Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2015:12213

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
28-10-2015
Datum publicatie
28-10-2015
Zaaknummer
C-09-474064-HA ZA 14-1101
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Collectieve actie Vereniging Woekerpolis.nl en vorderingen van drie individuele eisers tegen Aegon in verband met 115 beleggingsverzekeringen. Vereniging is niet-ontvankelijk in haar vordering ten aanzien van 112 beleggingsverzekeringen. Zij is wel ontvankelijk in haar collectieve actie met betrekking tot Fundplan, VermogensPlan en KoersPlan.

Bevel ex 22 Rv aan Vereniging om voor deze drie producten alle relevante productinformatie over de relevante periode in het geding te brengen en deze vergezeld te laten gaan van een nadere concretisering van haar verwijten per periode waarin de bedoelde contractdocumentatie voor het desbetreffende product werd gebruikt.

Afwijzing vordering ex artikel 843a Rv wegens het ontbreken van rechtmatig belang.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK DEN HAAG

Team handel

zaaknummer / rolnummer: C/09/474064 / HA ZA 14-1101

Vonnis van 28 oktober 2015

in de zaak van

1. de vereniging

VERENIGING WOEKERPOLIS.NL,

gevestigd te Amsterdam,

2. [eiser sub 2] ,

wonende te [woonplaats 1] ,

3. [eiser sub 3] ,

wonende te [woonplaats 2] ,

4. [eiser sub 4] ,

wonende te [woonplaats 3] ,

eisers,

advocaat: mr. J.B. Maliepaard te Bleiswijk,

TEGEN

1. de naamloze vennootschap

AEGON LEVENSVERZEKERING N.V.,

gevestigd te Den Haag,

advocaat: mr. B.W.G. van der Velden te Amsterdam,

2. de naamloze vennootschap

AEGON SPAARKAS N.V.,

gevestigd te Leeuwarden,

advocaat: mr. A.Ch.H. Franken te Amsterdam,

gedaagden.

Eiseres sub 1 zal hierna de Vereniging worden genoemd. Eisers sub 2, 3 en 4 zullen worden aangeduid als respectievelijk [eiser sub 2] , [eiser sub 3] en [eiser sub 4] . Gedaagden zullen worden aangeduid als Aegon Levensverzekering en Aegon Spaarkas en zullen gezamenlijk (in enkelvoud) Aegon worden genoemd.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding van 16 september 2014 met producties 1 tot en met 30;

  • -

    de conclusie van antwoord met producties 1 tot en met 16;

  • -

    het tussenvonnis van 24 februari 2015 waarbij een comparitie van partijen is gelast;

  • -

    het proces-verbaal van comparitie van 29 juni 2015.

1.2.

Ten slotte is een datum voor het wijzen van vonnis bepaald.

2 De feiten

beleggingsverzekeringen, aangeboden door Aegon

2.1.

Aegon biedt financiële producten aan, waaronder beleggingsverzekeringen. Een beleggingsverzekering is een type levensverzekering waarbij een verzekeraar zich tegen betaling van een premie verplicht tot het doen van uitkeringen bij in leven zijn van de verzekerde of bij voortijdig overlijden van de verzekerde. Het Verbond van Verzekeraars heeft de beleggingsverzekering omschreven als:

een levensverzekering waarbij de premie wordt belegd in (een combinatie van) aandelen, obligaties, deposito’s, vastgoed of andere beleggingsvormen en waarbij het risico van beleggen geheel of grotendeels bij de verzekeringnemer ligt. In sommige gevallen wordt een deel van het uit te keren kapitaal gegarandeerd.”

2.2.

Een spaarkasverzekering is een verschijningsvorm van een beleggingsverzekering, waarbij (een deel van) de inleg (de spaarstorting) door storting in een spaarkas wordt gebruikt voor collectieve opbouw van vermogen dat tot uitkering komt bij leven op de einddatum. Het vermogen wordt opgebouwd door te beleggen in participaties van beleggingsfondsen. Een ander deel van de inleg bestaat uit een overlijdensrisicopremie, die als tegenprestatie dient voor de verplichting van de verzekeraar tot het doen van een uitkering bij overlijden.

2.3.

Een andere verschijningsvorm van een beleggingsverzekering is de zogenoemde united linked verzekering. Daarbij verbindt de verzekeraar zich ertoe een deel van de premie (de spaarpremie) te beleggen om vermogensopbouw te bewerkstelligen. De belegging geschiedt individueel (niet gezamenlijk) in voor rekening van de verzekeringsnemer verworven beleggingseenheden (units). De uitkering bij leven op de einddatum bestaat uit de tegenwaarde op die datum van de met de spaarpremies verworven units. Een ander deel van de premie wordt aangewend ter dekking van het overlijdensrisico.

2.4.

Een derde verschijningsvorm van de beleggingsverzekering is de universal life beleggingsverzekering, een bijzondere vorm van de unit linked beleggingsverzekering, waarbij de premie voor dekking van het overlijdensrisico maandelijks uit de belegde waarde wordt onttrokken. Bij deze verschijningsvorm van de beleggingsverzekering wordt het risicokapitaal gevormd door het verschil tussen het in de verzekeringsovereenkomst afgesproken overlijdenskapitaal en de daadwerkelijk belegde waarde. Bij overlijden van de verzekerde wordt dit variabele bedrag uitgekeerd, tezamen met de belegde waarde.

2.5.

Aegon biedt, mede door tussenkomst van assurantietussenpersonen, deze drie verschijningsvormen van beleggingsverzekeringen aan in de vorm van een groot aantal producten met verschillende productnamen, met gebruikmaking van onder meer brochures ter voorlichting van potentiële klanten. Drie voorbeelden van door Aegon aangeboden beleggingsverzekeringen zijn Fundplan, VermogensPlan en Koersplan

De door [eiser sub 2] , [eiser sub 3] en [eiser sub 4] bij Aegon afgesloten beleggingsverzekeringen

2.6.

[eiser sub 2] , geboren op [geboortedatum 1] , heeft in 1991 met Aegon Levensverzekering op basis van een offerte van Aegon een Fundplanovereenkomst gesloten, ingaande op 5 december 1991 en eindigend op 5 februari 2025, tegen een premie van

ƒ 96,30 per maand van 10 december 1991 tot 10 december 2023 en een premie van ƒ 90,- per maand van 10 december 2023 tot 10 februari 2025. Op de overeenkomst zijn van toepassing de Algemene Voorwaarden van verzekering nr. 26 van Aegon.

2.7.

[eiser sub 3] , geboren op [geboortedatum 2] , heeft met Spaarbeleg, 100% dochter van Aegon (hierna: Spaarbeleg), een VermogensPlanovereenkomst gesloten, ingaande op 1 juli 1995 en eindigend op 1 juli 2015, tegen een eenmalige premie van

ƒ 5.000,- en vanaf 1 juli 1996 een jaarlijkse premie van ƒ 1.500,-. Het Spaarcertificaat vermeldt bij “uit te keren bij in leven zijn van de verzekerde na afloop” als indicatie bij een gemiddeld rendement op de inleg van 10% ƒ 118.100,-, 11% ƒ 135.100,- en 12%

ƒ 154.800,-. Op 5 april 2011 heeft [eiser sub 3] Aegon opdracht gegeven tot afkoop per 1 maart 2011 van zijn VermogensPlanovereenkomst. De afkoopwaarde was € 14.789,98. Op de overeenkomst zijn van toepassing de Algemene Voorwaarden Vermogensplan 95.01 van Aegon.

2.8.

[eiser sub 4] , geboren op [geboortedatum 2] , heeft met Spaarbeleg een KoersPlanovereenkomst gesloten, ingaande op 1 augustus 1993 en eindigend op 1 augustus 2013, tegen een premie van ƒ 400,- per maand. Het Spaarcertificaat vermeldt bij “uit te keren bij in leven zijn van de verzekerde na afloop” als indicatie bij een gemiddeld rendement op de inleg van 10%

ƒ 289.600,-. 11% ƒ 326.200,- en 12% ƒ 367.900,-. Per 1 augustus 2013 is de KoersPlanovereenkomst geëxpireerd. De beleggingswaarde bedroeg op de einddatum

€ 53.651,82. Op de overeenkomst zijn van toepassing de Algemene Voorwaarden 93.01 van Spaarbeleg.

2.9.

Bij brieven van 27 februari 2014 hebben [eiser sub 2] en [eiser sub 3] Aegon aansprakelijk gesteld, kort gezegd omdat zij niet zou hebben voldaan aan de op haar rustende zorgplicht.

Adviezen en akkoorden over beleggingsverzekeringen

2.10.

Nadat de Autoriteit Financiële Markten (hierna: AFM) een oriënterende analyse naar het product beleggingsverzekeringen had uitgevoerd en de op grond daarvan opgestelde lijst met bevindingen had besproken met het Verbond van Verzekeraars, heeft het Verbond van Verzekeraars vervolgens besloten de commissie transparantie beleggingsverzekeringen (ook wel commissie De Ruiter genoemd) in te stellen.

2.11.

De Commissie De Ruiter heeft op 20 december 2006 advies uitgebracht, waarin zij onder meer heeft geconcludeerd dat beleggingsverzekeringen complexe en ondoorzichtige producten zijn, de door verzekeraars verstrekte informatie omtrent die producten onvolledig, ontoereikend en in enkele gevallen onjuist is en dat niet altijd door de verzekeringsmaatschappij, in haar rol van vermogensbeheerder, wordt gehandeld in het belang van de verzekeringsconsument. Verder concludeerde de Commissie De Ruiter dat een beleggingsverzekering relatief duur is, doordat een belangrijk deel van de inleg niet wordt belegd, maar bestemd is voor dekking van kosten en provisies en (in mindere mate) aan risicopremies.

2.12.

Naar aanleiding van de aankondiging van belangenorganisaties van particuliere afnemers van beleggingsverzekeringen om massale claims in te stellen is de Ombudsman Financiële Dienstverlening op 4 maart 2008 tot een oordeel gekomen als bedoeld in artikel 7 van het Reglement van de Ombudsman (hierna: de Aanbeveling), waarin onder meer werd geconcludeerd “dat het cruciale manco van de beleggingsverzekeringen in het algemeen, gunstige uitzonderingen daargelaten, de intransparantie voor de consument is geweest.” De geconstateerde onduidelijkheid betrof de hoogte van de risicopremie, kosten die de consument op diens inleg in mindering worden gebracht en de inhoudingen op het rendement van het beleggingsdeel van het verzekeringsproduct. Aan de verzekeraars werd aanbevolen de risicopremie en de kosten van door hen verkochte beleggingsverzekeringen op de in het advies aangegeven wijze alsnog te begrenzen en bij gebleken overschrijding van die grenzen de consumenten te compenseren door teruggave van te veel in rekening gebrachte kosten en deze te doen terugvloeien in het product.

2.13.

Naar aanleiding van de Aanbeveling heeft Aegon met twee stichtingen en drie verenigingen op 9 juli 2009 een vaststellingsovereenkomst gesloten, waarin afspraken zijn vastgelegd over een vergoeding in de vorm van maximering van de kosten en risicopremies die in rekening zijn gebracht (hierna: de Stichtingsakkoorden).

De Vereniging

2.14.

De Vereniging is opgericht op 6 maart 2012 en heeft blijkens haar statuten als doel de behartiging van de belangen van personen die door één of meer ‘woekerpolissen’ schade hebben geleden. Volgens artikel 2 van de statuten gelden als woekerpolissen in de zin van de statuten:

“(…) beleggingsverzekeringen, spaarkasovereenkomsten, met één van beide producten gelijkenis vertonende financiële producten, alsmede aan één van de hiervoor genoemde producten verbonden andere financiële producten”.

