Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2015:12456

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
02-11-2015
Datum publicatie
02-11-2015
Zaaknummer
C-09-496407-KG ZA 15-1433
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Kort geding. Eiser (veroordeeld tot een gevangenisstraf van zes jaar) is onlangs voorwaardelijk in vrijheid gesteld, met als voorwaarden onder meer een locatiegebod en –verbod, waarbij de naleving wordt ondersteund via elektronisch toezicht. De vordering van eiser om dit toezicht te verbieden wordt afgewezen, omdat eiser geen belang heeft bij een dergelijke spoedvoorziening op dit moment. Er wordt thans geen elektronisch toezicht toegepast, omdat eiser dit onmogelijk heeft gemaakt door zich van zijn enkelband te ontdoen en zich onvindbaar te houden. Voorts wordt er op korte termijn beslist op de vordering van het OM tot gedeeltelijke herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstelling. Overigens is ook op inhoudelijke gronden geen plaats voor toewijzing van de vordering.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Rechtbank den haag

Team handel - voorzieningenrechter

zaak- / rolnummer: C/09/496407 / KG ZA 15/1433

Vonnis in kort geding van 2 november 2015

in de zaak van

[eiser] ,

wonende te [woonplaats] , ten tijde van het uitbrengen van de dagvaarding gedetineerd te [plaats] ,

eiser,

advocaat mr. G.E. Toxopeus te Rotterdam,

tegen:

de publiekrechtelijke rechtspersoon

de Staat der Nederlanden,

zetelende te Den Haag,

gedaagde,

advocaat mr. M.M.C. van Graafeiland te Den Haag.

Partijen worden hierna respectievelijk aangeduid als ‘ [eiser] ’ en ‘de Staat’.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding met producties;

- de door de Staat overgelegde producties;

- de op 19 oktober 2015 gehouden mondelinge behandeling, waarbij door beide partijen pleitnotities zijn overgelegd.

1.2.

Ter zitting is vonnis bepaald op heden.

2 De feiten

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting wordt in dit geding van het volgende uitgegaan.

2.1.

Bij vonnis van 15 november 2011 van de rechtbank Dordrecht (hierna: het vonnis) is [eiser] veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zes jaar wegens, kort gezegd, diefstal met geweldpleging en handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie. Daarnaast is [eiser] bij arrest van 25 januari 2012 van het Gerechtshof ’s-Gravenhage veroordeeld tot een gevangenisstraf van twee maanden, in welk arrest tevens de tenuitvoerlegging is gelast van een gevangenisstraf voor de duur van twee weken, die voorwaardelijk aan [eiser] was opgelegd bij vonnis van de politierechter te Rotterdam van 8 februari 2010. Deze uitspraken zijn onherroepelijk geworden.

2.2.

Op 27 juli 2015 is er een besluit voorwaardelijke invrijheidstelling (hierna: het besluit) genomen ten aanzien van [eiser] . Hierin is bepaald dat aan de voorwaardelijke invrijheidstelling van [eiser] , naast de van rechtswege geldende algemene voorwaarden, enkele bijzondere voorwaarden zijn gekoppeld. Deze houden onder meer een locatieverbod in, te weten voor de gemeente [gemeente] , en een locatiegebod, waarbij in het besluit staat vermeld hoeveel uur [eiser] heeft ter invulling van zijn dagbesteding en ter vrije besteding. In het besluit is geen concrete locatie vermeld. Bij deze beide voorwaarden staat vermeld dat de naleving hiervan wordt ondersteund door middel van elektronisch toezicht, zolang de reclassering dit noodzakelijk acht, en dat deze voorwaarden zullen worden geëvalueerd indien [eiser] drie maanden daadwerkelijk voorwaardelijk in vrijheid is gesteld. Het besluit is overeenkomstig de ingewonnen adviezen. De reclassering heeft in de conclusie van haar advies onder meer vermeld dat de kans op recidive wordt ingeschat als hooggemiddeld en dat de kans op onttrekking aan de voorwaarden wordt ingeschat als hoog.

2.3.

[eiser] heeft op 17 september 2015 een datum voor dit kort geding aangevraagd.

2.4.

[eiser] is op 25 september 2015 voorwaardelijk in vrijheid gesteld.

2.5.

Op 2 oktober 2015 heeft het Openbaar Ministerie (hierna: het OM) bij de rechtbank Rotterdam een vordering ingediend tot gedeeltelijke herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstelling van [eiser] (hierna: de herroepingsvordering). Het OM voert daartoe aan dat [eiser] het locatiegebod heeft overtreden en vanaf 1 oktober 2015 niet meer traceerbaar is voor de reclassering.

3 Het geschil

3.1.

