Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2015:12254

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
14-10-2015
Datum publicatie
29-10-2015
Zaaknummer
C/09/398149 / HA ZA 11-2004
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Overheidsaansprakelijkheid. Scheurvorming in woning als gevolg van aanleg duiker door provincie. Eindvonnis na deskundigenbericht over de omvang van de schade.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK DEN HAAG

Team handel

zaaknummer / rolnummer: C/09/398149 / HA ZA 11-2004

Vonnis van 14 oktober 2015

in de zaak van

[eiseres ] ,

wonende te [woonplaats] ,

eiseres,

advocaat mr. drs. S.A.P. van den Berg te Den Haag,

tegen

de publiekrechtelijk rechtspersoon

DE PROVINCIE ZUID-HOLLAND,

zetelend te Den Haag,

gedaagde,

advocaat mr. J.J. Jacobse te Middelburg.

Partijen zullen hierna [eiseres ] en de provincie genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenvonnis van 10 september 2014 (hierna: het tussenvonnis);

  • -

    het concept-deskundigenbericht van 16 maart 2015;

  • -

    de akte uitlaten concept deskundigenbericht van 8 april 2015 van [eiseres ] , met producties;

  • -

    de akte uitlaten conceptrapport deskundige van 8 april 2015 van de provincie, met producties;

  • -

    de akte van depot met het deskundigenbericht en de declaratie van ing. R.J. van Drie;

  • -

    de conclusie na deskundigenbericht van [eiseres ] ;

  • -

    de conclusie van antwoord na deskundigenbericht van de provincie.

1.2.

Ten slotte is een datum voor vonnis bepaald.

2 De verdere beoordeling

2.1.

De rechtbank verwijst naar het tussenvonnis en handhaaft hetgeen daarin is overwogen en beslist. Bij dit vonnis heeft de rechtbank ing. R.J. van Drie (hierna: Van Drie) als deskundige benoemd voor nader onderzoek aan de woning van [eiseres ] .

2.2.

In het rapport beantwoordt Van Drie de door de rechtbank voorgelegde vragen als volgt:

“1. Ten aanzien van welke scheuren in en overige schade aan de woning van [eiseres ] is het aannemelijk dat deze zijn ontstaan ten gevolge van de in 2009 opgetreden zetting die het onderwerp van deze procedure is?

De volgende, voor dit onderzoek relevante, schade is geconstateerd:

• Begane grond: Diverse scheurvorming in dragende binnen- en buitenwanden. Plaatselijk bovenmatige zetting c.q. verzakking van draagmuren en scheefstand van dit deel van de begane grondvloer. Schades beperken zich tot de omgeving van de woonkamer, aan de linkerzijde van de woning. In de overige delen van de woonkamer zijn geen relevante schades geconstateerd.

• Verdieping: Significante scheefstand van de vloerconstructie, het bovenmatige deel van de scheefstand betreft alleen de zoldervloer.

• Exterieur: Diverse, soms ernstige/wijkende scheurvorming in de buitenmuren. Zichtbare deel betreft de linker zijgevel van de woning, de voorgevel is (nog) bekleed met zgn. steenstrips. Spiegelend aan de scheurvorming binnen is echter aannemelijk dat de scheurvorming in de voorgevel en rechter zijgevel aan buitenzijde niet significant zal zijn.

Ingaande op de vraag “ten aanzien van welke scheurvorming en schade aannemelijk is dat deze zijn

ontstaan ten gevolge van de in 2009 opgetreden zetting”:

Het is niet 1 op 1 verifieerbaar welke schade eventueel reeds aanwezig is geweest, voorafgaande aan het evenement. De verkregen verkoopbrochure biedt geen gedetailleerd beeld van de bouwdelen waaraan de schade nu is geconstateerd, evenmin is een “nulmeting” of andere informatie over de woning beschikbaar. Door partijen is (terecht) opgemerkt dat een woning van dit bouwjaar, met dit type fundering, altijd gevoelig is voor zetting. Daarbij is de aanwezigheid van een paaljuk een duidelijk signaal dat eerder problemen zijn opgetreden. Deze paaljuk is in een ver verleden aangebracht (voor 2009) en geeft aan dat er toen klaarblijkelijk al een aanleiding is geweest tot het treffen van de voorziening om een verzakking bij de uitwendige hoek tegen te gaan.

Desalniettemin is door deskundige een beoordeling af te geven, op basis van het beeld ter plaatse. De

mate, omvang en locaties van aangetroffen scheurvormingen, samen met de verstrekte stukken, geven

toch een duidelijke indicatie van de impact die de in 2009 opgetreden zetting moet hebben gehad op de woning.

