Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2015:12378

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
30-10-2015
Datum publicatie
22-12-2015
Zaaknummer
AWB - 15 _ 2783
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

1 beroep niet tijdig beslissen m.b.t. schorsing is prematuur, 2 beroep ntb m.b.t. inhouding bezoldiging: geen bezwaar gemaakt. 3 beroep ntb m.b.t. voornemen strafontslag: geen besluit in de zin van art 1:3 Awb, bovendien geen bezwaar gemaakt

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 1:3
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: SGR 15/2783 AW

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiseres], te [woonplaats], eiseres

(gemachtigde: E.J. Walraven Borst),

en

het college van burgemeester en wethouders van [gemeente], verweerder.

Procesverloop

Eiseres heeft bij brief van 14 april 2015 beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen door verweerder ter zake van de haar opgelegde schorsing, de inhouding van haar bezoldiging en het voornemen tot het opleggen van de disciplinaire straf van ontslag wegens plichtsverzuim.

Verweerder heeft bij brief van 30 juni 2015 een verweer met bijlagen ingediend, strekkende tot niet-ontvankelijkverklaring van het onderhavige beroep.

De rechtbank heeft dit verweer bij brief van 10 juli 2015 toegezonden aan eiseres en haar in de gelegenheid gesteld binnen twee weken na dagtekening van deze brief te reageren op dit stuk. Bij brief van 7 augustus 2015 heeft de rechtbank eiseres, onder verwijzing naar de brief van 10 juli 2015, nogmaals in de gelegenheid gesteld binnen twee weken na dagtekening van deze brief te reageren. Eiseres heeft niet gereageerd.

Overwegingen

1. De rechtbank doet op grond van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak zonder zitting.

2 Het beroep van eiseres tegen het niet tijdig beslissen door verweerder ziet op verschillende onderwerpen. De rechtbank overweegt dienaangaande als volgt.

Ter zake van het niet tijdig beslissen met betrekking tot de schorsing

3.1

Ingevolge artikel 6:2, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) wordt voor de toepassing van wettelijke voorschriften over bezwaar en beroep het niet tijdig nemen van een besluit met een besluit gelijkgesteld.

Ingevolge artikel 6:12, tweede lid, van de Awb kan het beroepschrift worden ingediend zodra:

a. het bestuursorgaan in gebreke is tijdig een besluit te nemen of een van rechtswege verleende beschikking bekend te maken, en

b. twee weken zijn verstreken na de dag waarop belanghebbende het bestuursorgaan schriftelijk heeft medegedeeld dat het in gebreke is.

Ingevolge artikel 7:10, eerste lid, van de Awb beslist het bestuursorgaan binnen zes weken of - indien een commissie als bedoeld in artikel 7:13 is ingesteld - binnen twaalf weken, gerekend vanaf de dag na die waarop de termijn voor het indienen van het bezwaarschrift is verstreken.

Ingevolge artikel 7:10, tweede lid, van de Awb wordt de termijn opgeschort gerekend vanaf de dag na die waarop de indiener is verzocht een verzuim als bedoeld in artikel 6:6 te herstellen, tot de dag waarop het verzuim is hersteld of de daarvoor gestelde termijn ongebruikt is verstreken.

Ingevolge artikel 7:10, derde lid, van de Awb kan het bestuursorgaan de beslissing voor ten hoogste zes weken verdagen.

Ingevolge artikel 7:10, vierde lid, aanhef en onder a, van de Awb is verder uitstel mogelijk voor zover alle belanghebbenden daarmee instemmen.

Ingevolge artikel 7:10, vijfde lid, van de Awb doet het bestuursorgaan, indien toepassing is gegeven aan het tweede, derde of vierde lid, hiervan schriftelijk mededeling aan belanghebbenden.

In artikel 7:13, eerste lid, van de Awb is bepaald dat dit artikel van toepassing is indien ten behoeve van de beslissing op het bezwaar een adviescommissie is ingesteld:

a. die bestaat uit een voorzitter en ten minste twee leden,

b. waarvan de voorzitter geen deel uitmaakt van en niet werkzaam is onder verantwoordelijkheid van het bestuursorgaan en

c. die voldoet aan eventueel bij wettelijk voorschrift gestelde andere eisen.

