Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2015:12246

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
26-10-2015
Datum publicatie
27-10-2015
Zaaknummer
09/857691-15
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Hoewel redelijkerwijs voorzienbaar is dat iemand zijn auto wil redden, is de rechtbank van oordeel dat naar algemene ervaringsregels niet voorzienbaar is dat iemand zijn auto probeert te redden in een situatie waarin door een naastgelegen brandende auto gevaar voor zijn leven dan wel gevaar voor zwaar lichamelijk letsel te duchten is.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Strafrecht

Meervoudige strafkamer

Parketnummers: 09/857691-14 en 09/818903-14 (tul)

Datum uitspraak: 26 oktober 2015

Tegenspraak

(Promisvonnis)

De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedag] 1992 te [geboorteplaats] ,

thans gedetineerd in de penitentiaire inrichting Haaglanden, locatie Zoetermeer te Zoetermeer.

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden ter terechtzittingen van 27 mei 2015, 24 juli 2015 en 12 oktober 2015.

De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie

mr. D.J. de Jong en van hetgeen door de raadsvrouw van verdachte mr. N. Harlequin, advocaat te Den Haag, en door de verdachte naar voren is gebracht.

2 De tenlastelegging

Aan de verdachte is - na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting - ten laste gelegd dat:

1.

hij op 10 februari 2015 te Maassluis, in elk geval in Nederland, opzettelijk in zijn woning aanwezig heeft gehad een (handels)hoeveelheid pillen en/of poeders en/of capsules, bevattende, MDMA/XTC en/of één of meer andere middelen als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

2.

hij op of omstreeks 23 december 2014 te Zoetermeer, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk een ontploffing teweeg heeft gebracht en/of brand heeft gesticht door een zwaar stuk (professioneel) vuurwerk onder een auto af te steken,

en daarvan gemeen gevaar voor die auto en/of andere auto’s en/of (een) nabij gelegen woning(en), in elk geval gemeen gevaar voor goederen en/of

levensgevaar voor [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] , in elk geval levensgevaar voor een ander of anderen en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 1] , in elk geval gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander of anderen te duchten was;

Subsidiair, indien het vorenstaande niet tot een bewezenverklaring en/of een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 23 december 2014 te Zoetermeer met een ander of anderen,

op de openbare weg, te weten de [adres] , openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een of meer auto's (in elk geval een Volkswagen Polo), welk geweld bestond uit het afsteken onder een auto van een zwaar stuk (professioneel) vuurwerk, en met welk geweld opzettelijk (één van) deze auto’s en/of een ruit van een nabijgelegen woning zijn vernield en/of welk geweld zwaar lichamelijk letsel (te weten ernstige brandwonden aan handen en/of hoofd bij [slachtoffer 2] ) ten gevolge heeft gehad.

3 Bewijsoverwegingen

3.1

feit 1

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder feit 1 ten laste gelegde feit heeft begaan.

De rechtbank is van oordeel dat met een opgave van bewijsmiddelen, als genoemd in artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafrecht kan worden volstaan, nu de verdachte het bewezenverklaarde heeft bekend. Voorts heeft de verdachte nadien niet anders verklaard en heeft de raadsvrouw van de verdachte geen vrijspraak bepleit.

De rechtbank heeft bij de beoordeling acht geslagen op de volgende bewijsmiddelen1:

  • -

    de bekennende verklaring door verdachte ter terechtzitting van 12 oktober 2015;

  • -

    het proces-verbaal van bevindingen van de politie eenheid Den Haag, d.d. 11 februari 2015 (blz. 27 en 28);

  • -

    het proces-verbaal van de Politie Den Haag, Dienst Nationale Recherche, team Forensische Opsporing, Narcotica, d.d. 17 februari 2015 (blz. 374 tot en met 376);

  • -

    het rapport identificatie van drugs en precursoren van het Nederlands Forensisch Instituut, d.d. 11 maart 2015 (blz. 377 en 378).

3.2

feit 2 primair

3.2.1

Inleiding

Op 23 december 2014 omstreeks 22:20 uur krijgen de meldkamers van de politie en van de brandweer te Zoetermeer verschillende meldingen dat er auto’s in brand stonden op de [adres] te Zoetermeer. Door een aantal melders werd gesproken over een vuurwerkbom die tot ontploffing zou zijn gebracht.

Ter plaatse gekomen, ziet de politie dat er een viertal naast elkaar geparkeerde auto’s in brand stond. De auto’s stonden dicht bij een hoekwoning geparkeerd.

Tevens treft de politie een man aan, die later het [slachtoffer 2] bleek te zijn, die niet bij bewustzijn was en brandwonden in zijn gezicht en aan zijn handen en benen had opgelopen.

