Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2015:12342

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
12-10-2015
Datum publicatie
28-10-2015
Zaaknummer
AWB 15/16979, 15/16981
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2015:3797, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

GEAS-zaak. Verweerder heeft de aanvraag van eiser afgewezen als kennelijk ongegrond op grond van artikel 31, eerste lid, Vw in samenhang met artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder d, Vw. Het beroep is gegrond wegens strijd met artikel 3:46 van de Awb.

Eiser voert aan dat verweerder bij de beoordeling van het asielrelaas een aantal relevante elementen ten onrechte niet heeft genoemd. De rechtbank begrijpt de beroepsgrond aldus dat eiser met de door hem genoemde “elementen”, die de algemene situatie in Irak en Basra betreffen, beoogt te stellen dat het individuele relaas van eiser past binnen hetgeen over de algemene situatie in het land van herkomst bekend is, zodat verweerder dat relaas aannemelijk had moeten achten. Hoewel de rechtbank eiser volgt in het standpunt dat informatie over de algemene situatie in het land van herkomst relevant is voor de beantwoording van de vraag of de verklaringen van de vreemdeling over wat hij zelf heeft meegemaakt geloofwaardig zijn, maakt dit nog niet dat het individuele relaas, indien dit in algemene zin past in hetgeen bekend is over het land van herkomst, reeds daarom als aannemelijk moet worden aangemerkt. De verklaringen van de vreemdeling moeten immers ook als zelfstandig onderdeel op geloofwaardigheid worden beoordeeld en in hun onderlinge samenhang worden bezien. In dit verband is relevant hetgeen verweerder in zijn openbare Werkinstructie 2014/10 heeft neergelegd met betrekking tot de door hem gevolgde handelwijze bij de beoordeling van asielaanvragen. Niet kan worden gezegd dat verweerder onjuist heeft gehandeld door niet (reeds) naar aanleiding van de door eiser in de beroepsgrond genoemde “elementen” het individuele relaas van eiser als geloofwaardig aan te merken.

Met de vaststelling dat eiser zijn verklaringen over het relevante element 3 (zijn kennis van corruptie) niet heeft gestaafd met documenten, handelt verweerder mede gelet op hetgeen in artikel 4, vijfde lid, van de Kwalificatierichtlijn (Richtlijn 2011/95/EU) is bepaald over het (niet) gunnen van het voordeel van de twijfel, niet in strijd met het beginsel van fair play. Eiser heeft immers geen bevredigende verklaring gegeven over het ontbreken van documenten die de gestelde corrupte praktijken op het Ministerie staven, terwijl evenmin wordt voldaan aan de voorwaarde dat vast is komen te staan dat eiser in grote lijnen als geloofwaardig kan worden beschouwd.

De rechtbank heeft vervolgens beoordeeld of verweerder op goede gronden heeft geconcludeerd dat er sprake is van een omstandigheid als bedoeld in artikel 30b, eerste lid, aanhef sub d, Vw, waardoor de aanvraag als kennelijk ongegrond kan worden beschouwd.

De rechtbank volgt eiser in het standpunt dat aan hem niet kan worden tegengeworpen dat hij het wegens het ontbreken van het overleggen van zijn Irakese paspoort en gebruikte reisbescheiden onmogelijk heeft gemaakt om vast te stellen op welke datum eiser Irak heeft verlaten of dat eiser wellicht elders rechtmatig verblijf zou hebben. Dit is immers niet relevant omdat het blijkens de bewoordingen in artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder d, Vw daarin uitsluitend gaat om het vernietigen of het zich ontdoen van identiteits- of reisdocumenten die ertoe konden bijdragen dat de identiteit of de nationaliteit

(cursivering door rechtbank) van de betrokken vreemdeling werd vastgesteld.

Voorts is de rechtbank van oordeel dat verweerder zich met betrekking tot het identiteitsdocument dat eiser thuis heeft laten liggen en met betrekking tot het Irakese paspoort dat eiser naar eigen zeggen heeft ingeleverd bij de reisagent in ruil voor het valse Maltese paspoort, ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat er sprake is van “kwade trouw” als genoemd in artikel 30b, eerste lid, onder d, Vw, gelet op hetgeen in de Nota van verslag van de Tweede Kamer en de Memorie van Antwoord van de Eerste Kamer staat vermeld. Voor zover er met betrekking tot het vernietigen van het Maltese paspoort sprake is van kwade trouw, kan dit niet aan eiser worden tegengeworpen, nu dit een vals paspoort betrof en dit document daarmee niet kon bijdragen aan de vaststelling van eisers identiteit en nationaliteit.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

zaaknummers: AWB 15/16979 (beroep)

AWB 15/16981 (voorlopige voorziening)

uitspraak van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken en de voorzieningenrechter van 12 oktober 2015 in de zaak tussen

[eiser] ,

geboren op [geboortedatum] , van Iraakse nationaliteit,

eiser, verzoeker,

hierna te noemen eiser,

(gemachtigde: mr. W.N. van der Voet, advocaat te Delft),

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie,

verweerder,

(gemachtigde: mr. B.J. Pattiata, werkzaam bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst).

Procesverloop

Bij besluit van 16 september 2015 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd afgewezen.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Eiser heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen. Hij verzoekt verweerder te verbieden hem uit te zetten tot vier weken nadat de rechtbank op het beroep heeft beslist.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 oktober 2015. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser heeft ter onderbouwing van zijn aanvraag - samengevat - het volgende aangevoerd.

Eiser is als ambtenaar begonnen in november 2004 bij het directoraat van transport en algemene energie, directoraat netwerken Zuid-Basra. Dit valt onder het Ministerie van Elektriciteit. Hij werd ingenieur voor het onderhoud van elektriciteit stations. Later is eiser afdelingshoofd geworden. Het viel eiser op dat er vanwege corruptie zaken misgingen en dat er relevante onderdelen bij aangeschafte apparaten misten. Als dit het geval was, tekende eiser niet voor de ontvangst van de apparaten. Hierdoor ontstonden problemen omdat zakelijk contracten dreigden af te ketsen of afketsten, waardoor hij een bron van ergernis was voor de algemeen directeur [naam 1] en de directeur marketing [naam 2] . Deze directeuren en andere collega’s waren corrupt, wat eiser kan bewijzen met diverse documenten. Ook de gouverneur van Basra is corrupt. De gouverneur en de algemeen directeur behoren tot dezelfde partij, de Fadilah partij. De Fadilah partij heeft de macht over het Ministerie van Elektriciteit. In november 2014, ongeveer een maand nadat eiser in Zwitserland was geweest voor een training en aldaar had gemerkt dat er een onderdeel miste in de apparatuur, is hij vervangen als afdelingshoofd en teruggezet naar de functie van ingenieur. Op 14 augustus 2015 heeft eiser met ingenieurs van diverse directoraten gedemonstreerd tegen de corruptie binnen het Ministerie van Elektriciteit. Nadat eiser leuzen had geroepen, werd hij door een onbekend persoon bedreigd, waardoor hij erg bang werd. Eiser vermoedt dat de onbekende man van de Fadilah partij is. In de nacht van 16 augustus 2015 is eisers huis aangevallen door vier gewapende mannen. Eiser en zijn familie konden de aanval afslaan. Uit angst om vermoord te worden, heeft eiser zijn land op 21 augustus 2015 verlaten.


Eiser heeft ter onderbouwing van zijn asielrelaas in de bestuurlijke fase een aantal documenten overgelegd. Voorts heeft eiser bij fax van 2 oktober 2015 een kopie van een ongedateerde dreigbrief met een vertaling overgelegd en kopieën van stukken met betrekking tot de aangifte die is gedaan op 21 augustus 2015 door [naam 3] met een vertaling. Verder zijn de vertalingen van eerder overgelegde documenten bijgevoegd. Ter zitting heeft eiser een kopie van een kogel, die bij de dreigbrief zat, overgelegd.

2. Verweerder heeft de aanvraag van eiser afgewezen als kennelijk ongegrond op grond van artikel 31, eerste lid, Vreemdelingenwet 2000 (Vw) in samenhang met artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder d, Vw.

Verweerder heeft bij de beoordeling van het asielrelaas de volgende elementen als relevant aangemerkt:

a. a) De identiteit en nationaliteit van eiser.

b) De werkzaamheden bij het Ministerie van Elektriciteit.

c) Zijn kennis van corruptie.

d) Zijn voorbereiding van en deelname aan de demonstratie.

e) Het roepen van leuzen tijdens de demonstratie.

f) De bedreiging door een onbekend persoon.

g) De aanval bij zijn huis.

De gestelde nationaliteit en identiteit, de gestelde werkzaamheden bij het Ministerie van Elektriciteit (hierna: het Ministerie) acht verweerder geloofwaardig. De overige elementen worden door verweerder niet geloofwaardig geacht. Er bestaat geen aanleiding voor de conclusie dat eiser in Irak een gegronde reden heeft te vrezen voor vervolging in de zin van het Vluchtelingenverdrag. Voorts heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat hij bij uitzetting een reëel risico loopt op ernstige schade. Eiser komt derhalve niet in aanmerking voor een verblijfsvergunning asiel op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a of b, Vw.

De aanvraag wordt als kennelijk ongegrond afgewezen omdat eiser waarschijnlijk, te kwader trouw, een identiteits- of reisdocument dat ertoe kon bijdragen dat zijn identiteit of nationaliteit werd vastgesteld, heeft vernietigd of zich daarvan heeft ontdaan.

Met betrekking tot de stukken die eiser bij fax van 2 oktober 2015 en ter zitting heeft overgelegd heeft verweerder zich ter zitting op het standpunt gesteld dat deze stukken niet kunnen afdoen aan het bestreden besluit. Nu niet duidelijk is wanneer de dreigbrief is opgesteld en van wie de brief afkomstig is, is het stuk niet verifieerbaar, nog daargelaten dat slechts sprake is van een e-mail, zodat de authenticiteit ervan niet kan worden vastgesteld. Voorts is het enkele doen van een aangifte van geen waarde als er niet een veroordeling uit is voortgekomen. Gelet daarop acht verweerder het niet noodzakelijk de echtheid van de overgelegde nieuwe documenten te onderzoeken.

3. Eiser voert aan dat verweerder bij de beoordeling van het asielrelaas een aantal relevante elementen ten onrechte niet heeft genoemd. In de eerste plaats is een relevant element de corruptie binnen de Fadilah partij die doorwerkt binnen het Ministerie. Een ander relevant element is dat er op grote schaal demonstraties plaatsvonden tegen de Iraakse autoriteiten waaronder tegen de corruptie binnen het Iraakse machtssysteem. Deze elementen worden onderbouwd door de bij de zienswijze overgelegde stukken. Ter zitting heeft gemachtigde van eiser hieraan toegevoegd dat hetgeen eiser heeft verklaard, gelet op de overgelegde informatie, past in de context van wat er plaatsvindt in Basra en Irak.

3.1

Verweerder stelt zich op het standpunt dat de feitelijke context zoals eiser die heeft geschetst, niet wordt betwist. Dat er sprake is van corruptie en dat er veel demonstraties hebben plaatsgevonden tegen corruptie, laat onverlet dat eiser zijn gestelde individuele problemen aannemelijk moet maken. Niet aannemelijk is geworden dat eiser zelf heeft deelgenomen aan een demonstratie. Voorts heeft eiser niet aangetoond dat hij kennis had van corruptie binnen het Ministerie.

3.2

De rechtbank begrijpt de beroepsgrond, gelet op de ter zitting gegeven toelichting, aldus dat eiser met de door hem genoemde “elementen”, die de algemene situatie in Irak en Basra betreffen, beoogt te stellen dat het individuele relaas van eiser past binnen hetgeen over de algemene situatie in het land van herkomst bekend is, zodat verweerder dat relaas aannemelijk had moeten achten. Hoewel de rechtbank eiser volgt in het standpunt dat informatie over de algemene situatie in het land van herkomst relevant is voor de beantwoording van de vraag of de verklaringen van de vreemdeling over wat hij zelf heeft meegemaakt geloofwaardig zijn, maakt dit nog niet dat het individuele relaas, indien dit in algemene zin past in hetgeen bekend is over het land van herkomst, reeds daarom als aannemelijk moet worden aangemerkt. De verklaringen van de vreemdeling moeten immers ook als zelfstandig onderdeel op geloofwaardigheid worden beoordeeld en in hun onderlinge samenhang worden bezien. In dit verband is relevant hetgeen verweerder in zijn openbare Werkinstructie 2014/10 heeft neergelegd met betrekking tot de door hem gevolgde handelwijze bij de beoordeling van asielaanvragen. Blijkens paragraaf 3.2.1.1 “interne geloofwaardigheidsindicatoren” beoordeelt verweerder, onder meer, of de door de vreemdeling afgelegde verklaringen niet vaag en summier, maar voldoende gedetailleerd en specifiek zijn van inhoud en aard. Daarnaast mag geen sprake zijn van tegenstrijdigheden, ongerijmdheden of inconsistenties in de verklaringen. Verweerder heeft die beoordeling ook in het onderhavige geval verricht en geconstateerd dat eiser met betrekking tot, onder meer, de relevante elementen c en d (zie rechtsoverweging 2) ongerijmde, vage en summiere verklaringen heeft afgelegd. Gelet daarop kan niet worden gezegd dat verweerder onjuist heeft gehandeld door niet (reeds) naar aanleiding van de door eiser in de beroepsgrond genoemde “elementen” het individuele relaas van eiser als geloofwaardig aan te merken. De grond treft geen doel.

4. Eiser stelt dat verweerder ten aanzien van het door eiser genoemde incident in Zwitserland een ongerijmdheid heeft geconstateerd die er niet is. In Zwitserland was immers nog niet duidelijk dat het eiser was die de onregelmatigheid had ontdekt en de klacht had geuit. Pas nadat eiser terug was in Irak, heeft de algemeen directeur navraag gedaan wie er specifiek die klachten had geuit. Dit is niet in tegenspraak met elkaar. Gelet op het voorgaande is het ook niet vreemd dat de algemeen directeur pas na het verkrijgen van de informatie daaromtrent nadere stappen tegen eiser heeft genomen.

4.1

Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat eiser ongerijmd heeft verklaard met betrekking tot het incident in Zwitserland. Immers, eiser heeft verklaard dat hij in Zwitserland aan het Zwitserse bedrijf vertelde over een missend onderdeel in de apparaten, dat het Zwitsers bedrijf dat heeft doorgegeven aan het directoraat in Irak en dat hij nog in Zwitserland te horen kreeg van het directoraat dat hij zich niet moest bemoeien met de deal. Later in het nader gehoor op pagina 11 vertelt hij dat [naam 1] , de algemeen directeur, nadat eiser uit Zwitserland was teruggekeerd bij het Zwitserse bedrijf navraag deed over de opmerkingen van eiser. Dit rijmt niet met elkaar. Immers als het directoraat eiser al beschouwde als een bron van ergernis en reeds toen eiser in Zwitserland was, wist over de opmerkingen van eiser, dan moet [naam 1] het ook toen al hebben geweten. Eiser heeft geen overtuigende verklaring gegeven waarom hij over dit incident zo divers heeft verklaard.

4.2

De rechtbank stelt vast dat eiser blijkens het rapport van nader gehoor pagina 6 het volgende heeft verklaard:

“Ik zei vanuit ingenieurs oogpunt, is het absoluut niet overtuigend en kan je niet fatsoenlijk aan het werk gaan, dat is onacceptabel. De Zwitsers hebben contact opgenomen met het directoraat in Irak en zij vertelden precies wat ik tegen heb gezegd. In Irak zeiden zij tegen het bedrijf [naam bedrijf ] “wij dachten dat jullie precies wisten wat nodig was” en tegen mij en de andere twee dat wij ons niet moesten bemoeien met de deal.....”
Op pagina 11 staat vervolgens vermeld:

“Waarom zou [naam 1] een maand wachten om uw gevoel niet te krenken, terwijl u stelt dat u voor uw reis naar Zwitserland al een doorn in het oog was van [naam 1] en [naam 2] ?
De algemeen directeur heeft veel verantwoordelijkheden. In die tijd waren er problemen met de elektriciteit en hij was dus meer bezig met die problemen. Hij had contact met het [naam bedrijf] , het bedrijf in Zwitserland, hij was niet blij en vroeg wie de opmerking in Zwitserland had gemaakt en toen werd gezegd “de heer [eiser] ”.

Heeft [naam bedrijf] dat aan [naam 1] verteld? Zo ja, op welke datum ?
Het was in de periode gelijk na Zwitserland. Toen ging [naam 1] informeren wie de opmerking heeft geplaatst en zo is het gegaan.”
De rechtbank is met verweerder van oordeel dat eiser hiermee twee verschillende verklaringen heeft afgelegd over het incident in Zwitserland. Verweerder heeft zich dan ook op goede gronden op het standpunt gesteld dat eiser ongerijmd heeft verklaard. De beroepsgrond faalt.

5. Eiser stelt voorts dat het niet vreemd is dat eiser niet is ontslagen, maar is gedegradeerd, omdat eiser al sinds 2004 bij het Ministerie in dienst is en sindsdien veel specialistische kennis en ervaring heeft opgebouwd en hij daarom moeilijk vervangbaar is. De algemeen directeur heeft klaarblijkelijk wel paal en perk willen stellen aan de mondigheid van eiser, maar het (nog) niet willen stellen zonder voornoemde specialistische kennis en ervaring van eiser. Door eiser zijn tekenbevoegdheid te ontnemen, werd eiser ook uit de invloedssfeer gehaald wat kennelijk voldoende was voor de algemeen directeur om eiser in het vervolg rustig te houden en minder gelegenheid tot mondigheid te geven. Op dat moment was de algemeen directeur zich klaarblijkelijk nog onvoldoende bewust van de wetenschap van corruptie die zich inmiddels in het hoofd van eiser had verzameld. Een ontslag zou een omgekeerd effect hebben gehad omdat eiser in dat geval door zijn mondigheid en in zijn boosheid schadelijke dingen over zijn werkgever had kunnen gaan roepen. Dat er na de degradatie van eiser geen discussie is ontstaan binnen de organisatie, is omdat eiser die discussie niet heeft gezocht.

5.1

Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat niet aannemelijk is dat eiser alleen is teruggezet naar de functie van ingenieur en niet is ontslagen. Eiser heeft immers verklaard over de machtspositie van [naam 1] , zijn politieke banden en samenwerking met de gouverneur van Basra, en de commissieleden die door hem zijn aangesteld. Eiser heeft niet inzichtelijk gemaakt waarom [naam 1] zich in bochten zou moeten wringen om eiser niet tegen hem in het harnas te jagen of om anderen in de organisatie niet nieuwsgierig te maken. Gelet op zijn machtspositie mag worden gesteld dat hij hierin geen verantwoordelijk-heid hoeft af te leggen. Eiser heeft verklaard dat hij als ingenieur nog steeds toegang had tot alle gegevens en dus ook de contracten en dat hij daar aan de bewijzen van de corruptie kon komen. Dat [naam 1] eiser wel toegang bleef geven tot de bewijzen waarmee hij corruptie zou kunnen aantonen, acht verweerder evenmin aannemelijk. Eisers verklaring dat [naam 1] wel van zijn ervaring gebruik wilde blijven maken, maakt het voorgaande niet anders, omdat niet aannemelijk wordt geacht dat [naam 1] de kennis en kunde van eiser zou hebben laten prevaleren boven de openbaarmaking van grootschalige corruptie door eiser. Verweerder benadrukt dat ook de gouverneur van Basra hierdoor in de problemen zou raken. Daarnaast is uit de verklaringen van eiser gebleken dat er meer ingenieurs werkzaam waren op de plaats waar eiser werkte. Niet valt in te zien dat zijn eigen leidinggevenden niet zonder eiser hadden gekund nadat hij volgens hen bij herhaling misstappen aan het maken was en eiser door zijn opstelling een grote bron van ergernis vormde. Niet geloofwaardig is dat eiser op dezelfde werkplaats werkzaam bleef, nu hij zo mondig was en de machtige [naam 1] daarmee een groot risico liep dat de gestelde bevindingen van eiser over de corruptie aan het licht zouden komen.

5.2

De rechtbank is van oordeel dat verweerder met voormelde overwegingen zich op goede gronden op het standpunt heeft gesteld dat de verklaringen van eiser over zijn degradatie en dat hij toegang bleef houden tot het archief ongeloofwaardig zijn. Het vermoeden van eiser dat [naam 1] op het moment dat eiser werd gedegradeerd zich “klaarblijkelijk” nog onvoldoende bewust was van de wetenschap van corruptie die zich inmiddels in het hoofd van eiser had verzameld, leidt niet tot een ander oordeel, nu dit vermoeden op geen enkele wijze is onderbouwd. In dit verband is niet zonder belang de verklaring van eiser op pagina 13 van het nader gehoor: “zij wisten dat ik over deze zaken al een hoop wist en ik kon bij de dossiers van die zaken en dat wisten zij ook”. De beroepsgrond van eiser slaagt niet.

6. Eiser stelt dat in de correcties en aanvullingen is aangevuld dat eiser toegang tot het archief was blijven houden omdat dit voor zijn werkzaamheden als ingenieur noodzakelijk was. Het is derhalve niet juist, zoals verweerder in het bestreden besluit stelt, dat eiser dit in de zienswijze pas voor het eerst heeft aangevoerd. Wanneer er in de correcties en aanvullingen een aanvulling wordt gegeven, kan dit vervolgens niet als “wisselend standpunt” worden bestempeld.

6.1

De rechtbank volgt eiser in dit standpunt omdat uit de aanvullende verklaring in de correcties en aanvullingen waarin is vermeld: “Cl. had ook [cursivering rechtbank] nog toegang tot het archief, omdat dit voor zijn werk als ingenieur nodig was”, niet blijkt dat eiser hiermee op hetgeen tijdens het nader gehoor hierover is verklaard, heeft willen terugkomen. De conclusie dat verweerder de verklaringen van eiser op dit punt ten onrechte als “wisselende verklaringen” heeft bestempeld, leidt - gelet op hetgeen overigens in deze uitspraak is en nog zal worden overwogen - echter niet tot de conclusie dat de weigering van verweerder om eiser een verblijfsvergunning asiel te verlenen, reeds hierom onrechtmatig is. De beroepsgrond slaagt niet.

7. Eiser stelt dat hij helder uiteen heeft gezet op welke wijze hij weet heeft gekregen van misstanden binnen het departement, maar ook waarom hij deze informatie niet concreet in een map is gaan verzamelen en ook waarom hij dat niet meer kon doen na de demonstratie van 14 augustus 2015. Eiser acht het dan ook niet fair dat verweerder hem voor de voeten blijft werpen dat hij geen concrete bewijsstukken van de corruptie naar Nederland heeft meegenomen.

7.1

Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat nu de corruptie bij eisers organisatie de kern vormt van zijn asielrelaas van hem verwacht had mogen worden dat hij, al was het van een enkele deal, bewijzen had verzameld om hier in Nederland de corruptie aan te tonen. Voorts zou eiser blijkens zijn verklaringen een demonstratie hebben georganiseerd tegen corruptie en zou hij tot aan die demonstratie al meerdere dossiers hebben gezien waaruit de corruptie zou blijken en had hij lange tijd vrij toegang tot die stukken. Onder die omstandigheden valt niet in te zien dat eiser tot dusver geen enkel document ter staving van zijn asielrelaas heeft overgelegd, zeker nu hem dit al lange tijd heeft beziggehouden en hij hierom zelf een demonstratie zou hebben georganiseerd. Daarbij kost het weinig tijd om documenten te halen wanneer de kennis over waar die documenten liggen al aanwezig is. De verklaring dat de werkdruk hoog was, dan wel dat hij op een gegeven moment niet meer naar zijn werk is gegaan, kan dan ook niet als een verschoning worden aangemerkt.

7.2

De rechtbank is van oordeel dat verweerder eiser op goede gronden heeft tegengeworpen dat hij zijn verklaring dat hij kennis had van corrupte praktijken op zijn werk niet met documenten heeft gestaafd, terwijl hij blijkens zijn verklaringen afgelegd tijdens het nader gehoor (pagina 17 en 18) vóór zijn vertrek naar Nederland wel in de gelegenheid is geweest - in ieder geval gedurende de periode dat hij nog op zijn werk verscheen - om documenten over substations die niet volledig waren afgebouwd en niet-complete transformers te verkrijgen. Met de vaststelling dat eiser zijn verklaringen over het relevante element 3 (zijn kennis van corruptie) niet heeft gestaafd met documenten, handelt verweerder mede gelet op hetgeen in artikel 4, vijfde lid, van de Kwalificatierichtlijn (Richtlijn 2011/95/EU) is bepaald over het (niet) gunnen van het voordeel van de twijfel, dan ook niet in strijd met het beginsel van fair play. Eiser heeft immers geen bevredigende verklaring gegeven over het ontbreken van documenten die de gestelde corrupte praktijken op het Ministerie staven, terwijl evenmin wordt voldaan aan de voorwaarde dat vast is komen te staan dat eiser in grote lijnen als geloofwaardig kan worden beschouwd. Eisers stelling ter zitting dat hij vóór de demonstratie van 14 augustus 2015 geen aanleiding had om bewijzen te verzamelen omdat hij nog geen beschuldiging had geuit jegens zijn werkgever, hij na zijn degradatie nog steeds hetzelfde verdiende en dat de frustratie over de degradatie pas tijdens de demonstratie echt tot uitbarsting kwam en hij door de problemen van daarna geen bewijzen meer kon verzamelen, kan aan het voorgaande niet afdoen. De beroepsgrond van eiser faalt.

8. Eiser stelt dat hij heeft aangetoond dat de corrupte Fadilah partij grote invloed heeft binnen het Ministerie zodat het feit dat er binnen het Ministerie sprake is van corruptie daarmee eigenlijk al gegeven is. Maar daarnaast heeft eiser tijdens het nader gehoor ook erg duidelijke voorbeelden van corrupte praktijken binnen zijn departement, gegeven. Door verweerder is ten onrechte in het bestreden besluit niet gemotiveerd waarom deze voorbeelden niet als corruptie zouden kunnen worden geduid en eiser daar derhalve geen kennis van zou kunnen hebben gehad.

8.1

Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat uit het gehoor van eiser, ondanks herhaaldelijk vragen, maar een zeer beperkt aantal voorbeelden naar voren zijn gekomen waarover eiser ook nog eens vaag en summier heeft verklaard. Zo heeft eiser bij de transformers uit Italië niet kunnen aangeven welke mensen van de commissie uiteindelijk hebben ondertekend, dan wel wanneer zich dit in 2013 zou hebben afgespeeld. Daarbij heeft eiser documenten gezien waardoor hij zou hebben geweten aan wie hij de corruptie kon verbinden. Ter zake is eiser echter het antwoord schuldig gebleven wie al die mensen zijn, terwijl hij wel stelt dat hij hen bij gezicht kent. Niet valt in te zien dat hij in zo’n geval niet had kunnen aangeven wie die personen waren nu hij belastende informatie over hen zou hebben gelezen. Zeker nu dit de kern van zijn asielrelaas raakt.

8.2

De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich in het bestreden besluit op goede gronden op het standpunt heeft gesteld dat eiser over de door hem genoemde voorbeelden van corruptie op het Ministerie slechts in vage zin en summier heeft verklaard en dat eiser zijn gestelde kennis van corruptie daarmee niet aannemelijk heeft gemaakt. De omstandigheid dat de Fadilah partij grote invloed heeft binnen het Ministerie kan niet tot een ander oordeel leiden omdat dit niets zegt over de kennis die eiser tijdens zijn werk heeft vergaard. De beroepsgrond faalt.

9. Eiser stelt dat gezien de opgebouwde frustratie bij hem over de corruptie binnen zijn Ministerie - welke frustratie door zijn degradatie is versterkt - het geloofwaardig is dat deze frustratie hem heeft getriggerd om samen met zijn collega’s op 14 augustus 2015 mee te doen met de grote demonstratie, waarbij ook tegen corruptie is gedemonstreerd. In dit verband valt niet in te zien dat verweerder nog altijd een punt maakt van de spraakverwarring over de A4-plakkaten, omdat eiser zich op pagina 15 van het nader gehoor reeds zelf heeft gecorrigeerd. Van deze plakkaten was ook geen “moederbestand” aanwezig omdat deze plakkaten zijn gekopieerd en niet gedrukt. Alle kopieën zijn uitgedeeld. Gezien het ad hoc gehalte en korte voorbereidingstijd en gezien het feit dat het niet eiser was die het contact met deze ingenieurs van de andere departementen heeft gelegd, bevreemdt het niet dat eiser niet de namen van deze ingenieurs van de andere departementen weet. Eiser ziet niet in waarom de namen van de collega’s van de andere departementen zouden zien op de kern van het asielrelaas.

9.1

Verweerder heeft met betrekking tot het relevante element d (voorbereiding van en deelname aan de demonstratie) vooropgesteld dat, nu eiser zijn kennis van corruptie binnen het Ministerie (relevant element c) niet aannemelijk heeft gemaakt, de geloofwaardigheid van de daaruit voortvloeiende gebeurtenissen ernstig wordt aangetast. Verweerder heeft overwogen dat eiser wisselend heeft verklaard over de voorbereiding van de demonstratie. Zo heeft eiser op pagina 15 van het nader gehoor eerst verklaard dat hij spandoeken en folders zou hebben gemaakt ter voorbereiding op de demonstratie en dat zij dit bij een daarvoor gespecialiseerde zaak hebben gemaakt. Later heeft eiser verklaard dat hij zich verkeerd heeft uitgedrukt en alleen papier van A4-formaat heeft laten kopiëren. Over het begrip folders kan worden gevolgd dat dit anders kan worden geïnterpreteerd. Een papier op A4-formaat kan evenwel als een folder worden gezien. Echter niet kan worden ingezien dat eiser het eerst duidelijk heeft over het maken van spandoeken om vervolgens te vertellen dat hij papieren bedoelde ter grootte van een A4-formaat. Deze verklaring wordt door verweerder wisselend geacht. Tevens neemt verweerder in beschouwing dat eiser ook hiervan geen ondersteunend bewijs heeft meegenomen, terwijl van hem mag worden verlangd dat hij dit overlegt ter staving van zijn relaas. Voorts overweegt verweerder dat eiser niet de namen kan noemen van de ongeveer tien andere ingenieurs die met hem zouden hebben gedemonstreerd. Uit een globaal nieuwsbericht van The Londen Free Press van 15 augustus 2015, welke als bijlage bij de zienswijze is gevoegd, is gebleken dat op 14 augustus 2015 een demonstratie heeft plaatsgevonden in Basra. Uit deze stukken komt echter niet naar voren dat eiser corruptie bij zijn eigen werkgever op het spoor was, dan wel dat hij juist zelf zou hebben gedemonstreerd. Verweerder concludeert dat de voorbereiding van en de deelname aan de demonstratie niet geloofwaardig zijn.

9.2

De rechtbank is van oordeel dat de standpunten van verweerder dat eiser wisselend heeft verklaard over de gemaakte informatiedragers (spandoeken dan wel folders dan wel op A4-formaat staande teksten) en dat bevreemdend is dat eiser niet de namen kan noemen van de ingenieurs van andere afdelingen en directoraten die met hem zouden hebben gedemonstreerd, niet overtuigend zijn beargumenteerd. Eiser heeft reeds tijdens het nader gehoor (pagina 15) duidelijk gemaakt dat hij geen spandoeken of folders heeft gemaakt, maar teksten op A4-formaat, zodat van wisselende verklaringen geen sprake is. Voorts heeft eiser een afdoende verklaring gegeven voor de omstandigheid dat hij de namen van de tien andere ingenieurs niet kende, te weten dat hij de voorbereidingen voor de demonstratie heeft getroffen met de twee ingenieurs die ook zijn vrienden waren en dat hij de andere ingenieurs pas heeft getroffen op 14 augustus 2015 (pagina 16).

9.3

Het voorgaande leidt echter niet tot het oordeel dat verweerder zich niet op goede gronden op het standpunt heeft gesteld dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij heeft deelgenomen aan de demonstratie van 14 augustus 2015. Blijkens het bestreden besluit heeft verweerder zich immers daarnaast op het standpunt gesteld dat eiser vaag heeft verklaard over de reden waarom zij juist op 14 augustus 2015 wilden gaan demonstreren, over wie precies het initiatief tot het demonstreren tegen corruptie binnen het Ministerie heeft genomen en hoe het proces tot die demonstratie precies is verlopen. De rechtbank kan verweerder volgen in dat standpunt, evenals in de visie dat nu eiser stelt persoonlijk betrokken te zijn geweest bij de voorbereiding van de demonstratie door de ingenieurs, redelijkerwijs van hem verwacht mocht worden dat hij concrete verklaringen had afgelegd over dit element, nu dit een kernpunt van zijn relaas en de door hem gestelde problemen vormt. Daarnaast kan de rechtbank verweerder volgen in het standpunt dat uit de informatie die eiser bij de zienswijze heeft overgelegd, weliswaar blijkt dat er op 14 augustus 2015 een demonstratie heeft plaatsgevonden in Basra die ten doel had steun te betuigen aan de hervormingsplannen van de Eerste Minister [naam 4] tegen corruptie, maar dat eiser hiermee niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij persoonlijk heeft deelgenomen aan die demonstratie.

9.4

Nu verweerder op goede gronden heeft geoordeeld dat de ongeloofwaardigheid van relevant element c tot gevolg heeft dat de geloofwaardigheid van de overige relevante elementen sterk wordt aangetast, heeft verweerder evenzeer op goede gronden geoordeeld dat de vage verklaringen van eiser en het gebrek aan objectieve, verifieerbare informatie over de deelname van eiser aan de demonstratie op 14 augustus 2015, tot de conclusie leiden dat relevant element d ook ongeloofwaardig is. De beroepsgrond van eiser kan daarom niet slagen.

10. De rechtbank is van oordeel dat de relevante elementen c en d als kernpunten van eisers asielrelaas zijn aan te merken. Nu in het voorgaande is overwogen dat verweerder op goede gronden het standpunt heeft ingenomen dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij kennis had van corrupte praktijken op het Ministerie waar hij werkzaam was en evenmin dat hij heeft deelgenomen aan een demonstratie van ingenieurs tegen die corruptie, oordeelt de rechtbank dat verweerder reeds daarom al op goede gronden tot ongeloofwaardigheid van het asielrelaas heeft geconcludeerd en heeft geoordeeld dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat zijn aanvraag is gegrond op omstandigheden die, hetzij op zichzelf, hetzij in verband met andere feiten, een rechtsgrond voor verlening vormen. De overige gronden die eiser tegen het bestreden besluit heeft aangevoerd, behoeven daarom geen bespreking meer. De rechtbank kan verweerder voorts volgen in het standpunt dat er geen aanleiding is de nieuwe documenten die eiser in beroep heeft overgelegd (de ongedateerde dreigbrief en de stukken over de aangifte door [naam 3] van 21 augustus 2015) op echtheid te onderzoeken.
11. De rechtbank zal vervolgens beoordelen of verweerder op goede gronden heeft geconcludeerd dat er sprake is van een omstandigheid als bedoeld in artikel 30b, eerste lid, aanhef sub d, Vw, waardoor de aanvraag als kennelijk ongegrond kan worden beschouwd.

11.1

Verweerder heeft zijn standpunt met betrekking tot de kennelijke ongegrondheid gebaseerd op de volgende omstandigheden. Ten eerste heeft eiser tijdens het eerste gehoor verklaard dat hij zijn valse Maltese paspoort en zijn vliegtickets in het vliegtuig onderweg naar Nederland heeft vernietigd en door het toilet heeft gespoeld. Tevens is zijn Irakese paspoort ingenomen door de reisagent. Dat eiser zijn originele Irakese paspoort niet heeft overgelegd omdat hij dit aan de reisagent heeft afgegeven omdat die zei dat eiser met zijn Maltese paspoort moest doorreizen, wordt door verweerder niet aangemerkt als een verschoonbare reden. Voorts heeft eiser zijn identiteitskaart thuis laten liggen. Dit alles maakt dat eiser niet enkel het onderzoek naar zijn identiteit en nationaliteit actief heeft gefrustreerd, maar dat hij het tevens onmogelijk heeft gemaakt om vast te stellen wanneer hij zijn land daadwerkelijk zou hebben verlaten, zodat niet kan worden vastgesteld of eiser langer uit zijn land zou zijn vertrokken dan hij heeft gesteld of dat hij elders legaal verblijf heeft. Eiser heeft er dan ook persoonlijk aan bijgedragen dat dit onderzoek niet heeft kunnen plaatsvinden door de Nederlandse autoriteiten, zodat niet valt uit te sluiten dat eiser zich hiermee in een betere positie heeft willen manoeuvreren om in aanmerking te komen voor een verblijfsaanvaarding.

11.2

Eiser stelt dat niet is voldaan aan artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder d, Vw, omdat verweerder geloofwaardig acht dat eiser uit Irak afkomstig is op grond van alle documenten die eiser wel heeft overgelegd, waarbij het feit dat eiser deze documenten heeft overgelegd de goede trouw van eiser onderstreept. Hetgeen verweerder aangeeft over de onmogelijkheid om wegens het ontbreken van het eigen paspoort en reisbescheiden van eiser vast te stellen op welke datum eiser Irak heeft verlaten of dat eiser wellicht elders rechtmatig verblijf zou hebben, acht eiser eveneens niet relevant omdat artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder d, Vw uitsluitend spreekt over het kunnen vaststellen van de identiteit en nationaliteit en niet over andere zaken als de gevolgde reisroute, vertrekdatum enzovoorts. Verweerder stelt dat de rol van de reisagent bij het niet kunnen overleggen van identiteits- en reisdocumenten als niet verschoonbaar wordt gezien, maar dat wil nog niet zeggen dat er sprake is van kwader trouw.

11.3

De rechtbank volgt eiser in het standpunt dat aan hem niet kan worden tegengeworpen dat hij het wegens het ontbreken van het overleggen van zijn Irakese paspoort en gebruikte reisbescheiden onmogelijk heeft gemaakt om vast te stellen op welke datum eiser Irak heeft verlaten of dat eiser wellicht elders rechtmatig verblijf zou hebben. Dit is immers niet relevant omdat het blijkens de bewoordingen in artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder d, Vw daarin uitsluitend gaat om het vernietigen of het zich ontdoen van identiteits- of reisdocumenten die ertoe konden bijdragen dat de identiteit of de nationaliteit
(cursivering door rechtbank) van de betrokken vreemdeling werd vastgesteld.

Voorts is de rechtbank van oordeel dat verweerder zich met betrekking tot het identiteitsbewijs dat eiser thuis heeft laten liggen, ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat er sprake is van kwade trouw als genoemd in artikel 30b, eerste lid, onder d, Vw. Immers in de ter zitting door verweerder genoemde Nota van verslag van de Tweede Kamer (vergaderjaar 2014-2015, 34088, nr. 6, pagina 19) het volgende vermeld:

“Hoewel het in verschillende situaties voorstelbaar is dat het ontbreken van documenten toerekenbaar is, bijvoorbeeld omdat men het niet mee heeft genomen uit het land van herkomst, kan er dan niet zonder meer gezegd worden dat die vreemdeling waarschijnlijk, te kwader trouw, dit document heeft vernietigd of zich ervan heeft ontdaan.”

In de ter zitting door verweerder genoemde Memorie van Antwoord van de Eerste Kamer (vergaderjaar 2014-2015, 34088, C, pagina 23) staat over het begrip “kwade trouw” het volgende vermeld:

“In de situatie waarin de vreemdeling zijn paspoort moet inleveren bij de mensensmokkelaar in ruil voor valse reisdocumenten om op die manier Nederland te bereiken, ben ik met de leden van de SP-fractie van mening dat moeilijk gezegd kan worden dat er sprake is van “kwade trouw” omdat dit de enige manier is om in Nederland te geraken. Van de vreemdeling mag wel verwacht worden dat hij tegenover de Nederlandse autoriteiten, van wie hij toch de bescherming inroept, open kaart speelt en meteen aangeeft hoe de vork in de steel zit.”

Nu eiser tegenover de Nederlandse autoriteiten blijkens het rapport van het eerste gehoor direct open kaart heeft gespeeld met betrekking tot zijn documenten, heeft verweerder zich gelet op hetgeen is opgemerkt in de Memorie van Antwoord, ten onrechte op het standpunt gesteld dat sprake is van kwade trouw. Voor zover er met betrekking tot het vernietigen van het Maltese paspoort sprake is van kwade trouw, kan dit niet aan eiser worden tegengeworpen, nu dit een vals paspoort betrof en dit document daarmee niet kon bijdragen aan de vaststelling van eisers identiteit en nationaliteit. De beroepsgrond van eiser slaagt.

12. Gelet op het voorgaande is het bestreden besluit in strijd met artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

13. Het beroep is gegrond. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit. De rechtbank ziet geen reden de rechtsgevolgen in stand te laten, reeds gelet op het feit dat aan de ongegrondheid en de kennelijk ongegrondheid verschillende rechtsgevolgen zijn gekoppeld. De rechtbank ziet gelet op de aard van het gebrek evenmin aanleiding om de bestuurlijke lus toe te passen als bedoeld in artikel 8:51a van de Awb. Verweerder dient een nieuw besluit te nemen op de asielaanvraag van eiser met inachtneming van deze uitspraak.

14. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 980,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 490,- en een wegingsfactor 1).

Verzoek om een voorlopige voorziening

15. Indien tegen een besluit beroep bij de rechtbank is ingesteld, kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is in de hoofdzaak, ingevolge artikel 8:81, eerste lid, Awb op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

16. Nu in de hoofdzaak wordt beslist, is aan het verzoek het belang komen te ontvallen, zodat dit reeds daarom niet voor toewijzing in aanmerking komt. De voorzieningenrechter zal het verzoek om een voorlopige voorziening afwijzen.

17. De voorzieningenrechter veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 490,- (1 punt voor het indienen van het verzoekschrift, met een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- draagt verweerder op binnen zes weken na de dag van verzending va deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op de asielaanvraag van eiser met inachtneming van deze uitspraak;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 980,-

De voorzieningenrechter:

- wijst het verzoek af;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 490,-.

De voorzieningenrechter wijst het N.O.P. Roché, rechter, tevens voorzieningenrechter in aanwezigheid van mr. E.P. van der Zalm, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 12 oktober 2015

griffier rechter

afschrift verzonden aan partijen op:

Coll:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan, voor zover het de hoofdzaak betreft, binnen één week na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.