Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2015:12368

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
29-09-2015
Datum publicatie
29-10-2015
Zaaknummer
AWB 15/4914
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

De Zwitserse ambassade in Sri Lanka heeft namens verweerder de aanvraag van eisers tot het verlenen van een visum kort verblijf voor verblijf bij referenten afgewezen. Eisers hebben hiertegen bezwaar gemaakt in Nederland. In het bestreden besluit heeft verweerder zich onbevoegd verklaard om op het bezwaar van eiser te beslissen. Eisers betwisten niet langer dat de bevoegdheid geheel is overgedragen (aan Zwitserland) en artikel 8, vierde lid, sub d Visumcode aan de orde is. Eisers voeren aan dat zij in strijd met artikel 13 EVRM en de artikelen 7 en 47 van het Handvest niet op een effectieve wijze op kunnen komen tegen een schending van artikel 8 EVRM. De rechtbank overweegt dat de ambassade van Zwitserland het besluit op de aanvraag heeft genomen zodat eisers het rechtsmiddel tegen de afwijzing van hun aanvraag, conform artikel 32, derde lid, Visumcode in Zwitserland moeten indienen. In het bestreden besluit heeft verweerder verwezen naar de rechtsmiddelclausule bij het primaire besluit, waarin naam en adres van de bevoegde autoriteiten zijn opgenomen. In de procedure in Zwitserland zullen artikel 8 EVRM en overige grieven aan de orde gesteld kunnen worden. Van een schending van artikel 13 EVRM en de artikelen 7 en 47 van het Handvest is geen sprake. Voorts is de rechtbank van oordeel dat hetgeen eisers aanvoeren omtrent het indienen van een tweede aanvraag bij de Nederlandse ambassade in de onderhavige procedure niet ter toetsing voorligt. Verweerder heeft in het bestreden besluit ook geen overwegingen hieraan gewijd en was hiertoe evenmin gehouden.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht, geldigheid: 2015-10-29
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 15 / 4914

uitspraak van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken van 29 september 2015 in de zaak tussen

[eiseres] ,

geboren op [geboortedatum] ,

eiseres 1,

[eiseres] ,

geboren op [geboortedatum] ,

eiseres 2,
beiden van Srilankaanse nationaliteit,

gezamenlijk te noemen: eisers,

(gemachtigde: mr. M.J.A. Leijen, advocaat te Alkmaar),

en

de minister van Buitenlandse Zaken,

verweerder,

(gemachtigde: mr. E. Söylemez, werkzaam bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst).

Procesverloop

Bij besluit van 11 december 2014 heeft de Zwitserse ambassade in Sri Lanka namens verweerder de aanvraag van eisers tot het verlenen van een visum kort verblijf voor verblijf bij [naam 1] en zijn echtgenote [naam 2] (referenten) afgewezen.

Eisers hebben tegen het besluit van 11 december 2014 bezwaar gemaakt. Bij besluit van 10 februari 2015 heeft verweerder zich onbevoegd verklaard om op het bezwaar van eiser te beslissen.

Eisers hebben hiertegen beroep ingesteld.

Verweerder heeft op 26 juni 2015 een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 juli 2015. Partijen zijn vertegenwoordigd door hun gemachtigde.

Overwegingen

  1. Ingevolge artikel 72, tweede lid, Vreemdelingenwet 2000 (Vw) wordt een beschikking omtrent de afgifte van een visum voor de toepassing van hoofdstuk 7 “Rechtsmiddelen” van de Vw 2000 gelijkgesteld met een beschikking omtrent een verblijfsvergunning regulier gegeven krachtens deze wet.

  2. In artikel 5, eerste lid, van de Verordening (EG) nr. 810/2009 tot vaststelling van een gemeenschappelijke visumcode (Visumcode) is bepaald dat de lidstaat, die bevoegd is voor het onderzoeken van en het nemen van een beslissing over een aanvraag voor een eenvormig visum, de lidstaat is op het grondgebied waarvan de enige bestemming van het bezoek is gelegen.


Op grond van artikel 8, eerste lid, Visumcode (voor zover relevant) kan een lidstaat ermee instemmen een andere lidstaat die op grond van artikel 5 bevoegd is, te vertegenwoordigen voor het onderzoeken van aanvragen voor en de afgifte van visa namens die lidstaat.
Op grond van artikel 8, tweede lid, Visumcode zendt het consulaat van de vertegenwoordigende lidstaat, indien deze voornemens is een visum te weigeren, de aanvraag door aan de bevoegde autoriteiten van de vertegenwoordigde lidstaat, die er vervolgens een definitieve beslissing over nemen binnen de termijn als omschreven in artikel 23.
Op grond van artikel 8, vierde lid, Visumcode, sluiten de vertegenwoordigende lidstaat en de vertegenwoordigde lidstaat een bilaterale regeling die de volgende elementen bevat:
(…)
(d) in afwijking van het tweede lid, kan het consulaat van de vertegenwoordigende lidstaat in de bilaterale regeling worden gemachtigd om, na onderzoek van de aanvraag, te weigeren een visum af te geven.

