Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2015:12539

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
29-10-2015
Datum publicatie
22-12-2015
Zaaknummer
AWB - 15 _ 1745
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Ontslag wangedrag, Diefstal uit snoepautomaat. Beleid toegesneden op vastgestelde gedragingen diverse medewerkers [bedrijf X] gaat redelijke beleidsbepaling niet te buiten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: SGR 15/1745 MAW

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , te [woonplaats] , eiser

(gemachtigde: mr. S.M. Diekstra),

en

de minister van Defensie, verweerder

(gemachtigde: mr. S.J. van Well en mr. H.M. Both).

Procesverloop

Bij besluit van 14 augustus 2014 heeft verweerder eiser met toepassing van artikel 39, tweede lid, aanhef en onder l, van het Algemeen militair ambtenarenreglement (AMAR) per 1 september 2014 ontslag verleend wegens wangedrag.

Eiser heeft bezwaar gemaakt tegen dit besluit.

Bij besluit van 11 december 2014 heeft verweerder de motivering van het besluit van 14 augustus 2014 gewijzigd. Voorts is een tweede feit aan het ontslag ten grondslag gelegd.

Eiser heeft bezwaar gemaakt tegen dit besluit.

Bij besluit van 16 februari 2015 heeft verweerder het besluit van 14 augustus 2014 gehandhaafd en het besluit van 11 december 2014 gedeeltelijk gehandhaafd. Het besluit van 11 december 2014 wordt, voor zover het ziet op een tweede feit, herroepen.

Eiser heeft bij brief van 6 maart 2015, ontvangen per faxbericht op dezelfde datum, beroep ingesteld tegen het besluit van 16 februari 2015.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 juli 2015.

Eiser is in persoon verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde.

Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden.

Overwegingen

1 De rechtbank gaat bij de beoordeling van dit geschil uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1

Eiser, marechaussee der tweede klasse, was sinds 19 november 2012 in dienst bij de [bedrijf X] ([X]). Hij vervult sinds 6 juli 2013 de functie van [functie] bij de brigade [plaats], bij het [locatie] in [plaats] (de [locatie]).

1.2

Naar aanleiding van een aangifte is de Sectie Interne Onderzoeken (SIO) van de [X] op 21 oktober 2013 verzocht om een strafrechtelijk onderzoek in te stellen naar diefstal uit/vernieling van een snoepautomaat bij de [locatie].

De Officier van Justitie (OvJ) heeft op 29 oktober 2013 (schriftelijk) toestemming verleend om, voor een periode van twee weken met mogelijke uitloop, in het kader van bijzondere opsporingsmethodiek op grond van artikel 3 van de Politiewet een camera te plaatsen bij de [locatie] om vast te stellen wie verantwoordelijk is voor de diefstallen bij de snoepautomaat.

De SIO heeft video-opnamen gemaakt. Uit camerabeelden van 3 januari 2014 is opgemaakt dat eiser (mogelijk) betrokken is geweest bij diefstal uit de snoepautomaat.

Eiser is op 12 februari 2014 verhoord als verdachte.

1.3

Eiser is op 17 februari 2014 gehoord in verband met te nemen rechtspositionele besluiten.

Eiser is op 17 februari 2014 mondeling medegedeeld dat hij met ingang van die datum met toepassing van artikel 34, tweede lid, onder c, van het AMAR wordt geschorst in zijn ambt.

Hiertegen zijn geen rechtsmiddelen aangewend.

Bij brief van 5 maart 2014 heeft de commandant [bedrijf X] de schorsing nader toegelicht.

Eiser is nogmaals gehoord op 20 maart 2014, nadat verweerder een rapport van SIO heeft ontvangen met informatie van een tweede feit.

