Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2015:12376

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
21-10-2015
Datum publicatie
04-11-2015
Zaaknummer
C/09/486696 / HA ZA 15-455
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Faillissementszaak. Niet voldaan aan volstortingsplicht. Aansprakelijkheid van bestuurder. Geen aansprakelijkheid voor gesloten koopovereenkomst omdat deze niet heeft geleid tot benadeling van de schuldeisers.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2015/2102
INS-Updates.nl 2015-0360
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK DEN HAAG

Team handel

zaaknummer / rolnummer: C/09/486696 / HA ZA 15-455

Vonnis (bij vervroeging) van 21 oktober 2015

in de zaak van

[de curator]

in hoedanigheid van curator in het faillissement van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [de failliet],

wonende te [woonplaats] ,

eiser,

advocaat mr. K.S.L. van Vliet te Naaldwijk,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[gedaagde] ,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

gedaagde,

advocaat mr. M.A.D. Bol te Rotterdam.

Partijen zullen hierna de curator en [gedaagde] genoemd worden. De failliet zal worden aangeduid als [de failliet] .

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de inleidende dagvaarding van 7 april 2015, met producties,

  • -

    de conclusie van antwoord, met producties,

  • -

    het tussenvonnis van 24 juni 2015, waarin een comparitie van partijen is gelast,

  • -

    het proces-verbaal van comparitie van 15 september 2015.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

[de failliet] is bij notariële akte van 20 oktober 2011 opgericht. [gedaagde] werd bij oprichting enig bestuurder en enig aandeelhouder van [de failliet] . [A] B.V. (hierna: [A] ) was de zustervennootschap van [de failliet] en daarvan was [gedaagde] eveneens enig bestuurder en enig aandeelhouder. Het geplaatst kapitaal bij oprichting bedroeg € 18.000.

2.2.

Volgens de akte van oprichting zijn de aandelen volgestort in geld door [gedaagde] .

2.3.

De op naam van [de failliet] in oprichting bij Rabobank Zuid-Holland Midden U.A. (hierna: Rabobank) aangehouden bankrekening vertoonde op 11 oktober 2011 als gevolg van een bijschrijving van € 18.100 door [gedaagde] op dezelfde datum een creditsaldo van € 18.100.

2.4.

Op basis van het op 11 oktober 2011 aanwezige creditsaldo heeft Rabobank op 12 oktober 2011 een bankverklaring als bedoeld in artikel 2:203a lid 1 sub 1 BW (oud) afgegeven. Deze verklaring luidt, voor zover relevant:

“dat de bank ten name van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid in oprichting genaamd (…) [de failliet] (…) in haar administratie een rekening aanhoudt (…)

dat deze rekening per 11 oktober 2011 een creditsaldo aangaf van € 18.000 (…)

dat een gedeelte van vermeld creditsaldo ter grootte van € 18.000 volgens mededeling van de mede-ondergetekende(n), oprichter(s) van genoemde vennootschap, is ontstaan ten titel van storting op de bij de oprichting van genoemde vennootschap te plaatsen aandelen…”

2.5.

Op 14 oktober 2011 is vanaf de door [de failliet] aangehouden bankrekening een bedrag van € 10.000 aan [A] en een bedrag van € 8.000 aan [gedaagde] , beiden met als betalingskenmerk “weer terug”.

2.6.

Na de oprichting van [de failliet] , op of omstreeks 1 april 2013, hebben [de failliet] en [gedaagde] een koopovereenkomst gesloten (hierna: de koopovereenkomst), waarbij [gedaagde] in eigendom toebehorende roerende zaken voor een koopprijs van € 60.500 inclusief BTW heeft gekocht van [de failliet] . De overeengekomen koopprijs is op 1 april 2013 gefactureerd aan [gedaagde] en in verrekening gebracht met een vordering in rekening-courant van [gedaagde] op [de failliet] .

2.7.

Bij vonnis van deze rechtbank van 2 juli 2013 is [de failliet] in staat van faillissement verklaard.

2.8.

De curator heeft bij brief van 12 december 2013 aanspraak gemaakt op betaling door [gedaagde] van een bedrag van € 18.000 en heeft de curator ter zake van de verrekening van de overeenkomen verkoopprijs een beroep gedaan op artikel 54 Fw en artikel 42 Fw.

3 Het geschil

3.1.

De curator vordert – samengevat – dat de rechtbank, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:

Primair:

I. voor recht verklaart dat de aandelen in het kapitaal van [de failliet] niet zijn volgestort, met veroordeling van [gedaagde] tot betaling van € 18.000, vermeerderd met rente,

II. voor recht verklaart dat [gedaagde] onbevoegd is om een bedrag van € 60.500 te verrekenen,

III. [gedaagde] te veroordelen tot betaling van € 60.500, vermeerderd met rente,

Subsidiair:

I. voor recht verklaart dat de aandelen in het kapitaal van [de failliet] niet zijn volgestort, met veroordeling van [gedaagde] tot betaling van € 18.000, vermeerderd met rente,

