Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2015:12371

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
29-09-2015
Datum publicatie
29-10-2015
Zaaknummer
AWB 15/14870
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank stelt voorop dat verweerder alleen tot een kennelijk ongegrondverklaring in de zin van artikel 30b Vw kan besluiten nadat is vastgesteld dat het verzoek ongegrond is. Verweerder heeft deze toetsingsvolgorde in het bestreden besluit juist gehanteerd. De rechtbank is van oordeel dat verweerder op goede gronden tot ongeloofwaardigheid van het asielrelaas is gekomen en daarmee terecht van de ongegrondheid van het verzoek is uitgegaan. De rechtbank is echter van oordeel dat verweerders conclusie dat sprake is van een omstandigheid als bedoeld in artikel 30b, eerste lid, aanhef sub e, Vw, waardoor de aanvraag als kennelijk ongegrond kan worden beschouwd, onvoldoende is gemotiveerd. Verweerder heeft onvoldoende draagkrachtig gemotiveerd dat van kennelijk tegenstrijdige verklaringen sprake is. Het beroep is gegrond. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit. De rechtbank ziet geen reden de rechtsgevolgen in stand te laten, reeds gelet op het feit dat aan de ongegrondheid en de kennelijk ongegrondheid verschillende rechtsgevolgen zijn gekoppeld.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2015/340
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 15/14870

uitspraak van de meervoudige kamer voor vreemdelingenzaken van 29 september 2015 2015 in de zaken tussen

[eiser] ,

geboren op [geboortedatum] , van Afghaanse nationaliteit,

eiser,

(gemachtigde: mr. A.E. Martinez Linnemann, advocaat te Almere),

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie,

verweerder,

(gemachtigde: mr. W. Kleingeld, werkzaam bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND)).

Procesverloop

Bij besluit van 4 augustus 2015 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd afgewezen.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Eiser heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen. Bij uitspraak van 2 september 2015 (AWB 15/14871) is het verzoek toegewezen in die zin dat verweerder wordt verboden eiser uit te zetten tot vier weken nadat op het beroep is beslist.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 augustus 2015. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Na sluiting van het onderzoek heeft de rechtbank besloten het onderzoek te heropenen en de zaak te verwijzen naar een meervoudige kamer. Vervolgens is partijen gevraagd toestemming te verlenen het onderzoek te sluiten zonder nadere zitting. Na verkregen toestemming is het onderzoek gesloten.

Overwegingen

  1. Eiser heeft ter onderbouwing van zijn aanvraag het volgende aangevoerd. Eiser is sjiiet en ongehuwd. Hij heeft een relatie gehad met een soennitische meisje dat van hem zwanger is geraakt. Toen de vader van het meisje, een bekende Jihad-commandant, erachter kwam, heeft hij haar gedood. Eiser is vervolgens gevlucht vanwege vrees voor eerwraak.

  2. Verweerder heeft de aanvraag van eiser afgewezen als kennelijk ongegrond op grond van artikel 31, eerste lid, Vreemdelingenwet 2000 (Vw) juncto artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder e, Vw. Verweerder stelt dat het relaas de volgende elementen bevat: eiser had een voorhuwelijkse relatie met zijn vriendin, waarbij zij ook seksuele gemeenschap hadden; de vriendin is hierbij zwanger geraakt; haar vader heeft daarop de vriendin gedood; eiser vreest voor eerwraak.