1.4

Bij brief van 28 maart 2014 heeft het OM de commandant [X] ten aanzien van onder meer eiser medegedeeld dat er voldoende wettig en overtuigend bewijs is dat genoemde medewerkers zich schuldig hebben gemaakt aan diefstal, dan wel poging tot diefstal, al dan niet in vereniging gepleegd, van snoep/koek uit de snoepautomaat. Een strafrechtelijke vervolging zou dan ook aangewezen kunnen zijn. De Hoofdofficier van Justitie heeft begrepen dat tegen de medewerkers disciplinair is opgetreden met als uitkomst ontslag voor degenen die daadwerkelijk goederen hebben weggenomen en een ambtsbericht voor degenen die gepoogd hebben goederen weg te nemen. Gelet hierop is besloten aan de strafzaak geen verder gevolg te geven. Met de disciplinaire maatregelen kan worden volstaan. Dit houdt ook in dat de betrokkenen geen aantekening zullen krijgen in het justitieel documentatieregister.

1.5

Bij besluit van 14 augustus 2014 is eiser met toepassing van artikel 39, tweede lid, aanhef en onder l, van het AMAR per 1 september 2014 ontslag verleend wegens wangedrag. Het verweten wangedrag bestaat eruit dat eiser zich - tijdens de dienst op het object dat eiser werd geacht te beveiligen – schuldig heeft gemaakt aan het wegnemen van snoep (een speculaaspop) uit de automaat zonder hiervoor te betalen. Het OM heeft diefstal bewezen geacht ten aanzien van de categorie medewerkers die één of meerdere keren snoep uit de automaat hebben weggenomen zonder hiervoor te betalen. Vanwege het op handen zijnde ontslag en de gevolgen daarvan, heeft het OM na overleg met de [X] besloten dat ander dan strafrechtelijk ingrijpen prevaleert.

Eiser heeft bij brief van 3 september 2014 bezwaar gemaakt tegen dit besluit.

Bij besluit van 11 december 2014 heeft verweerder eiser medegedeeld dat in het besluit van 14 augustus 2014 abusievelijk een onjuiste motivering is opgenomen. Bij het besluit van 11 december 2014 wordt alsnog een juiste motivering gegeven. Benadrukt wordt dat hiermee geenszins wordt teruggekomen van het per 1 september 2014 verleende ontslag en de gekozen ontslaggrond. Het verweten wangedrag bestaat er uit dat eiser zich - tijdens de dienst op het object dat eiser werd geacht te beveiligen, te weten de [locatie] - schuldig heeft gemaakt aan het wegnemen van snoep uit de automaat zonder hiervoor te betalen.

Naast het voorval met de snoepautomaat is sprake van een tweede feit. Eiser wordt verweten dat hij op 9 februari 2014 misbruik heeft gemaakt van zijn [X]-legitimatiebewijs.

Eiser heeft bij brief van 15 december 2014 bezwaar gemaakt tegen dit besluit.

Eiser heeft afgezien van een hoorzitting.

1.6

Bij besluit van 16 februari 2015 heeft verweerder de bezwaren van eiser tegen het besluit van 14 augustus 2014 op grond van artikel 6:19 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) geacht mede te zijn gericht tegen het besluit van 11 december 2014.

Het besluit van 11 december 2014 is, met het oog op jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep (CRvB 15 juli 2004, LJN AQ5367), ingetrokken, voor zover het ziet op misbruik van eisers [X]-legitimatiebewijs. Voor het overige is de wijziging zoals in het besluit van 11 december 2014 is opgenomen gehandhaafd. Het bezwaar is gegrond voor zover het het misbruik van het [X]-legitimatiebewijs betreft. Voor het overige wordt het bezwaar van eiser ongegrond verklaard. Aan eiser wordt een proceskostenvergoeding toegekend van € 490,-- (1 punt voor het indienen van een bezwaarschrift, wegingsfactor 1 - zaak gemiddeld gewicht - ).

Eiser heeft bij brief van 6 maart 2015, ontvangen per faxbericht op dezelfde datum, beroep ingesteld tegen dit besluit.

2 Verweerder heeft aan het bestreden besluit van 16 februari 2015 ten grondslag gelegd dat uit camerabeelden en verklaringen van eiser is gebleken dat eiser zich op 3 januari 2014 schuldig heeft gemaakt aan diefstal uit de snoepautomaat. Eiser heeft bij het verhoor bij SIO op 12 februari 2014 erkend dat hij een goed uit de uitgiftelade heeft gepakt en dat hij hiervoor niet heeft betaald. De verklaringen van eiser tijdens de hoorzittingen op 17 februari 2014 en 20 maart 2014 zijn tegenstrijdig met respectievelijk andersluidend dan eisers eerste verklaring. Verweerder gaat uit van eisers eerste, bekennende verklaring.