Op grond van artikel 32, derde lid, Visumcode kunnen aanvragers aan wie een visum is geweigerd, in beroep gaan. Het beroep wordt ingesteld tegen de lidstaat die de definitieve beslissing over de aanvraag heeft genomen. De nationale wetgeving van die lidstaat is op het beroep van toepassing. De lidstaten verstrekken de aanvragers informatie over de procedures in geval van een beroep.

3. De rechtbank betrekt bij de beoordeling de volgende feiten. Eisers hebben een aanvraag gedaan voor een visum kort verblijf voor Nederland. Deze aanvraag is ingediend bij het Zwitserse consulaat te Colombo, Sri Lanka. Zoals al is vermeld, heeft het Zwitserse consulaat negatief beslist op deze visumaanvraag.

4. Bij het bestreden besluit heeft verweerder zich onbevoegd verklaard, omdat de Zwitserse autoriteiten op de visumaanvraag hebben beslist en er om die reden geen sprake is van een besluit van een Nederlands bestuursorgaan. De bevoegdheidsoverdracht om in deze te beslissen berust op artikel 8 en artikel 32, derde lid, Visumcode. De machtiging tot visumvertegenwoordiging is neergelegd in een bilaterale overeenkomst, bij “Note Verbale”, waarin ook de bevoegdheidsverdeling is opgenomen, inclusief de toepasselijke materiële en processuele regelgeving, aldus het bestreden besluit.

5. Eisers hebben ter zitting de beroepsgrond, dat verweerder zich ten onrechte en onvoldoende gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat verweerder onbevoegd is om op het bezwaar te beslissen, niet langer gehandhaafd. Eisers betwisten niet langer dat de bevoegdheid geheel is overgedragen en artikel 8, vierde lid, sub d Visumcode aan de orde is. Gelet daarop zal de rechtbank deze beroepsgrond niet verder bespreken.
6. Eisers voeren verder aan dat zij in strijd met artikel 13 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) en de artikelen 7 en 47 van het Europees Handvest van de Grondrechten (het Handvest) niet op een effectieve wijze op kunnen komen tegen een schending van artikel 8 EVRM. Nederland heeft de rechtsbescherming immers niet samen met Zwitserland behoorlijk geregeld. Eisers hebben ook bezwaar ingediend bij de Zwitserse ambassade in Sri Lanka maar deze weigerde het bezwaar door te zenden naar de Zwitserse dienst en evenmin zijn eisers geïnformeerd hoe zij effectief kunnen procederen in Zwitserland. Eisers willen niet onnodig geld betalen doordat zij na betaling een beslissing tot niet-ontvankelijkheid krijgen omdat het bezwaar niet is opgesteld in een van de officiële Zwitserse talen.

6.1

Aangezien de ambassade van Zwitserland het besluit op de aanvraag heeft genomen, dienen eisers het rechtsmiddel tegen de afwijzing van hun aanvraag, conform artikel 32, derde lid, Visumcode in Zwitserland in te dienen. In het bestreden besluit heeft verweerder verwezen naar de rechtsmiddelclausule bij het primaire besluit, waarin naam en adres van de bevoegde autoriteiten zijn opgenomen. In de procedure in Zwitserland zullen artikel 8 EVRM en overige grieven aan de orde gesteld kunnen worden. Van een schending van artikel 13 EVRM en de artikelen 7 en 47 van het Handvest is geen sprake. Deze grond faalt daarom.

7. Ten slotte voeren eisers aan dat zij Nederland hebben verzocht om hen in de gelegenheid te stellen om hun visumaanvraag alsnog in te dienen bij de Nederlandse ambassade, zodat er een besluit komt waartegen zij wel effectief kunnen procederen. Eisers verwijzen in dit verband naar de preambule van de Visumcode onder punt 15. Ten onrechte heeft verweerder zich hier niet over uitgelaten. Verweerder heeft de gemachtigde van eisers mondeling medegedeeld dat aan hun verzoek niet kan worden voldaan omdat de Nederlandse ambassade geen visumafdeling meer heeft en zij geen apparatuur hebben voor het afnemen van vingerafdrukken. Dit is echter volgens eiser onjuist omdat de ambassade wel aanvragen voor een machtiging voorlopig verblijf (mvv) afhandelt, in welk kader vingerafdrukken worden afgenomen en de ambassade handelt visumaanvragen voor het Carabisch gebied af.

7.1

De rechtbank is van oordeel dat hetgeen eisers aanvoeren omtrent het indienen van een tweede aanvraag bij de Nederlandse ambassade in de onderhavige procedure niet ter toetsing voorligt. Verweerder heeft in het bestreden besluit ook geen overwegingen hieraan gewijd en was hiertoe evenmin gehouden.

8. Het beroep is daarom ongegrond.

9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. E.P.W. van de Ven, rechter, in aanwezigheid van mr. A.W. Martens, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 29 september 2015.

griffier rechter

afschrift verzonden aan partijen op:

Coll:

Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.