Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2015:12349

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
29-10-2015
Datum publicatie
29-10-2015
Zaaknummer
AWB 15/77
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2016:2692, Meerdere afhandelingswijzen
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

intrekking verblijfsvergunning en uitvaardiging inreisverbod voor de duur van 20 jaar

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Zittingsplaats Rotterdam

Team Bestuursrecht 3

zaaknummer: AWB 15/77, V-nummer: [v-nummer]

uitspraak van de meervoudige kamer van 29 oktober 2015 in de zaak tussen

[naam eiser], eiser,

gemachtigde: mr. P.J. Schüller,

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder,

gemachtigde: mr. M.M. van Asperen.

Procesverloop

Bij besluit van 8 juli 2014 (het primaire besluit) heeft verweerder eisers verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd ingetrokken en tegen eiser een inreisverbod uitgevaardigd voor de duur van twintig jaar.

Bij besluit van 31 december 2014 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 juli 2015. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser is geboren op [geboortedag] 1996 te Den Haag en heeft de Marokkaanse nationaliteit. Eiser is sinds 25 oktober 2000 in het bezit van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking ‘verblijf bij ouder [naam ouder]’ en heeft sindsdien tot aan het primaire besluit ononderbroken rechtmatig verblijf gehad.

2. Verweerder heeft bij het bestreden besluit de intrekking van eisers verblijfsvergunning en de uitvaardiging van het inreisverbod gehandhaafd. Verweerder vindt dat eiser een gevaar is voor de nationale veiligheid. Hij verwijst daarvoor naar het ambtsbericht van de Algemene Inlichtingen en Veiligheidsdienst (AIVD) van 21 februari 2014 met kenmerk 83897a56-or1-2.0 (het ambtsbericht).

3. Het ambtsbericht bevat de volgende informatie:

Eiser staat ook bekend onder de naam [naam alias]. Hij is een sympathisant van de internationale gewelddadige jihad en draagt dit ook uit via social media.

Eiser onderhoudt sinds tenminste september 2012 contacten met personen die allen hetzelfde jihadistische gedachtengoed aanhangen.

De AIVD beschikt tevens over informatie dat eiser medio 2013 koranles gaf aan kinderen in de basisschoolleeftijd.

Gelet op het bovenstaande acht de AIVD eiser een gevaar voor de nationale veiligheid.”

4. Omdat tegen eiser een inreisverbod is uitgevaardigd met de rechtsgevolgen als bedoeld in artikel 66a, zevende lid, van de Vreemdelingenwet 2000 heeft eiser, zolang het inreisverbod voortduurt, geen belang bij beoordeling van zijn beroep voor zover dit ziet op de intrekking van zijn reguliere verblijfsvergunning. De rechtbank volgt hiermee de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 9 juli 2013 (ECLI:NL:RVS:2013:298) en 18 februari 2014 (ECLI:NL:RVS:2014:638). Belang bij toetsing in rechte van het besluit tot intrekking van eisers verblijfsvergunning ontstaat pas wanneer het besluit tot het uitvaardigen van dat inreisverbod wordt herroepen. De rechtbank zal daarom eerst oordelen over het beroep voor zover dat is gericht tegen het inreisverbod. Daarbij komt de vraag of verweerder de verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd mocht intrekken ten volle aan de orde. Indien de conclusie is dat de intrekking geen stand kan houden, is daarmee gegeven dat het inreisverbod niet in stand kan blijven.

5. De beroepsgrond dat het bestreden besluit met de verwijzing naar het ambtsbericht onvoldoende is gemotiveerd en dat verweerder dat besluit niet met de vereiste zorgvuldigheid heeft voorbereid door het zonder nader onderzoek te baseren op het ambtsbericht, slaagt.

5.1.

Eiser voert terecht aan dat in het ambtsbericht van 21 februari 2014 niet is toegelicht om welke reden(en) de AIVD vindt dat eiser een gevaar vormt voor de nationale veiligheid. In het ambtsbericht volgt, zoals hierboven weergegeven, die conclusie direct op de gestelde feiten.

De stukken die aan dat ambtsbericht ten grondslag liggen zijn niet overgelegd.

Eiser is op 27 mei 2014 gehoord over het voornemen tot intrekking van zijn verblijfsvergunning en het uitvaardigen van het inreisverbod. Tijdens dit gehoor heeft verweerder eiser het risico voorgehouden dat ontstaat voor de Nederlandse samenleving door personen die terugkeren naar Nederland na deelname aan de strijd in Syrië.

In het primaire besluit onderbouwt verweerder het risico voor de nationale veiligheid als volgt. Wat eiser heeft gedaan kan worden gezien als het ronselen van jihadgangers. Gelet op de recente berichten dat teruggekeerde jihadgangers een gevaar kunnen vormen voor de Nederlandse samenleving is het niet onbegrijpelijk dat de AIVD tot de conclusie komt dat eiser een gevaar vormt voor de nationale veiligheid. In het bestreden besluit heeft verweerder daar geen andere of nadere onderbouwing voor gegeven.

Eiser verkeerde door de hier weergegeven onderbouwing in de veronderstelling dat de intrekking van zijn verblijfsvergunning en het uitvaardigen van het inreisverbod waren gestoeld op het gevaar dat volgens verweerder uitgaat van teruggekeerde jihadgangers en eiser heeft derhalve zijn gronden daarop gericht. Eerst bij verweerschrift, met daarin uitsluitend een algemene verwijzing naar het rapport ‘Transformatie van het jihadisme in Nederland, zwermdynamiek en nieuwe slagkracht’ van de AIVD van juni 2014, en ter zitting, heeft verweerder gesteld en toegelicht dat de conclusie van het ambtsbericht dat eiser een gevaar is voor de nationale veiligheid gelezen moet worden in het kader van het bredere radicaliseringsrisico zoals beschreven in dat rapport. Het bredere radicaliseringsrisico waarmee volgens het rapport op korte en lange termijn rekening moet worden gehouden, is de toename van het draagvlak in Nederland voor de onverdraagzame en antidemocratische opvattingen die kenmerkend zijn voor het jihadisme. Uit dit risico volgt het risico van een toename van de polarisatie tussen bevolkingsgroepen in Nederland (pagina 56 van genoemd rapport).

5.2.

Het bredere radicaliseringsrisico als onderbouwing voor de conclusie dat eiser een gevaar vormt voor de nationale veiligheid volgt noch uit het ambtsbericht noch uit het primaire besluit of het bestreden besluit. Door deze onderbouwing pas te geven en toe te lichten ter zitting is eiser belemmerd in zijn recht zich tegen het bestreden besluit te verdedigen. Dit klemt te meer nu eiser geen kennis heeft kunnen nemen van de onderliggende stukken van het ambtsbericht. De rechtbank betrekt daarbij verder de omstandigheid dat het bestreden besluit een voor eiser zeer ingrijpend besluit is.

6. Gezien het voorgaande heeft verweerder met de enkele verwijzing naar het ambtsbericht het primaire besluit en het bestreden besluit niet met de vereiste zorgvuldigheid voorbereid en in deze besluiten niet deugdelijk gemotiveerd dat eiser een gevaar is voor de nationale veiligheid. Dit is in strijd met de artikelen 3:2, 3:46 en 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht.

Deze gebreken raken zowel de intrekking als het inreisverbod.

Het beroep is gegrond. Het bestreden besluit dient in zijn geheel te worden vernietigd, dus ook de handhaving van de intrekking van eisers verblijfsvergunning. De rechtbank ziet namelijk aanleiding zelf in de zaak te voorzien door het primaire besluit wat betreft het inreisverbod te herroepen, zodat het beroep ook inhoudelijk kan worden beoordeeld voor zover dat ziet op de intrekking van de verblijfsvergunning. Immers, aan het primaire besluit kleven dezelfde gebreken als aan het bestreden besluit en deze gebreken kunnen gelet op wat onder 9. en 9.1. zal worden overwogen niet worden hersteld op basis van het ambtsbericht. Hieruit volgt dat het primaire besluit evenmin in stand kan blijven voor zover dit ziet op de intrekking van eisers verblijfsvergunning.

7. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser in bezwaar en beroep gemaakte proceskosten. Het bedrag van deze kosten stelt de rechtbank vast op € 1.960,- voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift, 1 punt voor het verschijnen ter hoorzitting, 1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 490,- en wegingsfactor 1).

8. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, zal verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht moeten vergoeden.

9. Ten overvloede overweegt de rechtbank als volgt. Als verweerder opnieuw tot intrekking van de verblijfsvergunning en uitvaardiging van een inreisverbod wil besluiten, zal hij daarbij in ieder geval het volgende moeten betrekken:

Uit het ambtsbericht valt niet op te maken op welk(e) risico(‘s) de conclusie van de AIVD dat eiser een gevaar vormt voor de nationale veiligheid is gebaseerd. De aan eiser verweten radicale uitlatingen dateren (kennelijk) uit 2012 en 2013. Eiser was in die periode 16/17 jaar oud. Het bredere radicaliseringsrisico is geformuleerd in het AIVD-jaarverslag over 2013 (van april 2014) en (meer expliciet) in het AIVD‑rapport van juni 2014. In de periode tussen de aan eiser verweten uitlatingen en het verschijnen van dit verslag en rapport is de politieke, militaire en sociale situatie (in Irak en Syrië) ingrijpend gewijzigd. Eiser heeft dat ter zitting ook aangevoerd. In de loop der tijd kan zich een wijziging hebben voorgedaan wat betreft de motieven voor dit ronselen en het strijden in Irak of Syrië. Ook kan het met het mogelijke ronselen voor de jihad samenhangende eventuele risico van geradicaliseerde terugkeerders daardoor relevant zijn gewijzigd. Dat geldt ook voor het brede radicaliseringsrisico alhier, zoals hierboven beschreven.

9.1.

Als verweerder opnieuw wil beslissen dat eiser een gevaar vormt voor de nationale veiligheid ligt het in de rede dat verweerder de AIVD verzoekt een nader ambtsbericht uit te brengen, waarbij in ieder geval gemotiveerd wordt ingegaan op de volgende punten:

a. Volgens het ambtsbericht is eiser een sympathisant van de internationale gewelddadige jihad en draagt hij dit ook uit via social media (cursivering door de rechtbank).

Wat hield die internationale gewelddadige jihad in ten tijde van de uitlatingen zoals door eiser gedaan en waaruit blijkt dat eiser een aanhanger is van die internationale gewelddadige strijd? Wat verstaat de AIVD in dit verband precies onder internationaal?;

Welke contacten heeft eiser gehad, wat is de relevantie van die contacten en welk gewicht komt hieraan toe bij de beoordeling in eisers geval van het gevaar voor de nationale veiligheid?;

Volgens het ambtsbericht beschikt de AIVD over informatie dat eiser medio 2013 koranles gaf aan kinderen in de basisschoolleeftijd.

Kan de AIVD, gelet op eisers betwisting en de brief van de El Islam moskee te Den Haag van 29 maart 2014, nader concretiseren en toelichten waaruit deze informatie bestaat? Wanneer, hoe frequent en waar heeft de koranles plaatsgevonden en wat is daar door eiser gezegd?;

d. Kan de AIVD vanuit zijn deskundigheid en wettelijke taak nader inzichtelijk maken op welke gronden eiser een gevaar voor de nationale veiligheid wordt geacht?

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit;

  • -

    verklaart het bezwaar gegrond, herroept het primaire besluit en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;

- bepaalt dat verweerder aan eiser het betaalde griffierecht van € 167,- vergoedt;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten tot een bedrag van € 1.960.

Deze uitspraak is gedaan door mr. E.R. Houweling, voorzitter, en mr. B. van Velzen en mr. L.E.M. Wilbers-Taselaar, leden, in aanwezigheid van mr. S. Wierink, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 29 oktober 2015.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken na verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.