Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2015:1257

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
03-02-2015
Datum publicatie
09-02-2015
Zaaknummer
AWB 13/23201
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

vergoeding kosten IMMO rapportage

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2015/76
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

zittingsplaats Haarlem

Sector bestuursrecht

zaaknummer: AWB 13/23201

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 3 februari 2015 voor vreemdelingenzaken in de zaak tussen

[eiser],

geboren op[geboortedatum], van Turkse nationaliteit,

eiser,

(gemachtigde: mr. E.J.L. van de Glindt, advocaat te Heerlen),

tegen:

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 4 september 2013 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd afgewezen.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Hij heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen. Bij uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van 15 november 2013 (AWB 13/23202) is dit verzoek toegewezen.

Verweerder heeft bij fax van 18 november 2014 het bestreden besluit ingetrokken.

Eiser heeft bij fax van 19 november 2014 het beroep ingetrokken. Tegelijk met de intrekking van het beroep heeft eiser verzocht om verweerder ingevolge artikel 8:75a, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bij afzonderlijke uitspraak te veroordelen in de kosten van de procedure bij de rechtbank.

Verweerder heeft op 10 december 2014 een verweerschrift ingediend. Gemachtigde heeft hierop bij fax van 16 december 2014 gereageerd.

Partijen hebben toestemming gegeven om uitspraak te doen zonder nadere zitting. Bij brief van 29 december 2014 heeft de rechtbank het onderzoek gesloten en meegedeeld dat binnen zes weken uitspraak wordt gedaan.

Overwegingen

1. De veroordeling van een partij in de kosten is geregeld in artikel 8:75 en 8:75a van de Awb en nader uitgewerkt in het Besluit proceskosten bestuursrecht (het Besluit). In het Besluit zijn nadere regels gesteld over de kosten waarop een veroordeling uitsluitend betrekking kan hebben en over de wijze waarop het bedrag van de kosten wordt vastgesteld.

2. In geval van intrekking van het beroep omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan eiser is tegemoetgekomen, kan ingevolge artikel 8:75a Awb het bestuursorgaan op verzoek van de indiener bij afzonderlijke uitspraak met toepassing van artikel 8:75 van de Awb in de kosten worden veroordeeld. Het verzoek wordt gedaan tegelijk met de intrekking van het beroep.

3. Verweerder heeft bij de intrekking van het bestreden besluit reeds aangeboden de aan het beroep verbonden proceskosten te voldoen. Onder deze omstandigheden kan het er voor worden gehouden dat de intrekking kan worden aangemerkt als tegemoetkomen in de zin van voormelde bepalingen.

4. De rechtbank zal verweerder veroordelen in de kosten die eiser in verband met het beroep redelijkerwijs als kosten van verleende rechtsbijstand heeft moeten maken. Deze kosten zijn ingevolge het Besluit € 487,- in verband met het beroep (1 punt voor het beroepschrift, wegingsfactor 1). Anders dan de gemachtigde van eiser meent ziet de rechtbank geen aanleiding meer dan 1 punt toe te kennen.

5. Eiser heeft voorts verzocht verweerder te veroordelen tot vergoeding van de kosten van het onderzoek van Stichting IMMO (IMMO) van 10 december 2013, uitgebracht door [naam psychiater], psychiater. Het betreft een bedrag van € 2.359,50 (€ 1.950 + € 409,50 BTW), ter onderbouwing waarvan een factuur van IMMO van 13 augustus 2014 is overgelegd.

6. Verweerder heeft aangevoerd dat de kosten voor het IMMO-onderzoek niet voor vergoeding in aanmerking komen in onderhavige procedure. Hiertoe acht verweerder het volgende redengevend. Eiser heeft in beroep het IMMO-rapport ingebracht om het asielrelaas alsnog aannemelijk te maken, althans om aan te geven dat er medisch bewijs is voor de stelling dat er problemen zijn die kunnen interfereren met het vermogen om coherent, consistent en compleet te verklaren. De intrekking van het bestreden besluit is niet ingegeven door het feit dat verweerder eiser op dit punt zou volgen. Omdat het IMMO-rapport als nieuw feit vermeldt dat eiser een behandeling bij een psychiater ondergaat, heeft verweerder aanleiding gezien om het Bureau Medische Advisering (BMA) in het kader van artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) om advies te vragen. Aangezien op het moment van een nieuwe agendering voor de behandeling van het beroep op 27 november 2014 dit BMA-advies niet gereed was, is verweerder gelet op het tijdsverloop overgegaan tot intrekking van het bestreden besluit.