Interieur - Begane grond

De locaties en vorm van de hier geconstateerde scheurvorming duidt op een significante zetting/

verzakking van, met name, de linker zijgevel van de woning. De veronderstelde aanwezigheid van een

kelder halverwege de woonkamer zal hierbij als vast punt, derhalve breekpunt, hebben gefungeerd. Op de oorzaken van de zetting zal verderop dieper worden ingegaan.

Interieur - Verdieping

De scheefstand van de verdiepingsvloer is in deze mate reeds langere tijd aanwezig (voor 2009). Dit kan worden afgeleid uit de goede staat van de randaansluitingen en afwerkingen rondom de vloer.

Bijvoorbeeld de schutborden waarmee het trapgat is afgetimmerd zijn reeds vervaardigd in een schuine vorm, in lijn met de scheefstand van het vloerveld. Deze aftimmering dateert van (ver) voor de zetting in 2009. Het feit dat de begane grondvloer in (veel) mindere mate scheefstand vertoont, onderstreept deze conclusie. Wanneer de scheefstand een gevolg was geweest van verzakking van de dragende zijgevel had dezelfde scheefstand moeten optreden in de begane grondvloer. De scheefstand van de begane grondvloer wordt niet als bovenmatig of uitzonderlijk getaxeerd, voor dit type woning met bijbehorend bouwjaar. Bovenstaande leidt tot de conclusie dat de scheefstand van genoemde verdiepingsvloer niet het gevolg is van de in 2009 opgetreden zetting.

Exterieur

De beeldvorming die ontstaat naar aanleiding van de bevindingen is dat een bovenmatige zetting heeft plaatsgevonden nabij de linker zijgevel. Deze heeft een verzakking van de fundering tot gevolg gehad, welke in meest ernstige vorm in het midden van de linker zijgevel is opgetreden.

Omdat de linkerzijde van de woning aannemelijke wijs drie funderingsvormen heeft, is het logisch dat een eventuele zetting (door een tijdelijke verlaging van grondwaterstand in een klei/veenachtige omgeving) juist in deze situatie in het midden optreedt, omdat hier de meest zwakke funderingsvorm zit. Een paaljuk op de uitwendige hoek (verbeterde fundering) bij de voorgevel; een stroken fundering op een weinig draagkrachtige ondergrond onder het verdere deel van de linker zijgevel (zwakke fundering); tot slot een betonnen plaatfundering van de aansluitende schuur achter de keuken (sterke fundering). Door de verschilzettingen zijn in 2009 hoofdwaarschijnlijk reeds bestaande scheuren in de linker zijgevel significant verergerd. Het betreft dan voornamelijk het middendeel.

Resumerend

Op basis van bovenstaande is de conclusie dat het aannemelijk is dat een zekere mate van schade/

scheurvorming reeds aanwezig moet zijn geweest vóór de zetting in 2009. Het paaljuk op de uiterste hoek linker zijgevel/voorgevel en de meer draagkrachtige fundering aan het achterste deel van de woning hebben een “hangmat-effect” gecreëerd, waardoor de horizontale scheurvormingen in het midden van de linker zijgevel tot de huidige scheurwijdte konden toenemen.

Naast hiervoor genoemde aannemelijkheid van primaire bouwkundige oorzaken is eveneens aannemelijk dat de genoemde zettingen/verzakkingen met gevolgschade in de vorm van aangetroffen

scheurvormingen zijn verergerd ten gevolge van het in 2009 opgetreden evenement. Dit blijkt uit de

verschillende verklaringen en informatie uit verstrekte stukken èn de indrukken bij het onderzoek ter

plaatse.

De mate waarin beide invloedsfactoren (initiële bouwkundige oorzaken en in 2009 opgetreden zetting) hun aandeel hebben gehad in het ontstaan van de huidige schade wordt door deskundige op ieder 50% gesteld. Indien immers de zetting in 2009 niet zou zijn opgetreden was de huidige schade naar alle waarschijnlijkheid in mindere mate opgetreden. Was echter de bouwkundige situatie meer stabiel geweest (ongeacht de funderingswijze), had de “bijkomende” zetting wellicht ook een geringer effect gesorteerd.

2. Welke concrete en specifieke maatregelen zijn nodig om de woning terug te brengen in de staat waarin zij zich voorafgaand aan de in 2009 opgetreden zetting bevond?

Ten behoeve van de vaststelling van benodigde herstelmaatregelen is als uitgangspunt de opsomming en begroting van [A] (adviseur partij [eiseres ] ) genomen. Deze wordt door deskundige in beginsel als een goede basis beschouwd om het daadwerkelijk benodigde herstel verder in redelijkheid uit te kunnen werken.

