Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2015:12274

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
28-10-2015
Datum publicatie
23-12-2015
Zaaknummer
AWB - 15 _ 4158
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 1:3
Algemene wet bestuursrecht 7:1
Algemene wet bestuursrecht 4:17
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: SGR 15/4158

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 28 oktober 2015 in de zaak tussen

[eiser] , te [plaats] , eiser,

en

de minister voor Wonen en Rijksdienst, verweerder

(gemachtigde: mr. M. van Amerongen, mr. D. van Dijk en mr. L. Hulspas).

Procesverloop

Voor de woning van eiser aan de [adres] in [plaats] (hierna: de woning) is een voorlopig energielabel afgegeven.

Bij brief van 26 januari 2015 heeft eiser een bezwaarschrift ingediend.

Bij brief van 25 maart 2015 heeft eiser verweerder in gebreke gesteld vanwege het niet tijdig beslissen op zijn bezwaarschrift van 26 januari 2015.

Bij besluit van 8 juni 2015 heeft verweerder het bezwaar van eiser kennelijk niet-ontvankelijk verklaard.

Daartegen heeft eiser beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 oktober 2015.

Eiser is verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden.

Overwegingen

1. Bij brief van 26 januari 2015 heeft eiser aan verweerder te kennen gegeven dat hij naar aanleiding van het voorlopig energielabel dat voor de woning is afgegeven, een definitief energielabel heeft aangevraagd. Volgens eiser is het aldus afgegeven definitieve energielabel C onjuist, aangezien geen rekening is gehouden met de in de woning getroffen energiebesparende maatregelen. Bij brief van 25 maart 2015 heeft eiser verweerder in gebreke gesteld vanwege het niet tijdig beslissen op zijn bezwaarschrift van 26 januari 2015.

2. In het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van eiser kennelijk niet-ontvankelijk verklaard omdat de afgifte van een voorlopige energielabel geen besluit is als bedoeld in artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

3. Eiser voert aan dat wel degelijk sprake is van een besluit. Uit de mededeling van verweerder, dat de ingebrekestelling van 25 maart 2015 prematuur is, blijkt immers dat verweerder de termijnen heeft toegepast die gelden voor procedures omtrent besluiten in de zin van de Awb. De termijn om te beslissen op het bezwaarschrift van 26 januari 2015 is verstreken op 23 maart 2015, zodat de ingebrekestelling van 25 maart 2015 niet prematuur was. De termijn om het verzuim te herstellen is vervolgens geëindigd op 7 april 2015, terwijl verweerder eerst op 8 juni 2015 een besluit op het bezwaarschrift heeft genomen, zodat hij over de tussenliggende periode een dwangsom verschuldigd is.

4. In artikel 2.1, derde lid, van het Besluit energieprestatie gebouwen is vermeld dat de eigenaar bij de verhuur van een gebouw een afschrift van een geldig energielabel beschikbaar stelt aan de nieuwe huurder.

In het vierde lid van dat artikel is vermeld dat de eigenaar bij de verkoop van een gebouw een geldig energielabel voor dat gebouw beschikbaar stelt aan de koper.

In artikel 2, tweede lid, van de Regeling energieprestatie gebouwen (Regeling) is vermeld dat een energielabel voor een woning wordt vastgesteld op basis van de volgende gegevens: woningtype, woningsubtype, bouwjaar(klasse) van de woning, woonoppervlak in m², beglazing leefruimte, beglazing slaapruimte, isolatie van de gevel, isolatie van het dak, isolatie van de vloer, verwarmingstoestel, tapwatertoestel, ventilatiesysteem, zonneboiler en zonnepaneel.

In artikel 3, eerste lid, van de Regeling is vermeld dat de energielabelplichtige de gegevens, bedoeld in artikel 2, tweede lid, aan een erkende energielabeldeskundige stuurt. In het tweede lid van dat artikel is vermeld dat de deskundige, bedoeld in het eerste lid, ten aanzien van de gegevens, bedoeld in artikel 2, tweede lid, bij de energielabelplichtige bewijsstukken kan opvragen indien deze noodzakelijk zijn voor de beoordeling van die gegevens. In het derde lid van dat artikel is, voor zover thans van belang, vermeld dat de deskundige de gegevens en de bewijsstukken, bedoeld in het tweede lid, op juistheid controleert en certificeert de gegevens. In het vierde lid van dat artikel is vermeld dat de energielabelplichtige het verzoek om een energielabel voor een woning indient samen met de gecertificeerde gegevens.