7. Namens eiser is onder meer aangevoerd dat vanaf het begin van de procedure is gesteld dat er medische beperkingen zijn en dat het advies van MediFirst op relevante onderdelen niet concludent is. Er had dan ook moeten worden verzocht om een tweede advies, wat niet is gebeurd. Eiser mag gedurende de beroepsprocedure stukken inbrengen om zijn stellingen te onderbouwen. Als daar kosten aan verbonden zijn, dient verweerder deze te vergoeden, omdat verweerder aanvankelijk heeft ontkend dat er voldoende medisch bewijs lag om de stellingen van eiser te onderbouwen.

8. De rechtbank is van oordeel dat het IMMO-onderzoek aangemerkt dient te worden als een door een deskundige uitgebracht verslag in de zin van artikel 1, onderdeel b, van het Besluit. De door eiser gemaakte kosten voor de deskundige komen voor vergoeding in aanmerking, indien het kosten zijn die hij redelijkerwijs heeft moeten maken in verband met de behandeling van het beroep. Naar het oordeel van de rechtbank is hiervan sprake. Het IMMO rapport, althans de vermelding daarin dat eiser een behandeling bij een psychiater ondergaat, was immers aanleiding voor de intrekking van het bestreden besluit en de aanleiding om BMA advies te vragen.

9. Ingevolge het bepaalde van artikel 8:36, tweede lid, van de Awb is de partij aan wie een verslag van een deskundige is uitgebracht aan deze een vergoeding verschuldigd. Het bij en krachtens de Wet tarieven in strafzaken bepaalde is van overeenkomstige toepassing.
Het bedrag van de kosten bedoeld in artikel 1, onderdeel b, van het Besluit wordt bij uitspraak eveneens vastgesteld met overeenkomstige toepassing van het bepaalde bij of krachtens de Wet tarieven in strafzaken.
De rechtbank stelt vast dat voor het opstellen van een IMMO rapportage in het Besluit tarieven in strafzaken geen speciaal tarief is bepaald. Ingevolge artikel 6 van laatstgenoemd Besluit geldt dan een uurtarief van € 116,09 per uur. Gelet op de door eiser overgelegde factuur zou met het opstellen van de IMMO rapportage (€1950 : 116,09) ongeveer 16 uur zijn gemoeid. Vergeleken met de voor vergoeding in aanmerking komende uren die voor geneeskundigen en psychologen voor het opstellen van milieu, mono-, dubbel en tripelrapportages zijn vastgesteld in het Besluit tarieven in strafzaken (artikelen 2 en 3) en gelet op werkzaamheden die gemoeid zijn met het opstellen van een IMMO rapportage zoals dat blijkt uit de ‘Werkwijze IMMO en Toelichting bij IMMO rapportage’ komt de door eiser overgelegde factuur de rechtbank geenszins onredelijk voor. Eiser komt in aanmerking voor vergoeding van het door hem in de procedure gebrachte IMMO-rapport van € 2.359,50.

10. Uit bovenstaande volgt dat de rechtbank verweerder zal veroordelen in de proceskosten van eiser in verband met de indiening van zijn beroep, te weten een bedrag van € 487,- voor verleende rechtsbijstand en € 2.359,50 voor kosten van een deskundigenrapport, in totaal € 2.846,50.


Beslissing
De rechtbank veroordeelt verweerder in de proceskosten tot een bedrag van € 2.846,50, te betalen aan eiser.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.M. Janse van Mantgem, rechter, in aanwezigheid van J.M.G. Hamers, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 3 februari 2015

Afschrift verzonden op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.