Nadat de auto’s waren geblust, bleek dat twee van de auto’s volledig waren uitgebrand en twee ernstig beschadigd. Eén van de uitgebrande auto’s was de Volkswagen Polo van de ex-vriendin van verdachte, [slachtoffer 1] .

De rechtsvraag die de rechtbank allereerst dient te beantwoorden is of verdachte opzettelijk een ontploffing onder de auto van Veerman heeft teweeg gebracht. Vervolgens is de vraag aan de orde of het ten tijde van het aansteken van het vuurwerk naar algemene ervaringsregels voorzienbaar moet zijn geweest dat er gemeen gevaar voor goederen en gevaar voor zwaar lichamelijk letsel en/of levensgevaar voor een ander, in het bijzonder voor [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] , te duchten was.

3.2.2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard dat verdachte door het aansteken van een stuk vuurwerk onder de auto van Veerman opzettelijk een ontploffing heeft teweeggebracht waardoor brand is ontstaan. De officier van justitie heeft vervolgens geconcludeerd dat de strafverzwarende omstandigheden eveneens wettig en overtuigend bewezen kunnen worden verklaard omdat op het moment van de brandstichting naar algemene ervaringsregels voorzienbaar is geweest dat hierdoor gemeen gevaar voor goederen en levensgevaar dan wel gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor personen was te duchten

3.2.3

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft integrale vrijspraak bepleit.

Ten aanzien van het primair tenlastegelegde heeft de raadsvrouw zich op het standpunt gesteld dat niet met zekerheid is vast te stellen dat het vuurwerk van verdachte daadwerkelijk is afgegaan en heeft geleid tot de tenlastegelegde ontploffing. De raadsvrouw heeft betoogd dat de verklaringen van de verschillende getuigen niet eensluidend zijn over het aantal personen dat zich op verschillende momenten op de parkeerplaats bevond, waardoor het aannemelijk is dat een ander vuurwerk heeft aangestoken en de ontploffing heeft teweeg gebracht.

Ten aanzien van de strafverzwarende omstandigheden heeft de raadsvrouw zich op het standpunt gesteld dat naar objectieve maatstaven niet gesteld kan worden dat het ten tijde van het aansteken van het vuurwerk voorzienbaar is geweest dat gemeen gevaar voor goederen en gevaar voor zwaar lichamelijk letsel dan wel levensgevaar te duchten was.

3.2.4

De beoordeling van feit 2, primair

ontploffing

Op 23 december 2014 is verdachte samen met [medeverdachte] naar Zoetermeer gereden met het plan om zwaar vuurwerk onder de auto van zijn ex-vriendin te plaatsen en dat vuurwerk af te steken2. Verdachte heeft enkele dagen daarvoor illegaal knalvuurwerk gekocht. Bij de aankoop heeft verdachte tegen de verkoper van het vuurwerk gezegd dat hij iets wilde hebben dat ‘een goede klap’ gaf. Naar zijn zeggen wilde verdachte met het vuurwerk materiële schade aan de auto van [slachtoffer 1] toebrengen.3

[medeverdachte] , heeft in zijn grijze Renault Clio verdachte naar Zoetermeer gereden4. Ter plaatse aangekomen heeft [medeverdachte] de auto op de parkeerplaats geparkeerd, op een paar meter afstand van de auto van [slachtoffer 1] . Nadat verdachte was uitgestapt heeft hij het vuurwerk onder de auto van [slachtoffer 1] ter hoogte van de uitlaat neergelegd. Nadat verdachte de lont had aangestoken is hij weer de auto ingestapt en zijn de verdachten over de [adres] weggereden. [medeverdachte] heeft verklaard dat zij op het moment dat zij wegreden een knal hoorden5 en dat zij nog op de [adres] reden toen zij die doffe knal hoorden, waarbij hij heeft aangegeven dat zij het misschien niet zo goed konden horen, omdat de muziek in de auto erg hard aan stond.6 Ook verdachte heeft bij de politie verklaard dat hij iets dofs hoorde nadat zij waren weggereden.7

[getuige 1] heeft verklaard dat zij een felle flits zag en een enorme knal hoorde. Zij zag daarop een kleine licht gekleurde auto wegrijden.8 [getuige 2] heeft verklaard dat hij een zeer luide knal hoorde die uit de richting van het parkeerterrein kwam en dat hij even later zag dat er een Volkswagen in brand stond9. Het was de Volkswagen Polo van [slachtoffer 1] die in brand stond en uiteindelijk geheel is uitgebrand.10

De raadsvrouw heeft aangevoerd dat het op grond van het dossier niet zeker is dat het vuurwerk van verdachte ook daadwerkelijk is afgegaan en dat mogelijk andere personen op die avond eveneens vuurwerk op de parkeerplaats hebben afgestoken waardoor de ontploffing is veroorzaakt.

