Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2015:12264

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
17-09-2015
Datum publicatie
11-11-2015
Zaaknummer
C/09/495493 / JE RK 15-1721
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

vervallen verklaren intrekking schorsing en wijziging schorsingsvoorwaarden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Team Jeugd & Bopz

Meervoudige kamer

Zaaksgegevens: C/09/495493 / JE RK 15-1721

Datum uitspraak: 17 september 2015

Beschikking van de rechtbank

Vervallen verklaren intrekking schorsing en wijziging schorsingsvoorwaarden

in de zaak naar aanleiding van het op 2 september 2015 ingekomen verzoekschrift van:

[minderjarige] , geboren op [geboortedag] 1998 te [geboorteplaats] ,

hierna ook te noemen: [minderjarige] ,

advocaat : mr. C.M.H. van Vliet, te Den Haag.

De rechtbank merkt als belanghebbenden aan:

Otto Gerhard Heldringstichting (OG Heldringstichting) te Zetten,

hierna te noemen: de jeugdhulpaanbieder,

locatiedirecteur [dhr. A] ,

[mw. B] ,

hierna te noemen: de moeder,

wonende op een bij de rechtbank bekend adres,

Stichting Jeugdbescherming west Haaglanden,

hierna te noemen: de gecertificeerde instelling.

Het procesverloop

De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:

- het verzoekschrift d.d. 1 september 2015, met bijlagen;

- het verweerschrift van de jeugdhulpaanbieder d.d. 16 september 2015, met bijlagen.

Het verzoekschrift zou worden behandeld ter zitting van 15 september 2015. De behandeling van de zaak is op die datum aangehouden, aangezien de jeugdhulpaanbieder niet was vertegenwoordigd.

Op 17 september 2015 heeft de rechtbank de zaak ter zitting met gesloten deuren behandeld. Daarbij zijn gehoord:

- [minderjarige] , bijgestaan door zijn advocaat mr. C.M.H. van Vliet;

- de moeder;

- de heer [dhr. A] , namens de jeugdhulpaanbieder;

- de heer [dhr. E] namens de gecertificeerde instelling;

- de vader [dhr. F] , als informant.

Feiten

- [minderjarige] is erkend door de vader.

- De moeder is belast met het ouderlijk gezag.

- [minderjarige] verblijft feitelijk in de gesloten accommodatie voor jeugdhulp Harreveld.

De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking d.d. 10 november 2014 de ondertoezichtstelling van [minderjarige] verlengd van 14 november 2014 tot 14 november 2015.

Bij beschikking d.d. 26 mei 2015 van de kinderrechter in deze rechtbank is de gecertificeerde instelling gemachtigd om [minderjarige] te doen opnemen en doen verblijven in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp zoals bedoeld in artikel 6.1.2, eerste lid, van de Jeugdwet van 28 mei 2015 tot 14 november 2015.

De jeugdhulpaanbieder heeft de tenuitvoerlegging van voornoemde machtiging bij besluit van 4 juni 2015 geschorst onder voorwaarden met ingang van 8 juni 2015. Met ingang van

24 augustus 2015 heeft de jeugdhulpaanbieder de schorsing ingetrokken en is de jeugdige opgenomen in de gesloten accommodatie ’t Anker in Harreveld.

Verzoek en verweer

Namens [minderjarige] is verzocht om vervallenverklaring van de beslissing van de jeugdhulpaanbieder tot intrekking van de schorsing van de machtiging gesloten jeugdhulp.

In het verzoekschrift is naar voren gebracht dat hij geen schorsingsbeslissing heeft ontvangen en dat dus niet duidelijk is onder welke specifieke voorwaarden de machtiging is geschorst en per welke datum. Evenmin heeft hij een intrekkingsbeslissing ontvangen, zodat ook de motivering van de intrekking van de schorsing niet kenbaar is. Dit levert strijd met de waarborgen van de artikelen 5 en 8 van het Europees verdrag voor de rechten van de mens en artikel 37 van het Internationaal verdrag voor de rechten van het kind op. Verder beklagen [minderjarige] en zijn ouders zich over de wijze waarop [minderjarige] is meegenomen door de politie en de onduidelijkheid over zijn toekomst.

Ter zitting heeft de advocaat van [minderjarige] naar voren gebracht dat de schorsingsbeslissing en intrekkingsbeslissing weliswaar inmiddels zijn verstrekt, maar dat het niet juist is dat [minderjarige] hiervan niet eerder een afschrift heeft ontvangen.