Ingevolge artikel 7:13, tweede lid, van de Awb deelt het bestuursorgaan, indien een commissie over het bezwaar zal adviseren, dit zo snel mogelijk mede aan de indiener van het bezwaarschrift.

3.2

Bij besluit van 8 januari 2015 heeft verweerder eiseres met ingang van 8 januari 2015 geschorst in het belang van de dienst met toepassing van artikel 8:15:1 van de Collectieve arbeidsvoorwaardenregeling voor de sector gemeenten/Uitwerkings-overeenkomst (CAR/UWO) met behoud van bezoldiging en is eiseres tevens met toepassing van artikel 15:1:19 van de CAR/UWO de toegang tot en het verblijf in de gebouwen van de gemeente ontzegd.

Eiseres heeft bij brief van 10 februari 2015, ontvangen op dezelfde datum bij verweerder, bezwaar gemaakt tegen dit besluit.

Bij brief van 9 april 2015 heeft eiseres verweerder in gebreke gesteld wegens het niet tijdig beslissen op haar bezwaar van 10 februari 2015.

Eiseres heeft bij brief van 14 april 2015 beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen op haar bezwaar van 10 februari 2015.

Verweerder heeft de rechtbank bij brief van 30 juni 2015 medegedeeld dat de hoorzitting in het kader van het bezwaar op 28 mei 2015 heeft plaatsgevonden en dat eiseres niet is verschenen. Voorts is medegedeeld dat een dezer dagen het advies van de bezwarenadvies-commissie wordt verwacht, waarna een beslissing op bezwaar zal worden genomen.

3.3

De rechtbank overweegt dat niet is gebleken dat verweerder eiseres een mededeling als bedoeld in artikel 7:13, tweede lid, van de Awb dan wel artikel 7:10, vijfde lid, van de Awb heeft gezonden.

Hieruit volgt dat verweerder uiterlijk 3 april 2015 had dienen te beslissen op het bezwaar van eiseres van 10 februari 2015.

3.4

De rechtbank verwijst naar jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep (de Raad, CRvB 27 mei 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:1871), waarin onder meer is overwogen:

“4.3 Bij het indienen van een beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit dient, gelet op artikel 6:12, tweede lid, van de Awb aan de beide daar genoemde voorwaarden te zijn voldaan. Is ten tijde van het indienen van het beroep het bestuursorgaan niet in gebreke tijdig een besluit te nemen, de voorwaarde genoemd onder a, dan is het beroep te vroeg ingesteld en daarmee niet-ontvankelijk. Is een bestuursorgaan niet in gebreke gesteld, terwijl dit redelijkerwijs wel van de belanghebbende kan worden gevergd, de voorwaarde onder b, dan is het beroep eveneens te vroeg ingesteld en daarmee niet-ontvankelijk. De Raad wijst in dit verband op Kamerstukken II, 2005/06, 30 435, nr. 3, blz. 16, de uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State van 7 januari 2010, 200909769/2/M1, en de uitspraak van de Raad van 8 mei 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BW5453.

4.5

Uit de toelichting bij artikel 6:12, derde lid, van de Awb is af te leiden dat de ingebrekestelling achterwege kan blijven als de zaak zozeer spoedeisend is, dat een ingebrekestelling niet kan worden afgewacht (Kamerstukken II 2005/06, 30 435, nr. 3, blz. 17). Een redelijke uitleg van artikel 6:12, derde lid, van de Awb brengt mee dat evenmin sprake is van een prematuur beroep in het geval na de indiening van een ingebrekestelling de omstandigheden zodanig wijzigen dat van een aanvrager niet (meer) kan worden gevergd dat hij de resterende termijn van de ingebrekestelling afwacht alvorens hij beroep zou kunnen instellen.”