2.15.

Nadat de Vereniging bij brief van 28 januari 2013 Aegon aansprakelijk had gesteld en haar had uitgenodigd in overleg te treden over een compensatieregeling voor haar bestaande en toekomstige leden, hebben de Vereniging en Aegon gecorrespondeerd over de door de Vereniging gemaakte verwijten.

3 Het geschil

3.1.

De Vereniging vordert bij vonnis, voor zover de wet dat toelaat uitvoer bij voorraad te verklaren, het volgende:

Ten aanzien van alle eisers:

voorwaardelijk

I Indien Aegon Levensverzekering en Aegon Spaarkas niet vrijwillig en onder overlegging van justificatoire bescheiden bij conclusie na te noemen gegevens en/of stukken overlegt, haar te gelasten deze gevraagde te gegevens over te leggen (een afschrift te verstrekken) zulks ex artikel 843a Rv. Het betreft de volgende gegevens en/of stukken:

- Offerteprogrammatuur voor de producten KoersPlan, Vermogensplan en FundPlan, zoals deze in de loop der jaren is gebruikt plus een beschrijving van de werking van de hiervoor genoemde offerteprogrammatuur. Eisers menen dat Aegon in eerste instantie kan volstaan met de gebruikte offerteprogrammatuur bij het aanbieden van de producten die aan Eiser 2 (Fundplan), Eiser 3 (Vermogensplan) en Eiser 4 (Koersplan) zijn aangeboden. Eisers sub 2, 3 en 4 kunnen dan hun vorderingen en de door hen geleden schade nader aantonen, terwijl daarmee tevens de Vereniging kan aantonen dat de genoemde verwijten terecht zijn en er schade is geleden.

Ten aanzien van de Vereniging

Primair (1)

I. voor recht te verklaren dat Aegon Levensverzekering en Aegon Spaarkas bij het aanbieden van de door hen verkochte Polissen aan haar particuliere wederpartijen onvoldoende duidelijke en onvolledige informatie hebben verschaft over de kosten die aan de Polissen zijn verbonden en de invloed van deze kosten op het te behalen eindresultaat;

II. voor recht te verklaren dat op Aegon Levensverzekering en op Aegon Spaarkas jegens haar particuliere wederpartijen de verplichting rustte om te waarschuwen tegen het bijzondere risico dat ten gevolge van de hoogte van de kosten en de wijze waarop de kosten in rekening worden gebracht de mogelijkheid bestond dat het voorgespiegelde

kapitaal niet uitgekeerd zou kunnen worden, alsmede dat Aegon Levensverzekering en Aegon Spaarkas deze verplichting niet zijn nagekomen;

III. voor recht te verklaren dat Aegon Levensverzekering en Aegon Spaarkas onrechtmatig hebben gehandeld jegens haar particuliere wederpartijen door gebrekkige producten aan hen te verkopen;

IV. voor recht te verklaren dat Aegon Levensverzekering en Aegon Spaarkas onrechtmatig hebben gehandeld jegens hun particuliere wederpartijen door hen niet te waarschuwen en/of voor te lichten over het crashrisico en/of door hen gedurende de looptijd van de Polissen, op het moment dat de negatieve effecten van het genoemde crashrisico zich voordeden, niet in te lichten over deze negatieve gevolgen en/of geen maatregelen te treffen ten einde de negatieve gevolgen op te heffen en/of te beperken;

V. voor recht te verklaren dat Aegon Levensverzekering en Aegon Spaarkas met hun voorbeeld berekeningen een onjuist en te rooskleurig beeld heeft geschetst voor de gemiddelde consument, nu Aegon Levensverzekering en Aegon Spaarkas hebben nagelaten een nadere toelichting te geven omtrent de door hen gebruikte rekenmethodiek (meetkundige berekening) bij de door haar gebruikte prognoses;

VI. voor recht te verklaren dat Aegon Levensverzekering en Aegon Spaarkas gehouden waren, daar zij voorbeeldberekeningen op basis van het meetkundig gemiddelde presenteerde, hun particuliere wederpartijen te waarschuwen dat een hogere gemiddelde jaarlijkse koersstijging vereist was dan het gebruikte rendementspercentage om het geprognosticeerde eindkapitaal te behalen;

VII. voor recht te verklaren dat Aegon Levensverzekering en Aegon Spaarkas, daar waar zij in de voorbeeldberekeningen hebben gerekend met een gelijkblijvend jaarlijks rendement op basis van het rekenkundig gemiddelde en/of met een gelijkblijvend jaarlijks rendement dat geen relatie heeft met het onderliggende fonds, tekort zijn geschoten in de op hen rustende informatieplicht, nu deze informatie een onjuist en te rooskleurig beeld geeft van het te verwachten eindkapitaal en/of voor recht te verklaren dat de door Aegon Levensverzekering en Aegon Spaarkas op basis van het rekenkundig gemiddelde en/of een rendement dat geen relatie heeft met het onderliggende fonds berekende voorbeeldkapitalen in de door hen gebruikte brochures kwalificeren als een misleidende mededeling in de zin van artikel 6:194 BW;

VIII. voor recht te verklaren dat Aegon Levensverzekering en Aegon Spaarkas zich schuldig hebben gemaakt aan churning, door de bruto premie eerst geheel te beleggen en vervolgens weer verkopen te verrichten ten einde de kosten te betalen, waardoor feitelijk extra transactiekosten (aan- en verkoopkosten) werden verricht, zonder dat zulks in het belang van de afnemers was en/of voor recht te verklaren dat Aegon Levensverzekering en Aegon Spaarkas zich schuldig hebben gemaakt aan churning, nu zij aan- en verkoopkosten berekenden over een gedeelte van de premie dat niet bestemd was voor vermogensopbouw (maar om kosten te voldoen) zonder dat zulks in het belang was van de afnemers;

IX. voor recht te verklaren dat Aegon Levensverzekering en Aegon Spaarkas de op hen rustende bijzondere zorgplicht jegens haar particuliere wederpartijen hebben geschonden en/of dat zij naar maatstaven van burgerlijk (contracten)recht tekort zijn geschoten jegens hun particuliere wederpartijen door niet, althans onvoldoende te informeren en voor te lichten over en te waarschuwen voor de in deze dagvaarding genoemde bijzondere kosten en risico’s en eigenschappen van de Polissen;

X. voor recht te verklaren dat Aegon Levensverzekering en Aegon Spaarkas, gezien de in deze dagvaarding gemaakte verwijten, onrechtmatig jegens de particuliere afnemers van de door Aegon aangeboden Polissen hebben gehandeld en/of dat Aegon Levensverzekering en Aegon Spaarkas toerekenbaar tekort zijn geschoten jegens de particuliere afnemers van de door Aegon Levensverzekering en Aegon Spaarkas aangeboden Polissen;

XI. voor recht te verklaren dat Aegon Levensverzekering en Aegon Spaarkas ten onrechte kosten hebben ingehouden, nu voor deze kosten geen contractuele grondslag in de contractsdocumentatie was te vinden;

XII. voor recht te verklaren dat Aegon Levensverzekering en Aegon Spaarkas toerekenbaar te kort zijn geschoten en/of onrechtmatig hebben gehandeld door kosten in te houden zonder dat hiervoor een contractuele grondslag aanwezig was;

XIII. voor recht te verklaren dat Aegon Levensverzekering en Aegon Spaarkas zich ongerechtvaardigd hebben verrijkt ten opzichte van de afnemers, door kosten in te houden zonder contractuele grondslag;

XIV. voor recht te verklaren dat de door Aegon Levensverzekering en Aegon Spaarkas ingehouden kosten, waarvoor geen contractuele grondslag aanwezig was, onverschuldigd zijn betaald door de afnemers;

XV. voor recht te verklaren dat Aegon Levensverzekering en Aegon Spaarkas op de einddatum of beëindigingsdatum van de Polissen de opgebouwde waarde dienen uit te keren, welke opgebouwde waarde vermeerderd dient te worden met de kosten die ten onrechte zijn ingehouden (geen contractuele grondslag) en vermeerderd met het misgelopen rendement over deze ingehouden kosten;

XVI. voor recht te verklaren dat tussen Aegon Spaarkas en de afnemers van een spaarkasovereenkomst geen wilsovereenstemming bestond over de hoogte van de te betalen premie voor de overlijdensrisicoverzekering;

XVII. voor recht te verklaren dat Aegon Spaarkas onrechtmatig heeft gehandeld en/of toerekenbaar te kort is geschoten jegens de afnemers van de spaarkasovereenkomsten door hen niet, althans onvoldoende voor te lichten over de hoogte van de premie voor de overlijdensrisicoverzekering en door een te hoge premie in te houden zonder dat hierover wilsovereenstemming bestond;

XVIII. voor recht te verklaren dat Aegon Spaarkas zich ongerechtvaardigd heeft verrijkt ten opzichte van de afnemers, door een te hoog bedrag aan premie overlijdensrisicoverzekering in te houden zonder dat er tussen partijen wilsovereenstemming over de hoogte van de te betalen premie bestond;

XIX. voor recht te verklaren dat Aegon Spaarkas voor de spaarkasovereenkomsten op de einddatum of beëindigingsdatum van de Polissen de opgebouwde waarde dient uit te keren, welke opgebouwde waarde vermeerderd dient te worden met de te hoge bedragen die ten onrechte zijn ingehouden aan premie voor de overlijdensrisicoverzekering, vermeerderd met het misgelopen rendement over deze ingehouden bedragen;

Subsidiair (2)

XX. voor recht te verklaren dat Aegon Spaarkas bij het aanbieden van het product Koersplan aan haar particuliere wederpartijen onvoldoende duidelijke en onvolledige informatie heeft verschaft over de kosten die aan dit product zijn verbonden en de invloed van deze kosten op het te behalen eindresultaat;

XXI. voor recht te verklaren dat op Aegon Spaarkas bij het aanbieden van het product Koersplan jegens haar particuliere wederpartijen de verplichting rustte om te waarschuwen tegen het bijzondere risico dat ten gevolge van de hoogte van de kosten en de wijze waarop de kosten in rekening worden gebracht de mogelijkheid bestond dat het voorgespiegelde kapitaal niet uitgekeerd zou kunnen worden, alsmede dat Aegon Spaarkas deze verplichting niet is nagekomen;

XXII. voor recht te verklaren dat Aegon Spaarkas bij het aanbieden van het product Koersplan onrechtmatig heeft gehandeld jegens haar particuliere wederpartijen door een gebrekkig product aan hen te verkopen;

XXIII. voor recht te verklaren dat Aegon Spaarkas bij het aanbieden van het product Koersplan onrechtmatig heeft gehandeld jegens haar particuliere wederpartijen door hen niet te waarschuwen en/of voor te lichten over het crashrisico en/of door hen gedurende de looptijd van dit product, op het moment dat de negatieve effecten van het genoemde crashrisico zich voordeden, niet in te lichten over deze negatieve gevolgen en/of geen maatregelen te treffen teneinde de negatieve gevolgen op te heffen en/of te beperken;

XXIV. voor recht te verklaren dat Aegon Spaarkas bij het aanbieden van het product Koersplan met haar voorbeeldberekeningen een onjuist en te rooskleurig beeld heeft geschetst voor de gemiddelde consument, nu Aegon Spaarkas heeft nagelaten een nadere toelichting te geven omtrent de door haar gebruikte rekenmethodiek (meetkundige berekening) bij de door haar gebruikte prognoses;

XXV. voor recht te verklaren dat Aegon Spaarkas bij het aanbieden van het product Koersplan gehouden was haar particuliere wederpartij te waarschuwen dat een hoger gemiddeld jaarlijkse koersstijging vereist was dan het gebruikte rendementspercentage om het geprognosticeerde eindkapitaal te behalen.