Aan genoemde begroting is in een aparte kolom de beoordeling van [B] (adviseur partij provincie Zuid-Holland) toegevoegd. In een laatste kolom zijn (indien van toepassing) de nodige maatregelen naar beoordeling van deskundige toegevoegd. Zie bijlage 1. De in laatste kolom opgenomen maatregelen zijn naar beoordeling van deskundige nodig om de woning terug te brengen in de staat waarin zij zich voorafgaand aan de in 2009 opgetreden zetting bevond.

De volgende overweging ligt hieraan ten grondslag:

Partijen verschillen van inzicht over het herstel. [eiseres ] claimt bij monde van het advies [A] dat ten gevolge van de zetting een paalfundering dient te worden geplaatst en grootschalig herstel dient te worden verricht. Kosten volgens dit rapport circa € 140.000,00. Provincie Zuid-Holland nuanceert middels het rapport van [C] dat, samengevat, scheefstand reeds langere tijd aanwezig is geweest en vroeg of laat toch herstel moest plaatsvinden. De laatste begroot de kosten op maximaal circa € 15.000,00.

Onder beantwoording van vraag 1 is reeds aangegeven dat de initiële oorzaak voor de meeste van de

aanwezige scheurvormingen aannemelijk reeds aanwezig is geweest. Eveneens echter aannemelijk wordt geacht dat de schade verergerd is door de plotselinge zetting in 2009. De exacte situatie van vóór dit evenement is niet meer terug te halen, beschikbare stukken geven hiervan onvoldoende beeld.

Herstel van de schade dient in eerste instantie te bestaan uit het creëren van een nieuwe, draagkrachtige basis, teruggebracht op een voldoende hoogte. Het “rechtzetten” van de plaatselijk ernstig verzakte bouwdelen levert hiertoe in de optiek van deskundige onvoldoende zekerheid op een acceptabel/duurzaam resultaat. Evenmin ligt het op de weg te herstellen/vernieuwen bouwdelen opnieuw te plaatsen op een fundering op staal. De draagkracht van de bodem wordt hiertoe ontoereikend geacht, los van de vraag of dit door toedoen van de in 2009 opgetreden zetting, of reeds van oudsher het geval is.

Gelet op bovenstaande is het naar de beoordeling van deskundige ten behoeve van een duurzaam herstel noodzakelijk de gehele hoek waarin de verzakking optreedt (vanaf de breuklijn gevormd door de kelder, tot aan de linker zijgevel, circa 4,5 x 4,0 meter) aanvullend te funderen. Dit is realiseerbaar door het plaatsen van enkele funderingspalen, waarmee de draagconstructie dient te worden verbonden. Nieuwe, grootschalige zettingen zijn daarmee uitgesloten. Een verder herstel dient te bestaan uit het aanhelen en/of repareren van wanden en gevels. Zie voor een gedetailleerd overzicht van herstel werkzaamheden de bijlage.

3. Wat is te dien aanzien uw oordeel over het hersteladvies van de heer [A] van [A] Bouwadvisering en het commentaar van partijen op dit hersteladvies?

Ten behoeve van de vaststelling van benodigde herstelmaatregelen is als uitgangspunt de opsomming en begroting van [A] (adviseur partij [eiseres ] ) genomen. Hieraan is in een aparte kolom de beoordeling van [B] (adviseur partij provincie Zuid-Holland) toegevoegd. In een laatste kolom zijn (indien van toepassing) de redelijke kosten naar beoordeling van deskundige toegevoegd. Zie bijlage 1.

Het al dan niet overnemen of wijzigen van de door [A] aangegeven maatregelen geeft in feite het oordeel van deskundige over dit hersteladvies weer.

Conclusie uit het overzicht in de bijlage is dat de herstelmethode welke [A] voorschrijft ten dele door deskundige kan worden gevolgd. Op onderdelen zijn de kosten teruggebracht, omdat naar de beoordeling van deskundige kosten te hoog zijn ingeschat, of bepaalde opgevoerde herstelwerkzaamheden niet noodzakelijk aan de onderhavige schade zijn te relateren.

4. Welke kosten zijn naar uw inschatting met de bij vraag 2 bedoelde maatregelen gemoeid, onderverdeeld naar uw eigen specificatie van deze maatregelen?

Ten behoeve van de vaststelling van herstelkosten is als uitgangspunt de opsomming en begroting van [A] (adviseur partij [eiseres ] ) genomen. Hieraan is in een aparte kolom de beoordeling van [B] (adviseur partij provincie Zuid-Holland) toegevoegd. In een laatste kolom zijn (indien van toepassing) de redelijke kosten naar beoordeling van deskundige toegevoegd. Zie bijlage 1.

Uit het overzicht is een totaal aan geraamde herstelkosten te herleiden van € 97.427,48 (inclusief btw en bijkomende kosten).

