Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2015:12379

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
29-10-2015
Datum publicatie
30-10-2015
Zaaknummer
C-09-495219-KG ZA 15-1322
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Vordering van tot levenslang veroordeelde tot nakoming van afspraken en/of behoorlijke uitvoering aan eerder vonnis betreffende de resocialisatie van eiser afgewezen. Niet kan worden aangenomen dat de Staat dat (tot op heden) niet heeft gedaan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank den haag

Team handel - voorzieningenrechter

zaak- / rolnummer: C/09/495219 / KG ZA 15-1322

Vonnis in kort geding van 29 oktober 2015

in de zaak van

[eiser] ,

wonende te [woonplaats] ,

eiser,

advocaat mr. R.J. Wybenga te [plaats] ,

tegen:

DE STAAT DER NEDERLANDEN,

(ministerie van Veiligheid en Justitie),

zetelend te Den Haag,

gedaagde,

advocaat mr. C.M. Bitter te Den Haag.

Partijen worden hierna respectievelijk aangeduid als 'eiser' en 'de Staat'.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding;

- de brieven van eiser van 17 september 2015, en 13 en 14 oktober 2015, met producties;

- de brieven van de Staat van 13 en 14 oktober 2015, met producties;

- de op 15 oktober 2015 gehouden mondelinge behandeling, waarbij door beide partijen pleitnotities zijn overgelegd;

- de met - met kennelijke instemming van de Staat toegezonden - brief van eiser van 17 oktober 2015.

1.2.

Ter zitting is vonnis bepaald op heden.

2 De feiten

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting wordt in dit geding van het volgende uitgegaan.

2.1.

Bij op 1 juli 1985 onherroepelijk geworden arrest van het gerechtshof Den Haag van 14 oktober 1984 is eiser veroordeeld tot een levenslange gevangenisstraf wegens een schietpartij in café "Het Koetsiertje" te Delft op 5 april 1983, waarbij zes doden vielen en enkele gewonden. Eiser is sinds 7 april 1983 gedetineerd.

2.2.

Een op 11 maart 1998 ingediend gratieverzoek is aanleiding geweest voor een onderzoek naar eiser en een advies hem te laten opnemen in een tbs-kliniek. Overleg tussen de minister van Justitie (hierna: 'de Minister') en het Forensisch Psychiatrisch Centrum [de kliniek] (hierna: 'de kliniek') heeft geleid tot een memo van de Staat van 9 juli 2001. Voor zover hier van belang vermeldt het memo:

"Deze kliniek is bereid tot opname, mits er op voorhand duidelijkheid wordt geboden over de haalbaarheid van een resocialisatietraject in relatie met het omzetten van de levenslange gevangenisstraf in een eindige gevangenisstraf middels gratie.

(...)

Afspraken rond beëindiging van de behandeling

Algemene behandelingsstrategie van de kliniek is behandeling met het oog op verantwoorde terugkeer in de samenleving. De kliniek heeft geen "bewaarfunctie".

Wanneer mocht blijken dat behandeling - om wat voor redenen dan ook - onvoldoende doel treft, zal terugplaatsing naar het gevangeniswezen onvermijdelijk zijn.

(...)

Horizonbepaling gratieprocedure

Uitgaande van de optie dat behandeling succesvol verloopt en er sprake is van een gunstige prognose voor wat de terugkeer in de samenleving betreft, is tijdige indiening van een gratieverzoek een belangrijk punt van aandacht. Er kunnen zich binnen deze optie twee situaties ontwikkelen, die ieder afzonderlijk de inhoud van het gratieverzoek kunnen beïnvloeden:

1. De behandeling (intra- dan wel transmuraal) nadert haar voltooiing waarbij het van belang blijft de inbedding in de samenleving zodanig in te richten dat betrokkene de dwang blijft voelen om daaraan maximale medewerking te verlenen.

2. De behandeling (intra- dan wel transmuraal) is zodanig progressief verlopen dat betrokkene voldoende gemotiveerd is aanwijzingen te volgen die de gewenste inbedding ondersteunen, zonder dat daartoe een dwangkader benodigd is.

Ad 1: Omzetting van de levenslange gevangenisstraf naar een gevangenisstraf met een einddatum middels gratieverlening, gevolgd door het verlenen van gratie voor het resterend gedeelte van de gevangenisstraf onder voorwaarde. Bij het niet volgen van de voorwaarde herleeft de eindige gevangenisstraf.

