder 2 bewezenverklaarde feit.

De politierechter zal derhalve de vordering hoofdelijk toewijzen tot het gevorderde bedrag van € 344,25.

De politierechter zal voorts de gevorderde wettelijke rente toewijzen, nu vast is komen te staan dat de schade met ingang van 24 juni 2015 is ontstaan.

Dit brengt mee, dat de verdachte dient te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met haar vordering heeft gemaakt, welke kosten de politierechter tot op heden begroot op nihil, en de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Schadevergoedingsmaatregel

Nu verdachte voor het onder 2 bewezen verklaarde feit zal worden veroordeeld en hij jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door dit feit is toegebracht, zal de rechtbank aan verdachte de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 344,25, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 24 juni 2015 tot aan de dag waarop deze vordering is voldaan, ten behoeve van het slachtoffer gemeente Gouda.

9 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:

artikelen 9, 22c, 22d, 36f, 47, 57, 137c en 350 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

10 Beslissing

De politierechter:

verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan zoals hiervoor onder 4.3. vermeld;

verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt verdachte daarvan vrij;

bepaalt dat het bewezenverklaarde feit het hierboven onder 5. vermelde strafbare feit oplevert;

verklaart verdachte hiervoor strafbaar;

veroordeelt verdachte tot een taakstraf, bestaande uit een werkstraf, zijnde het verrichten van onbetaalde arbeid, voor de tijd van DERTIG (30) UREN;

beveelt, voor het geval dat de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de tijd van VIJFTIEN (15) DAGEN;

wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij toe en veroordeelt verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan gemeente Gouda, een bedrag van € 344,25, bestaande uit materiële schade, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 24 juni 2015 tot aan de dag waarop deze vordering is voldaan;

verdachte is niet gebonden tot betaling voor zover het bedrag door zijn mededader is betaald;

veroordeelt de verdachte tevens in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

legt aan verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat van een bedrag groot

€ 344,25, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 24 juni 2015 tot aan de dag waarop deze vordering is voldaan, ten behoeve van het slachtoffer gemeente Gouda;

bepaalt dat in geval noch volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt - onder handhaving van voormelde verplichting - vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van zes (6) dagen;

verdachte is niet gebonden tot betaling voor zover het bedrag door zijn mededader is betaald;

verdachte is van zijn schadevergoedingsplicht jegens de benadeelde bevrijd voor zover hij heeft voldaan aan een van de hem opgelegde verplichtingen tot vergoeding van deze schade.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. G.J. Schiffers-Hanssen, politierechter,

in tegenwoordigheid van mr. A.M.A. Beckers, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van de politierechter in deze rechtbank van 17 september 2015.