De rechtbank overweegt hieromtrent dat verdachte en zijn medeverdachte, zoals hiervoor weergegeven, beiden hebben verklaard dat zij een doffe knal hebben gehoord nadat zij zijn wegereden van de parkeerplaats. Beiden hebben terechtzitting verklaard dat zij geen andere knal hebben gehoord11. Ook de getuigen [getuige 1]12, [getuige 2]13, [getuige 3]14, [getuige 4]15, [getuige 5]16 en [getuige 6]17 verklaren over één knal. De verdachten hebben tevens ter terechtzitting verklaard dat zij geen andere personen op de parkeerplaats en in de omgeving hebben gezien.

Gezien het voorgaande acht de rechtbank het alternatieve scenario, inhoudende dat het vuurwerk van verdachte niet is afgegaan en dat andere personen op – min of meer – hetzelfde moment op de parkeerplaats eveneens vuurwerk hebben afgestoken waardoor de ontploffing onder de auto van [slachtoffer 1] is teweeggebracht, volstrekt onaannemelijk.

tussenconclusie

Gelet op het vorenstaande, in onderling verband bezien, acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte door het aansteken van een stuk vuurwerk onder de auto van [slachtoffer 1] opzettelijk een ontploffing heeft teweeggebracht, waardoor de Volkswagen Polo van [slachtoffer 1] in brand is gevlogen.

strafverzwarende omstandigheden

De rechtbank overweegt dat het opzet in het artikel 157 van het Wetboek van Strafrecht bedoelde misdrijf gericht moet zijn op het teweegbrengen van een ontploffing, maar dat de omstandigheid dat gemeen gevaar voor goederen of bepaald gevaar voor een ander te duchten is door de ontploffing, onttrokken is aan de opzet-eis. Voldoende is dat het bedoelde gevaar naar objectieve maatstaven aanwezig is en naar algemene ervaringsregels voorzienbaar is op het moment dat de gedraging wordt verricht, i.c. op het moment waarop het vuurwerk ontstoken wordt. De rechtbank is van oordeel dat aan dit criterium is voldaan.

gemeen gevaar voor goederen

De rechtbank overweegt dat op het moment dat verdachte het vuurwerk onder de auto van [slachtoffer 1] afstak, de auto geparkeerd stond naast andere auto’s op slechts enkele meters afstand van een hoekwoning. Verdachte was zich ervan bewust dat het zwaar vuurwerk betrof. Onder deze omstandigheden is het naar algemene ervaringsregels voorzienbaar dat bij het tot ontploffing brengen van zwaar vuurwerk onder een auto, een zeer brandbaar voorwerp gezien de benzinetank, brand te duchten is en dat daardoor schade zal ontstaan aan de daarnaast geparkeerde auto’s en de woning. Uit het rapport van de brandweer blijkt dat het buitenste glas van het raam van de woning was gesprongen en de gevel zwart was uitgeslagen.18 Dat het gevaar voor goederen zich heeft gematerialiseerd blijkt ook uit de schade die aan de twee uitgebrande en twee daarnaast gelegen auto’s is ontstaan ten gevolge van de brand.19

levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor personen in de woning

Uit genoemd rapport van de brandweer blijkt dat metershoge vlammen richting een woning gingen, een ruit op de eerste verdieping van die woning al was gebarsten, alsmede dat de vlammen tegen de gevel kwamen. De situatie was dusdanig gevaarlijk dat de brandweer het noodzakelijk vond de woning te ontruimen en de bewoners in veiligheid te brengen. Na het blussen bleek dat de gevel deels zwart was uitgeslagen door de vlammen.

Uit het voorgaande volgt dat op het moment van het teweegbrengen van de ontploffing vanwege de plek (onder een auto nabij de woning) en het tijdstip (in de avonduren) en de aanwezigheid van bewoners, naar ervaringsregels voorzienbaar is geweest dat sprake was van levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor de bewoners van die woning.

passanten

Niet is gebleken dat zich ten tijde van het aansteken van het vuurwerk andere personen bevonden in de directe nabijheid van de plek, waar de ontploffing heeft plaatsgevonden.

Dit brengt met zich dat naar ervaringsregels geen gevaar voor zwaar lichamelijk letsel of levensgevaar voor passanten voorzienbaar was.

[slachtoffer 1]

Nu niet is gebleken dat levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor [slachtoffer 1] te duchten was, zal de rechtbank verdachte van dit onderdeel van de tenlastelegging vrij spreken.

