Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2015:12656

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
29-10-2015
Datum publicatie
05-11-2015
Zaaknummer
AWB - 15 _ 18095
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Nu niet is gebleken dat verweerder eiser duidelijk heeft gemaakt dat het aan hem was om eventuele bijzondere feiten en omstandigheden aan te voeren met betrekking tot zijn persoonlijke belangen en omstandigheden die tot het oordeel zou kunnen leiden dat in zijn geval niet met toepassing van een lichter middel moest worden volstaan, en niet valt op te maken dat verweerder zelf concrete vragen over mogelijke bijzondere feiten heeft gesteld, klaagt eiser terecht dat slechts een standaardoverweging is opgenomen en geen (althans niet kenbaar) rekening is gehouden met de omstandigheid dat hij bipolair is en hiv-geïnfecteerd. De rechtbank is dan ook van oordeel dat verweerder heeft nagelaten voldoende kennis te vergaren omtrent de af te wegen belangen en het besluit tot oplegging van de vrijheidsontnemende maatregel ondeugdelijk en onzorgvuldig heeft gemotiveerd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Amsterdam


Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 15/18095


[V-nr.]


uitspraak van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken van 29 oktober 2015 in de zaak tussen

[eiser] ,

[geboortedatum] , van Jamaicaanse nationaliteit, eiser

(gemachtigde mr. B.A. Palm),

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder,

(gemachtigde mr. A. Hanje).

Procesverloop

Bij besluit van 4 oktober 2015 is het besluit omtrent de weigering van toegang tot Nederland uitgesteld voor de duur van de behandeling van eisers asielaanvraag in de grensprocedure op grond van artikel 3, eerste lid, in samenhang met artikel 3, vierde lid, Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Ten aanzien van eiser is op dezelfde datum de vrijheidsontnemende maatregel op grond van artikel 6, derde lid, van de Vw 2000 toegepast.

Bij beroepschrift van 8 oktober 2015 heeft eiser beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder tot oplegging van de vrijheidsontnemende maatregel en tegen de uitgestelde toegangsweigering.

Op grond van artikel 94, eerste lid, van de Vw 2000 houdt het beroep tevens in een verzoek om toekenning van schadevergoeding.

Op 13 oktober 2015 heeft verweerder de maatregel opgeheven en besloten dat de aanvraag in de verlengde asielprocedure zal worden behandeld.

De rechtbank heeft het beroep behandeld ter openbare zitting van 20 oktober 2015. Eiser is vertegenwoordigd door zijn gemachtigde. Verweerder is vertegenwoordigd door zijn gemachtigde.

Overwegingen

Toegangsweigering

1. Nu de artikel 6 maatregel is opgeheven en aan eiser de toegang is verleend en eiser geen gronden tegen het uitstel van de beslissing tot toegangsweigering heeft ingediend, behoeft dit geen verdere bespreking meer.

Vrijheidsontnemende maatregel

2. Eiser betoogt dat verweerder onvoldoende heeft bekeken of niet kon worden volstaan met toepassing van een lichter middel. In het besluit tot oplegging van de vrijheidsontnemende maatregel staat slechts een standaardoverweging over het belang van de grensbewaking en dat eiser zou hebben verklaard: “Ik heb geen persoonlijke, psychische, of medische aandoeningen en heb geen bezwaar tegen tijdelijke insluiting”. Eiser meent dat er geen deugdelijke belangenafweging is gemaakt. Eiser is bipolair en HIV geïnfecteerd.

3. De rechtbank overweegt als volgt. Uit de rechtspraak van het Hof van Justitie (hierna: het Hof) (zie het arrest Mahdi van 5 juni 2014, ECLI:EU:C:2014:1320) volgt dat de betrokken derdelander de motivering moet kunnen kennen voor het ten aanzien van hem geldende besluit en dat de verplichting tot mededeling van voornoemde motivering vereist is, zowel om de betrokken derdelander de mogelijk te bieden zijn rechten zo goed mogelijk te verdedigen en met volledige kennis van zaken te beslissen of hij er baat bij heeft zich tot de bevoegde rechter te wenden, als om de rechter ten volle in staat te stellen om de controle van de rechtmatigheid van de betrokken handeling uit te oefenen. In haar uitspraak van 10 april 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:1309) heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) geoordeeld dat verweerder in het besluit tot oplegging van de vrijheidsontnemende maatregel uitdrukkelijk moet motiveren waarom niet met toepassing van een lichter middel kan worden volstaan. Daarnaast heeft de Afdeling in haar uitspraak van 12 juni 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:2003) bepaald dat de motiveringsplicht, voortvloeiende uit het arrest Mahdi, tevens van toepassing is op de vreemdeling aan wie, na het uiten van een asielwens, krachtens artikel 6 eerste en tweede lid, van de Vw 2000 een vrijheidsontnemende maatregel is opgelegd.