Verweerder kwalificeert het gedrag van eiser als wangedrag binnen de dienst en acht dit gedrag toerekenbaar. Verweerder acht het ontslag wegens wangedrag niet onevenredig aan de ernst van de gedragingen.

3 Eiser bestrijdt dat op basis van beschikbare, deugdelijk vastgestelde, gegevens de overtuiging kan worden verkregen dat eiser de verweten gedraging heeft begaan.

Eiser stelt dat hij tijdens het verhoor door de SIO onder teveel druk is gezet en dat hij daarom een bekennende verklaring heeft afgelegd. Korte tijd later heeft hij verklaard dat hij onder druk is gezet en gezegd dat hij niets heeft weggenomen.

Verweerder heeft op geen enkele wijze onderbouwd dat eiser daadwerkelijk iets heeft weggenomen. Er wordt verwezen naar camerabeelden, die niet aan de gemachtigde van eiser beschikbaar zijn gesteld. Deze kunnen derhalve niet als onderbouwing dienen. Gevraagd wordt verweerder deze beelden te laten inbrengen en ter beschikking te laten stellen aan eiser. Uit de beelden zou volgens eiser ook blijken dat hij niets heeft weggenomen. Eiser stelt dat het ontslag wegens wangedrag niet evenredig is aan de ernst van de vermeende gedragingen.

In vergelijkbare dan wel ernstigere gevallen is niet tot ontslag overgegaan. Er is dan ook sprake van strijd met het gelijkheidsbeginsel. Eiser is nog bezig met het verzamelen van gegevens om dit standpunt te onderbouwen.

4.1

Ingevolge artikel 39, tweede lid, aanhef en onder l, van het AMAR kan aan de militair ontslag worden verleend wegens wangedrag in de dienst, dan wel buiten de dienst voor zover dit gedrag schadelijk is of kan zijn voor zijn dienstvervulling of niet in overeenstemming is met het aanzien van zijn ambt.

4.2

Naar vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (de Raad, bijvoorbeeld CRvB 26 april 2007, ECLI:NL:CRVB:2007:BA4475) gelden in het ambtenarentuchtrecht niet de in het strafrecht van toepassing zijnde zeer strikte bewijsregels. Wel geldt dat op basis van deugdelijk vastgestelde gegevens de overtuiging moet zijn verkregen dat de betreffende ambtenaar zich aan de hem verweten gedraging heeft schuldig gemaakt. Hetzelfde uitgangspunt heeft te gelden voor het ontslag van een militair ambtenaar wegens wangedrag, zoals geregeld in het AMAR (CRvB 1 juli 2010, ECLI:NL:CRVB:2010:BN2349).

4.3

Verweerder heeft in het kader van zijn besluitvorming de betrokken [werknemers] ingedeeld in de volgende categorieën en daaraan bepaalde gevolgen verbonden

a [werknemers] die er getuige van waren dat er snoep uit de automaat werd weggenomen, zonder dat hiervoor betaald werd, en hebben ingegrepen noch dit naderhand hebben gemeld.

Besloten is dat ten aanzien van deze categorie medewerkers een ambtsbericht wordt opgesteld.

b [werknemers] die, na inworp van geld, met z’n tweeën met beide armen om de automaat, de automaat van de muur hebben getrokken en er excessief aan hebben staan schudden, waarbij de automaat in een hoek van 45 graden is gekanteld en gedurende een halve minuut hard van voor naar achter is geschud. Dit naar eigen zeggen omdat het snoep er niet uitkwam.

Besloten is dat ten aanzien van deze categorie medewerkers een ambtsbericht wordt opgesteld en dat zij een gesprek met hun groep moeten aangaan over het gebeurde en hun rol hierin.

c [werknemers] die er getuige van waren dat er snoep uit de automaat werd weggenomen, zonder dat hiervoor betaald werd, en hebben ingegrepen noch dit naderhand hebben gemeld en bovendien de snoep naderhand hebben opgegeten.