XXVI. voor recht te verklaren dat Aegon Spaarkas bij het aanbieden van het product Koersplan daar waar zij in de voorbeeldberekeningen heeft gerekend met een gelijkblijvend jaarlijks rendement op basis van het rekenkundig gemiddelde en/of met een gelijkblijvend jaarlijks rendement dat geen relatie heeft met het onderliggende fonds, tekort is geschoten in de op haar rustende informatieplicht, nu deze informatie een onjuist en te rooskleurig beeld geeft van het te verwachten eindkapitaal en/of voor recht te verklaren dat de door Aegon Spaarkas op basis van het rekenkundig gemiddelde en/of een rendement dat geen relatie heeft met het onderliggende fonds berekende voorbeeldkapitalen in de door haar gebruikte brochures kwalificeren als een misleidende mededeling in de zin van artikel 6:194 BW;

XXVII. voor recht te verklaren dat Aegon Spaarkas onjuiste, misleidende en/of te rooskleurige eindkapitalen voorspiegelde op het spaarcertificaat van het product Koersplan.

XXVIII. voor recht te verklaren dat Aegon Spaarkas ten aanzien van het product Koersplan zich schuldig heeft gemaakt aan churning, door de bruto premie eerst geheel te beleggen en vervolgens weer verkopen te verrichten ten einde de kosten te betalen, waardoor feitelijk extra transactiekosten (aan- en verkoopkosten) werden verricht, zonder dat zulks in het belang van de afnemers was; en/of voor recht te verklaren dat Aegon Spaarkas zich schuldig heeft gemaakt aan churning, nu zij aan- en verkoopkosten berekende over een gedeelte van de premie dat niet bestemd was voor vermogensopbouw (maar om kosten te voldoen) zonder dat zulks in het belang was van de afnemers;

XXIX. voor recht te verklaren dat Aegon Spaarkas bij het aanbieden van het product Koersplan de op haar rustende bijzondere zorgplicht jegens haar particuliere wederpartijen heeft geschonden en/of dat zij naar maatstaven van burgerlijk (contracten)recht tekort is geschoten jegens haar particuliere wederpartijen door niet, althans onvoldoende te informeren en voor te lichten over en te waarschuwen voor de in deze dagvaarding genoemde bijzondere kosten en risico’s en eigenschappen van het Koersplan.

XXX. voor recht te verklaren dat Aegon Spaarkas bij het aanbieden van het product Koersplan onrechtmatig jegens de particuliere afnemers heeft gehandeld en/of dat Aegon Spaarkas toerekenbaar tekort is geschoten jegens deze particuliere afnemers;

XXXI. voor recht te verklaren dat Aegon Spaarkas bij het aanbieden van het product Koersplan toerekenbaar tekort is geschoten en/of onrechtmatig heeft gehandeld door aan- en verkoopkosten in te houden zonder dat hiervoor een contractuele grondslag aanwezig was.

XXXII. voor recht te verklaren dat Aegon Spaarkas zich ongerechtvaardigd heeft verrijkt ten opzichte van de afnemers van een koersplan, door aan- en verkoopkosten in te houden zonder contractuele grondslag;

XXXIII. voor recht te verklaren dat de door Aegon Spaarkas ingehouden aan- en verkoopkosten, waarvoor geen contractuele grondslag aanwezig was, onverschuldigd zijn betaald door de afnemers van het Koersplan;

XXXIV. voor recht te verklaren dat Aegon Spaarkas op de einddatum of beëindigingsdatum van de Polissen Koersplan de opgebouwde waarde dient uit te keren, welke opgebouwde waarde vermeerderd dient te worden met de aan- en verkoopkosten die ten onrechte zijn ingehouden (geen contractuele grondslag) en vermeerderd met het misgelopen rendement over deze ingehouden kosten;

XXXV. voor recht te verklaren dat tussen Aegon Spaarkas en de afnemers van een Koersplan geen wilsovereenstemming bestond over de hoogte van:

- de te betalen premie voor de overlijdensrisicoverzekering;

- kosten voortvloeiende uit de belegging der gelden;

XXXVI. voor recht te verklaren dat Aegon Spaarkas onrechtmatig heeft gehandeld en/of toerekenbaar te kort is geschoten jegens de afnemers van het Koersplan door hen niet, althans onvoldoende voor te lichten over de hoogte van de premie voor de overlijdensrisicoverzekering en de kosten voortvloeiende uit de belegging der gelden en door een te hoge premie en kosten in te houden voor de overlijdensrisicoverzekering en de kosten der belegging der gelden, zonder dat hierover wilsovereenstemming bestond.

XXXVII. voor recht te verklaren dat Aegon Spaarkas zich ongerechtvaardigd heeft verrijkt ten opzichte van de afnemers, door een te hoog bedrag aan premie overlijdensrisicoverzekering en kosten der belegging der gelden in te houden zonder dat er tussen partijen wilsovereenstemming over de hoogte van deze inhoudingen bestond;

XXXVIII. voor recht te verklaren dat Aegon Spaarkas voor Koersplan-overeenkomsten op de einddatum of beëindigingsdatum van deze Polissen de opgebouwde waarde dient uit te keren, welke opgebouwde waarde vermeerderd dient te worden met de te hoge bedragen die ten onrechte zijn ingehouden aan premie voor de overlijdensrisicoverzekering en aan kosten ter belegging der gelden, vermeerderd met het misgelopen rendement over deze ingehouden bedragen;

XXXIX. voor recht te verklaren dat Aegon Spaarkas bij het aanbieden van het product Vermogensplan aan haar particuliere wederpartijen onvoldoende duidelijke en onvolledige informatie heeft verschaft over de kosten die aan dit product zijn verbonden en de invloed van deze kosten op het te behalen eindresultaat.

XL. voor recht te verklaren dat op Aegon Spaarkas bij het aanbieden van het product Vermogensplan jegens haar particuliere wederpartijen de verplichting rustte om te waarschuwen tegen het bijzondere risico dat ten gevolge van de hoogte van de kosten en de wijze waarop de kosten in rekening worden gebracht de mogelijkheid bestond dat het voorgespiegelde kapitaal niet uitgekeerd zou kunnen worden, alsmede dat Aegon Spaarkas deze verplichting niet is nagekomen;

XLI. voor recht te verklaren dat Aegon Spaarkas bij het aanbieden van het product Vermogensplan onrechtmatig heeft gehandeld jegens haar particuliere wederpartijen door een gebrekkig product aan hen te verkopen;

XLII. voor recht te verklaren dat Aegon Spaarkas bij het aanbieden van het product Vermogensplan onrechtmatig heeft gehandeld jegens haar particuliere wederpartijen door hen niet te waarschuwen en/of voor te lichten over het crashrisico en/of door hen gedurende de looptijd van dit product, op het moment dat de negatieve effecten van het genoemde crashrisico zich voordeden, niet in te lichten over deze negatieve gevolgen en/of geen maatregelen te treffen teneinde de negatieve gevolgen op te heffen en/of te beperken;

XLIII. voor recht te verklaren dat Aegon Spaarkas bij het aanbieden van het product Vermogensplan met haar voorbeeldberekeningen een onjuist en te rooskleurig beeld heeft geschetst voor de gemiddelde consument, nu Aegon Spaarkas heeft nagelaten een nadere toelichting te geven omtrent de door haar gebruikte rekenmethodiek (meetkundige berekening) bij de door haar gebruikte prognoses.

XLIV. voor recht te verklaren dat Aegon Spaarkas bij het aanbieden van het product Vermogensplan gehouden was haar particuliere wederpartij te waarschuwen dat een hoger gemiddeld jaarlijkse koersstijging vereist was dan het gebruikte rendementspercentage om het geprognosticeerde eindkapitaal te behalen.

XLV. voor recht te verklaren dat Aegon Spaarkas bij het aanbieden van het product Vermogensplan, daar waar zij in de voorbeeldberekeningen heeft gerekend met een gelijkblijvend jaarlijks rendement op basis van het rekenkundig gemiddelde en/of met een gelijkblijvend jaarlijks rendement dat geen relatie heeft met het onderliggende fonds, tekort is geschoten in de op haar rustende informatieplicht, nu deze informatie een onjuist en te rooskleurig beeld geeft van het te verwachten eindkapitaal en/of voor recht te verklaren dat de door Aegon Spaarkas op basis van het rekenkundig gemiddelde en/of een rendement dat geen relatie heeft met het onderliggende fonds berekende voorbeeldkapitalen in de door haar gebruikte brochures kwalificeren als een misleidende mededeling in de zin van artikel 6:194 BW;

XLVI. voor recht te verklaren dat Aegon Spaarkas onjuiste, misleidende en/of te rooskleurige eindkapitalen voorspiegelde op het spaarcertificaat van het product Vermogensplan.

XLVII. voor recht te verklaren dat Aegon Spaarkas ten aanzien van het product Vermogensplan zich schuldig heeft gemaakt aan churning, door de bruto premie eerst geheel te beleggen en vervolgens weer verkopen te verrichten ten einde de kosten te betalen, waardoor feitelijk extra transactiekosten (aan- en verkoopkosten) werden verricht, zonder dat zulks in het belang van de afnemers was; en/of voor recht te verklaren dat Aegon Spaarkas zich schuldig heeft gemaakt aan churning, nu zij aan- en verkoopkosten berekende over een gedeelte van de premie dat niet bestemd was voor vermogensopbouw (maar om kosten te voldoen) zonder dat zulks in het belang was van de afnemers;

XLVIII. voor recht te verklaren dat Aegon Spaarkas bij het aanbieden van het product Vermogensplan de op haar rustende bijzondere zorgplicht jegens haar particuliere wederpartijen heeft geschonden en/of dat zij naar maatstaven van burgerlijk (contracten)recht tekort is geschoten jegens haar particuliere wederpartijen door niet, althans onvoldoende te informeren en voor te lichten over en te waarschuwen voor de in deze dagvaarding genoemde bijzondere kosten en risico’s en eigenschappen van het Vermogensplan.

XLIX. voor recht te verklaren dat Aegon Spaarkas bij het aanbieden van het product Vermogensplan onrechtmatig jegens de particuliere afnemers heeft gehandeld en/of dat Aegon Spaarkas toerekenbaar tekort is geschoten jegens deze particuliere afnemers;

L. voor recht te verklaren dat Aegon Spaarkas bij het aanbieden van het product Vermogensplan toerekenbaar tekort is geschoten en/of onrechtmatig heeft gehandeld door aan- en verkoopkosten in te houden zonder dat hiervoor een contractuele grondslag aanwezig was.

LI. voor recht te verklaren dat Aegon Spaarkas zich ongerechtvaardigd heeft verrijkt ten opzichte van de afnemers van een Vermogensplan, door aan- en verkoopkosten in te houden zonder contractuele grondslag;

LII. voor recht te verklaren dat de door Aegon Spaarkas ingehouden aan- en verkoopkosten, waarvoor geen contractuele grondslag aanwezig was, onverschuldigd zijn betaald door de afnemers van het Vermogensplan;

LIII. voor recht te verklaren dat Aegon Spaarkas op de einddatum of beëindigingsdatum van de Polissen Vermogensplan de opgebouwde waarde dient uit te keren, welke opgebouwde waarde vermeerderd dient te worden met de aan- en verkoopkosten die ten onrechte zijn ingehouden (geen contractuele grondslag) en vermeerderd met het misgelopen rendement over deze ingehouden kosten;

LIV. voor recht te verklaren dat tussen Aegon Spaarkas en de afnemers van een Vermogensplan geen wilsovereenstemming bestond over de hoogte van:

- de te betalen premie voor de overlijdensrisicoverzekering;

- kosten voortvloeiende uit de belegging der gelden;

LV. voor recht te verklaren dat Aegon Spaarkas onrechtmatig heeft gehandeld en/of toerekenbaar te kort is geschoten jegens de afnemers van het Vermogensplan door hen niet, althans onvoldoende voor te lichten over de hoogte van de premie voor de overlijdensrisicoverzekering en de kosten voortvloeiende uit de belegging der gelden en door een te hoge premie en kosten in te houden voor de overlijdensrisicoverzekering en de kosten der belegging der gelden, zonder dat hierover wilsovereenstemming bestond.