Met betrekking tot de geloofwaardigheid stelt verweerder het volgende. Eiser heeft verklaard ongehuwd te zijn terwijl op zijn identiteitsdocument (taskera) staat dat hij gehuwd is. De verklaringen die eiser hiervoor heeft gegeven worden als ongeloofwaardig terzijde geschoven. Eiser heeft voor deze vermelding twee verschillende verklaringen gegeven. Zo heeft eiser eerst verklaard dat de vermelding “gehuwd” in de taskera te maken heeft met het feit dat hij al van kinds af aan door zijn familie is verloofd met zijn nichtje (pagina 5 van het rapport van het eerste gehoor), terwijl hij later heeft verklaard dat de overheid er gewoon van uitgaat dat iemand gehuwd is wanneer de leeftijd van 29 of 30 jaar is bereikt (pagina 14 van het rapport van het eerste gehoor). Deze laatste verklaring is evenzeer ongeloofwaardig, nu eiser 26 jaar oud was ten tijde van de afgifte van de door hem overgelegde taskera. Voorts valt niet in te zien waarom de autoriteiten op de taskera van een 6 of 7 jarige jongen zouden vermelden dat hij gehuwd is, terwijl dat niet het geval is. De enkele omstandigheid dat er sprake was van een verloving is daartoe onvoldoende redengevend. De afspraak dat twee kinderen in de toekomst met elkaar zullen trouwen is immers een overeenkomst tussen twee families, waar de overheid in principe niets mee te maken heeft. Zoals ook uit het algemeen ambtsbericht Afghanistan 2014 blijkt, is de taskera een officieel identiteitsdocument dat nodig is voor verschillende procedures zoals inschrijving voor school en juridische handelingen. Niet valt in te zien dat de Afghaanse overheid op een dergelijk rechtsgeldig document foute informatie zou vermelden. Nu de verklaringen van eiser ten aanzien van de vermelding van zijn burgerlijke staat in zijn taskera niet worden gevolgd, wordt van de inhoud van dit document uitgegaan en wordt aangenomen dat eiser ten tijde van de afgifte van zijn taskera in 2012 gehuwd was. Bij afwezigheid van informatie die anders uitwijst, wordt er van uitgegaan dat eiser ook ten tijde van zijn uitreis nog gehuwd was. Gelet hierop wordt aan de verklaringen van eiser, dat hij vanaf december 2014 tot mei 2015 een buitenechtelijke relatie had met een vrouw en dat zijn huwelijksaanzoeken door haar vader werden afgewezen, geen waarde gehecht en de daaruit gestelde voortvloeiende problemen ongeloofwaardig geacht.

Verweerder heeft vervolgens de kennelijke ongegrondheid van de aanvraag gebaseerd op de tegenstrijdige verklaringen die eiser heeft afgelegd over de reden waarom op zijn taskera staat dat hij gehuwd is, terwijl hij heeft verklaard dat hij ongehuwd is.

3. Eiser voert aan dat verweerder zijn verklaringen in het eerste gehoor over de foutieve vermelding van zijn burgerlijke staat en de leeftijden die hij daarbij heeft genoemd uit hun verband heeft getrokken. Eisers verklaringen daaromtrent en zijn verklaring waarom die fout niet gecorrigeerd is bij het aanvragen van een nieuwe taskera, zijn plausibel. Eiser heeft immers uitgelegd dat de procedure van het aanvragen van een nieuwe taskera zodanig is dat niet alles in het bijzijn van de aanvrager wordt ingevuld. Dit laatste blijkt ook uit het algemeen ambtsbericht Afghanistan van maart 2009. Eiser ziet niet in waarom die fout in zijn taskera van doorslaggevende betekenis is bij de beoordeling van zijn asielrelaas en waarom de uitleg die hij heeft gegeven voor het niet corrigeren van die fout in de taskera onvoldoende is geacht. Zelfs als eisers verklaringen daaromtrent niet afdoende zijn, is van belang dat de taskera slechts ter toetsing van de nationaliteit en identiteit dient. Nu verweerder geen twijfel heeft over deze elementen, had verweerder eisers asielrelaas inhoudelijk dienen te beoordelen. Verweerders beoordeling is niet in overeenstemming met zijn beleid zoals neergelegd in de Werkinstructie 2014/10. Verweerder heeft nagelaten de geloofwaardigheidsbeoordeling objectief, gestructureerd en transparant uit te voeren en daarbij gebruik te maken van objectiveerbare bronnen. Door dit na te laten is het bestreden besluit onzorgvuldig voorbereid en gebrekkig gemotiveerd.