5. Wat is uw oordeel over de kostenbegroting van de heer [A] en het commentaar van partijen op deze begroting?

Ten behoeve van de vaststelling van herstelkosten is als uitgangspunt de opsomming en begroting van [A] (adviseur partij [eiseres ] ) genomen. Hieraan is in een aparte kolom de beoordeling van [B] (adviseur partij provincie Zuid-Holland) toegevoegd. In een laatste kolom zijn (indien van toepassing) de redelijke kosten naar beoordeling van deskundige toegevoegd. Zie bijlage 1. Het al dan niet overnemen of wijzigen van de door [A] aangegeven kosten geeft reeds een oordeel van deskundige over deze kosten weer.

Conclusie uit het overzicht in de bijlage is dat de herstelmethode welke [A] voorschrijft ten dele door deskundige kan worden gevolgd. Op onderdelen zijn de kosten teruggebracht, omdat naar de beoordeling van deskundige bepaalde kosten te hoog zijn ingeschat of bepaalde opgevoerde

herstelwerkzaamheden niet noodzakelijk aan de onderhavige schade zijn te relateren.

6. Heeft u overigens nog opmerkingen over de schade aan de woning van [eiseres ] als gevolg van de in 2009 opgetreden zetting en (de kosten van) het herstel daarvan?

Alle van belang zijnde opmerkingen ten aanzien van de schade en (kosten van) het benodigd herstel zijn reeds gemaakt.

7. Resulteert de uitvoering van herstelwerkzaamheden in een zodanige verbetering van de woning ten opzichte van de staat van de woning in 2009 voorafgaand aan de opgetreden zetting dat de verwachting is dat kosten verband houdende met regulier uit te voeren onderhoud aan de woning uitblijven of worden beperkt? Bij de beantwoording dienen de kosten die uitblijven of worden beperkt te worden gespecificeerd.

Bij het vaststellen van de benodigde herstelwerkzaamheden is ten aanzien van bedoelde, aan onderhoud gerelateerde maatregelen, in redelijkheid uitgegaan van een herstel naar de bestaande situatie, van voor de in 2009 opgetreden zetting.

Ten aanzien van regulier uit te voeren onderhoud zijn bepaalde werkzaamheden, zoals het schilderen van kozijnwerk, reeds uit de begroting weggelaten, of in redelijkheid naar rato beperkt. Herstel van

bijvoorbeeld schilderwerk van (binnen)wanden is wel in de begroting opgenomen, omdat dit als redelijk wordt gezien met betrekking tot de ingrijpende bouwkundige maatregelen welke aan deze bouwdelen moeten worden verricht. Verdere beperking van deze kosten wordt door deskundige niet als redelijk gezien.

8. Leveren de herstelwerkzaamheden anderszins een verbetering van de woning op ten opzichte van de staat van de woning in 2009 voorafgaand aan de opgetreden zetting?

Het als noodzakelijk bepaalde herstel omhelst een wijziging van het funderingsprincipe, van een

fundering “op staal” naar een paalfundering. Hiermee wordt de draagkracht van ten minste een deel van de woning, significant verbeterd. De waarschijnlijke aanwezigheid van het paaljuk en de aanwezigheid van enkele (vermoedelijk) reeds bestaande “oude” scheurvormingen geven aanleiding om te veronderstellen dat een bepaalde zettingsproblematiek in het verleden reeds speelde. Weliswaar is hierbij aannemelijk dat de problematiek kleiner was dan na de zetting van 2009, dat bepaalde problemen speelden is eveneens aannemelijk. Derhalve is de conclusie dat middels het als noodzakelijk bepaalde herstel eveneens een oud probleem wordt aangepakt. In dat licht is sprake van een verbetering.

De eerder aangegeven verdeelsleutel van elk 50% (initiële bouwkundige oorzaken en in 2009 opgetreden zetting) is ten behoeve van het in redelijkheid te bepalen schadebedrag toe te passen op de door deskundige begrootte herstelkosten (zie bijlage 1).

Hiermee resteert naar de beoordeling van deskundige een in redelijkheid door de provincie Zuid-Holland aan [eiseres ] te vergoeden schadebedrag van € 48.713,74.

9. Hebt u verder nog opmerkingen die voor de beoordeling van het geschil van belang kunnen

zijn?

Alle van belang zijnde opmerkingen zijn reeds gemaakt.”

2.3.

Partijen kunnen zich niet geheel vinden in het rapport van Van Drie, waarbij partijen onder meer hebben verwezen naar hun commentaar in de akten uitlaten conceptdeskundigenbericht. Hierop heeft de deskundige vervolgens op blz. 15-17 van zijn eindrapport gereageerd. Voor zover partijen op deze reactie vervolgens niet nader inhoudelijk zijn ingegaan in hun conclusies na deskundigenbericht passeert de rechtbank het commentaar van partijen en volgt zij de bevindingen van Van Drie.