4. In het besluit is vermeld dat aan de vreemdeling kenbaar is gemaakt dat over de oplegging dan wel voortzetting van de vrijheidsontnemende maatregel op grond van artikel 6, derde lid, van de Vw 2000 een zienswijze kan worden gegeven en dat de vreemdeling daarbij heeft verklaard dat hij in het kader van het proces, er geen bezwaar tegen heeft dat hij in een gesloten inrichting wordt geplaatst. Voorts is in het besluit onder het kopje “Toepassing lichter middel” is vermeld dat niet van bijzondere, individuele omstandigheden is gebleken die aanleiding zouden zijn om van oplegging van de maatregel af te zien en daarmee het grensbewakingsbelang prijs te geven. Daarbij is vermeld dat de vreemdeling in dit verband (enkel) heeft aangevoerd: “Ik heb geen persoonlijke, psychische, of medische aandoeningen en heb geen bezwaar tegen tijdelijke insluiting.”

5. De rechtbank stelt vast dat de vermelding in het besluit dat eiser in de gelegenheid is gesteld zijn zienswijze over de vrijheidsontnemende maatregel te geven, geen steun vindt in het proces-verbaal en de overige op de zaak betrekking hebbende stukken. Uit het proces-verbaal blijkt slechts dat eiser in de gelegenheid is gesteld zijn zienswijze te geven over de toegangsweigering. Bovendien is de in de maatregel aan eiser toegeschreven verklaring dat hij geen psychische of medische aandoeningen heeft, niet als zodanig opgetekend in het proces-verbaal. Anders dan verweerder, is de rechtbank van oordeel dat niet reeds uit de weergave in de maatregel blijkt, dat eiser op dit punt is bevraagd. De aan eiser toegeschreven verklaring wekt voorts bevreemding. Op de allereerste vraag die gesteld wordt in het kader van het eerste gehoor op 11 oktober 2015: “zijn er medische omstandigheden waarmee ik rekening moet houden?”, antwoordt eiser namelijk: “Behalve het feit dat ik HIV-positief ben? Ik ben bipolair.” Dit komt totaal niet overeen met de aan eiser toegeschreven verklaring in de maatregel. Nu niet is gebleken dat verweerder eiser duidelijk heeft gemaakt dat het aan hem was om eventuele bijzondere feiten en omstandigheden aan te voeren met betrekking tot zijn persoonlijke belangen en omstandigheden die tot het oordeel zou kunnen leiden dat in zijn geval niet met toepassing van een lichter middel moest worden volstaan, en niet valt op te maken dat verweerder zelf concrete vragen over mogelijke bijzondere feiten heeft gesteld, klaagt eiser terecht dat slechts een standaardoverweging is opgenomen en geen (althans niet kenbaar) rekening is gehouden met de omstandigheid dat hij bipolair is en hiv-geïnfecteerd. De rechtbank is dan ook van oordeel dat verweerder heeft nagelaten voldoende kennis te vergaren omtrent de af te wegen belangen en het besluit tot oplegging van de vrijheidsontnemende maatregel ondeugdelijk en onzorgvuldig heeft gemotiveerd. De rechtbank vindt voor deze opvatting steun in de uitspraak van de Afdeling van 24 september 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:3083). De beroepsgrond van eiser slaagt.

6. Hieruit volgt dat de toepassing van de vrijheidsontnemende maatregel van meet af aan, te weten 4 oktober 2015, in strijd is geweest met de wet. De rechtbank verklaart het beroep dan ook gegrond.

7. De rechtbank ziet in het vorenstaande aanleiding eiser ten laste van de Staat der Nederlanden een vergoeding als bedoeld in artikel 106 van de Vw 2000 toe te kennen en wel tot een bedrag van € 80,-- per dag dat eiser ten onrechte aan de vrijheidsontnemende maatregel onderworpen is geweest, in totaal € 720,--.

8. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 980,--(1 punt voor het beroepschrift tegen de vrijheidsontnemende maatregel, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 490,--, en een wegingsfactor 1). Omdat aan eiser een toevoeging is verleend, moet verweerder de proceskostenvergoeding betalen aan de rechtsbijstandverlener.

Beslissing

De rechtbank

- verklaart het beroep gegrond;

- veroordeelt de Staat der Nederlanden tot het betalen van een schadevergoeding aan eiser tot een bedrag van € 720,-- (zegge: zevenhonderd en twintig euro euro);

- veroordeelt verweerder in de proceskosten tot een bedrag van € 980,-- (zegge: negenhonderd en tachtig euro).

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.A. Spoel, rechter, in aanwezigheid van H.C. Hagen, griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 29 oktober 2015.

Afschrift verzonden aan partijen op:

Conc.: HH

Coll:

D:

VK

Tegen deze uitspraak kan binnen één week na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (adres: Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, Postbus 16113, 2500 BC 's-Gravenhage). Naast de vereisten waaraan het beroepschrift moet voldoen op grond van artikel 6:5 van de Awb (zoals het overleggen van een afschrift van deze uitspraak) dient het beroepschrift ingevolge artikel 85, eerste lid, van de Vw 2000 een of meer grieven te bevatten. Artikel 6:6 van de Awb (herstel verzuim) is niet van toepassing.