Verder heeft [minderjarige] zich aan de belangrijkste voorwaarden gehouden en had hij alles op de rit. Zijn vrijwilligerswerk bij de Stichting Mooi is goed verlopen. Inmiddels had hij een baan bij McDonalds en een opleiding bij het Mondriaan College geregeld. Er is weliswaar een aantal incidenten geweest, maar er gingen ook veel zaken wel goed. Een belangrijk punt is dat de noodzakelijke hulverlening niet van de grond is gekomen. Zo is er niets geregeld in het kader van de agressieregulatie en is evenmin werk gemaakt van EMDR voor traumaverwerking.

Ten slotte heeft de advocaat aangegeven dat in het verleden is gebleken dat ’t Anker geen goede instelling is voor [minderjarige] . Bij de OG Heldringstichting ging het goed met hem en nu hij weer in ’t Anker zit, zijn er opnieuw incidenten geweest, mede vanwege het feit dat [minderjarige] daar zit met een jongen die eerder spullen van hem heeft gestolen.

De moeder heeft naar voren gebracht dat [minderjarige] is geplaatst in het logeerhuis aan de [straat] en dat daar in het begin voor veel geld aan spullen is gestolen van [minderjarige] . De spanning liep daardoor hoog op, om welke reden [minderjarige] het grootste deel van de vakantie bij de moeder is geweest. Hij was toen veel alleen thuis en had in die periode niets om handen. Hij is niet veel op zijn kamer in het logeerhuis geweest en heeft nauwelijks tot geen begeleiding gehad. Volgens de moeder kan [minderjarige] beter nu naar huis komen met hulpverlening dan dat hij voorlopig gesloten geplaatst blijft en over 11 maanden, als hij 18 wordt, zonder hulpverlening buiten staat. De MDFT is gestart en de therapeut heeft aangegeven verder te willen werken met het gezin.

Namens de jeugdhulpaanbieder is ter verweer naar voren gebracht dat de jeugdhulpverlening van Jeugdformaat die [minderjarige] ondersteunde, gestopt was. Dit betekende dat niet meer werd voldaan aan de voorwaarden om de machtiging te schorsen en dat de schorsing moest worden ingetrokken. De plaatsingscoördinator van de Jeugdbescherming heeft vervolgens besloten [minderjarige] bij ’t Anker te plaatsen. De jeugdhulpaanbieder had [minderjarige] opnieuw willen opnemen, maar omdat er geen contracten zijn gesloten met de gemeenten uit het zorggebied waaronder Den Haag valt, mag de OG Heldringstichting geen aanbod meer doen aan jongeren uit dat zorggebied. De jeugdhulp die er tijdens de schorsing is geweest, bleek achteraf te licht te zijn.

Namens de gecertificeerde instelling is aangevoerd dat [minderjarige] binnen de gesloten accommodatie van de jeugdhulpaanbieder een behoorlijke groei had laten zien en dat de ouders van goede wil zijn. [minderjarige] heeft echter externe begrenzing nodig die zijn ouders hem niet kunnen bieden. De instelling van de jeugdhulpaanbieder was op zich geschikt voor [minderjarige] , maar omdat de gemeente Den Haag geen contract met die instelling heeft gesloten, was heropname daar helaas geen optie. Voor het vervolg wordt gedacht aan plaatsing van [minderjarige] bij de Hoenderloogroep. Die instelling wil echter graag eerst meer zicht op het gedrag van [minderjarige] binnen ’t Anker krijgen om te kunnen bezien of hij de meer open setting aan kan. Ook Hand-in-Hand van Horizon in Alphen aan den Rijn met een wat meer open karakter is een optie.

Beoordeling

Op grond van artikel 6.1.12, vijfde lid, van de Jeugdwet kan een jeugdhulpaanbieder de schorsing van de tenuitvoerlegging van de machtiging voor plaatsing in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp intrekken, indien blijkt dat de tenuitvoerlegging nodig is om te voorkomen dat de jeugdige zich aan de jeugdhulp die hij nodig heeft onttrekt of daaraan door anderen wordt onttrokken.

Ten aanzien van de formele gronden die namens [minderjarige] zijn ingebracht met betrekking tot de inhoud en het versturen van het intrekkingsbesluit overweegt de rechtbank dat deze gronden bij gebrek aan belang geen doel treffen, nu [minderjarige] inmiddels wel kennis heeft kunnen nemen van dat besluit.