2.4.

Onder nr. 1 van haar akte uitlaten concept-deskundigenbericht voert [eiseres ] onder meer aan dat zij en haar echtgenoot zelf hebben waargenomen dat de scheefstand van de begane grondvloer in de zomer van 2009 is ontstaan. Hierbij verwijst [eiseres ] ook naar een tweetal door haar overgelegde taxatierapporten uit 2006 en 2007. In reactie hierop schrijft de deskundige onder meer het volgende:

“Terecht merkt [eiseres ] op dat ik het tweede taxatierapport heb mogen ontvangen. De inhoud van dit rapport acht ik echter onvoldoende feitelijk met betrekking tot de mate van scheefstand, waardoor ik hier in mijn rapportage niet nader op in ben gegaan.”

2.5.

Op dit punt voert [eiseres ] in haar conclusie na deskundigenbericht aan dat het tweede taxatierapport, net als het eerdere taxatierapport, geen melding maakt van scheef-stand van de vloer in de richting van de uitwendige hoek van de woning. [eiseres ] acht het aannemelijk dat beide taxateurs een eventuele sterke scheefstand van het vloerveld zou zijn opgevallen en dat zij daarvan melding zouden hebben gemaakt in hun rapporten. Daarom dient ook de verzakking van de begane grondvloer ter plaatse aan de zettingen van de zomer 2009 te worden toegeschreven, aldus [eiseres ] .

2.6.

De rechtbank overweegt als volgt. In geen van de door [eiseres ] bedoelde taxatierapporten is melding gemaakt van de door Van Drie geconstateerde sterke scheefstand van de verdiepingsvloer, terwijl die scheefstand volgens Van Drie reeds vóór de zetting van de zomer 2009 aanwezig was, hetgeen [eiseres ] niet heeft bestreden. Daarom is de rechtbank met Van Drie van oordeel dat de taxatierapporten niet relevant zijn voor de vraag of de scheefstand van de begane grondvloer is ontstaan ten gevolge van de in 2009 opgetreden zetting die het onderwerp van deze procedure is. Afgezien daarvan komt het de rechtbank voor dat Van Drie bij zijn schadebegroting rekening heeft gehouden met werkzaamheden aan de begane grondvloer. Van Drie heeft immers ingestemd met de door de adviseur van [eiseres ] , Kokshooorn, opgevoerde post 24.00 “Timmerwerk ruwbouw” ten bedrage van € 1.920,- (bijlage 1 van het rapport). Deze post heeft, zo blijkt uit de omschrijving van Van Drie onder meer betrekking op het herstel van de balklaag van de vloer van de begane grond.

2.7.

Onder nr. 2 van haar akte uitlaten concept-deskundigenbericht voert [eiseres ] aan dat de deskundige de scheefstand van de begane grondvloer ten onrechte niet als bovenmatig of uitzonderlijk heeft aangemerkt. Op deze reactie is Van Drie volgens [eiseres ] niet ingegaan in zijn eindrapport. De rechtbank passeert dit standpunt van [eiseres ] , gelet op hetgeen hiervoor onder 2.6 is overwogen.

2.8.

Onder nr. 3 van haar akte uitlaten concept-deskundigenbericht voert [eiseres ] , samengevat, aan dat Van Drie de grenzen van zijn opdracht overschrijdt, nu hij uitgaat van meerdere schadeoorzaken en op grond daarvan een aftrek van 50% toepast op het schadebedrag. Dit strookt volgens [eiseres ] niet bij het oordeel van de rechtbank onder 2.7 van het tussenvonnis van 8 januari 2014 dat de in 2009 geconstateerde schade is veroorzaakt door de aanleg van de duiker. In dit verband wijst [eiseres ] ook op r.o. 4.7 van het tussenvonnis van 31 oktober 2012, waarin is beslist dat de eventuele onzekerheid over de toestand van de woning vóór de aanleg van de duiker en het verloop van de grondwaterstand onder de woning in 2009 voor risico van de provincie moet worden gebracht.

2.9.