LVI. voor recht te verklaren dat Aegon Spaarkas zich ongerechtvaardigd heeft verrijkt ten opzichte van de afnemers van het product Vermogensplan, door een te hoog bedrag aan premie overlijdensrisicoverzekering en kosten der belegging der gelden in te houden zonder dat er tussen partijen wilsovereenstemming over de hoogte deze inhoudingen bestond;

LVII. voor recht te verklaren dat Aegon Spaarkas voor Vermogensplan-overeenkomsten op de einddatum of beëindigingsdatum van deze Polissen de opgebouwde waarde dient uit te keren, welke opgebouwde waarde vermeerderd dient te worden met de te hoge bedragen die ten onrechte zijn ingehouden aan premie voor de overlijdensrisicoverzekering en aan kosten ter belegging der gelden, vermeerderd met het misgelopen rendement over deze ingehouden bedragen;

LVIII. voor recht te verklaren dat Aegon Levensverzekering bij het aanbieden van het product Fundplan aan haar particuliere wederpartijen onvoldoende duidelijke en onvolledige informatie heeft verschaft over de kosten die aan dit product zijn verbonden en de invloed van deze kosten op het te behalen eindresultaat.

LIX. voor recht te verklaren dat op Aegon Levensverzekering bij het aanbieden van het product Fundplan jegens haar particuliere wederpartijen de verplichting rustte om te waarschuwen tegen het bijzondere risico dat ten gevolge van de hoogte van de kosten en de wijze waarop de kosten in rekening worden gebracht de mogelijkheid bestond dat het voorgespiegelde kapitaal niet uitgekeerd zou kunnen worden, alsmede dat Aegon Levensverzekering deze verplichting niet is nagekomen;

LX. voor recht te verklaren dat Aegon Levensverzekering bij het aanbieden van het product Fundplan onrechtmatig heeft gehandeld jegens haar particuliere wederpartijen door een gebrekkig product aan hen te verkopen;

LXI. voor recht te verklaren dat Aegon Levensverzekering bij het aanbieden van het product Fundplan onrechtmatig heeft gehandeld jegens haar particuliere wederpartijen door hen niet te waarschuwen en/of voor te lichten over het crashrisico en/of door hen gedurende de looptijd van dit product op het moment dat de negatieve effecten van het genoemde crashrisico zich voordeden, niet in te lichten over deze negatieve gevolgen en/of geen maatregelen te treffen teneinde de negatieve gevolgen op te heffen en/of te beperken;

LXII. voor recht te verklaren dat Aegon Levensverzekering bij het aanbieden van het product Fundplan met haar voorbeeldberekeningen een onjuist en te rooskleurig beeld heeft geschetst voor de gemiddelde consument, nu Aegon Levensverzekering heeft nagelaten een nadere toelichting te geven omtrent de door haar gebruikte rekenmethodiek (meetkundige berekening) bij de door haar gebruikte prognoses.

LXIII. voor recht te verklaren dat Aegon Levensverzekering bij het aanbieden van het product Fundplan gehouden was haar particuliere wederpartij te waarschuwen dat een hoger gemiddeld jaarlijkse koersstijging vereist was dan het gebruikte rendementspercentage om het geprognosticeerde eindkapitaal te behalen.

LXIV. voor recht te verklaren dat Aegon Levensverzekering bij het aanbieden van het product Fundplan, daar waar zij in de voorbeeldberekeningen heeft gerekend met een gelijkblijvend jaarlijks rendement op basis van het rekenkundig gemiddelde en/of met een gelijkblijvend jaarlijks rendement dat geen relatie heeft met het onderliggende fonds, tekort is geschoten in de op haar rustende informatieplicht, nu deze informatie een onjuist en te rooskleurig beeld geeft van het te verwachten eindkapitaal en/of voor recht te verklaren dat de door Aegon Levensverzekering op basis van het rekenkundig gemiddelde en/of een rendement dat geen relatie heeft met het onderliggende fonds berekende voorbeeldkapitalen in de door haar gebruikte brochures kwalificeren als een misleidende mededeling in de zin van artikel 6:194 BW;

LXV. voor recht te verklaren dat Aegon Levensverzekering ten aanzien van het product Fundplan zich schuldig heeft gemaakt aan churning, door de bruto premie eerst geheel te beleggen en vervolgens weer verkopen te verrichten ten einde de kosten te betalen, waardoor feitelijk extra transactiekosten (aan- en verkoopkosten) werden verricht, zonder dat zulks in het belang van de afnemers was; en/of voor recht te verklaren dat Aegon Levensverzekering zich schuldig heeft gemaakt aan churning, nu zij aan- en verkoopkosten berekende over een gedeelte van de premie dat niet bestemd was voor vermogensopbouw (maar om kosten te voldoen) zonder dat zulks in het belang was van de afnemers;

LXVI. voor recht te verklaren dat Aegon Levensverzekering bij het aanbieden van het product Fundplan de op haar rustende bijzondere zorgplicht jegens haar particuliere wederpartijen heeft geschonden en/of dat zij naar maatstaven van burgerlijk (contracten)recht tekort is geschoten jegens haar particuliere wederpartijen door niet, althans onvoldoende te informeren en voor te lichten over en te waarschuwen voor de in deze dagvaarding genoemde bijzondere kosten en risico’s en eigenschappen van het Fundplan.

LXVII. voor recht te verklaren dat Aegon Levensverzekering bij het aanbieden van het product Fundplan onrechtmatig jegens de particuliere afnemers heeft gehandeld en/of dat Aegon Levensverzekering toerekenbaar tekort is geschoten jegens deze particuliere afnemers;

LXVIII. voor recht te verklaren dat Aegon Levensverzekering bij het aanbieden van het product Fundplan toerekenbaar tekort is geschoten en/of onrechtmatig heeft gehandeld door kosten en andere bedragen in te houden zonder dat hiervoor een contractuele grondslag aanwezig was. Het betreft de volgende inhoudingen:

- kostenverzekeringsmaatschappij (eerste en doorlopende kosten);

- kosten bemiddelaar of verzekeringsadviseur;

- premie overlijdensrisicoverzekering

LXIX. voor recht te verklaren dat Aegon Levensverzekering zich ongerechtvaardigd heeft verrijkt ten opzichte van de afnemers van een Fundplan, door kosten in te houden zonder contractuele grondslag;

LXX. voor recht te verklaren dat de door Aegon Levensverzekering ingehouden bedragen, waarvoor geen contractuele grondslag aanwezig was, onverschuldigd zijn betaald door de afnemers van het Fundplan;

LXXI. voor recht te verklaren dat Aegon Levensverzekering op de einddatum of beëindigingsdatum van de Polissen Fundplan de opgebouwde waarde dient uit te keren, welke opgebouwde waarde vermeerderd dient te worden de bedragen die ten onrechte door Aegon Levensverzekering zijn ingehouden (geen contractuele grondslag) en vermeerderd met het misgelopen rendement over deze ingehouden bedragen;

LXXII. voor recht te verklaren dat tussen Aegon Levensverzekering en de afnemers van een Fundplan geen wilsovereenstemming bestond over de hoogte van:

- aan- en verkoopkosten;

- fondsbeheerkosten;

-wijzigingskosten

LXXIII. voor recht te verklaren dat Aegon Levensverzekering onrechtmatig heeft gehandeld en/of toerekenbaar te kort is geschoten jegens de afnemers van het Fundplan door hen niet, althans onvoldoende voor te lichten over de hoogte van aan- en verkoopkosten, de fondsbeheerskosten en/of de wijzigingskosten en over te gaan tot inhouding van deze kosten zonder dat over de hoogte wilsovereenstemming bestond.

LXXIV. voor recht te verklaren dat Aegon Levensverzekering zich ongerechtvaardigd heeft verrijkt ten opzichte van de afnemers van een Fundplan, door een te hoog bedrag aan aan- en verkoopkosten, fondsbeheerkosten en/of wijzigingskosten in te houden zonder dat er tussen partijen wilsovereenstemming over de hoogte deze inhoudingen bestond;

LXXV. voor recht te verklaren dat Aegon Levensverzekering voor Fundplan-overeenkomsten op de einddatum of beëindigingsdatum van deze Polissen de opgebouwde waarde dient uit te keren, welke opgebouwde waarde vermeerderd dient te worden met de te hoge bedragen die ten onrechte zijn ingehouden aan aan- en verkoopkosten, fondsbeheerskosten en/of wijzigingskosten, vermeerderd met het misgelopen rendement over deze ingehouden bedragen;

zowel primair als subsidiair (3)

LXXVI. voor recht te verklaren dat Aegon Levensverzekering en Aegon Spaarkas, voor zover mogelijk hoofdelijk, gehouden zijn de door de Vereniging gemaakte kosten tot vaststelling van de schade en de aansprakelijkheid te vergoeden, welke kosten nader zijn op te maken bij staat;

LXXVII. Aegon Levensverzekering en Aegon Spaarkas te veroordelen in de kosten van deze procedure/ alsmede tot betaling van nakosten van € 131,- zonder betekening of € 199,- indien sprake is van betekening, te voldoen binnen tien dagen na de dagtekening van het in deze zaak te wijzen vonnis en – zou zij die proceskosten niet binnen die termijn voldoen – te vermeerderen met de wettelijke rente over de proceskosten gerekend vanaf de laatste dag van de voldoeningstermijn.

Ten aanzien van eiser sub 2

LXXVIII. voor recht te verklaren dat Aegon Levensverzekering aan Eiser 2 onvoldoende duidelijke en onvolledige informatie heeft verschaft over de kosten die aan zijn Polis zijn verbonden en de invloed van deze kosten op het te behalen eindresultaat;

LXXIX. voor recht te verklaren dat Aegon Levensverzekering jegens Eiser 2 tekort is geschoten en/of onrechtmatig heeft gehandeld nu zij de op haar rustende verplichting om te waarschuwen tegen het bijzondere risico dat ten gevolge van de hoogte van de kosten en de wijze waarop de kosten in rekening worden gebracht de mogelijkheid bestond dat het voorgespiegelde kapitaal niet uitgekeerd zou kunnen worden, niet is nagekomen;

LXXX. voor recht te verklaren dat Aegon Levensverzekering onrechtmatig heeft gehandeld jegens Eiser 2 door een gebrekkig product aan hem te verkopen;

LXXXI. voor recht te verklaren dat Aegon Levensverzekering onrechtmatig heeft gehandeld jegens Eiser 2 door hem niet te waarschuwen en/of voor te lichten over het crashrisico en/of door hem gedurende de looptijd van zijn Polis, op het moment dat de negatieve effecten van het genoemde crashrisico zich voordeden, niet in te lichten over deze negatieve gevolgen en/of geen maatregelen te treffen ten einde de negatieve gevolgen op te heffen en/of te beperken;

LXXXII. voor recht te verklaren dat Aegon Levensverzekering met haar voorbeeld- berekeningen een onjuist en te rooskleurig beeld heeft geschetst voor de gemiddelde consument en voor Eiser 2, nu Aegon Levensverzekering heeft nagelaten een nadere toelichting te geven omtrent de door haar gebruikte rekenmethodiek (meetkundige berekening) bij de door haar gebruikte prognoses vanaf invoering van de Code;

LXXXIII. voor recht te verklaren dat Aegon Levensverzekering gehouden was, als zij voorbeeldberekeningen op basis van het meetkundig gemiddelde presenteerde, Eiser 2 te waarschuwen dat een hogere gemiddelde jaarlijkse koersstijging vereist was dan het gebruikte rendementspercentage om het geprognosticeerde eindkapitaal te behalen.