[slachtoffer 2]

heeft verklaard dat hij in bed lag, een knal hoorde en dat zijn vrouw vervolgens enkele seconden later riep dat hun auto in brand stond. [slachtoffer 2] is vervolgens naar zijn auto gelopen waar hij zag dat de auto van een buurvrouw, die naast zijn eigen auto stond, aan het branden was. Omdat de vlammen nog laag bij de grond waren, dacht dat hij zijn auto nog kon redden. [slachtoffer 2] is vervolgens in zijn auto gestapt en heeft de auto in zijn vrij gezet om hem weg te duwen. Plotseling ontstonden links hoge vlammen waardoor zijn jas in brand vloog. Toen is hij zijn auto uitgekropen en door iemand weggetrokken naar een veilige plek. [slachtoffer 2] is enkele dagen kunstmatig in coma gehouden en heeft ernstige brandwonden opgelopen aan zijn gezicht, handen en benen.2021

De vraag die de rechtbank dient te beantwoorden is of naar algemene ervaringsregels voor verdachte voorzienbaar is geweest dat [slachtoffer 2] onder die gevaarlijke omstandigheden zijn auto zou proberen te redden door er in te gaan zitten en deze weg te duwen.

[slachtoffer 2] heeft verklaard dat er laag bij de grond vlammen waren en dat hij de motor van de auto niet heeft gestart omdat hij bang was dat deze zou ontploffen. Hieruit blijkt dat [slachtoffer 2] zich bewust is geweest van de gevaarlijke situatie en het risico op het oplopen van zwaar lichamelijk letsel.

Hoewel redelijkerwijs voorzienbaar is dat iemand zijn auto wil redden, is de rechtbank van oordeel dat naar algemene ervaringsregels niet voorzienbaar is dat iemand zijn auto probeert te redden in een situatie waarin door een naastgelegen brandende auto gevaar voor zijn leven dan wel gevaar voor zwaar lichamelijk letsel te duchten is.

De rechtbank zal verdachte dan ook van dit onderdeel van de tenlastelegging vrij spreken.

medeplegen

Uit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting komt naar voren dat er geen sprake is geweest van een bewuste en nauwe samenwerking tussen verdachte en de [medeverdachte] , gericht op het opzettelijk teweegbrengen van de ontploffing, maar dat [medeverdachte] de uitvoering van het delict slechts heeft ondersteund door als chauffeur op te treden. Naar het oordeel van de rechtbank is er bij het onderhavige delict dan ook geen sprake van medeplegen, zodat de rechtbank verdachte van dat onderdeel zal vrijspreken.

3.3

De bewezenverklaring

De rechtbank verklaart bewezen dat:

1.

hij op 10 februari 2015 te Maassluis opzettelijk in zijn woning aanwezig heeft gehad een (handels)hoeveelheid pillen en poeders en capsules, bevattende MDMA en een ander middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I;

2.

hij op 23 december 2014 te Zoetermeer opzettelijk een ontploffing teweeg heeft gebracht door een zwaar stuk vuurwerk onder een auto af te steken en daarvan gemeen gevaar voor andere auto’s en een nabijgelegen woning en levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor anderen te duchten was.

4 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

Het bewezenverklaarde levert de volgende strafbare feiten op:

ten aanzien van feit 1:

opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod;

ten aanzien van feit 2:

opzettelijk een ontploffing teweegbrengen, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen en levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten is.

5 De strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is eveneens strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

6 De strafoplegging

6.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden met aftrek van de tijd doorgebracht in voorarrest, waarvan 10 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 5 jaren, met de bijzondere voorwaarden van een meldplicht, een ambulante behandelverplichting bij De Waag of soortgelijke zorginstelling, een drugs- en alcoholverbod met verplichte controle en een verplichting om de schade te vergoeden, die door feit 2 is veroorzaakt. Daarnaast vordert de officier van justitie ingevolge artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht aan verdachte als maatregel op te leggen, voor de duur van vijf jaar, dat verdachte zich niet zal ophouden binnen de gemeente Zoetermeer en zich zal onthouden van contact met [slachtoffer 1] . De officier van justitie vordert tevens de dadelijke uitvoerbaarheid van deze maatregel.

6.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw stelt zich op het standpunt dat, gezien haar haar verzoek om integrale vrijspraak, aan verdachte geen straf dient te worden opgelegd.

6.3

Het oordeel van de rechtbank

Na te melden straf is in overeenstemming met de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek ter terechtzitting is gebleken. De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.