4. De rechtbank stelt vast dat op 20 juli 2015 de wijziging van de Vw ter implementatie van Richtlijn 2013/32/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 betreffende gemeenschappelijke procedures voor de toekenning en intrekking van de internationale bescherming (Procedurerichtlijn) en Richtlijn 2013/33/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 tot vaststelling van normen voor de opvang van verzoekers om internationale bescherming (Opvangrichtlijn) in werking is getreden (Stb. 2015, 292). Nu het bestreden besluit dateert van na de datum van implementatie is het nieuwe recht van toepassing. Dit betekent onder meer dat de toetsing van de rechtbank het in artikel 83a Vw (nieuw) bedoelde volledig en ex nunc onderzoek naar zowel de feitelijke als de juridische gronden omvat, met inbegrip van, indien van toepassing, een onderzoek naar de behoefte aan internationale bescherming.

5. Op grond van artikel 32, tweede lid, Procedurerichtlijn kunnen de lidstaten in gevallen van ongegronde verzoeken waarop een van de in artikel 31, achtste lid, Procedurerichtlijn vermelde omstandigheden van toepassing is, tevens een verzoek als kennelijk ongegrond beschouwen indien dit zo in de nationale wetgeving is omschreven.

6. Op grond van artikel 31, eerste lid, Vw wordt een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 afgewezen als ongegrond in de zin van artikel 32, eerste lid, van de Procedurerichtlijn, indien de vreemdeling niet aannemelijk heeft gemaakt dat zijn aanvraag is gegrond op omstandigheden die, hetzij op zichzelf, hetzij in verband met andere feiten, een rechtsgrond voor verlening vormen.

Op grond van artikel 30b, eerste lid, Vw kan een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 worden afgewezen als kennelijk ongegrond in de zin van artikel 32, tweede lid, van de Procedurerichtlijn, indien:

a. t/m d […];

e. de vreemdeling kennelijk inconsequente en tegenstrijdige, kennelijk valse of duidelijk onwaarschijnlijke verklaringen heeft afgelegd die strijdig zijn met voldoende geverifieerde informatie over het land van herkomst, waardoor zijn verklaringen alle overtuigingskracht wordt ontnomen met betrekking tot de vraag of hij in aanmerking komt voor verlening van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28;

f. t/m k. […].

7. De rechtbank stelt voorop dat verweerder alleen tot een kennelijk ongegrondverklaring in de zin van artikel 30b Vw kan besluiten nadat is vastgesteld dat het verzoek ongegrond is. De rechtbank leidt dit af uit artikel 32, tweede lid, Procedurerichtlijn, waarin is bepaald dat in geval van ongegronde verzoeken een verzoek onder bepaalde omstandigheden tevens als kennelijk ongegrond kan worden beschouwd. Ook in de Memorie van Toelichting bij het voorstel van wet tot wijziging van de Vw ter implementatie van Procedurerichtlijn en de Opvangrichtlijn (MvT) wordt onder 3.1.1. iii gesteld, dat voor het kennelijk ongegrond verklaren van een aanvraag wel een volledig onderzoek naar de aanvraag zal plaatsvinden. Tevens wordt in verweerders beleid (paragraaf C2/7 Vreemdelingencirculaire 2000, zoals dat luidt na wijziging door het Wijzigingsbesluit Vreemdelingencirculaire 2015/9) vermeld, dat eerst nadat de IND heeft beoordeeld of een aanvraag ongegrond is, de IND beoordeelt of de aanvraag tevens als kennelijk ongegrond kan worden afgewezen.

7.1

De rechtbank stelt vervolgens vast, dat verweerder in het onderhavige geval bovenstaande wijze van besluitvorming in het voornemen en het bestreden besluit correct heeft toegepast. Verweerder begint immers met de conclusie kennelijk ongegrond op grond van artikel 31, eerste lid, Vw juncto artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder e, Vw, motiveert dit vervolgens door de diverse elementen van het relaas te benoemen en op geloofwaardigheid te toetsen en komt tot de conclusie dat het asielrelaas ongeloofwaardig is. Vervolgens sluit verweerder, na toetsing of er nog andere gronden voor verlening zijn, af met de motivering waarom sprake is van omstandigheden als bedoeld in artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder e, Vw en concludeert dat er sprake is van een kennelijk ongegrond verzoek.