LXXXIV. voor recht te verklaren dat Aegon Levensverzekering, daar waar zij in de voorbeeldberekeningen heeft gerekend met een gelijkblijvend jaarlijks rendement op basis van het rekenkundig gemiddelde en/of met een gelijkblijvend jaarlijks rendement dat geen relatie heeft met het onderliggende fonds, tekort is geschoten in de op haar rustende informatieplicht, nu deze informatie een onjuist en te rooskleurig beeld geeft van het te verwachten eindkapitaal en/of voor recht te verklaren dat de door Aegon Levensverzekering op basis van het rekenkundig gemiddelde en/of een rendement dat geen relatie heeft met het onderliggende fonds berekende voorbeeldkapitalen in de door haar gebruikte en brochures kwalificeren als een misleidende mededeling in de zin van artikel 6:194 BW.

LXXXV. voor recht te verklaren dat Aegon Levensverzekering zich schuldig heeft gemaakt aan churning, door de brutopremie eerst geheel te beleggen en vervolgens weer verkopen te verrichten ten einde de kosten te betalen, waardoor feitelijk extra transactiekosten (aan- en verkoopkosten) werden verricht, zonder dat zulks in het belang van Eiser 2 was; en/of voor recht te verklaren dat Aegon Levensverzekering zich schuldig heeft gemaakt aan churning, nu zij aan- en verkoopkosten berekende over een gedeelte van de premie dat niet bestemd was voor vermogensopbouw (maar om kosten te voldoen) zonder dat zulks in het belang van Eiser 2 was;

LXXXVI. voor recht te verklaren dat Aegon Levensverzekering de op haar rustende bijzondere zorgplicht jegens Eiser 2 heeft geschonden en/of dat zij naar maatstaven van burgerlijk (contracten)recht tekort is geschoten jegens eiser door niet, althans onvoldoende te informeren en voor te lichten over en te waarschuwen voor de in deze dagvaarding genoemde bijzondere kosten en risico’s en eigenschappen van de Polissen.

LXXXVII. voor recht te verklaren dat Aegon Levensverzekering, gezien de haar in deze dagvaarding gemaakte verwijten, onrechtmatig jegens Eiser 2 heeft gehandeld en/of dat Aegon Levensverzekering toerekenbaar tekort is geschoten jegens Eiser 2;

LXXXVIII. voor recht te verklaren dat Aegon Levensverzekering jegens Eiser 2 toerekenbaar tekort is geschoten en/of onrechtmatig heeft gehandeld door kosten en andere bedragen in te houden zonder dat hiervoor een contractuele grondslag aanwezig was. Het betreft de volgende inhoudingen:

- kostenverzekeringsmaatschappij (eerste en doorlopende kosten);

- kosten bemiddelaar of verzekeringsadviseur;

- premie overlijdensrisicoverzekering

LXXXIX. voor recht te verklaren dat Aegon Levensverzekering zich ongerechtvaardigd heeft verrijkt ten opzichte Eiser 2 door kosten in te houden zonder contractuele grondslag;

XC. voor recht te verklaren dat de door Aegon Levensverzekering ingehouden bedragen, waarvoor geen contractuele grondslag aanwezig was, onverschuldigd zijn betaald;

XCI. voor recht te verklaren dat Aegon Levensverzekering op de einddatum of beëindigingsdatum van de Polis de opgebouwde waarde dient uit te keren, welke opgebouwde waarde vermeerderd dient te worden de bedragen die ten onrechte door Aegon Levensverzekering zijn ingehouden (geen contractuele grondslag) en vermeerderd met het misgelopen rendement over deze ingehouden bedragen;

XCII. voor recht te verklaren dat tussen Aegon Levensverzekering en Eiser 2 geen wilsovereenstemming bestond over de hoogte van:

- aan- en verkoopkosten;

- fondsbeheerkosten;

-wijzigingskosten

XCIII. voor recht te verklaren dat Aegon Levensverzekering onrechtmatig heeft gehandeld en/of toerekenbaar te kort is geschoten jegens Eiser 2 door hem niet, althans onvoldoende voor te lichten over de hoogte van aan- en verkoopkosten, de fondsbeheerskosten en/of de wijzigingskosten en over te gaan tot inhouding van deze kosten zonder dat over de hoogte wilsovereenstemming bestond.

XCIV. voor recht te verklaren dat Aegon Levensverzekering zich ongerechtvaardigd heeft verrijkt ten opzichte van Eiser 2, door een te hoog bedrag aan aan- en verkoopkosten, fondsbeheerkosten en/of wijzigingskosten in te houden zonder dat er tussen partijen wilsovereenstemming over de hoogte deze inhoudingen bestond;

XCV. voor recht te verklaren dat Aegon Levensverzekering op de einddatum of beëindigingsdatum van de Polis de opgebouwde waarde dient uit te keren, welke opgebouwde waarde vermeerderd dient te worden met de te hoge bedragen die ten onrechte zijn ingehouden aan aan- en verkoopkosten, fondsbeheerskosten en/of wijzigingskosten, vermeerderd met het misgelopen rendement over deze ingehouden bedragen;

XCVI. Aegon Levensverzekering te veroordelen tot vergoeding van de door eiser geleden schade als gevolg van de in deze dagvaarding aan Aegon Levensverzekering gemaakte verwijten, welke schade dient te worden opgemaakt bij staat en vereffend volgens de wet, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover;

XCVII. Aegon Levensverzekering te veroordelen in de kosten van deze procedure/ alsmede tot betaling van nakosten van € 131,- zonder betekening of € 199,- indien sprake is van betekening, te voldoen binnen tien dagen na de dagtekening van het in deze zaak te wijzen vonnis en – zou zij die proceskosten niet binnen die termijn voldoen – te vermeerderen met de wettelijke rente over de proceskosten gerekend vanaf de laatste dag van de voldoeningstermijn.

Ten aanzien van eiser sub 3

XCVIII. voor recht te verklaren dat Aegon Spaarkas aan Eiser 3 onvoldoende duidelijke en onvolledige informatie heeft verschaft over de kosten die aan zijn Polis zijn verbonden en de invloed van deze kosten op het te behalen eindresultaat;

XCIX. voor recht te verklaren dat Aegon Spaarkas jegens Eiser 3 tekort is geschoten en/of onrechtmatig heeft gehandeld nu zij de op haar rustende verplichting om te waarschuwen tegen het bijzondere risico dat ten gevolge van de hoogte van de kosten en de wijze waarop de kosten in rekening worden gebracht de mogelijkheid bestond dat het voorgespiegelde kapitaal niet uitgekeerd zou kunnen worden, niet is nagekomen;

C. voor recht te verklaren dat Aegon Spaarkas onrechtmatig heeft gehandeld jegens Eiser 3 door een gebrekkig product aan hem te verkopen;

CI. voor recht te verklaren dat Aegon Spaarkas onrechtmatig heeft gehandeld jegens Eiser 3 door hem niet te waarschuwen en/of voor te lichten over het crashrisico en/of door hem gedurende de looptijd van zijn Polis, op het moment dat de negatieve effecten van het genoemde crashrisico zich voordeden, niet in te lichten over deze negatieve gevolgen en/of geen maatregelen te treffen ten einde de negatieve gevolgen op te heffen en/of te beperken;

CII. voor recht te verklaren dat Aegon Spaarkas met haar voorbeeldberekeningen een onjuist en te rooskleurig beeld heeft geschetst voor de gemiddelde consument en voor Eiser 3 , nu Aegon Spaarkas heeft nagelaten een nadere toelichting te geven omtrent de door haar gebruikte rekenmethodiek (meetkundige berekening) bij de door haar gebruikte prognoses vanaf invoering van de Code;

CIII. voor recht te verklaren dat Aegon Spaarkas gehouden was, als zij voorbeeldberekeningen op basis van het meetkundig gemiddelde presenteerde, Eiser 3 te waarschuwen dat een hogere gemiddelde jaarlijkse koersstijging vereist was dan het gebruikte rendementspercentage om het geprognosticeerde eindkapitaal te behalen.

CIV. voor recht te verklaren dat Aegon Spaarkas, daar waar zij in de voorbeeldberekeningen heeft gerekend met een gelijkblijvend jaarlijks rendement op basis van het rekenkundig gemiddelde en/of met een gelijkblijvend jaarlijks rendement dat geen relatie heeft met het onderliggende fonds, tekort is geschoten in de op haar rustende informatieplicht, nu deze informatie een onjuist en te rooskleurig beeld geeft van het te verwachten eindkapitaal en/of voor recht te verklaren dat de door Aegon Spaarkas op basis van het rekenkundig gemiddelde en/of een rendement dat geen relatie heeft met het onderliggende fonds berekende voorbeeldkapitalen in de door haar gebruikte en

brochures kwalificeren als een misleidende mededeling in de zin van artikel

6:194 BW.

CV. voor recht te verklaren dat Aegon Spaarkas aan Eiser 3 onjuiste, misleidende en/of te rooskleurige eindkapitalen voorspiegelde op het spaarcertificaat.

CVI. voor recht te verklaren dat Aegon Spaarkas zich schuldig heeft gemaakt aan churning, door de brutopremie eerst geheel te beleggen en vervolgens weer verkopen te verrichten ten einde de kosten te betalen, waardoor feitelijk extra transactiekosten (aan- en verkoopkosten) werden verricht, zonder dat zulks in het belang van Eiser 3 was; en/of voor recht te verklaren dat Aegon Spaarkas zich schuldig heeft gemaakt aan churning, nu zij aan- en verkoopkosten berekende over een gedeelte van de premie dat niet bestemd was voor vermogensopbouw (maar om kosten te voldoen) zonder dat zulks in het belang was van Eiser 3;

CVII. voor recht te verklaren dat Aegon Spaarkas de op haar rustende bijzondere zorgplicht jegens Eiser 3 heeft geschonden en/of dat zij naar maatstaven van burgerlijk (contracten)recht tekort is geschoten jegens Eiser 3 door niet, althans onvoldoende te informeren en voor te lichten over en te waarschuwen voor de in deze dagvaarding genoemde bijzondere kosten en risico’s en eigenschappen van zijn Polis.

CVIII. voor recht te verklaren dat Aegon Spaarkas, gezien de haar in deze dagvaarding gemaakte verwijten, onrechtmatig jegens Eiser 3 heeft gehandeld en/of dat Aegon Spaarkas toerekenbaar tekort is geschoten jegens Eiser 3;

CIX. voor recht te verklaren dat Aegon Spaarkas jegens Eiser 3 toerekenbaar tekort is geschoten en/of onrechtmatig heeft gehandeld door aan- en verkoopkosten in te houden zonder dat hiervoor een contractuele grondslag aanwezig was.