De rechtbank constateert vervolgens dat tijdens de schorsing niet zodanig invulling is gegeven aan de jeugdhulp dat de schorsing kans van slagen had. [minderjarige] heeft zich weliswaar niet altijd aan de regels gehouden, maar hij heeft naar het oordeel van de rechtbank daarbij ook onvoldoende ondersteuning gehad. De behandelingen die noodzakelijk geacht werden, zoals de agressieregulatietraining en de EMDR voor onverwerkte trauma’s, zijn immers niet gestart. De rechtbank is van oordeel dat, nadat Jeugdformaat stopte met de opvang en begeleiding, in het belang van [minderjarige] op een andere manier invulling aan de schorsing had moeten worden gegeven en dat niet direct tot intrekking van de schorsing overgegaan had moeten worden. Als gevolg van de intrekking werd immers de tenuitvoerlegging van de gesloten plaatsing hervat, en wel in een accommodatie waar [minderjarige] niet op zijn plaats is. Plaatsing in een voor hem betere omgeving waar hij tot zijn meerderjarigheid verder aan zichzelf kan werken richting volledige openheid zal niet binnen afzienbare tijd zijn gerealiseerd. De rechtbank is daarom van oordeel dat het verzoek tot vervallenverklaring in zoverre slaagt en dat de schorsing van de machtiging dient te herleven.

Door het wegvallen van Jeugdformaat is het echter feitelijk onmogelijk om de schorsing onveranderd te laten voortduren. De rechtbank zal daarom nieuwe schorsingsvoorwaarden formuleren. De rechtbank houdt daarbij rekening met het feit dat [minderjarige] over 11 maanden 18 jaar wordt en dat hij zich dan buiten de instelling zal moeten zien te redden. Daarom oordeelt de rechtbank het in zijn belang dat hij de kans krijgt om vanuit de thuissituatie verder aan zichzelf te werken. Deze thuisplaatsing dient wel te worden begeleid met de noodzakelijke hulpverlening.

De intrekkingsbeslissing wordt derhalve vervallen verklaard en de schorsing herleeft onder gewijzigde schorsingsvoorwaarden. Deze zullen als volgt luiden:

  • -

    luisteren naar moeder en vader en zich houden aan door ouders te stellen huisregels;

  • -

    luisteren naar de aanwijzingen van de gezinsvoogd;

  • -

    naar school gaan en/of dagbesteding volgen bij Stichting Mooi en/of naar bijbaan gaan, een en ander in overleg met de gezinsvoogd;

  • -

    meewerken aan MDFT, EMDR en agressieregulatietherapie.

Op deze wijze krijgt [minderjarige] de kans om tot de zitting over de verlenging van de ondertoezichtstelling, die voor 14 november 2015 zal plaatsvinden, te laten zien dat hij zich met de noodzakelijke hulpverlening aan deze voorwaarden kan houden en dat een nieuwe plaatsing in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp niet nodig is.

De rechtbank realiseert zich dat, hoewel [minderjarige] bij overtreding van de voorwaarden feitelijk niet meer terecht kan bij de jeugdhulpaanbieder, deze instelling nog wel steeds verantwoordelijk is voor het toezicht op de naleving en het eventueel intrekken van de schorsingsbeslissing. Dit is nu eenmaal het gevolg van het wettelijke systeem. Mocht deze situatie aan de orde zijn, dan zal de jeugdhulpaanbieder in samenspraak met de gecertificeerde instelling deze afweging moeten maken.

Derhalve zal als volgt worden beslist.

Beslissing

De rechtbank:

verklaart vervallen de beslissing van de jeugdhulpaanbieder tot intrekking van de schorsing van de machtiging tot plaatsing in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp;

wijzigt de schorsingsvoorwaarden, zodat deze als volgt luiden:

  • -

    luisteren naar moeder en vader en zich houden aan door ouders te stellen huisregels;

  • -

    luisteren naar de aanwijzingen van de gezinsvoogd;

  • -

    naar school gaan en/of dagbesteding volgen bij Stichting Mooi en/of naar bijbaan gaan, een en ander in overleg met de gezinsvoogd;

  • -

    meewerken aan MDFT, EMDR en agressieregulatietherapie.

Deze beschikking is gegeven door mrs. J.E.M.G. van Wezel, M.F. Baaij, C.L. Strop, kinderrechters, in tegenwoordigheid van mr. E.A.W. Hoefnagels als griffier en in het openbaar uitgesproken op 17 september 2015.

Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld:

- door de verzoeker en de belanghebbende(n) aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,

- door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.

Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend bij de griffie van

het gerechtshof Den Haag.