Verdachte heeft uit gevoelens van boosheid jegens zijn ex-vriendin [slachtoffer 1] opzettelijk zwaar vuurwerk afgestoken onder haar auto. Met zijn handelen heeft hij niet alleen haar angst aangejaagd, maar ook aanzienlijke schade en een levensgevaarlijke situatie veroorzaakt. De rechtbank rekent het verdachte ernstig aan dat hij niet heeft stil gestaan bij de gevolgen van zijn handelen. Bovendien brengt dit soort feiten in de regel niet slechts in de directe omgeving, maar ook in de samenleving als geheel, onrust en gevoelens van angst en onveiligheid teweeg. Er is dan ook sprake van een ernstig feit waarop in beginsel gereageerd dient te worden met een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf van aanzienlijke duur.

Voorts heeft verdachte verdovende middelen aanwezig gehad.

De rechtbank heeft acht geslagen op een uittreksel Justitiële Documentatie van 12 februari 2015 betreffende verdachte, waaruit blijkt dat hij eerder voor geweldsdelicten is veroordeeld en dat verdachte bovendien ten tijde van het plegen van het bewezenverklaarde in een proeftijd liep.

Ten aanzien van de persoon van verdachte heeft de rechtbank kennis genomen van het psychologisch onderzoek Pro Justitia, gedateerd 6 mei 2015, opgesteld door drs. S.P. van der Hoorn, GZ-psycholoog. Uit het rapport komt naar voren dat er bij verdachte sprake is van een ziekelijke stoornis van de geestesvermogens in de vorm van ADHD en afhankelijkheid van middelen. Er is sprake van een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens in de vorm van antisociale persoonlijkheidstrekken. De antisociale trekken maken dat hij krenkbaar en egocentrisch is; hij weet onvoldoende zijn agressie te beheersen. Vanuit zijn zwakke gewetensfuncties wordt hij onvoldoende geremd in zijn gedrag. De ADHD maakt dat hij nauwelijks de gevolgen van zijn handelen overziet. Ten tijde van het onder 2 tenlastegelegde feit was verdachte enigszins in verminderde mate in staat om het ontoelaatbare van zijn handelen in te zien, maar hij was vooral verminderd in staat om adequate gedragskeuzes te maken. De psycholoog adviseert het feit, indien bewezen, in verminderde mate aan verdachte toe te rekenen. Het risico op recidive wordt als verhoogd ingeschat.

De deskundige acht een langdurig reclasseringscontact geïndiceerd om toe te zien op het functioneren van verdachte en hij adviseert dat verdachte wordt aangemeld bij de forensische polikliniek van Palier voor behandelmodules gericht op ADHD en middelengebruik. Tevens dient de agressiebehandeling bij De Waag te worden gecontinueerd.

De rechtbank heeft tevens kennis genomen van het advies van de Reclassering Nederland Adviesunit 2 Zuid-West, gedateerd 30 april 2015, opgesteld door S. Heemskerk, reclasseringswerker. De conclusies ten aanzien van de persoonlijkheid van verdachte sluiten aan bij die van de psycholoog in voornoemd rapport. De reclassering adviseert het opleggen van een deels voorwaardelijke gevangenisstraf met daaraan verbonden de bijzondere voorwaarden van een meldplicht, een behandelverplichting, een drugs-en alcoholverbod en de verplichting tot schadevergoeding voor de door hem ontstane schade.

Gelet op het vorenstaande acht de rechtbank na te melden deels voorwaardelijke gevangenisstraf passend en geboden. De rechtbank komt tot een lagere straf dan geëist door de officier van justitie aangezien zij minder heeft bewezenverklaard. Voorts heeft de rechtbank bij het bepalen van de hoogte van de straf gewicht toegekend aan de conclusie dat verdachte verminderd toerekeningsvatbaar was ten tijde van het plegen van het onder 2 bewezenverklaarde feit en heeft zij rekening gehouden met straffen die in soortgelijke zaken plegen te worden opgelegd. De rechtbank acht het, anders dan de officier van justitie, niet noodzakelijk dat aan verdachte een alcohol- en drugsverbod wordt opgelegd gedurende de proeftijd, nu onvoldoende gebleken is dat verdachte de strafbare feiten heeft gepleegd onder invloed van verdovende middelen en/of alcohol. Nu de vorderingen van de benadeelde partijen gedeeltelijk worden toegewezen, zoals hieronder nader gemotiveerd, ontvalt de ratio voor de vergoeding van de schade als bijzondere voorwaarde.

De rechtbank zal verdachte tevens een locatieverbod voor de gemeente Zoetermeer en een contactverbod met [slachtoffer 1] , zoals gevorderd door de officier van justitie, opleggen op straffe van de hierna te melden hechtenis en bevelen dat deze verboden dadelijk uitvoerbaar zijn. Hiertoe overweegt de rechtbank dat de aanleiding voor het plegen van onderhavig strafbaar feit moet worden gezocht in de problematische relatie tussen verdachte en [slachtoffer 1] en de persoonlijkheidsproblematiek van verdachte waarvoor een behandeling vereist is, welke behandeling nog niet is gestart. Deze combinatie van omstandigheden maakt dat er ernstig rekening mee gehouden moet worden dat verdachte zich wederom schuldig maakt aan het plegen van een strafbaar feit tegen [slachtoffer 1] .

De rechtbank is van oordeel dat een noodzaak ontbreekt om het vonnis voor het overige dadelijk uitvoerbaar te verklaren.

7 De vordering van de benadeelde partij/de schadevergoedingsmaatregel

7.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] tot een bedrag van € 1.049,84.

Voorts heeft de officier van justitie gevorderd dat de rechtbank aan verdachte de verplichting zal opleggen tot betaling aan de Staat van een bedrag groot € 1.049,84, subsidiair 20 dagen hechtenis ten behoeve van het slachtoffer genaamd [slachtoffer 1] .

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2] tot een bedrag van € 7.328,07.

Voorts heeft de officier van justitie gevorderd dat de rechtbank aan verdachte de verplichting zal opleggen tot betaling aan de Staat van een bedrag groot € 7.328,07, subsidiair 71 dagen hechtenis ten behoeve van het slachtoffer genaamd [slachtoffer 2] .

De officier van justitie heeft hoofdelijke toewijzing van de vorderingen gevorderd.

7.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft zich niet uitgelaten over de vordering benadeelde partij van [slachtoffer 1] .

Ten aanzien van de vordering benadeelde partij van [slachtoffer 2] heeft de raadsvrouw primair verzocht deze af te wijzen dan wel niet ontvankelijk te verklaren, nu zij integrale vrijspraak heeft bepleit. Subsidiair heeft de raadsvrouw verzocht de vordering af te wijzen dan wel niet ontvankelijk te verklaren omdat de verdediging zich op het standpunt heeft gesteld dat er door het handelen van verdachte geen levensgevaar dan wel gevaar voor zwaar lichamelijk letsel te duchten was, waardoor het letsel van het slachtoffer niet als rechtstreekse schade kan worden beschouwd. Meer subsidiair heeft de raadsvrouw verzocht de vordering af te wijzen dan wel niet ontvankelijk te verklaren omdat deze onevenredig belastend voor het strafgeding is.

7.3

Het oordeel van de rechtbank

[slachtoffer 1] , heeft zich als benadeelde partij gevoegd ter zake van de vordering tot schadevergoeding, groot € 1.049,84.

De vordering, voor zover deze betrekking heeft op de materiële schade, is namens de verdachte niet betwist en is voldoende onderbouwd door de benadeelde partij. Uit het onderzoek ter terechtzitting is vast komen te staan dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden als gevolg van het onder 2 bewezenverklaarde feit. Dit deel van de vordering (€ 49,84) is derhalve toewijsbaar.

Voorts acht de rechtbank deze vordering, voor zover deze betrekking heeft op een bedrag van € 1.000,00 als vergoeding ter zake van immateriële schade tot dat bedrag naar billijkheid toewijsbaar, nu namens de verdachte de omvang daarvan niet is betwist en nu vast is komen te staan dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden als gevolg van het onder 2 bewezenverklaarde feit.

De rechtbank zal derhalve de vordering toewijzen tot een bedrag van € 1.049,84.

De rechtbank zal voorts de gevorderde wettelijke rente toewijzen, nu vast is komen te staan dat de schade met ingang van 23 december 2014 is ontstaan.

Dit brengt mee, dat de verdachte dient te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met haar vordering heeft gemaakt, welke kosten de rechtbank tot op heden begroot op nihil, en de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Nu verdachte jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het onder 2 bewezenverklaarde strafbare feit is toegebracht en verdachte voor dit feit zal worden veroordeeld, zal de rechtbank aan verdachte de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van een bedrag groot € 1.049, 84, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 23 december 2014 tot aan de dag waarop deze vordering is voldaan, ten behoeve van het [slachtoffer 1] .

De rechtbank zal de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij hoofdelijk toe wijzen tot een bedrag van € 549,84, aangezien de vordering van de benadeelde partij in de strafzaak tegen [medeverdachte] voor dat deel zal worden toegewezen.

bepaalt dat de verdachte bij gehele of gedeeltelijke betaling van een bedrag van € 549,84 door zijn mededader aan de benadeelde partij, dan wel bij gehele of gedeeltelijke voldoening van de, aan de mededader opgelegde, verplichting tot betaling aan de staat, zal zijn bevrijd tot de hoogte van het betaalde bedrag.