CX. voor recht te verklaren dat Aegon Spaarkas zich ongerechtvaardigd heeft verrijkt ten opzichte van Eiser 3, door aan- en verkoopkosten in te houden zonder contractuele grondslag;

CXI. voor recht te verklaren dat de door Aegon Spaarkas ingehouden aan- en verkoopkosten, waarvoor geen contractuele grondslag aanwezig was, onverschuldigd zijn betaald;

CXII. voor recht te verklaren dat Aegon Spaarkas op de einddatum van de Polis uitgekeerde waarde van de Polis, dient te verhogen met de kosten die ten onrechte zijn ingehouden (geen contractuele grondslag) en vermeerderd met het misgelopen rendement over deze ingehouden kosten;

CXIII. voor recht te verklaren dat tussen Aegon Spaarkas en Eiser 3 geen wilsovereenstemming bestond over de hoogte van:

- de te betalen premie voor de overlijdensrisicoverzekering;

- kosten voortvloeiende uit de belegging der gelden;

CXIV. voor recht te verklaren dat Aegon Spaarkas onrechtmatig heeft gehandeld en/of toerekenbaar te kort is geschoten jegens Eiser 3 door hen niet, althans onvoldoende voor te lichten over de hoogte van de premie voor de overlijdensrisicoverzekering en de kosten voortvloeiende uit de belegging der gelden en door een te hoge premie en kosten in te houden voor de overlijdensrisicoverzekering en de kosten der belegging der gelden, zonder dat hierover wilsovereenstemming bestond.

CXV. voor recht te verklaren dat Aegon Spaarkas zich ongerechtvaardigd heeft verrijkt ten opzichte van Eiser 3, door een te hoog bedrag aan premie overlijdensrisicoverzekering en kosten der belegging der gelden in te houden zonder dat er tussen partijen wilsovereenstemming over de hoogte van deze inhoudingen bestond;

CXVI. voor recht te verklaren dat Aegon Spaarkas het bij beëindiging van de Polis uitgekeerde bedrag dient te verhogen met de te hoge bedragen die ten onrechte zijn ingehouden aan premie voor de overlijdensrisicoverzekering en aan kosten ter belegging der gelden, vermeerderd met het misgelopen rendement over deze ingehouden bedragen;

CXVII. Aegon Spaarkas te veroordelen tot vergoeding van de door Eiser 3 geleden schade als gevolg van de in deze dagvaarding aan Aegon Spaarkas gemaakte verwijten, welke schade dient te worden opgemaakt bij staat en vereffend volgens de wet, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover;

CXVIII. Aegon Spaarkas te veroordelen in de kosten van deze procedure/ alsmede tot betaling van nakosten van € 131,- zonder betekening of € 199,- indien sprake is van betekening, te voldoen binnen tien dagen na de dagtekening van het in deze

zaak te wijzen vonnis en – zou zij die proceskosten niet binnen die termijn voldoen – te vermeerderen met de wettelijke rente over de proceskosten

gerekend vanaf de laatste dag van de voldoeningstermijn.

Ten aanzien van eiser sub 4

CXIX. voor recht te verklaren dat Aegon Spaarkas aan Eiser 4 onvoldoende duidelijke en onvolledige informatie heeft verschaft over de kosten die aan zijn Polis zijn verbonden en de invloed van deze kosten op het te behalen eindresultaat;

CXX. voor recht te verklaren dat Aegon Spaarkas jegens Eiser 4 tekort is geschoten en/of onrechtmatig heeft gehandeld nu zij de op haar rustende verplichting om te waarschuwen tegen het bijzondere risico dat ten gevolge van de hoogte van de kosten en de wijze waarop de kosten in rekening worden gebracht de mogelijkheid bestond dat het voorgespiegelde kapitaal niet uitgekeerd zou kunnen worden, niet is nagekomen;

CXXI. voor recht te verklaren dat Aegon Spaarkas onrechtmatig heeft gehandeld jegens Eiser 4 door een gebrekkig product aan hem te verkopen;

CXXII. voor recht te verklaren dat Aegon Spaarkas onrechtmatig heeft gehandeld jegens Eiser 4 door hem niet te waarschuwen en/of voor te lichten over het crashrisico en/of door hem gedurende de looptijd van zijn Polis, op het moment dat de negatieve effecten van het genoemde crashrisico zich voordeden, niet in te lichten over deze negatieve gevolgen en/of geen maatregelen te treffen ten einde de negatieve gevolgen op te heffen en/of te beperken;

CXXIII. voor recht te verklaren dat Aegon Spaarkas met haar voorbeeldberekeningen een onjuist en te rooskleurig beeld heeft geschetst voor de gemiddelde consument en voor Eiser 4 , nu Aegon Spaarkas heeft nagelaten een nadere toelichting te geven omtrent de door haar gebruikte rekenmethodiek (meetkundige berekening) bij de door haar gebruikte prognoses vanaf invoering van de Code;

CXXIV. voor recht te verklaren dat Aegon Spaarkas gehouden was, als zij voorbeeldberekeningen op basis van het meetkundig gemiddelde presenteerde, Eiser 4 te waarschuwen dat een hogere gemiddelde jaarlijkse koersstijging vereist was dan het gebruikte rendementspercentage om het geprognosticeerde eindkapitaal te behalen.

CXXV. voor recht te verklaren dat Aegon Spaarkas, daar waar zij in de voorbeeldberekeningen heeft gerekend met een gelijkblijvend jaarlijks rendement op basis van het rekenkundig gemiddelde en/of met een gelijkblijvend jaarlijks rendement dat geen relatie heeft met het onderliggende fonds, tekort is geschoten in de op haar rustende informatieplicht, nu deze informatie een onjuist en te rooskleurig beeld geeft van het te verwachten eindkapitaal en/of voor recht te verklaren dat de door Aegon Spaarkas op basis van het rekenkundig gemiddelde en/of een rendement dat geen relatie heeft met het onderliggende fonds berekende voorbeeldkapitalen in de door haar gebruikte en

brochures kwalificeren als een misleidende mededeling in de zin van artikel

6:194 BW.

CXXVI. voor recht te verklaren dat Aegon Spaarkas aan Eiser 4 onjuiste, misleidende en/of te rooskleurige eindkapitalen voorspiegelde op het spaarcertificaat.

CXXVII. voor recht te verklaren dat Aegon Spaarkas zich schuldig heeft gemaakt aan churning, door de brutopremie eerst geheel te beleggen en vervolgens weer verkopen te verrichten ten einde de kosten te betalen, waardoor feitelijk extra transactiekosten (aan- en verkoopkosten) werden verricht, zonder dat zulks in het belang van Eiser 4 was; en/of voor recht te verklaren dat Aegon Spaarkas zich schuldig heeft gemaakt aan churning, nu zij aan- en verkoopkosten berekende over een gedeelte van de premie dat niet bestemd was voor vermogensopbouw (maar om kosten te voldoen) zonder dat zulks in het belang van Eiser 4 was;

CXXVIII. voor recht te verklaren dat Aegon Spaarkas de op haar rustende bijzondere zorgplicht jegens Eiser 4 heeft geschonden en/of dat zij naar maatstaven van burgerlijk (contracten)recht tekort is geschoten jegens Eiser 4 door niet, althans onvoldoende te informeren en voor te lichten over en te waarschuwen voor de in deze dagvaarding genoemde bijzondere kosten en risico’s en eigenschappen van de Polis van Eiser 4.

CXXIX. voor recht te verklaren dat Aegon Spaarkas, gezien de haar in deze dagvaarding gemaakte verwijten, onrechtmatig jegens Eiser 4 heeft gehandeld en/of dat Aegon Spaarkas toerekenbaar tekort is geschoten jegens Eiser 4;

CXXX. voor recht te verklaren dat Aegon Spaarkas jegens Eiser 4 toerekenbaar tekort is geschoten en/of onrechtmatig heeft gehandeld door aan- en verkoopkosten in te houden zonder dat hiervoor een contractuele grondslag aanwezig was.

CXXXI. voor recht te verklaren dat Aegon Spaarkas zich ongerechtvaardigd heeft verrijkt ten opzichte van Eiser 4, door aan- en verkoopkosten in te houden zonder contractuele grondslag;

CXXXII. voor recht te verklaren dat de door Aegon Spaarkas ingehouden aan- en verkoopkosten, waarvoor geen contractuele grondslag aanwezig was, onverschuldigd zijn betaald;

CXXXIII. voor recht te verklaren dat Aegon Spaarkas op de einddatum van de Polis uitgekeerde waarde van de Polis, dient te verhogen met de kosten die ten onrechte zijn ingehouden (geen contractuele grondslag) en vermeerderd met het misgelopen rendement over deze ingehouden kosten;

CXXXIV. voor recht te verklaren dat tussen Aegon Spaarkas en Eiser 4 geen wilsovereenstemming bestond over de hoogte van:

- de te betalen premie voor de overlijdensrisicoverzekering;

- kosten voortvloeiende uit de belegging der gelden;

CXXXV. voor recht te verklaren dat Aegon Spaarkas onrechtmatig heeft gehandeld en/of toerekenbaar te kort is geschoten jegens Eiser 4 door hen niet, althans onvoldoende voor te lichten over de hoogte van de premie voor de overlijdensrisicoverzekering en de kosten voortvloeiende uit de belegging der gelden en door een te hoge premie en kosten in te houden voor de overlijdensrisicoverzekering en de kosten der belegging der gelden, zonder dat hierover wilsovereenstemming bestond.

CXXXVI. voor recht te verklaren dat Aegon Spaarkas zich ongerechtvaardigd heeft verrijkt ten opzichte van Eiser 4, door een te hoog bedrag aan premie overlijdensrisicoverzekering en kosten der belegging der gelden in te houden zonder dat er tussen partijen wilsovereenstemming over de hoogte van deze inhoudingen bestond;

CXXXVII. voor recht te verklaren dat Aegon Spaarkas het op de einddatum van de Polis uitgekeerde bedrag dient te verhogen met de te hoge bedragen die ten onrechte zijn ingehouden aan premie voor de overlijdensrisicoverzekering en aan kosten ter belegging der gelden, vermeerderd met het misgelopen rendement over deze ingehouden bedragen;

CXXXVIII. Aegon Spaarkas te veroordelen tot vergoeding van de door Eiser 4 geleden schade als gevolg van de in deze dagvaarding aan Aegon Spaarkas gemaakte verwijten, welke schade dient te worden opgemaakt bij staat en vereffend volgens de wet, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover;

CXXXIX. Aegon Spaarkas te veroordelen in de kosten van deze procedure/ alsmede tot betaling van nakosten van € 131,- zonder betekening of € 199,- indien sprake is van betekening, te voldoen binnen tien dagen na de dagtekening van het in deze

zaak te wijzen vonnis en – zou zij die proceskosten niet binnen die termijn voldoen – te vermeerderen met de wettelijke rente over de proceskosten

gerekend vanaf de laatste dag van de voldoeningstermijn.

3.2.

De Vereniging, [eiser sub 2] , [eiser sub 3] en [eiser sub 4] leggen – samengevat – het volgende ten grondslag aan haar vorderingen. Aegon heeft gebrekkige producten in het verkeer gebracht, die niet bestand zijn tegen forse koersdalingen. Verder heeft Aegon onvoldoende gewaarschuwd voor een aantal risicovolle eigenschappen van de producten, zoals het hefboomeffect, het inteereffect, het fata morgana-effect en het crashrisico. Daarnaast heeft Aegon kosten in rekening gebracht die niet waren overeengekomen en/of waarvan de hoogte niet was overeengekomen. Ook heeft Aegon onvoldoende informatie gegeven over de kosten en over de invloed van de kosten op het te behalen rendement. Tot slot heeft Aegon zich schuldig gemaakt aan churning. Op grond daarvan heeft Aegon onrechtmatig gehandeld, althans is zij toerekenbaar tekortgeschoten in de nakoming van de met haar particuliere wederpartijen gesloten overeenkomsten, althans is zij ongerechtvaardigd verrijkt. [eiser sub 2] , [eiser sub 3] en [eiser sub 4] stellen dat zij hierdoor schade hebben geleden van een in een schadestaatprocedure nader te bepalen omvang.

3.3.

Aegon voert gemotiveerd verweer.