[eiser] vordert – zakelijk weergegeven – de Staat te verbieden over te gaan tot het (doen) toepassen van elektronisch toezicht in het kader van het toezicht op de naleving van de bijzondere voorwaarden als opgenomen in het besluit, op straffe van verbeurte van een dwangsom, met veroordeling van de Staat in de proceskosten en de nakosten.

3.2.

Daartoe voert [eiser] – samengevat – het volgende aan. Ten tijde van het wijzen van het vonnis was er geen sprake van een wettelijke basis voor het toepassen van elektronisch toezicht op een locatieverbod. Er is daarom sprake van een extra straf nadat het vonnis is gewezen en dat is in strijd met artikel 1 van het Wetboek van Strafrecht (Sr) en diverse rechtsbeginselen, zoals het legaliteitsbeginsel. Verder is de locatie van het locatiegebod in het besluit niet nader geconcretiseerd. Toepassing van elektronisch toezicht in het kader van deze voorwaarden is dan ook onrechtmatig.

3.3.

De Staat voert gemotiveerd verweer, dat hierna, voor zover nodig, zal worden besproken.

4 De beoordeling van het geschil

4.1.

De voorzieningenrechter stelt voorop dat in dit kort geding een onmiddellijke voorziening kan worden getroffen in spoedeisende zaken, waarin dit is vereist. De voorzieningenrechter volgt de Staat in zijn primaire verweer, inhoudende dat [eiser] bij een dergelijke spoedvoorziening op dit moment geen belang heeft. Er wordt immers op hem thans geen elektronisch toezicht toegepast, omdat [eiser] dit onmogelijk heeft gemaakt door zich te ontdoen van zijn enkelband en hij zich onvindbaar houdt. Voorts zal er op korte termijn worden beslist op de vordering tot gedeeltelijke herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstelling van [eiser] , waarna er een nieuwe situatie ontstaat.

4.2.

Overigens is voor toewijzing van de vordering van [eiser] ook op inhoudelijke gronden geen plaats. Ook ten tijde van de veroordeling van [eiser] was het op grond van artikel 15a Sr mogelijk om in het kader van een voorwaardelijke invrijheidstelling elektronisch toezicht te koppelen aan een bijzondere voorwaarde, die ook toen een locatieverbod of -gebod kon inhouden (een beperking betreffende de bewegingsvrijheid van de veroordeelde). Waar dit thans, na een technische wijziging van dit artikel in 2012, uit het tweede, derde en vierde lid volgt, volgde dit toentertijd uit het tweede en derde lid. Voorts werd elektronisch toezicht ten tijde van de veroordeling van [eiser] en wordt dit ook thans in artikel 1, onderdeel w, van de Penitentiaire beginselenwet gedefinieerd als “een technische voorziening, waarbij, gebruik makend van signalen, met regelmatige tussenpozen de aanwezigheid van een bepaalde persoon op een bepaalde tijd en plaats gecontroleerd wordt.” Het betoog van [eiser] dat er ten tijde van zijn veroordeling geen wettelijke grondslag was voor het toepassen van elektronisch toezicht ter controle van een locatieverbod faalt dan ook reeds hierom. De op dit onjuiste betoog voortbouwende stelling van [eiser] , inhoudende dat een verandering in het regime betreffende het elektronisch toezicht strijd oplevert met artikel 1 Sr en het legaliteitsbeginsel, is door de Staat ook gemotiveerd betwist, maar kan gezien het vorenstaande onbesproken blijven.

4.3.

Wat betreft het locatiegebod heeft de Staat gesteld dat de nadere uitwerking hiervan aan [eiser] kenbaar is gemaakt, hetgeen [eiser] niet heeft betwist. [eiser] heeft ter zitting echter benadrukt dat de locatie niet in het besluit is opgenomen. Dat is juist, maar dat kan niet leiden tot het opleggen van een verbod aan de Staat om elektronisch toezicht te (doen) toepassen, zoals gevorderd in dit geding. Indien [eiser] meent dat dit gebod niet op de juiste wijze aan hem kenbaar is gemaakt, kan hij dit naar voren brengen bij de behandeling van de herroepingsvordering, die op korte termijn zal plaatsvinden.

4.4.

De vordering van [eiser] zal gezien het vorenstaande worden afgewezen en [eiser] zal, als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de kosten van dit geding.

5 De beslissing

De voorzieningenrechter:

5.1.

wijst het gevorderde af;

5.2.

veroordeelt [eiser] in de kosten van dit geding, tot dusverre aan de zijde van de Staat begroot op € 1.429,--, waarvan € 816,-- aan salaris advocaat en € 613,-- aan griffierecht.

Dit vonnis is gewezen door mr. G.P. van Ham en in het openbaar uitgesproken op 2 november 2015.

ts