Ad 2: Omzetting van de levenslange gevangenisstraf naar een gevangenisstraf met een einddatum middels gratieverlening. De aldus omgezette gevangenisstraf dient zodanig aangepast te zijn dat de VI-datum passeert op het moment van ontslag uit de kliniek.

Het aldus in te dienen gratieverzoek zal in de kliniek haar startpunt krijgen, d.w.z. er zal een plan van aanpak rond de afronding van de klinische behandeling worden voorgelegd aan de heer [A] (voorzieningenrechter: de – toenmalige – directeur sectordirectie TBS van (toen) het Ministerie van Justitie).

Hij zal vervolgens het plan om advies voorleggen aan de heer [B] , die zal beoordelen of er voldoende elementen zijn om een ambtshalve gratieverzoek in te dienen vanuit zijn positie als psychiatrisch adviseur. Gelet op de haalbaarheid van een dergelijk verzoek is wederzijdse overeenstemming omtrent het verloop / afloop van de behandeling wenselijk. Indien het gratieverzoek niet wordt gehonoreerd kan betrokkene niet langer in de kliniek verblijven en zal terugplaatsing naar het gevangeniswezen plaatsvinden."

2.3.

Op 20 juli 2001 heeft de Minister aan eiser bericht dat hij (eiser) in een tbs-inrichting wordt geplaatst. Bij deze mededeling is gevoegd een afschrift van de brief van eveneens 20 juli 2001 van de Minister aan de kliniek waarin onder meer staat vermeld:

"Tijdens (...) mondeling en schriftelijk contact met uw kliniek, waarbij ook de advocate van de gedetineerde was betrokken, toonde u zich bereid een opname toch in overweging te nemen, mits er op voorhand duidelijkheid wordt geboden over de haalbaarheid van een resocialisatietraject in relatie met het omzetten van de levenslange gevangenisstraf in een eindige gevangenisstraf middels gratie.

Dit was aanleiding voor overleg tussen uw kliniek, de advocate van betrokkene en de GGG-commissie. De uitkomsten van dit overleg op 3 mei 2001 werden, na een consultatieronde langs alle deelnemers, vastgelegd in een memo d.d. 9 juli 2001. Deze memo is reeds in uw bezit.

Op basis van de afspraken in de memo (hierna 'de 2001-afspraken''), verzoek ik u thans betrokkene met voorrang in uw kliniek op te nemen en het behandelingstraject te beginnen met een observatieperiode.

Na afronding van de observatieperiode ontvang ik graag het verslag van uw bevindingen naar aanleiding van deze observatie.

Het verslag zal de eerste aanzet betekenen voor de overige actiepunten zoals vastgelegd in de memo.

Over de voortgang van de gemaakte afspraken in de memo zullen alle deelnemers aan het eerdergenoemde overleg steeds worden geïnformeerd rond het moment dat zich daarbij relevante ontwikkelingen voordoen."

2.4.

Eiser is op 31 augustus 2001 opgenomen in de kliniek. Op 13 september 2002 is aan hem een machtiging begeleid verlof afgegeven. Die machtiging is later weer ingetrokken.

2.5.

Op 3 juni 2013 heeft eiser een gratieverzoek ingediend, dat hij op 5 augustus 2013 en 16 juni 2014 heeft aangevuld. Op 14 november 2013 heeft het Ressortsparket geadviseerd het gratieverzoek niet in te willigen.

2.6.

Eiser heeft diverse procedures gevoerd teneinde een machtiging onbegeleid verlof te verkrijgen. Bij kort gedingvonnis van de voorzieningenrechter van deze rechtbank van 10 juli 2014 is de Staat veroordeeld om aan de kliniek een machtiging tot onbegeleid verlof voor onbepaalde duur te verstrekken ten behoeve van eiser. Tegen dat vonnis is geen hoger beroep ingesteld.

2.7.

Op 9 oktober 2014 heeft het Ressortsparket gepersisteerd bij het eerdere advies tot afwijzing van het gratieverzoek van eiser. Het gerechtshof Den Haag (hierna: het Hof) heeft op 28 oktober 2014 geadviseerd het gratieverzoek van eiser "thans" af te wijzen.

2.8.

Bij brief van 2 april 2015 heeft de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie (hierna 'de Staatssecretaris') het gratieverzoek van eiser met Koninklijke machtiging afgewezen.

2.9.