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

In de hoofdzaak

de vorderingen van de Vereniging

4.1.

Aegon voert een aantal verweren tegen de vorderingen van de Vereniging die in haar optiek gevolgen dienen te hebben voor de ontvankelijkheid van de Vereniging. De rechtbank zal deze verweren als eerste bespreken.

4.2.

Aegon voert in de eerste plaats aan dat de Vereniging niet aan de op haar rustende stelplicht voldoet, nu zij een groot aantal algemeenheden poneert, dat zij zonder meer op alle 115 producten die worden genoemd op het door haar als productie 2 bij de dagvaarding in het geding gebrachte “Overzicht Woekerpolissen” (hierna: het overzicht) wenst te betrekken. Ook haar vorderingen – met uitzondering van de vorderingen die zien op de drie voorbeeldproducten – zijn zeer algemeen van aard, aldus Aegon.

4.3.

De rechtbank stelt voorop dat volgens de hier toepasselijke, in artikel 150 Rv neergelegde hoofdregel, op de Vereniging, die zich op het rechtsgevolg beroept, de stelplicht en de bewijslast rust van de relevante feiten en omstandigheden die zij aan haar vorderingen ten grondslag legt. Het is daarmee aan haar om ten aanzien van de producten van Aegon waar haar vorderingen op zien de relevante feiten en omstandigheden te stellen. Dat zij een collectieve actie voert, maakt dat niet anders.

4.4.

Het voorgaande betekent dat de Vereniging niet alleen voldoende zal moeten stellen dat haar verwijten opgaan voor de producten waar haar collectieve actie op ziet, maar ook – en vooreerst – dat zij ten aanzien van die producten voldoet aan de in artikel 3:305a BW vervatte vereisten voor het voeren van een collectieve actie, te weten dat de door de Vereniging ingestelde vorderingen strekken tot bescherming van gelijksoortige belangen in de zin van dit artikel. Aan dit vereiste is voldaan indien de belangen ter bescherming waarvan de rechtsvorderingen strekken zich lenen voor bundeling, zodat een efficiënte en effectieve rechtsbescherming ten behoeve van de belanghebbenden kan worden bevorderd. Daarbij geldt dat de aard van de bij de procedure betrokken belangen zich niet tegen bundeling mag verzetten.

4.5.

De Vereniging heeft een viertal verwijten op hoofdlijnen geformuleerd, te weten:

  1. het in het verkeer brengen van gebrekkige producten die niet bestand zijn tegen forse koersdalingen;

  2. het onvoldoende waarschuwen voor en/of voorlichten over een aantal risicovolle eigenschappen van de producten, zoals het hefboomeffect, het inteereffect, het fata morgana effect en het crashrisico;

  3. het onvoldoende informeren over hoge (eerste) kosten die op de producten werden ingehouden en de effecten hiervan op het met de producten op te bouwen vermogen;

  4. het in rekening brengen van kosten die niet waren overeengekomen.

Bij de uitwerking van de verwijten heeft de Vereniging dat laatste verwijt aangevuld met het in rekening brengen van kosten waarvan de hoogte niet was overeengekomen. Bij de uitwerking van de verwijten heeft de Vereniging verder nog enige ‘overige verwijten’ geformuleerd over churning en kostengerelateerde risico’s. Ten aanzien van Koersplan stelt de Vereniging tot slot dat het in HR 24 juni 2013 (ECLI:NL:HR:2013:BZ3749, hierna: ‘het Koersplanarrest’) vervatte oordeel over dit product van Aegon in een andere collectieve actie, niet alle door haar ten aanzien van dit product geformuleerde verwijten dekt; de Vereniging is van mening dat er ook andere en meer verdergaande verwijten aan Aegon kunnen worden gemaakt.

4.6.

De Vereniging heeft haar verwijten in algemene termen uitgewerkt. Daarbij heeft zij een aantal verwijten, bijvoorbeeld die aangaande de kosten, ook meer concreet uitgewerkt voor Fundplan, VermogensPlan en KoersPlan, die zij aanduidt als ‘voorbeeldproducten’. Daarnaast zijn in de dagvaarding ter onderbouwing van de vorderingen van de drie individuele eisers de in r.o. 4.5 genoemde verwijten concreet geformuleerd voor de door hen afgesloten beleggingsverzekeringen, die de drie door de Vereniging genoemde voorbeeldproducten betreffen.

4.7.

Volgens de Vereniging gelden de door haar geformuleerde verwijten voor alle 115 in het overzicht genoemde producten van Aegon. De Vereniging tekent daarbij wel aan dat de kostenstructuur van de in het overzicht genoemde producten van elkaar kan verschillen. Dat geldt ook voor de informatievoorziening aangaande de kosten en de kostenrisico’s. De rechtbank hoeft deze 112 producten volgens de Vereniging in beginsel niet afzonderlijk te beoordelen: indien de rechtbank van oordeel is dat de ten aanzien van de voorbeeldproducten geformuleerde verwijten terecht zijn, zal Aegon moeten bewijzen dat haar ten aanzien van de overige 112 producten geen verwijt valt te maken, aldus de Vereniging, die zich op het standpunt stelt dat van haar niet kan worden verwacht dat zij voor ieder afzonderlijk door Aegon verkocht product een aparte collectieve procedure moet opstarten om de aansprakelijkheid van Aegon vast te stellen; een collectieve actie is de enige manier voor afnemers om op korte termijn duidelijkheid te verkrijgen, zonder ieder afzonderlijk te moeten procederen, zo stelt de Vereniging.

de 112 producten

4.8.

Het overzicht is kennelijk door de Vereniging zelf opgesteld en bestaat enkel uit een lijst met 115 productnamen, zonder enige toelichting. Drie van deze producten zijn de door [eiser sub 2] , [eiser sub 3] en [eiser sub 4] afgesloten beleggingsverzekeringen, die zijn uitgewerkt in de dagvaarding, waarbij ook stukken die betrekking hebben op de door deze drie individuele eisers afgesloten verzekeringsovereenkomsten – brochures, offertes, algemene voorwaarden – in het geding zijn gebracht. Van de andere 112 producten (die hierna ook worden aangeduid als: ‘de 112 producten’) zijn in de dagvaarding twee summier toegelicht, namelijk Spaarlift en Spaarbeurs, en zijn daarop toepasselijke algemene voorwaarden overgelegd. Van de 110 andere producten kent de rechtbank alleen de naam die wordt genoemd in het overzicht, dat – zo leidt de rechtbank af uit de titel van het overzicht – producten van Aegon bevat die in de optiek van de Vereniging kennelijk vallen binnen de reikwijdte van de door haar gegeven omschrijving van ‘woekerpolis’.

4.9.

Zonder verdere feitelijke onderbouwing of nadere toelichting, die ontbreekt, is hiermee niet duidelijk of de 112 producten dezelfde, althans zeer vergelijkbare productkenmerken hebben als (één van) de drie voorbeeldproducten en of zij op dezelfde, althans vergelijkbare wijze tot stand zijn gekomen. Evenmin is duidelijk of de Vereniging opkomt voor personen die stellen schade te hebben geleden door de handelwijze van Aegon bij het aanbieden en uitvoeren van deze 112 producten. Dat geldt eens temeer nu volgens de eigen stellingen van de Vereniging sprake is van – niet nader door haar aangeduide of toegelichte – mogelijke verschillen in de kostenstructuur van de producten en de informatievoorziening aangaande de kosten en de kostenrisico’s. Daarmee heeft de Vereniging niet aan de op haar rustende stelplicht voldaan. Dat geldt zowel voor haar ontvankelijkheid in een collectieve actie voor de 112 producten als voor haar verwijten ten gronde met betrekking tot de 112 producten.

4.10.

Nu onvoldoende is gesteld dat de Vereniging voor de 112 producten voldoet aan de in artikel 3:305a BW gestelde eisen voor ontvankelijkheid in een collectieve actie, kan de Vereniging niet worden ontvangen in haar vorderingen ten aanzien van deze producten. Nu de primaire vordering betrekking heeft op alle Aegon producten en de subsidiaire vorderingen betrekking hebben op de drie voorbeeldproducten, treft dit lot van de niet-ontvankelijkheid de gehele primaire vordering (vorderingen I tot en met XIX). De rechtbank komt niet toe aan bespreking van de andere verweren van Aegon ten aanzien van de 112 producten.

de drie voorbeeldproducten: Fundplan, VermogensPlan en KoersPlan

4.11.

De rechtbank verstaat de stellingen van de Vereniging over de drie voorbeeldproducten aldus dat de door haar gemaakte verwijten alle opgaan voor deze drie producten en dat dit geïllustreerd wordt door de vorderingen van de drie individuele eisers. De Vereniging heeft daarmee kennelijk beoogd om naast haar algemene uiteenzettingen over de verwijten en de nadere uitwerking van de verwijten over de kosten voor de drie voorbeeldproducten, de concrete uitwerking van de verwijten voor de individuele eisers aan haar stellingen over de voorbeeldproducten ten grondslag te leggen. De Vereniging stelt zich daarmee – kennelijk – op het standpunt dat de inhoud, wijze van aanbieding en het afsluiten van beleggingsverzekeringen met die productnamen zodanig uniform is, dat de belangen van afnemers van die producten zich voor bundeling lenen.

4.12.

Aegon heeft betwist dat de vorderingen van de Vereniging strekken tot bescherming van gelijksoortige belangen in de zin van artikel 3:305a BW. Zij heeft aangevoerd dat afnemers bij het aangaan van overeenkomsten betreffende deze producten individuele keuzes kunnen maken, waaronder de keuze voor een garantie, zodat een onderzoek naar de individuele situatie van afnemers nodig is om te toewijsbaarheid van de algemeen geformuleerde verklaringen voor recht te kunnen beoordelen.

4.13.

Dit betoog van Aegon gaat niet op. Dat verzekeringnemers met de door hen individueel te maken keuzes zelf het beleggingsrisico konden beïnvloeden, staat immers los van de vraag of, en zo ja, in hoeverre, Aegon haar potentiële klanten in algemene zin had moeten waarschuwen voor en/of informeren over bepaalde risico’s en of zij al dan niet voldoende duidelijkheid heeft verschaft over de in de beleggingsverzekeringen verdisconteerde kosten en de wijze van verdiscontering van die kosten. De rechtbank stelt vast dat de verwijten die de Vereniging Aegon maakt, gerelateerd zijn aan de algemene kenmerken van Fundplan, VermogensPlan en KoersPlan en de informatievoorziening en berekening van kosten met betrekking tot die drie producten in algemene zin. Voorts blijkt uit de overgelegde contractdocumentatie de inhoud en de wijze van aanbieding en het afsluiten van de desbetreffende producten aan de drie individuele eisers. Gezien de standpunten van partijen en de in het geding gebrachte stukken zijn er voldoende aanknopingspunten voor het oordeel dat zowel de wijze van aanbieden en afsluiten van de drie voorbeeldproducten en de contractsinformatie van deze producten zodanig uniform is, zodat een onderzoek naar de situatie van alle individuele deelnemers niet nodig is om de in algemene termen geformuleerde verklaringen voor recht te kunnen beoordelen. De omstandigheid dat ten aanzien van de drie voorbeeldproducten een compleet overzicht ‘over tijd’ ontbreekt, zoals Aegon op zichzelf terecht stelt, is wel van belang voor de inhoudelijke beoordeling van de verwijten van de Vereniging, maar brengt, zonder dat Aegon haar verweer op dit punt verder heeft onderbouwd, niet mee dat geen sprake is van gelijksoortige belangen.

4.14.