II. voor recht verklaart dat [gedaagde] onrechtmatig heeft gehandeld jegens [de failliet] en de gezamenlijke schuldeisers en aansprakelijk is voor de door hen geleden schade,

III. [gedaagde] te veroordelen tot schadevergoeding, nader op te maken bij staat, vermeerderd met rente,

Uiterst Subsidiair:

I. voor recht verklaart dat de aandelen in het kapitaal van [de failliet] niet zijn volgestort, met veroordeling van [gedaagde] tot betaling van € 18.000, vermeerderd met rente,

II. op grond van artikel 42 Fw te vernietigen de door [de failliet] met [gedaagde] verrichte rechtshandeling c.q. rechtshandelingen strekkende tot het aangaan van de koopovereenkomst,

III. [gedaagde] te veroordelen tot schadevergoeding, nader op te maken bij staat, vermeerderd met rente,

In alle gevallen:

IV [gedaagde] te veroordelen in de buitengerechtelijke incassokosten, vermeerderd met rente,

V [gedaagde] te veroordelen in de proceskosten, vermeerderd met rente.

3.2.

De curator baseert de onder I genoemde vorderingen op artikel 2:193 BW. Volgens de curator is niet voldaan aan de stortingsplicht ex artikel 2:178 lid 2 BW. Hij stelt daartoe dat sprake is geweest van een ongeoorloofd kasrondje, waarbij een bedrag van € 18.000 ten titel van volstorting van de aandelen is gestort door [gedaagde] , waarna dit zelfde bedrag vervolgens binnen enkele dagen is teruggestort op de rekeningen van [A] en […] , zodat [de failliet] het gestorte bedrag niet daadwerkelijk tot haar beschikking heeft gehad. Met betrekking tot de koopovereenkomst stelt de curator zich op het standpunt dat [gedaagde] de koopprijs dient te voldoen, althans dat [gedaagde] onrechtmatig heeft gehandeld door de koopovereenkomst te sluiten, althans dat de curator de koopovereenkomst vernietigt op grond van artikel 42 Fw.

3.3.

[gedaagde] voert verweer.

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

De stortingsplicht

4.1.

De curator stelt zich op het standpunt dat [gedaagde] de aandelen in [de failliet] niet op een rechtsgeldige wijze heeft volgestort en vordert betaling van een bedrag van € 18.000. [gedaagde] voert als verweer dat de aandelen wel degelijk zijn volgestort en dat het bedrag van € 18.000 ter beschikking heeft gestaan van [de failliet] . Volgens [gedaagde] is het geld overgemaakt naar [gedaagde] en [A] om daarmee investeringen ten behoeve van [de failliet] te kunnen verrichten in de periode dat [de failliet] nog niet over een betaalpas van de eigen rekening beschikte. De vermelding “weer terug” is volgens [gedaagde] wat ongelukkig gekozen, maar betekent niet dat sprake is van een schijnhandeling.

4.2.

De rechtbank stelt voorop dat tussen partijen niet in geschil is dat er ten tijde van de oprichting per 20 oktober 2012 geen € 18.000 op de rekening van [de failliet] stond.

4.3.

De rechtbank gaat voorbij aan het verweer van [gedaagde] dat zij met het teruggestorte bedrag investeringen heeft gepleegd omdat [de failliet] nog niet over een bankpas beschikte. Immers, uit de vermelding “weer terug” bij de terugboekingen, blijkt duidelijk dat van een reële storting geen sprake is geweest. Bovendien heeft [gedaagde] in het licht van de betwisting door de curator onvoldoende onderbouwd dat er een noodzaak bestond dat [gedaagde] investeringen voor [de failliet] diende te verrichten wegens het ontbreken van een betaalpas. Dit geldt te meer nu er reeds op 11 november 2011 een rekening op naam van [de failliet] was geopend en zonder nadere toelichting, die [gedaagde] niet heeft gegeven, niet valt in te zien waarom het zo noodzakelijk was om reeds voor de datum van oprichting per 20 november 2011 uitgaven ten behoeve van [de failliet] te doen, dat is gekozen voor de door [gedaagde] gestelde constructie.

4.4.

De rechtbank is dan ook van oordeel dat [gedaagde] niet heeft voldaan aan haar volstortingsplicht, zodat zij op grond van artikel 2:193 BW veroordeeld zal worden tot betaling aan de curator van € 18.000. Dat een bedrag van € 10.000 is terugbetaald aan [A] , leidt niet tot een ander oordeel.

4.5.

De door de curator gevorderde rente zal op grond van artikel 2:191a BW j° 6:83 BW worden toegewezen met ingang van 20 oktober 2011.

4.6.

Nu de vorderingen tot schadevergoeding kunnen worden toegewezen, heeft eiser bij de gevraagde verklaring voor recht geen belang meer.

De koopovereenkomst

4.7.

De curator betoogt allereerst met een beroep op artikel 54 Fw dat het [gedaagde] niet vrijstond om de koopsom te verrekenen met haar vordering op [de failliet] . Naar het oordeel van de rechtbank mist artikel 54 Fw hier toepassing nu van de overname van een vordering van “een derde”, niet zijnde [de failliet] of [gedaagde] geen sprake is. Het beroep op artikel 54 Fw faalt. [gedaagde] was dan ook bevoegd om de koopsom van € 60.500 te verrekenen met haar vordering op [de failliet] .