Op dit commentaar van [eiseres ] reageert Van Drie in zijn eindrapport als volgt:

"Juist de aanwezigheid van een paaljuk op de uitwendige hoek aan de linker voorzijde van het gebouw geeft aan dat het hoogst aannemelijk is dat zich reeds een initiële oorzaak heeft voorgedaan op het ontstaan van gebouwschade. Deskundige heeft dit laten meewegen in zijn beoordeling zoals verwoord bij mijn gemotiveerde beantwoording van de vragen. De in een tijdsbestek van twee weken zichtbare veranderingen impliceren naar het inzicht van deskundige niet dat hiermee een primaire

schadeoorzaak valt aan te wijzen. De beeldvorming ter plaatse geeft aan dat er reeds een initiële

oorzaak (bouwfout in de vorm van een ondeugdelijke fundering) aanwezig was, maar dat deze nog

geen ernstige scheuren in het bovenliggende metselwerk teweeg had gebracht. Deze aspecten heb ik

laten meewegen in een beoordeling vanuit redelijkheid. De reactie van [eiseres ] geeft mij geen

aanleiding deze zienswijze te herzien, temeer ook omdat in het taxatierapport van april 2006 is

genoemd dat de onderhouds- of bouwkundige staat op enig punt beschreven als matig of slecht is.

Waar het buitenonderhoud als matig is gekwalificeerd.”

2.10.

Met betrekking tot deze reactie stelt [eiseres ] zich in haar conclusie na deskundigenbericht op het standpunt dat Van Drie met name niet is ingegaan op het argument van [eiseres ] dat de zienswijze van Van Drie niet strookt met het oordeel van de rechtbank onder 2.7 van het tussenvonnis van 8 januari 2014 dat de in 2009 geconstateerde schade is veroorzaakt door de aanleg van de duiker.

2.11.

Hierover wordt het volgende overwogen. De rechtsoverwegingen waarop [eiseres ] wijst hebben betrekking op het vaststellen van het zogenaamde condicio sine qua non-verband tussen het handelen van de provincie (de aanleg van de duiker) en de in de zomer van 2009 opgetreden scheurvorming/schade aan de woning. Dit condicio sine qua non-verband was nodig om tot de conclusie te komen dat de provincie jegens [eiseres ] aansprakelijk is.

2.12.

Gegeven deze aansprakelijkheid is vervolgens aan de orde welke concrete schade aan de woning is veroorzaakt door de in 2009 opgetreden zetting (vraag 1). Deze vraag brengt mee dat Van Drie ook eventuele andere oorzaken van de schade dan de in 2009 opgetreden zetting in zijn beoordeling zou betrekken, in dit geval de door Van Drie aangeduide “initiële bouwkundige oorzaken”, waaronder de (gebrekkige) fundering van de woning. De rechtbank passeert dan ook het standpunt van [eiseres ] als bedoeld onder 2.11.

2.13.

Onder nr. 6 van haar akte uitlaten concept-deskundigenbericht voert [eiseres ] onder meer aan dat ook uit een vergelijking van de verschillende beschikbare taxatiewaarden van haar woning een schadebedrag volgt dat correspondeert met de herstelkosten die haar adviseur [A] heeft begroot. Op dit argument is Van Drie volgens [eiseres ] niet ingegaan in zijn eindrapport, waardoor de motivering van het rapport tekortschiet, aldus [eiseres ] .

2.14.

Op het argument met betrekking tot de vergelijking van taxatiewaarden om de schade te begroten is Van Drie inderdaad niet ingegaan in zijn rapport. Dat brengt naar het oordeel van de rechtbank niet mee dat het rapport onvoldoende is gemotiveerd, aangezien de vergelijking van taxatiewaarden om de schade te begroten niet past in de vraagstelling aan Van Drie.

2.15.

Zoals eerder genoemd maakt Van Drie (bij de beantwoording van de vragen 1 en 8) een onderscheid tussen “initiële bouwkundige oorzaken” en de in 2009 opgetreden zetting als oorzaken voor het ontstaan van de schade van de woning. Deze oorzaken hebben naar het oordeel van Van Drie ieder voor 50% aan het ontstaan van de huidige schade bijgedragen. Hiertegen heeft de provincie, samengevat, aangevoerd dat het percentage arbitrair is vastgesteld, omdat uit het rapport niet blijkt hoe Van Drie tot deze verdeelsleutel is gekomen.

2.16.

Op dit bezwaar van de provincie reageert Van Drie in zijn eindrapport als volgt:

“De provincie heeft voorafgaande aan haar werkzaamheden geen nulmeting aan de woning van [eiseres ]

uitgevoerd. Hiermee had een beter en meer zuiver beeld van de woning, voor de

werkzaamheden inzichtelijk gemaakt kunnen worden. De beeldvorming voor deskundige is derhalve

achteraf zonder volledig referentiemateriaal, moeilijk exact te maken. In mijn beoordeling heb ik de

beide factoren “initiële bouwkundige oorzaken en in 2009 opgetreden zetting” in redelijkheid proberen te beoordelen op grond van beschikbaar gesteld materiaal en de beeldvorming ter plaatse. Ondermeer betreft dit de samenvatting van het gesprek in het fugro rapport (productie 3 bij Akte de provincie). Op basis hiervan is een gelijke weging gegeven (zie ook motivering onder 4.1. punt 3).”