Besloten is dat ten aanzien van deze categorie medewerkers een ambtsbericht wordt opgemaakt, dat zij - evenals de voorgaande categorie medewerkers – een groepsgesprek moeten aangaan en dat zij een boete op basis van de Wet Militair Tuchtrecht (WMT) opgelegd krijgen.

d [werknemers] die hebben geprobeerd snoep uit de automaat wet te nemen, zonder hiervoor te betalen. Hierbij is het bij een poging gebleven.

Besloten is dat ten aanzien van deze categorie medewerkers een ambtsbericht wordt opgemaakt, dat zij evenals de voorgaande categorie medewerkers een groepsgesprek moeten aangaan en dat zij gedurende een jaar onderdeel uitmaken van de integriteitspresentaties die worden gegeven aan iedere nieuwe lichting van [werknemers] van [bedrijf Y].

e [werknemers] die één of meerdere keren snoep uit de automaat hebben weggenomen zonder hiervoor te betalen.

Besloten is dat aan deze medewerkers ontslag wordt verleend.

5.1

De rechtbank heeft de overgelegde camerabeelden bekeken en stelt allereerst vast dat deze beelden zeer donker zijn en niet scherp. De ruimte waarin de snoepautomaat zich bevindt lijkt niet te zijn verlicht en bovendien ontbreekt het zicht op het onderste gedeelte van de automaat. Niet in geschil is dat eiser op de camerabeelden van 3 januari 2014 is te zien. De rechtbank stelt vast dat op de camerabeelden is te zien dat eiser aan komt lopen en direct aan de snoepautomaat begint te schudden, bukt en vervolgens weer opstaat.

Eiser heeft nadat hij tijdens het verhoor als verdachte op 12 februari 2014 werd geconfronteerd met de camerabeelden verklaard dat hij aan de snoepautomaat heeft geschud, om zich heen keek, heeft gebukt om een goed uit de lade te pakken en vervolgens weg loopt. Hij wilde een goed hebben uit de snoepautomaat, maar hij had geen klein geld bij zich om hiervoor te betalen. Eiser heeft ten slotte verklaard dat hij het verhoor als verdachte behoorlijk spannend vond, maar dat hij verder goed is behandeld.

Eiser heeft tijdens de hoorzittingen op 17 februari 2014 en 20 februari 2014 verklaard dat hij niet meer weet of hij iets uit de snoepautomaat heeft gehaald. Op de camerabeelden is het niet te zien. Ook heeft hij verklaard dat hij, gelet op de verhalen van andere collega’s over de snoepautomaat, de automaat slechts heeft willen controleren.

De rechtbank volgt het standpunt van verweerder dat kan worden uitgegaan van eisers eerste verklaring van 12 februari 2014. Er bestaan geen aanknopingspunten voor het oordeel dat eiser tijdens het verhoor als verdachte onder druk een bekennende verklaring heeft afgelegd.

De rechtbank overweegt dat op basis van deugdelijk vastgestelde gegevens is vastgesteld dat eiser de hem verweten gedragingen heeft begaan.

Verweerder heeft de gedragingen van eiser terecht gekwalificeerd als wangedrag. Er zijn geen aanknopingspunten voor het oordeel dat dit wangedrag eiser niet kan worden toegerekend.

5.2

Zoals onder 4.3 is weergegeven, heeft verweerder met het oog op te nemen rechtspositionele besluiten de betrokken [werknemers] ingedeeld in categorieën aan de hand van door verweerder vastgestelde gedragingen. Verweerder heeft ter zitting medegedeeld dat met deze indeling sprake is van een redelijke beleidsbepaling. De feitelijke gedragingen hebben centraal gestaan bij het onderscheid in de maatregelen die genomen zijn. Zo was er een medewerker bij wie sprake was van één poging door middel van duwen tegen de automaat. Die medewerker heeft zich niet gebukt en is weggelopen. Dit was anders dan in het geval van eiser. Bij eiser was sprake van het wegnemen van snoep, meerdere malen gepleegd, aldus verweerder.