Op 20 april 2015 heeft de Staatssecretaris een verzoek van eiser om overleg over de (verdere) resocialisatie van eiser van de hand gewezen.

2.10.

Bij kort gedingvonnis van de voorzieningenrechter van deze rechtbank van 7 mei 2015 is de Staat geboden om binnen twee weken na de betekening van het vonnis (het hoofd van) de kliniek en de advocaat van eiser schriftelijk uit de nodigen voor overleg over het voorwaardelijke einddoel van het resocialisatietraject van eiser, dat uiterlijk binnen zes weken na de betekening van het vonnis dient plaats te vinden. Van dat vonnis is niet geappelleerd.

2.11.

Op 22 mei 2015 heeft de kliniek aan het ministerie van Veiligheid en Justitie verzocht het bestaande verlofplan ten aanzien van eiser te mogen uitbreiden met verloven die zijn gericht op het opbouwen van dagbesteding - (vrijwilligers)werk en vrijetijdsbesteding - en het kunnen overnachten bij gezin of elders (bijvoorbeeld ook in een kliniekwoning in de stad Utrecht), met een maximum van zes nachten per week.

2.12.

Ter uitvoering van het vonnis van 7 mei 2015 heeft op 15 juni 2015 een bespreking plaatsgevonden. Ter gelegenheid daarvan is afgesproken dat in december 2015 een nieuw overleg zal plaatsvinden.

2.13.

Op 16 juli 2015 heeft tussen partijen een gesprek plaatsgevonden over een door de Staat aan eiser verschuldigde schadevergoeding wegens vertraging van de resocialisatie van eiser. Dat overleg heeft (vooralsnog) niet tot resultaat geleid.

2.14.

Na een positief advies van het Adviescollege Verloftoetsing TBS (hierna 'AVT') van 2 juli 2015, heeft de Staatssecretaris - bij brief van 12 oktober 2015 - aan de kliniek bericht dat (voor onbepaalde duur) verlof wordt verleend voor de op 22 mei 2015 gevraagde uitbreiding van het verlofplan ten aanzien van eiser, onder de extra voorwaarde dat het eiser enkel is toegestaan zich in [plaats] te bevinden voor bezoeken aan zijn zussen en broer en dat hij zich niet elders in [plaats] mag begeven.

3 Het geschil

3.1.

Na wijziging c.q. aanvulling c.q. vermindering van eis, vordert eiser:

I. de Staat te veroordelen tot:

( a) nakoming van de '2001-afspraken' en

( b) het concreet invullen van de resocialisatie-opdracht, voortvloeiende uit de zogenoemde 'Vinter-jurisprudentie',

en wel in dier voege dat de Staat:

( i) actief meewerkt aan de resocialisatie en gratiëring van eiser,

(ii) zich onthoudt van een punitieve bejegening van eiser en,

(iii) eiser, althans diens advocaat, steeds schriftelijk in kennis stelt van alle
ontwikkelingen die redelijkerwijze relevant kunnen worden geacht voor de (voortgang van) de resocialisatie en gratiëring van eiser en afschrift zendt van de op
deze ontwikkelingen betrekking hebbende documentatie,

waar het de onderdelen (i) en (ii) betreft behoudens indien en voor zover het gedrag
van eiser diens resocialisatie en gratiëring zou bemoeilijken,

II. de Staat te veroordelen om binnen twee weken nadat vonnis zal zijn gewezen (het hoofd van) de kliniek en de advocaat van eiser schriftelijk uit te nodigen voor overleg omtrent:

( a) de resocialisatie van eiser en

( b) de voorbereiding van het gratietraject,

welk overleg zal dienen plaats te vinden uiterlijk binnen zes weken nadat vonnis zal zijn gewezen, zulks op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 500,-- voor iedere dag dat de Staat in gebreke blijft aan enig onderdeel van deze veroordeling te voldoen;

III. de Staat te gebieden:

( i) binnen twee weken nadat vonnis zal zijn gewezen de advocaat van eiser schriftelijk uit te nodigen voor overleg omtrent een aan eiser te betalen tegemoetkoming, welk overleg zal dienen plaats te vinden uiterlijk binnen zes weken nadat vonnis zal zijn gewezen,

(ii) bij het aldus te voeren overleg het uitgangspunt te hanteren dat:

( a) op grond van de 2001-afspraken duidelijkheid bestond tussen partijen hoe het resocialisatietraject moest worden ingevuld en over de voorwaarden waaronder gratie zou kunnen worden verleend en

( b) door toedoen van de Staat deze duidelijkheid is komen te ontbreken,

zulks op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 500,-- voor iedere dag dat de Staat in gebreke blijft aan de veroordeling te voldoen;

een en ander met veroordeling van de Staat in de proceskosten, te vermeerderen met de wettelijke rente.