In artikel 3a, eerste lid, van de Regeling is vermeld dat de Minister onder meer registreert: a. voor welke gebouwen een geldig energielabel is afgegeven; f. de gegevens op basis waarvan een energielabel is afgegeven. In het tweede lid van dat artikel is vermeld dat de Minister de registratie beheert, bedoeld in het eerste lid.

5. Verweerder heeft ter zitting toegelicht dat een definitief energielabel nodig is wanneer de eigenaar van een woning deze wil verkopen of verhuren. Indien de eigenaar op het moment van overdracht van de woning of het moment dat de woning wordt verhuurd niet over een definitief energielabel beschikt, bestaat de mogelijkheid een bestuurlijke boete op te leggen.

6. Ter zitting is gebleken dat eiser voor de woning inmiddels beschikt over een definitief energielabel A. De rechtbank ziet zich derhalve ambtshalve gesteld voor de vraag of eiser nog procesbelang heeft bij het door hem ingestelde beroep. Van voldoende procesbelang is sprake indien het resultaat dat de indiener van een bezwaar- of beroepschrift met het maken van bezwaar of het indienen van (hoger) beroep nastreeft, daadwerkelijk kan worden bereikt en het realiseren van dat resultaat voor deze indiener feitelijk betekenis kan hebben. Voor zover eiser het voor de woning afgegeven definitieve energielabel C bestrijdt, is gelet op het voorgaande geen sprake van procesbelang. Nu eiser echter tevens heeft aangevoerd dat verweerder hem een dwangsom is verschuldigd, overweegt de rechtbank dat het indienen van het beroep in zoverre feitelijk betekenis heeft voor eiser zodat hij ontvankelijk is in zijn beroep.

7. Zoals volgt uit vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (zie onder meer de uitspraak van 30 januari 2008, ECLI:NL:RVS:2008:BC3065) is geen sprake van een besluit in de zin van artikel 1:3 van de Awb indien daarmee op zichzelf geen bevoegdheid, recht of verplichting voor een of meer anderen ontstaat of teniet wordt gedaan, dan wel de juridische status van een persoon of een zaak wordt vastgesteld. De rechtbank overweegt dat een voorlopig energielabel, noch een definitief energielabel een besluit is in de zin van voormeld artikel. Het definitieve energielabel wordt afgegeven door een erkende energielabeldeskundige. Verweerder heeft enkel de taak om energielabels te registreren en te beheren en neemt geen beslissing over de juistheid van de classificatie. De classificatie van de energiezuinigheid van de woning (op de schaal van A tot en met G) heeft geen zelfstandig rechtsgevolg; van belang is slechts de vraag of de eigenaar van een woning op het moment van verkoop of verhuur voor die woning beschikt over een energielabel. Het ontbreken van een energielabel is een beboetbaar feit, maar dit betekent niet dat de registratie van het label moet worden gekwalificeerd als een publiekrechtelijke rechtshandeling.

8. Nu de registratie van het voorlopig- en het definitief energielabel voor de woning geen besluit is, is het ingevolge artikel 7:1 van de Awb niet mogelijk daartegen bezwaar te maken. Reeds daarom is verweerder ingevolge artikel 4:17, zesde lid, aanhef en onder c, van de Awb geen dwangsom verschuldigd. Het standpunt van verweerder dat de ingebrekestelling van eiser prematuur was omdat de wettelijke termijn voor het nemen van een beslissing op bezwaar nog niet was verstreken, betekent niet dat de beslissing waartegen bezwaar wordt gemaakt een besluit is. De beslissing op bezwaar is, ook wanneer het bezwaar niet-ontvankelijk is, wel een besluit.

9. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. G.P. Kleijn, rechter, in aanwezigheid van mr. A.H. Ferment, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 28 oktober 2015.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.