4.8.

Voorts heeft de curator aangevoerd dat [gedaagde] onrechtmatig heeft gehandeld jegens [de failliet] en haar gezamenlijke schuldeisers door de koopovereenkomst te sluiten. De rechtbank kan de curator niet volgen in dit standpunt, nu de curator zelf stelt – zoals [gedaagde] ook erkent – dat de door [gedaagde] voor de goederen betaalde verkoopprijs aanzienlijk hoger is dan de waarde van de ten tijde van het faillissement aanwezige en door de curator getaxeerde goederen.

4.9.

[gedaagde] heeft in dit verband gesteld dat de goederen nimmer zijn geleverd en dat de ten tijde van het faillissement aanwezige goederen de goederen waren die [gedaagde] op 1 april 2013 heeft gekocht. De reden hiervoor is volgens [gedaagde] geweest dat ten behoeve van een uitbreiding van de kredietfaciliteit door Rabobank het noodzakelijk was dat de schuldpositie van [gedaagde] naar beneden werd gebracht. Dat is gerealiseerd door de te hoge verkoopprijs te verrekenen met de vordering van [gedaagde] op [de failliet] , aldus [gedaagde] .

4.10.

De curator heeft niet bestreden dat de door hem aangetroffen roerende zaken onderdeel uitmaakten van de koopovereenkomst en feitelijk niet geleverd zijn, nu de curator die goederen tot de boedel rekent en [gedaagde] zich daar niet tegen heeft verzet. Voorts is van belang dat [gedaagde] , zoals blijkt uit het door haar in het geding gebrachte rekening-courant overzicht, de koopsom daadwerkelijk heeft verrekend in de rekening-courant verhouding, waarmee de schuld van [de failliet] jegens [gedaagde] met het bedrag van de koopsom is verminderd. Nu de curator niet heeft gesteld en evenmin is gebleken dat naar aanleiding van de koopovereenkomst daadwerkelijk vermogensbestanddelen zijn onttrokken aan [gedaagde] , is van een benadeling van [de failliet] en diens schuldeisers ten gevolge van de koopovereenkomst geen sprake. [gedaagde] heeft dan ook niet onrechtmatig gehandeld. De wijze waarop aan de koopovereenkomst uitvoering is gegeven, heeft er feitelijk slechts toe geleid dat [gedaagde] haar vordering jegens [de failliet] heeft kwijtgescholden voor een bedrag van € 60.500.

4.11.

Nu de koopovereenkomst niet tot benadeling van de schuldeisers van [de failliet] heeft geleid, faalt ook het beroep van de curator op artikel 42 Fw en heeft de curator de koopovereenkomst niet rechtsgeldig buitengerechtelijk vernietigd.

4.12.

In het licht van het voorgaande behoeven de overige stellingen en weren van partijen ten aanzien van de volstortplicht en de betaling van de koopsom geen bespreking meer.

Buitengerechtelijk kosten en proceskosten

4.13.

De curator heeft gesteld buitengerechtelijke kosten gemaakt te hebben en heeft vergoeding daarvan gevorderd. Voldaan dient te worden aan het vereiste dat alleen redelijke kosten die in redelijkheid zijn gemaakt kunnen worden toegewezen. In dit geval is niet gebleken dat niet aan dit vereiste is voldaan, zodat de rechtbank de gevorderde vergoeding van buitengerechtelijke kosten zal toewijzen voor het gevorderde bedrag van € 1.560 inclusief BTW.

4.14.

[gedaagde] zal als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. Omdat een aanzienlijk deel van het gevorderde bedrag wordt afgewezen, begroot de rechtbank de proceskosten aan de zijde van de curator op basis van het toegewezen bedrag op:

- dagvaarding € 80,49

- griffierecht 876

- salaris advocaat 904 + (2 punten × tarief € 452)

Totaal € 1.860,49

4.15.

Voor veroordeling van [gedaagde] in de nakosten bestaat geen grond, nu de kostenveroordeling ook voor deze nakosten een executoriale titel oplevert (vgl. HR 19 maart 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL1116, NJ 2011/237).

5 De beslissing

De rechtbank

5.1.

veroordeelt [gedaagde] om aan de curator te betalen een bedrag van € 18.000, vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over het toegewezen bedrag met ingang van 20 oktober 2011 tot de dag van volledige betaling,

5.2.

veroordeelt [gedaagde] om aan de curator te betalen een bedrag van € 1.560 aan buitengerechtelijke kosten, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag met ingang van 7 april 2015 (de dag van dagvaarding) tot de dag van volledige betaling,

5.3.

veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, aan de zijde van de curator tot op heden begroot op € 1.860,49, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag met ingang van de vijftiende dag na heden tot de dag van volledige betaling,

5.4.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

5.5.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.L.M. Luiten en bij vervroeging in het openbaar uitgesproken op 21 oktober 2015.