[slachtoffer 2] , heeft zich als benadeelde partij gevoegd ter zake van de vordering tot schadevergoeding, groot € 7.328,07. Deze vordering is beperkt tot een vergoeding van de letselschade die [slachtoffer 2] heeft opgelopen.

De rechtbank zal, de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in zijn vordering tot schadevergoeding aangezien verdachte van dit onderdeel van de tenlastelegging is vrijgesproken.

De benadeelde partij kan dit deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

8 Inbeslaggenomen voorwerpen

8.1

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft de rechtbank verzocht het geld, een bedrag van € 520,00, dat in beslag is genomen bij de doorzoeking van de woning van verdachte op 10 februari 2015, aan verdachte terug te geven.

8.2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft verklaard zich niet te verzetten tegen de teruggave van het geld aan verdachte.

8.3

Het oordeel van de rechtbank

Nu het belang van strafvordering zich daartegen niet verzet, zal de rechtbank de teruggave aan verdachte gelasten van het op 10 februari 2015 in beslag genomen geld, te weten: € 520,00.

9 De vordering tenuitvoerlegging

9.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gepersisteerd bij de vordering tot tenuitvoerlegging van

de bij vonnis van de politierechter van 14 november 2014 voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf, te weten gevangenisstraf voor de duur van 4 weken, met aftrek van de tijd doorgebracht in voorlopige hechtenis.

9.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw verzoekt de rechtbank de vordering tenuitvoerlegging af te wijzen dan wel de proeftijd daarvan te verlengen om verdachte nog een kans te geven.

9.3

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank acht termen aanwezig voor toewijzing van de vordering van de officier van justitie van 29 september 2015 tot tenuitvoerlegging van de voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf, waartoe verdachte werd veroordeeld bij onherroepelijk geworden vonnis van de politierechter in deze rechtbank van 14 november 2014, nu uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat verdachte de algemene voorwaarde niet heeft nageleefd, doordat hij zich voor het einde van de proeftijd die bij voormeld vonnis was opgelegd, wederom heeft schuldig gemaakt aan strafbare feiten.

10 De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen:

- 14 a, 14b, 14c, 14d, 14g, 36f, 38v, 57 en 157 van het Wetboek van Strafrecht;

- 2 en 10 van de Opiumwet, en de daarbij behorende lijst I.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

11 De beslissing

De rechtbank:

verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte de onder 1 en 2 primair tenlastegelegde feiten heeft begaan en dat het bewezenverklaarde uitmaakt:

ten aanzien van feit 1:

opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod;

ten aanzien van feit 2:

opzettelijk een ontploffing teweegbrengen, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen en levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten is;

verklaart het bewezenverklaarde en de verdachte deswege strafbaar;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

veroordeelt de verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van 24 (vierentwintig) maanden;

bepaalt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijk gedeelte van de hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;

bepaalt dat een gedeelte van die straf, groot 8 (acht) maanden, niet zal worden tenuitvoergelegd onder de algemene voorwaarden dat de veroordeelde:

- zich voor het einde van de hierbij op twee jaren vastgestelde proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

- ter vaststelling van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

- medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen;

en onder de bijzondere voorwaarden dat de veroordeelde:

- zich gedurende de proeftijd meldt bij de GGZ-Bouman Reclassering Rotterdam op door de reclassering te bepalen tijdstippen, zo frequent en zolang deze de reclassering dat noodzakelijk acht;

- zich gedurende de proeftijd onder behandeling stelt bij de forensische polikliniek van De Waag of soortgelijke ambulante forensische zorg, op de tijden en plaatsen als door of namens die zorginstelling aan te geven, teneinde zich te laten behandelen voor agressieregulatie en ADHD;

geeft opdracht aan GGZ-Bouman Reclassering tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde bijzondere voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden;

legt op

- de maatregel dat de veroordeelde zich voor de duur van 2 jaren niet zal ophouden in de gemeente Zoetermeer;

- de maatregel dat de veroordeelde voor de duur van 2 jaren op geen enkele wijze – direct of indirect – contact zal opnemen, zoeken of hebben met [slachtoffer 1] ;

beveelt dat vervangende hechtende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 2 weken voor iedere keer dat niet aan de maatregel wordt voldaan;

toepassing van de vervangende hechtenis heft de verplichtingen ingevolge de opgelegde maatregel niet op;

omdat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de veroordeelde opnieuw een strafbaar feit zal plegen en/of zich belastend zal gedragen jegens een bepaalde persoon, beveelt de rechtbank, gelet op artikel 38v, vierde lid, van het Wetboek van strafrecht, dat de opgelegde maatregel dadelijk uitvoerbaar is;

wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij toe en veroordeelt verdachte voorts om tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan [slachtoffer 1], een bedrag van € 1.049,84, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 23 december 2014 tot aan de dag waarop deze vordering is voldaan,

veroordeelt de verdachte tevens in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

legt aan verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat van een bedrag groot

€ 1.049,84, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 23 december 2014 tot aan de dag waarop deze vordering is voldaan, ten behoeve van het slachtoffer genaamd [slachtoffer 1] ;

bepaalt dat in geval volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt - onder handhaving van voormelde verplichting - vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 20 dagen;

bepaalt dat gehele of gedeeltelijke voldoening van de betalingsverplichting aan de benadeelde partij de betalingsverplichting aan de Staat in zoverre doet vervallen, alsmede dat gehele of gedeeltelijke voldoening van de betalingsverplichting aan de Staat de betalingsverplichting aan de benadeelde partij in zoverre doet vervallen;

bepaalt dat de verdachte bij gehele of gedeeltelijke betaling van een bedrag van

€ 549,84 door zijn mededader aan de benadeelde partij, zal zijn bevrijd tot de hoogte van het betaalde bedrag;

bepaalt dat de benadeelde partij [slachtoffer 2] niet ontvankelijk is in de vordering tot schadevergoeding en dat de benadeelde partij de vordering in zoverre slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;

veroordeelt de benadeelde partij [slachtoffer 2] in de proceskosten door de verdachte gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

gelast de teruggave aan verdachte van het inbeslaggenomen geld, te weten € 520,00;

gelast de tenuitvoerlegging van de straf, voorwaardelijk opgelegd bij voormeld vonnis van de politierechter in deze rechtbank van 14 november 2014, gewezen onder parketnummer 09/818903-14, te weten gevangenisstraf voor de duur van 4 weken met aftrek van de tijd in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht.

Dit vonnis is gewezen door

mr. G.P. Verbeek, voorzitter,

mr. A.P. Pereira Horta, rechter,

mr. R.G. Hartendorp, rechter,

in tegenwoordigheid van mr. B. d’Arnaud Gerkens, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 26 oktober 2015.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door (een) daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en). Waar wordt verwezen naar dossierpagina’s, betreft dit de pagina’s van het proces-verbaal met het nummer PL1500-2014333532, van de politie eenheid Den Haag, opsporing Zoetermeer, met bijlagen (doorgenummerd blz. 1 t/m 380).

2 Proces-verbaal van verhoor verdachte, d.d. 26 maart 2015, blz. 363 tot en met 365;

3 Proces-verbaal van verhoor verdachte, d.d. 26 maart 2015, blz. 364 en 366;

4 Verklaring van verdachte ter terechtzitting van 12 oktober 2015;

5 Proces-verbaal van verhoor verdachte, d.d. 17 februari 2015, blz. 292;

6 Verklaring van getuige [medeverdachte] ter terechtzitting van 12 oktober 2015;

7 Proces-verbaal van verhoor verdachte, d.d. 26 maart 2015, blz. 365;

8 Proces-verbaal verhoor getuige, d.d. 27 december 2014, blz. 133;

9 Proces-verbaal verhoor getuige, d.d. 24 december 2014, blz. 129;

10 Proces verbaal van aangifte van [slachtoffer 2], blz. 113 en proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 1], blz. 87;

11 Verklaring van verdachte ter terechtzitting van 12 oktober 2015 en verklaring van [medeverdachte] ter terechtzitting van 12 oktober 2015;

12 Proces-verbaal verhoor getuige, d.d. 27 december 2014, blz. 133;

13 Proces-verbaal verhoor getuige, d.d. 24 december 2014, blz. 129;

14 Proces-verbaal verhoor getuige, d.d. 24 december 2014, blz. 126;

15 Proces-verbaal verhoor getuige, d.d. 24 december 2014, blz. 135;

16 Proces-verbaal verhoor getuige, d.d. 23 december 2014, blz. 144;

17 Proces-verbaal verhoor getuige, d.d. 17 januari 2015, blz. 149;

18 Een geschrift, te weten het rapport informatie inzet, uitrukgemeente Zoetermeer, post Stadshart, blz. 212;

19 Proces-verbaal forensisch technisch onderzoek, blz. 158;

20 Proces-verbaal aangifte, d.d. 21 januari 2015, blz. 113;

21 Geneeskundige verklaring, d.d. 23 januari 2015, blz. 125;