8. De rechtbank volgt eiser niet in zijn betoog dat de door verweerder verrichte geloofwaardigheidsbeoordeling niet in overeenstemming is met verweerders beleid zoals neergelegd in de Werkinstructie 2014/10. Verweerder heeft immers de relevante elementen van eisers asielrelaas in het voornemen benoemd en vervolgens besproken. Het feit dat verweerder bij de benoeming van de relevante elementen van het asielrelaas de naam van de vrouw met wie eiser een relatie zou hebben gehad, de naam van de vader van die vrouw en diens functie en de data niet heeft genoemd, betekent niet dat de geloofwaardigheidsbeoordeling niet objectief, gestructureerd en transparant is uitgevoerd. Het feit dat verweerder uiteindelijk, in samenhang met de andere elementen bezien, de vermelding op de taskera zo belangrijk vindt dat dit doorslaggevend wordt geacht, betekent niet dat, zoals eiser stelt, verweerder het relaas niet inhoudelijk heeft beoordeeld.

9. Met betrekking tot eisers stelling dat, zo begrijpt de rechtbank, het standpunt dat het relaas ongeloofwaardig is ook overigens geen stand houdt, overweegt de rechtbank als volgt.

9.1

De rechtbank volgt verweerder in diens benoeming van de relevante elementen van het asielrelaas. Ten aanzien van die elementen overweegt de rechtbank het volgende. De vermelding op de taskera, een officieel identiteitsdocument, dat eiser gehuwd is, strookt niet met eisers relaas, waarin de verklaring dat hij ongehuwd is een essentieel onderdeel is. Het is dan aan eiser hiervoor een aannemelijke verklaring te geven. De rechtbank is van oordeel dat verweerder op goede gronden tot de conclusie is gekomen, dat de door eiser gegeven verklaringen, namelijk dat hij al vanaf 7-jarige leeftijd verloofd was met zijn nichtje en dat dit bij de vernieuwing van de taskera ook niet is gecorrigeerd omdat de overheid geen vragen stelt bij de vermelding “ongehuwd” bij iemand van 29 of 30 jaar, zonder nadere onderbouwing niet kan worden gevolgd. Verweerder is dan ook op goede gronden tot ongeloofwaardigheid van het asielrelaas gekomen en is daarmee terecht van de ongegrondheid van het verzoek uitgegaan.

10. De rechtbank is echter van oordeel dat verweerders conclusie dat er sprake is van een omstandigheid als bedoeld in artikel 30b, eerste lid, aanhef sub e, Vw, waardoor de aanvraag als kennelijk ongegrond kan worden beschouwd, onvoldoende is gemotiveerd. Daarbij acht zij het volgende van belang.

10.1

Artikel 30b Vw is een implementatie van artikel 32, tweede lid juncto artikel 31, achtste lid, Procedurerichtlijn. De tekst van artikel 30b, eerste lid, aanhef sub e, Vw, is letterlijk overgenomen van artikel 31, achtste lid, aanhef sub e, Procedurerichtlijn. Wat er ook zij van verweerders standpunt ter zitting dat dit artikellid zó moet worden gelezen, dat voor toepasselijkheid hiervan voldoende is dat er sprake is van kennelijk tegenstrijdige verklaringen en dat die niet ook nog strijdig hoeven te zijn met voldoende geverifieerde informatie over het land van herkomst, de rechtbank volgt verweerder ook dan niet in de conclusie dat daarvan in deze zaak sprake is. Het moet gaan om kennelijk tegenstrijdige verklaringen. De MvT zegt hierover (onder 3.1.1. iii) dat het gaat om verklaringen die zo evident tegenstrijdig, onjuist of zodanig onwaarschijnlijk zijn, dat het asielrelaas daardoor ongeloofwaardig wordt. De rechtbank leidt hieruit af, dat hiervan niet snel sprake zal zijn. Een andere lezing zou ook niet stroken met het verdwijnen van de toets van de positieve overtuigingskracht van het asielrelaas en de invoering van de integrale geloofwaardigheidsbeoordeling. Daarbij komt dat door het feit dat anders dan bij een ongegrond verzoek bij een kennelijk ongegrond verzoek geen recht bestaat op opvang en schorsende werking, niet al te lichtvaardig tot gebruik van deze grond dient te worden overgegaan. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder onvoldoende draagkrachtig gemotiveerd dat van kennelijk tegenstrijdige verklaringen sprake is. Daartoe is het volgende redengevend.

10.2

Verweerder heeft zijn standpunt met betrekking tot de kennelijke ongegrondheid gebaseerd op het feit dat eiser tegenstrijdige verklaringen zou hebben afgelegd over de reden van de foute melding in zijn taskera. Hoewel, zoals hiervoor overwogen, verweerder zich op goede gronden op het standpunt heeft gesteld dat de verklaring van eiser voor het feit dat op de taskera staat dat hij gehuwd is terwijl hij stelt dat hij dat niet is, onvoldoende is, slaagt de beroepsgrond van eiser dat zijn verklaringen omtrent de reden van de vermelding op de taskera niet kennelijk tegenstrijdig zijn. Eisers verklaringen zien immers op twee verschillende taskera’s. De eerste verklaring van eiser, dat de vermelding “gehuwd” in de taskera te maken heeft met het feit dat hij al van kinds af aan door zijn familie is verloofd met zijn nichtje (pagina 5 van het rapport van het eerste gehoor), ziet op de taskera die voor eiser is aangevraagd om hem te kunnen inschrijven op school. De tweede verklaring van eiser, dat de overheid er gewoon van uitgaat dat iemand gehuwd is wanneer de leeftijd van 29 of 30 jaar is bereikt (pagina 14 van het rapport van het eerste gehoor), ziet op de taskera die eiser in 2012 heeft aangevraagd en gekregen, omdat hij zijn oude taskera had verloren. Ook verweerders standpunt in dit verband, dat eiser tegenstrijdige verklaringen heeft afgelegd, omdat hij 26 jaar oud was ten tijde van de afgifte van de taskera en niet, zoals eiser verklaarde, 29 of 30 jaar, is naar het oordeel van de rechtbank niet houdbaar nu eiser met deze verklaring geen antwoord gaf op de vraag naar zijn leeftijd, maar slechts stelde dat de overheid geen vragen stelt bij de vermelding “gehuwd” bij iemand van 29 of 30 jaar. De door verweerder aangevoerde tegenstrijdigheden kunnen dan ook de kennelijke ongegrondheid van de aanvraag niet dragen.

11. Gelet op het voorgaande is het bestreden besluit in strijd met artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

12. Het beroep is gegrond. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit. De rechtbank ziet geen reden de rechtsgevolgen in stand te laten, reeds gelet op het feit dat aan de ongegrondheid en de kennelijk ongegrondheid verschillende rechtsgevolgen zijn gekoppeld. De rechtbank ziet gelet op de aard van het gebrek evenmin aanleiding om de bestuurlijke lus toe te passen als bedoeld in artikel 8:51a van de Awb. Verweerder dient een nieuw besluit te nemen op de asielaanvraag van eiser met inachtneming van deze uitspraak.

13. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 980,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 490,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- draagt verweerder op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op de asielaanvraag van eiser met inachtneming van deze uitspraak;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 980,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. E.P.W. van de Ven, voorzitter, mr. E.B. de Vries-van den Heuvel en mr. S.A. Steinhauser, rechters, in aanwezigheid van mr. S. Vosse-Pirs, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 29 september 2015.

griffier rechter

afschrift verzonden aan partijen op:

Coll:

Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan binnen een week na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.