(Dit betreft het citaat onder r.o. 2.10, rechtbank)

2.17.

Hiermee en met de overige inhoud van het rapport, in onderlinge samenhang bezien, heeft Van Drie naar het oordeel van de rechtbank voldoende inzichtelijk gemaakt hoe hij tot de verdeelsleutel is gekomen, in aanmerking genomen dat geen sprake is van een exact te berekenen percentage, maar een inschatting mede op basis van de eigen expertise van Van Drie. De rechtbank verwerpt dan ook het bezwaar van de provincie.

2.18.

De provincie voert in haar akte uitlaten conceptrapport deskundige onder meer aan, dat het plaatsen van een aanvullende fundering, zoals Van Drie noodzakelijk acht, een verbetering inhoudt en verder gaat dan het terugbrengen van de staat van de woning, waarin zij zich voorafgaand aan de opgetreden zetting bevond.

2.19.

Op dit bezwaar reageert Van Drie in zijn eindrapport als volgt:

“15. Deskundige laat het aan de rechtbank over om met betrekking tot de motivatie van de provincie over het onderdeel fundering te beslissen. Het betreft een post van € 14.570,-. Uitgangspunt bij de beoordeling is dat herstel goed en deugdelijk geschiedt. Dit impliceert dat de fundering verbeterd dient te worden. Een aanvullende fundering bijplaatsen is kort gezegd een verbetering en gaat voorbij aan het terugbrengen in de staat waarin het zich voorafgaand aan de zetting bevond. Deskundige geeft aan rechtbank ter overweging een extra korting van € 7.500,- door te voeren indien zij meent dat Verdeelsleutel 50-50 “initiële bouwkundige oorzaken en in 2009 opgetreden zetting” onvoldoende recht doet aan dit specifieke onderdeel.”

2.20.

De provincie acht de door Van Drie genoemde extra korting van € 7.500,- te gering omdat Van Drie volgens de provincie geen rekening houdt met de overige kostenposten die verband houden met het vervangen van de fundering, te weten voorbereidingskosten ten bedrage van € 18.020,- (code 01.00), kosten voor verblijf elders ten bedrage van

€ 10.000,- (code 02.00) en stut- en sloopwerk ten bedrage van € 3.555,- (code 10.00).

2.21.

De rechtbank constateert dat Van Drie in zijn eindrapport al uitdrukkelijk is ingegaan op de opmerkingen van de provincie in haar akte uitlaten conceptrapport deskundige met betrekking tot de posten 01.00 en 02.00. Hierover schrijft Van Drie het volgende:

“Deskundige heeft deze posten in redelijkheid meegenomen bij zijn beoordeling bij de beantwoording

van de vragen. Zie punt 15 voor een eventuele heroverweging door rechtbank voor het onderdeel

fundering.”

2.22.

De rechtbank volgt Van Drie in zijn deskundig oordeel dat het bijplaatsen van een aanvullende fundering noodzakelijk is voor een goed en deugdelijk herstel alsmede dat dit funderingsherstel een verbetering van de woning meebrengt ten opzichte van de staat van de woning in 2009 voorafgaand aan de opgetreden zetting. Die verbetering geeft de rechtbank echter geen aanleiding een extra korting toe te passen, aangezien naar haar oordeel met de hiervoor genoemde verdeelsleutel al voldoende rekening is gehouden met de staat en wijze van de fundering van de woning.

2.23.

Vervolgens is nog aan de orde het standpunt van de provincie dat Van Drie in zijn eindrapport ten onrechte niet is ingegaan op de begroting van de deskundige van de provincie van de post schilderwerk op € 500,- (productie 1 akte uitlaten conceptrapport deskundige), waarbij is vermeld: “schilderwerk is beperkt, het bestaande schilderwerk is al oud, muren worden behangen en kozijnen behoeven niet te worden vernieuwd. Bijschilderen van het schaafwerk aan deuren en ramen”.

2.24.

Over deze post heeft Van Drie in bijlage 1 van het conceptrapport het volgende geschreven: “schilderwerk wanden & tegels redelijk, kozijnwerk betreft regulier onderhoud.” Deze passage alsmede het door hem begrote bedrag van € 3.000,- heeft Van Drie in zijn eindrapport gehandhaafd. De rechtbank acht de toelichting van de post schilderwerk door de deskundige van de provincie van deze post niet wezenlijk anders dan die van Van Drie. Daarnaast neemt de rechtbank in aanmerking het antwoord van Van Drie op vraag 7, waarin onder meer is vermeld dat het schilderwerk van de (binnen)wanden als redelijk wordt beoordeeld gezien de ingrijpende bouwkundige maatregelen aan deze bouwdelen. De rechtbank volgt op dit punt het deskundig oordeel van Van Drie.