De rechtbank overweegt dat de eisers in voornoemde zaak het bestuursorgaan in gebreke hebben gesteld en vervolgens een week na de ingebrekestelling beroep hebben ingesteld. In dat geval heeft de Raad geoordeeld dat de situatie van die eisers dermate spoedeisend was dat ten tijde van het indienen van het beroep de redelijke termijn om op de aanvraag te beslissen was verstreken en de tweewekentermijn van de ingebrekestelling niet meer kon worden afgewacht. Geoordeeld is dat het beroep niet prematuur is ingesteld en dat het betreffende bestuursorgaan in gebreke was tijdig een besluit te nemen.

3.5

De rechtbank overweegt dat eiseres verweerder, na het verstrijken van de beslistermijn, bij brief van 9 april 2015 in gebreke heeft gesteld. Ten tijde van het beroep was de tweewekentermijn van de ingebrekestelling nog niet verstreken. Eiseres heeft, in tegenstelling tot de eisers in de onder 3.4 vermelde jurisprudentie van de Raad, geen omstandigheden aangevoerd op grond waarvan moet worden geoordeeld dat deze tweewekentermijn niet meer kon worden afgewacht. Het beroep is in zoverre prematuur ingesteld en daarmee op dit punt niet-ontvankelijk.

Ter zake van het niet tijdig beslissen met betrekking tot inhouding van bezoldiging

4 Bij besluit van 18 februari 2015 heeft verweerder eiseres medegedeeld dat, gelet op het bepaalde in artikel 18:15:2, tweede en derde lid, van de CAR/UWO haar bezoldiging met ingang van dagtekening van dit besluit wordt ingehouden. Omdat de opdracht voor de uitbetaling van de salarisbetalingen voor de maand februari reeds is verstrekt, zal de inhouding van het salaris pas ten tijde van het ontslag van eiseres worden verrekend met de financiële eindafrekening van haar dienstverband.

Verweerder heeft in zijn verweerschrift medegedeeld dat eiseres geen bezwaar heeft gemaakt tegen dit besluit. Eiseres heeft dit niet betwist.

De rechtbank overweegt dat tegen het besluit van 18 februari 2015 geen rechtsmiddel is aangewend waarop besluitvorming van verweerder had moeten volgen. Dit besluit staat in rechte vast. Hieruit volgt dat geen sprake kan zijn een situatie waarin moet worden geoordeeld dat verweerder niet tijdig heeft beslist.

Het beroep is in zoverre niet-ontvankelijk.

Ter zake van het niet tijdig beslissen met betrekking tot het voornemen tot het opleggen van de disciplinaire straf van ontslag wegens plichtsverzuim

5 Verweerder heeft eiseres bij brief van 9 april 2015 zijn voornemen tot het opleggen van de disciplinaire straf van ontslag wegens plichtsverzuim kenbaar gemaakt. Eiseres heeft hiertegen geen zienswijze ingediend.

De rechtbank overweegt dat het voornemen van 9 april 2015 niet is te beschouwen als een besluit in de zin van artikel 1:3 van de Awb, waartegen rechtsmiddelen open staan. Bovendien is geen rechtsmiddel aangewend waarop besluitvorming van verweerder had moeten volgen. Hieruit volgt dat geen sprake kan zijn een situatie waarin moet worden geoordeeld dat verweerder niet tijdig heeft beslist.

Gelet op het vorenstaande is het beroep ook op dit punt niet ontvankelijk.

6 De rechtbank heeft ten slotte kennis genomen van het verweerschrift, waarin verweerder heeft medegedeeld dat eiseres bij besluit van 11 mei 2015 de disciplinaire straf van ontslag zoals bedoeld in artikel 8:13 van de CAR/UWO is opgelegd en dat eiseres geen bezwaar heeft gemaakt tegen dit besluit. Eiseres heeft dit niet betwist. Indien eiseres had willen opkomen tegen het ontslag, dan had het op haar weg gelegen om rechtsmiddelen aan te wenden tegen het besluit van 11 mei 2015.

7 Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.

Deze uitspraak is gedaan door mr. D.G.J. Dop, rechter, in aanwezigheid van A.J. van Rossum, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 30 oktober 2015.

chter

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan verzet worden ingesteld bij deze rechtbank. De indiener van het verzetschrift kan daarbij vragen in de gelegenheid te worden gesteld over het verzet te worden gehoord.