Aegon voert voorts als verweer dat de vorderingen van de Vereniging deels ontoelaatbaar zijn. Dit verweer heeft – voor zover nog van belang – betrekking op de vorderingen onder XXXIV, XXXVIII, LIII, LVII, LXXI en LXXV, waarin de Vereniging ten aanzien van de drie voorbeeldproducten vordert dat voor recht wordt verklaard dat Aegon op de einddatum of de beëindigingsdatum de opgebouwde waarde dient uit te keren, vermeerderd met de ten onrechte ingehouden aan- en verkoopkosten, het misgelopen rendement over deze kosten, de ten onrechte ingehouden te hoge bedragen aan premie overlijdensrisicoverzekering en aan kosten ter belegging der gelden en het misgelopen rendement over deze ingehouden bedragen.

4.15.

Dit verweer van Aegon treft doel. De door Aegon genoemde vorderingen van de Vereniging verschillen namelijk niet wezenlijk van een vordering tot betaling van schadevergoeding op te maken bij staat waarbij alleen de omvang van de schade per betrokken verzekeringnemer moet worden vastgesteld. Deze vaststelling kan niet plaatsvinden zonder te treden in de vraag in welke mate, afhankelijk van de bijzondere omstandigheden van het geval, het ontstaan van die individuele schade aan de gestelde verwijten aan het adres van Aegon kan worden toegerekend en in welke mate aan Aegon en mogelijk aan de individuele benadeelden toe te rekenen omstandigheden tot de gestelde schade hebben bijgedragen. De belangen die deze vordering beoogt te dienen, laten zich dus in onvoldoende mate veralgemeniseren en kunnen daarmee niet gerekend worden tot de gelijksoortige belangen waarop artikel 3:305a BW het oog heeft. De strekking van artikel 3:305a BW verzet zich tegen het door de Vereniging indienen van deze vorderingen.

slotsom ontvankelijkheid Vereniging

4.16.

De slotsom van het voorgaande is dat, afgezien van de vorderingen onder XXXIV, XXXVIII, LIII, LVII, LXXI en LXXV, de subsidiaire vorderingen van de Vereniging met betrekking tot de drie voorbeeldproducten strekken tot bescherming van gelijksoortige belangen in de zin van artikel 3:305a BW, ten aanzien waarvan niet is betwist dat de Vereniging deze volgens haar statuten behartigt. Daar waar hierna wordt gesproken van de vorderingen van de Vereniging heeft de rechtbank het oog op de subsidiaire vorderingen met betrekking tot de voorbeeldproducten, met uitzondering van de hiervoor genoemde niet toelaatbaar geachte vorderingen.

4.17.

Anders dan Aegon heeft betoogd, heeft de Vereniging ook voldoende belang bij deze vorderingen, aangezien de rechtbank ervan uitgaat dat de Verenging slechts opkomt voor de mensen die stellen schade te hebben geleden door het Fundplan, VermogensPlan of KoersPlan.
bevel ex artikel 22 Rv

4.18.

Zoals hiervoor is overwogen, bestaat de door de Vereniging gegeven onderbouwing met bescheiden uit de bescheiden die betrekking hebben op de door de drie individuele eisers afgesloten beleggingsverzekeringen. Het gaat om brochures, offertes, certificaten en algemene voorwaarden betreffende Fundplan, VermogensPlan en KoersPlan. De brochure ter zake VermogensPlan, waaraan partijen refereren en die als productie 13 bij de dagvaarding zou zijn overgelegd, ontbreekt. Daarmee ziet de in het geding gebrachte documentatie op overeenkomsten waarbij de beleggingsverzekeringen Fundplan, VermogensPlan en KoersPlan zijn afgesloten in 1991, 1995 respectievelijk 1993.

4.19.

De vorderingen van de Vereniging en de daaraan ten grondslag gelegde stellingen – die geen begrenzing in de tijd kennen – strekken zich echter uit over de gehele periode dat Aegon deze drie producten aanbood. Aegon heeft zich onder meer tegen de verwijten van de Vereniging verweerd met de stelling dat de contractdocumentatie betreffende de drie producten in de loop der jaren is verbeterd. De Vereniging heeft niet weersproken dat Aegon de contractdocumentatie in de loop der tijd heeft gewijzigd. Dat blijkt ook uit de ten aanzien van KoersPlan vastgestelde feiten, in de procedure die heeft geleid tot het Koersplanarrest.

4.20.

In het voorgaande ziet de rechtbank grond om de Vereniging op de voet van artikel 22 Rv te bevelen bij akte alle relevante contractdocumentatie met betrekking tot de drie voorbeeldproducten over de relevante periode in het geding te brengen en deze vergezeld te laten gaan van een nadere concretisering van haar verwijten per periode waarin de bedoelde contractdocumentatie voor het desbetreffende voorbeeldproduct in kwestie werd gebruikt.

4.21.

Aegon zal vervolgens in de gelegenheid worden gesteld hierop te reageren. Voor zover haar standpunten betrekking hebben op niet reeds door de Vereniging in het geding gebrachte bescheiden, dient zij de relevante bescheiden in het geding te brengen.

in het incident

4.22.

De incidentele vordering heeft betrekking op de offerteprogrammatuur voor de producten KoersPlan, VermogensPlan en Fundplan, zoals deze in de loop der jaren is gebruikt, plus een beschrijving van de werking van de hiervoor genoemde offerteprogrammatuur.

4.23.

De incidentele vordering is gebaseerd op artikel 843a Rv, waarvoor als uitgangspunt geldt dat dit artikel ziet op een bijzondere exhibitieplicht in en buiten rechte. Deze exhibitieplicht dient ertoe om bepaalde bewijsstukken in de procedure als bewijsmiddel ter beschikking te doen komen. In Nederland bestaat géén algemene exhibitieplicht voor procespartijen in die zin dat zij als hoofdregel verplicht kunnen worden tot het elkaar verschaffen van alle denkbare informatie en documenten. Met het oog daarop en ter voorkoming van zogenaamde “fishing expeditions” is de toewijsbaarheid van een op artikel 843a Rv gebaseerde vordering in dat wetsartikel aan een aantal beperkende voorwaarden gebonden. Ten eerste dient de eiser tot exhibitie een rechtmatig belang te stellen en te hebben, waarbij rechtmatig belang moet worden uitgelegd als bewijsbelang. Bewijsbelang bestaat indien een bewijsstuk kan bijdragen aan het onderbouwen en/of aantonen van een voor de te beoordelen vorderingen relevante, mogelijk doorslaggevende stelling, die voldoende concreet is onderbouwd en voldoende concreet is betwist. Ten tweede moeten de vorderingen “bepaalde bescheiden” betreffen waarover ten derde de gedaagde daadwerkelijk de beschikking heeft of kan krijgen. Ten vierde dient de eiser tot exhibitie partij te zijn bij de rechtsbetrekking waarop de gevorderde specifieke bescheiden zien. Hieronder valt ook de rechtsbetrekking uit onrechtmatige daad ontstaan. Indien aan al deze voorwaarden is voldaan, bestaat desondanks géén gehoudenheid tot overlegging indien ten vijfde daarvoor gewichtige redenen zijn of indien ten zesde redelijkerwijs kan worden aangenomen dat een behoorlijke rechtsbedeling ook zonder die gegevensverschaffing is gewaarborgd.

4.24.

De Vereniging, [eiser sub 2] , [eiser sub 3] en [eiser sub 4] stellen dat zij rechtmatig belang hebben bij kennisname van het door hen gevorderde, omdat zij daarmee (i) de exacte gevolgen van het fata morgana-effect kunnen uitrekenen en (ii) de hoogte kunnen vaststellen van de verschillende kosten die op de polissen werden ingehouden. [eiser sub 2] , [eiser sub 3] en [eiser sub 4] stellen dat hun belang tevens is gelegen in het kunnen berekenen van hun exacte schade.

4.25.

Naar het oordeel van de rechtbank ontbreekt rechtmatig belang in de zin van artikel 843a Rv. Zij overweegt daartoe als volgt.

4.26.

De Vereniging stelt dat zij genoeglijk heeft aangetoond dat sprake is van een significant verschil tussen hetgeen een gemiddelde consument mag verwachten wanneer hem een berekening op basis van een voorbeeldpercentage wordt voorgehouden en hetgeen hij daadwerkelijk zal ontvangen als het gemiddelde voorgerekende rendement wordt behaald (het fata morgana-effect). Aegon betwist echter niet dat het rekenkundig gemiddelde een andere uitkomst geeft dan het meetkundig gemiddelde. Wat tussen partijen in geschil is, is of Aegon haar klanten hiervoor had moeten waarschuwen. Zonder nadere toelichting – die ontbreekt – ziet de rechtbank dan ook niet in welk belang de Vereniging en [eiser sub 2] , [eiser sub 3] en [eiser sub 4] hebben bij verstrekking van de offertecomputerprogrammatuur om de exacte gevolgen van het fata morgana-effect uit te kunnen rekenen.

4.27.

Voor zover gesteld zou worden dat dit belang (mede) gelegen kan zijn in de mogelijkheid om de precieze gevolgen van dit gestelde effect voor individuele verzekeringsnemers uit te rekenen, stuit dit af op hetgeen hiervoor is overwogen over de ontoelaatbaarheid van een aantal vorderingen van de Vereniging. Voor [eiser sub 2] , [eiser sub 3] en [eiser sub 4] geldt in dit verband dat het rechtmatig belang van het beschikken over de mogelijkheid om de precieze gevolgen van dit gestelde effect te berekenen ontbreekt omdat zij in de hoofdzaak schadevergoeding op te maken bij staat hebben gevorderd, waardoor hun vorderingen niet nopen tot begroting van de schade. Het voorgaande geldt ook voor het door de Vereniging, [eiser sub 2] , [eiser sub 3] en [eiser sub 4] onder ii) gestelde belang bij kennisname.

in de hoofdzaak en in het incident

tussenconclusie en verder verloop van de procedure

4.28.

De Vereniging zal in het te zijner tijd te wijzen eindvonnis niet-ontvankelijk worden verklaard in haar primaire vorderingen (vorderingen I tot en met XIX) en in haar subsidiaire vorderingen met nummers XXXIV, XXXVIII, LIII, LVII, LXXI en LXXV. De incidentele vordering ligt voor afwijzing gereed.

4.29.

Daarmee resteren de vorderingen van de individuele eisers in de hoofdzaak en de overige vorderingen in de hoofdzaak van de Vereniging, die betrekking hebben op de drie voorbeeldproducten, Fundplan, VermogensPlan en KoersPlan. Er volgt een aktewisseling ter uitvoering van het door de rechtbank op de voet van artikel 22 Rv gegeven bevel om bescheiden in het geding te brengen en stellingen nader toe te lichten.

4.30.

Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.

5 De beslissing

De rechtbank

in de hoofdzaak

5.1.

beveelt de Vereniging op de voet van artikel 22 Rv alle relevante contractdocumentatie met betrekking tot de drie voorbeeldproducten over de relevante periode in het geding te brengen en deze vergezeld te laten gaan van een nadere concretisering van haar verwijten per periode waarin de bedoelde contractdocumentatie voor het desbetreffende voorbeeldproduct in kwestie werd gebruikt;

5.2.

verwijst de zaak naar de rol van 25 november 2015 voor het nemen van een akte door de Vereniging ter voldoening van het voorgaande;

5.3.

bepaalt dat Aegon op de rol van 23 december 2015 een antwoordakte kan nemen, waarbij zij, voor zover haar standpunten betrekking hebben op niet reeds door de Vereniging in het geding gebrachte bescheiden, de relevante bescheiden in het geding brengt;

in de hoofdzaak en in het incident

5.4.

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mrs. L. Alwin, M.C. Ritsema van Eck- van Drempt en A.M. Voorwinden en in het openbaar uitgesproken op 28 oktober 2015.