2.25.

Hetgeen hiervoor werd overwogen leidt de rechtbank ertoe dat zij de conclusies van Van Drie en de gronden waarop deze berusten overneemt en tot de hare maakt. De eindconclusie van Van Drie is dat de door [eiseres ] geleden schade wordt begroot op

€ 48.713,74. Hierop dient nog een aftrek van 25% wegens eigen schuld (zie r.o. 2.8 van het tussenvonnis van 8 januari 2014) te worden toegepast. Er resteert er een toe te wijzen bedrag van (0,75 x € 48.713,74 = ) € 36.535,31.

2.26.

Met betrekking tot de over de hoofdsom gevorderde wettelijke rente voert de provincie aan dat deze niet toewijsbaar kan zijn vanaf 9 juni 2012, omdat [eiseres ] haar vordering pas bij akte van 18 september 2012 heeft verminderd en nader heeft onderbouwd. Dit verweer gaat niet op, nu sprake is van een eisvermindering. De gevorderde wettelijke rente vanaf 9 juni 2012 zal dan ook worden toegewezen.

2.27.

Aangezien in dit vonnis de schade is begroot, bestaat geen grond voor de gevorderde verwijzing naar de schadestaat, zodat deze vordering van [eiseres ] wordt afgewezen.

2.28.

[eiseres ] vordert ter vergoeding van kosten ter vaststelling van schade en aansprakelijkheid als bedoeld in artikel 6:96 lid 2 BW bedragen van € 460,23 en € 803,25. [eiseres ] stelt hiertoe dat zij DEJA Bouwadviseur en [A] Bouwadvisering heeft ingeschakeld en gevraagd om een onderbouwd en gemotiveerd hersteladvies voor haar woning op te stellen.

2.29.

De rechtbank is met de provincie van oordeel dat [eiseres ] de betrokkenheid van DEJA bij het hersteladvies van [A] Bouwadvisering onvoldoende heeft toegelicht. De factuur van DEJA (productie 2 bij akte houdende eisvermindering) biedt op dit punt evenmin helderheid. Daarom wordt het gevorderde bedrag van € 460,23 afgewezen.

2.30.

Het hersteladvies van [A] Bouwadvisering is door Van Drie in zijn onderzoek betrokken en vormt mede de grondslag van zijn schadebegroting. Daarom zijn de kosten van het hersteladvies toewijsbaar, met dien verstande dat daarop eveneens een aftrek van 25% wegens eigen schuld in mindering wordt gebracht. De kosten van het hersteladvies behoren immers tot de vermogensschade. Er resteert een toe te wijzen bedrag van (0,75 x

€ 803,25 =) € 602,44. Over dit bedrag wordt de wettelijke rente toegewezen vanaf 18 september 2012, nu [eiseres ] de kosten van het hersteladvies pas op die datum aan de provincie heeft kenbaar gemaakt.

2.31.

Ten slotte is nog aan de orde de vordering van [eiseres ] met betrekking tot de buitengerechtelijke incassokosten. Aangezien het verzuim van de provincie met betrekking tot de hoofdsom vóór 1 juli 2012 is ingetreden, is het rapport Voor-Werk II van toepassing. De vordering zal worden afgewezen. [eiseres ] heeft immers nagelaten een omschrijving te geven van de voor haar rekening verrichte buitengerechtelijke werkzaamheden. De kosten waarvan [eiseres ] vergoeding vordert, moeten dan ook worden aangemerkt als betrekking hebbend op verrichtingen waarvoor de proceskostenveroordeling wordt geacht een vergoeding in te sluiten.

2.32.

De provincie zal als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van de procedure. De rechtbank begroot de kosten aan de zijde van [eiseres ] als volgt:

- dagvaarding: € 101,81

- griffierecht: € 1.414,-

- deskundige: € 4.055,92

- salaris advocaat: € 3.184,50 (5 ½ punten à € 579,- volgens tarief III)

totaal: € 8.756,23

3 De beslissing

De rechtbank

3.1.

veroordeelt de provincie tot betaling van een schadevergoeding aan [eiseres ] van € 36.535,31, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 9 juni 2012 tot de dag van algehele voldoening;

3.2.

veroordeelt de provincie tot vergoeding van de kosten die [eiseres ] heeft gemaakt ter vaststelling van schade en aansprakelijkheid van € 602,44, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 18 september 2012 tot de dag van algehele voldoening;

3.3.

veroordeelt de provincie in de kosten van de procedure, tot op heden aan de zijde van [eiseres ] begroot op € 8.756,23;

3.4.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

3.5.

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. G.H.I.J. Hage en in het openbaar uitgesproken op

14 oktober 2015.

type: 1554

coll: