Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2015:12338

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
27-10-2015
Datum publicatie
18-01-2016
Zaaknummer
AWB - 14 _ 2818
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

WIA; terugvordering in verband met op geld waardeerbare activiteiten; einduitspraak na bestuurlijke lus. Eiser heeft twee verschillende verklaringen afgegeven over het aantal uren dat hij zou hebben gewerkt. De rechtbank gaat uit van de verklaring die eiser heeft ondertekend. Omdat verweerder uit is gegaan van een groter aantal gewerkte uren, dient verweerder terugvorderingsbedrag aan te passen.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 8:57
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: SGR 14/2818

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 27 oktober 2015 in de zaak tussen

[eiser] te [plaats] , eiser

(gemachtigde: mr.drs. L.B. de Jong),

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv), verweerder

(gemachtigde: [gemachtigde] ).

Procesverloop

Bij besluit van 14 juli 2013 (primair besluit I) heeft verweerder het recht van eiser op een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) over de periode van 1 oktober 2012 tot en met 31 maart 2013 herzien en bepaald dat de teveel betaalde uitkering van hem wordt teruggevorderd.

Bij besluit van 1 oktober 2013 (primair besluit II) heeft verweerder een nettobedrag van € 3.740,- aan onverschuldigd betaalde uitkering van eiser ingevorderd.

Bij besluit van 25 februari 2014 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen primair besluit I en II ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 oktober 2014. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Bij tussenuitspraak van 24 december 2014 (de tussenuitspraak) heeft de rechtbank verweerder in de gelegenheid gesteld om binnen zes weken na verzending van de tussenuitspraak, met inachtneming van hetgeen in de tussenuitspraak is overwogen, het geconstateerde gebrek in het bestreden besluit te herstellen. De rechtbank heeft verweerder opgedragen om binnen twee weken mede te delen of hij gebruik maakt van deze mogelijkheid.

Verweerder heeft binnen de gestelde termijn geen gebruik gemaakt van deze mogelijkheid. De rechtbank heeft vervolgens op grond van artikel 8:57, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bepaald) dat een nader onderzoek ter zitting achterwege blijft. De rechtbank heeft het onderzoek op 19 februari 2015 gesloten.

Bij brief van 2 april 2015 heeft verweerder medegedeeld dat hij gebruik maakt van de gelegenheid om het gebrek te herstellen. In deze brief heeft verweerder uiteengezet hoe het terugvorderingsbedrag is berekend.

Bij beslissing van 6 augustus 2015 heeft de rechtbank het onderzoek heropend en eiser in de gelegenheid gesteld om te reageren op de brief van verweerder van 2 april 2015.

Bij brief van 27 augustus 2015 heeft eiser een reactie op deze brief gegeven.

Nadat partijen daarvoor schriftelijk toestemming hebben gegeven, heeft de rechtbank bepaald dat verder onderzoek ter zitting achterwege blijft en heeft zij het onderzoek op 15 september 2015 gesloten.

Overwegingen

1. Deze uitspraak bouwt voort op de tussenuitspraak. De rechtbank blijft bij al wat zij in de tussenuitspraak heeft overwogen en beslist, tenzij hierna uitdrukkelijk anders wordt overwogen.

2. In haar tussenuitspraak heeft de rechtbank, kort gezegd, overwogen dat onvoldoende duidelijk was op welke wijze verweerder het terugvorderingsbedrag heeft berekend. De rechtbank constateerde dat het dossier onvoldoende aanknopingspunten bevatte om bij de berekening van eisers inkomsten uit te gaan van een werkweek van 40 uur, zoals verweerder ter zitting voorstond.

3. In de brief van 2 april 2015 heeft verweerder medegedeeld dat bij nadere bestudering van het dossier is gebleken dat bij de berekening van het terugvorderingsbedrag niet is uitgegaan van een 40‑urige werkweek, maar van een werkweek van gemiddeld 33,75 uur. Dit is gebaseerd op eisers verklaring, zoals opgenomen in het onderzoeksrapport van van 5 april 2013 (gedingstuk 10.4), dat hij vier à vijf dagen per week naar het reisbureau van zijn schoonzoon gaat. Hij is daar dan vanaf ongeveer tien uur ’s ochtends tot vijf of zes uur ’s middags aanwezig.

4. De rechtbank heeft vervolgens aan partijen medegedeeld dat de brief van verweerder van 2 april 2015 geen aanleiding geeft om het onderzoek te heropenen en dat de rechtbank geen kennis meer zal nemen van deze stukken. Deze brief is echter toch aan eiser doorgestuurd en aan het dossier toegevoegd.

5. De rechtbank stelt vast dat verweerder niet binnen de daartoe in de tussenuitspraak gestelde termijn gebruik heeft gemaakt van de geboden gelegenheid om het geconstateerde gebrek te herstellen. In het belang van de definitieve geschilbeslechting en omdat er alleen onduidelijkheid was over het aantal dagen en uren dat eiser zou hebben gewerkt, zag de rechtbank evenwel aanleiding om het onderzoek alsnog te heropenen en eiser te vragen om een reactie op de brief van verweerder van 2 april 2015.

6. In zijn brief van 27 augustus 2015 stelt eiser zich op het standpunt dat verweerder ten onrechte is uitgegaan van een gemiddelde werkweek van 33,75 uur. Uit het verslag van het gesprek tussen eiser en inspecteurs [naam 1] en [naam 2] van [datum] (gedingstuk 9.3) blijkt namelijk dat eiser heeft verklaard dat hij drie à vier dagen per week op het reisbureau is. Hij is daar ongeveer vanaf tien uur ’s ochtends tot vijf of zes uur ’s middags aanwezig. Nu deze verklaring wel door eiser is ondertekend en de in het onderzoeksrapport van van 5 april 2013 weergegeven verklaring niet, dient uit te worden gegaan van een werkweek van drie à vier dagen van zeven à acht uur.

7. De rechtbank stelt vast dat eisers verklaringen, zoals opgenomen in het verslag van het gesprek op 27 maart 2013 en het onderzoeksrapport van van 5 april 2013 in grote mate op elkaar lijken. Slechts het aantal dagen per week dat eiser stelt op het reisbureau aanwezig te zijn geweest verschilt. Nu alleen eisers verklaring zoals opgenomen in het verslag van het gesprek op 27 maart 2013 is ondertekend, gaat de rechtbank uit van deze verklaring. Dat betekent dat de rechtbank het ervoor houdt dat eiser drie à vier dagen per week gedurende zeven of acht uur op het reisbureau aanwezig was. Dat komt neer op een werkweek van gemiddeld 26,25 uur. Het lagere aantal gewerkte uren heeft gevolgen voor de hoogte van het terugvorderingsbedrag.

8. Eiser betoogt voorts dat verweerder niet heeft onderbouwd waarom zijn veronderstelde aanwezigheid op het reisbureau kan worden gelijkgesteld met het aantal arbeidsuren. Het is immers gebruikelijk dat de aanwezigheid op de werkplek mede pauzes omvat. De tijd waarin geen arbeid wordt verricht dient daarom buiten de berekening van de veronderstelde arbeidsuren te worden gehouden.

9. De rechtbank volgt eiser niet in dit betoog. Zoals reeds overwogen in de tussenuitspraak, is de rechtbank van oordeel dat eisers verklaringen over zijn tijdsbesteding op het reisbureau niet zijn onderbouwd. Daarbij komt dat van verweerder niet kan worden verlangd dat hij op detailniveau aannemelijk maakt hoe eiser zijn dag invult. Van verweerder kan evenmin worden verlangd dat hij eiser de hele dag observeert. De rechtbank is daarom van oordeel dat verweerder terecht als uitgangspunt heeft genomen dat eiser gemiddeld zeven en een half uur op een dag werkte.

10. Uit overweging 7 volgt dat verweerder bij de berekening van het terugvorderingsbedrag ten onrechte is uitgegaan van een werkweek van 33,75 uur. Het is beroep is gegrond en de rechtbank zal het bestreden besluit vernietigen. Omdat het dossier naar het oordeel van de rechtbank voldoende aanknopingspunten biedt om uit te gaan van een gemiddelde werkweek van 26,25 uur, dient het terugvorderingsbedrag aan de hand van dit aantal uren opnieuw te worden berekend. De rechtbank ziet geen mogelijkheid om met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Awb, zelf in de zaak te voorzien omdat nu het aan verweerder is om eisers resterende recht op een WIA-uitkering te berekenen. Daarom zal de rechtbank verweerder opdragen een nieuw besluit te nemen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen. De rechtbank stelt hiervoor een termijn van zes weken. Deze termijn vangt niet eerder aan dan op het moment dat de termijn voor het instellen van hoger beroep ongebruikt is verstreken dan wel op het moment dat op het hoger beroep is beslist.

11. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht vergoedt.

12. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1225,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, 0,5 punt voor het indienen van een schriftelijke zienswijze na een bestuurlijke lus, met een waarde per punt van € 490,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit voor zover dat ziet op de vaststelling van het aantal gewerkte uren en de omvang van de herziening en de terug- en invordering;

  • -

    draagt verweerder op binnen zes weken een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;

  • -

    draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 45,- aan eiser te vergoeden;

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1225,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. D. Biever, rechter, in aanwezigheid van mr. J.V. Veldwijk, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 27 oktober 2015.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak en de tussenuitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.