Eiser heeft zich ter zitting op het standpunt gesteld dat geen sprake is van een redelijke beleidsbepaling. Verweerder heeft onderscheid gemaakt tussen een poging tot diefstal en een voltooide diefstal. De handelingen die daarbij zijn verricht zijn nagenoeg hetzelfde en dit is onvoldoende voor het onderscheid in zwaarte van de op te leggen strafmaatregel. Alleen het gevolg is anders geweest. Verweerder hanteert met dit beleid een strafrechtelijke benadering, waarbij het geobjectiveerde onderscheid tussen poging en voltooid delict rechtsgevolg heeft ter zake van de kwalificatie. In het ambtenarenrecht daarentegen staan veel meer de intentie en feitelijke gedragingen centraal.

De rechtbank overweegt dat de uitleg van verweerder ter zake van de categorie-indeling, met name waar het gaat om categorie d, niet blijkt uit het bestreden besluit dan wel het primaire besluit en dat daar ook overigens niet van is gebleken. De rechtbank heeft in haar uitspraak van heden in de zaak SGR 15/2131 MAW geoordeeld dat categorie d moet worden geacht te gelden voor de [werknemers] bij wie het tot een poging is gebleven, ongeacht de reden daarvoor. De rechtbank is, evenals in de uitspraak van heden in de zaak SGR 15/1743 MAW, van oordeel dat de beslissing van verweerder om in deze specifieke kwestie een categorie-indeling te maken en daaraan specifieke gevolgen te verbinden als beleid moet worden aangemerkt. Met het maken van onderscheid tussen de medewerkers bij wie het tot een poging is gebleven - ongeacht de reden daarvoor - en degenen bij wie de handelingen hebben geleid tot het daadwerkelijk wegnemen van snoepgoed zonder betaling, gaat verweerder een redelijke beleidsbepaling in deze specifieke situatie niet te buiten en heeft verweerder daarmee geen ongeoorloofd onderscheid gemaakt tussen de verschillende categorieën medewerkers. Dat een andere indeling, waarbij bijvoorbeeld degenen bij wie het door een buiten henzelf gelegen omstandigheid tot een poging is gebleven onder dezelfde categorie zouden vallen als degenen bij wie sprake is geweest van een voltooide diefstal, ook verdedigbaar is, maakt dit niet anders.

5.3

Uit overweging 5.1 volgt dat verweerder eiser heeft mogen indelen in categorie e.

Verweerder heeft zich terecht bevoegd geacht om eiser ontslag wegens wangedrag te verlenen.

6 De rechtbank overweegt voorts dat niet kan worden gezegd dat het ontslag

onevenredig is. Het betoog van eiser dat het verweten gedrag vrij beperkt is in omvang en niet zo ernstig is dat dit ontslag wegens wangedrag rechtvaardigt, en bovendien aan andere medewerkers die soortgelijke handelingen hebben verricht geen ontslag is verleend vanwege het uitblijven van het gevolg, kan niet slagen. Niet kan worden gezegd dat het verweten gedrag vrij beperkt is in omvang en niet zo ernstig. Eiser was als lid van de [X] belast met de beveiliging en bewaking van objecten, waaronder de [locatie]. Het bijzondere karakter van de taken en werkzaamheden die aan eiser waren opgedragen, vergt dat hoge eisen worden gesteld aan eiser ten aanzien van de integriteit. Verweerder heeft het persoonlijk belang van eiser, te weten het behoud van zijn functie, meegewogen. Door de diefstal is bij verweerder evenwel een onherstelbare vertrouwensbreuk ontstaan. Voorts volgt uit overweging 5.2 dat het beleid van verweerder een redelijke beleidsbepaling niet te buiten gaat. Eiser heeft geen bijzondere omstandigheden aangevoerd die meebrengen dat verweerder aanleiding had moeten zien om van dat beleid af te wijken.

7 Voor zover eiser heeft beoogd een beroep te doen op het gelijkheidsbeginsel, overweegt de rechtbank dat dit beroep niet kan slagen. Eiser heeft zijn standpunt niet nader onderbouwd.

8 Het beroep dient ongegrond te worden verklaard.

9 Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. D.G.J. Dop, rechter, in aanwezigheid van A.J. van Rossum, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 29 oktober 2015.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.