3.2.

Daartoe voert eiser - samengevat - het volgende aan.

De Staat heeft niet naar behoren uitvoering gegeven aan het kort gedingvonnis van 7 mei 2015. Weliswaar heeft - ter uitvoering van het vonnis - een gesprek plaatsgevonden tussen partijen op 15 juni 2015, maar dat gesprek verliep in een ijzige sfeer. De Staat blijft verzuimen de 2001-afspraken te respecteren en te handelen in overeenstemming met de uitspraak van het Europese Hof voor de rechten van de mens van 9 juli 2013 in de zaak Vinter e.a. vs VK (appl. nrs. 66069/09, 130/10, 3896/10). Eiser moet iedere millimeter bevechten; zonder rechterlijke interventie is het onmogelijk voor hem om constructieve afspraken te maken met de Staat. Uit de 2001-afspraken vloeit voort dat partijen jegens elkaar gehouden zijn tot constructief overleg en een normale informatie-uitwisseling. Uit het voorgaande blijkt dat de Staat daaraan niet voldoet. Gelet op een en ander is eiser genoodzaakt de hiervoor onder 2.1 sub I en II vermelde vorderingen in te stellen.

Daarnaast is van belang dat tussen partijen op 16 juli 2015 overleg heeft plaatsgevonden over een door de Staat aan eiser te betalen tegemoetkoming wegens de onrechtmatige bejegening die hij over een groot aantal jaren heeft moeten ondervinden, waardoor zijn resocialisatie ernstig is vertraagd. Dat overleg heeft niet tot een bevredigend resultaat geleid. Integendeel, het leidde er zelfs toe dat een beslissing op het onder 2.11 vermelde verzoek van de kliniek langer op zich liet wachten dan noodzakelijk. Op zichzelf is de Staat weliswaar niet gehouden om met eiser tot overeenstemming te komen over een schadevergoeding, maar hij is wel verplicht om daarover - voorafgaand aan een eventuele bodemprocedure - redelijk overleg te voeren met eiser.

3.3.

De Staat voert gemotiveerd verweer, dat - voor zover nodig - hierna zal worden besproken.

4 De beoordeling van het geschil

Met betrekking tot de vorderingen sub I en II

4.1.

Voor wat betreft de hiervoor onder 3.1 sub I en II vermelde vorderingen komen de stellingen van eiser er in feite op neer dat de Staat geen - behoorlijke - uitvoering heeft gegeven aan het kort gedingvonnis van 7 mei 2015. Volgens eiser traineert de Staat - in strijd met de 2001-afspraken en de Vinter-jurisprudentie - nog steeds de besluitvorming betreffende zijn resocialisatie en gratiëring en creëert de Staat allerlei complicaties om de vertraging(en) te rechtvaardigen. In feite vormen die vorderingen een herhaling van de vordering die heeft geleid tot dat vonnis.

4.2.

Bij voormeld vonnis is de Staat geboden om (het hoofd van) de kliniek en de advocaat van eiser uit te nodigen voor een overleg over het voorwaardelijke einddoel van het resocialisatietraject van eiser. Hieraan is gevolg gegeven, in die zin dat - op uitnodiging van de Staat - op 15 juni 2015 een overleg heeft plaatsgevonden tussen eiser, de Staat en de kliniek, waarbij - blijkens het opgemaakte verslag - het voorwaardelijke einddoel van het resocialisatietraject van eiser het centrale onderwerp was. Gesteld noch gebleken is dat tijdens de bespreking bepaalde kwesties onbespreekbaar waren, dan wel onbesproken zijn gebleven. Daar komt bij dat het verslag geen aanwijzingen bevat voor de juistheid van de stelling van eiser dat de bespreking in een ijzige sfeer verliep. Integendeel, tijdens het overleg heeft eiser 'dankbaar' gebruik gemaakt van de hem geboden gelegenheid het woord te voeren, terwijl de aanwezigen - op voorstel van de Staat - eensluidend hebben afgesproken dat in december 2015 een nieuw overleg zal plaatsvinden. Voor wat betreft dit laatste heeft de advocaat van eiser zelfs uitdrukkelijk zijn waardering geuit voor het daartoe genomen initiatief van de Staat, waarmee - volgens het verslag - zijns inziens royaal invulling wordt gegeven aan het kort gedingvonnis. Op grond van het voorgaande moet ervan worden uitgegaan dat de Staat op een behoorlijke wijze uitvoering heeft gegeven aan het vonnis van 7 mei 2015.

4.3.

Verder is van belang dat - zoals de Staat onweersproken heeft aangevoerd - de uitvoering van het resocialisatietraject van eiser in handen ligt van de kliniek, zij het dat voor bepaalde stappen toestemming van de Staat (lees: de Staatssecretaris) is vereist. Gelet hierop heeft de kliniek in de periode gelegen tussen het uitspreken van het kort gedingvonnis en de bespreking van 15 juni 2015 het hiervoor - onder 2.11 - vermelde verzoek tot uitbreiding van het bestaande verlofplan ten aanzien van eiser ingediend, waarbij eiser - in het kader van de reeds toegestane onbegeleide verloven - ook maximaal zes nachten per week buiten de kliniek zou mogen doorbrengen. Bij brief van 12 oktober 2015 heeft de Staatssecretaris - overeenkomstig het advies van het AVT - zijn goedkeuring verleend aan het verzoek van de kliniek. Bij de afhandeling van dat verzoek is weliswaar enige vertraging opgetreden, maar niet aannemelijk is geworden dat de Staat dienaangaande een verwijt kan worden gemaakt. Gelet op de op hem rustende eindverantwoordelijkheid voor wat betreft de tenuitvoerlegging van straffen en maatregelen lag het op de weg van de Staat om nader onderzoek te (laten) verrichten naar aanleiding van een opmerking van de advocaat van eiser (in het kader van het overleg tussen partijen over een schadevergoeding) dat eiser een schuld heeft bij zijn familie, waarvan de Staat het bestaan niet kende. Een dergelijke omstandigheid kan in bepaalde situaties een risicofactor vormen, die in de weg zou kunnen staan aan het verlenen c.q. uitbreiden van verlof ten aanzien van gedetineerden c.q. TBS'ers. Nadat duidelijk was geworden dat de betreffende schuld geen (extra) risico meebracht, is vervolgens het uitbreidingsverzoek van de kliniek gehonoreerd.

4.4.

Voor wat betreft de (vermeende) trainerende opstelling van de Staat heeft eiser voorts nog gewezen op de door de Staat genomen maatregelen naar aanleiding van het feit dat de kliniek eiser had toegestaan om buiten de kliniek te overnachten zonder dat daarvoor toestemming was verleend door de Staatssecretaris. Gelet op diens hiervoor al aangehaalde eindverantwoordelijkheid en de (politieke) gevoeligheid van de kwestie, kan de Staatssecretaris echter niet worden verweten dat hij onderzoek heeft laten verrichten naar een (mogelijk) te ruime en onjuist geïnterpreteerde uitleg door de kliniek van de op 18 juli 2014 verleende machtiging tot onbegeleid verlof ten behoeve van eiser en - al dan niet in afwachting van de uitkomsten daarvan - (tijdelijke) maatregelen treft. Daar komt bij dat de onderhavige kwestie inmiddels is afgerond, reeds speelde vóór de procedure die heeft geleid tot het kort gedingvonnis van 7 mei 2015 en tijdens het overleg van 15 juni 2015 aan de orde is geweest. Niettemin had de kwestie geen negatieve invloed op het verloop van het gesprek op 15 juni 2015. Zoals hiervoor al overwogen moet er immers van worden uitgegaan dat toen sprake is geweest van een goed en constructief overleg. Bovendien is het verzoek tot uitbreiding van de verlofregeling - zonder onredelijke tegenwerking van de Staatssecretaris - toegewezen. Een en ander brengt mee dat niet aannemelijk is geworden dat de Staat de kwestie heeft aangegrepen om het resocialisatietraject van eiser onredelijk te traineren. In ieder geval valt niet in te zien hoe zij op dit moment het verloop van het traject nog verder zou kunnen beïnvloeden.

4.5.

Na de toewijzing van het uitbreidingsverzoek, kan de kliniek voortgaan met het resocialisatietraject ten aanzien van eiser, waarvan transmuraal verlof het einddoel is. Afhankelijk van het verloop van de resocialisatie zal vervolgens - op grond van de 2001-afspraken - een gratieverzoek aan de orde kunnen komen. Op de zitting is tussen partijen nog gediscussieerd over de vraag of ten aanzien van eiser sprake zal/kan zijn van 'proefverlof' tussen zijn transmurale verlof en gratie. Het antwoord op die vraag kan echter in het midden blijven, nu de Staat uitdrukkelijk heeft aangegeven dat het eventuele proefverlof niet in de weg zal staan aan de middels het resocialiseringstraject beoogde terugkeer van eiser in de samenleving. Bovendien is het thans (nog) niet zover. Hoe dan ook, op dit moment weten alle betrokkenen waar men aan toe is, dan wel mee bezig is c.q. moet zijn en valt niet in te zien welke rechterlijke beslissing daaraan nog toegevoegde waarde zou kunnen hebben.

4.6.

Het vorenstaande betekent dat de stellingen van eiser - voor zover betrekking hebbend op het eventueel op termijn in te dienen gratieverzoek en de wijze waarop de Staat daarmee zal omgaan - prematuur zijn en verder buiten beschouwing kunnen blijven. Dienaangaande ontbreekt het - voor een kort geding vereiste - spoedeisende belang. Dat klemt te meer nu het Hof in zijn nog - relatief - vrij recente advies van 28 oktober 2014 naar aanleiding van het op 3 juni 2013 door eiser ingediende gratieverzoek tot de conclusie komt dat het verzoek "thans" moet worden afgewezen. Sindsdien is er in de situatie van eiser nog niet veel gewijzigd, zodat niet kan worden aangenomen dat het Hof op dit moment anders zou aankijken tegen een herhaald gratieverzoek. Voor de goede orde merkt de voorzieningenrechter dienaangaande thans al wel op dat de Staat - ingevolge de 2001-afspraken - gehouden is, na een succesvol verlopen resocialisatietraject, binnen de mogelijkheden die de Gratiewet hem biedt, constructief mee te werken aan een gratieverzoek ten behoeve van eiser.

4.7.

Het bovenstaande betekent dat de vorderingen sub I en II zullen worden afgewezen. Voor wat betreft de vordering sub II klemt dat te meer nu in december 2015 wederom een gesprek zal plaatsvinden tussen alle betrokkenen, zodat - mede bezien in het licht van al hetgeen hiervoor al is overwogen - niet valt in te zien welk belang eiser heeft bij de gevorderde uitnodiging voor een overleg. Met betrekking tot de vordering sub I wordt nog opgemerkt dat deze hoe dan ook té algemeen is geformuleerd. Geenszins onaannemelijk is dat toewijzing ervan zal leiden tot één of meer nieuwe procedures, omdat partijen van mening verschillen over de wijze waarop de veroordeling moet worden uitgelegd.

Met betrekking tot de vordering sub III

4.8.

De onder 3.1 sub 3 vermelde vordering, strekkende tot een uitnodiging voor een bespreking over een aan eiser verschuldigde schadevergoeding, komt evenmin voor toewijzing in aanmerking. Allereerst is van belang dat er geen rechtsplicht bestaat voor de Staat om met eiser in onderhandeling te treden over een schadevergoeding. Daar komt hij dat uit de stukken en het verhandelde op de zitting volgt dat de Staat op zichzelf bereid is met eiser in onderhandeling te treden over een financiële tegemoetkoming. Dienaangaande heeft zelfs al overleg plaatsgevonden tussen partijen. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat de Staat zich daarbij onbehoorlijk heeft opgesteld. Voorts kan uit de stellingname van de Staat worden afgeleid dat hij openstaat voor nader overleg met eiser.

Afronding

4.9.

De slotsom is dat de vorderingen van eiser zullen worden afgewezen.

4.10.

Eiser zal - als de in het ongelijk gestelde partij - worden veroordeeld in de proceskosten.

5 De beslissing

De voorzieningenrechter:

5.1.

wijst de vorderingen van eiser af;

5.2.

veroordeelt eiser in de proceskosten, tot op dit vonnis aan de zijde van de Staat begroot op € 1.429,--, waarvan € 816,-- aan salaris advocaat en € 613,-- aan griffierecht.

Dit vonnis is gewezen door mr. G.H.I.J. Hage en in het openbaar uitgesproken op 29 oktober 2015.

jvl