Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2015:12199

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
21-10-2015
Datum publicatie
28-10-2015
Zaaknummer
C/09/480612 / HA ZA 15-48
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verdeling tussen ex-echtgenoten ex artikel 3:185 BW. Verkoop gemeenschappelijk registergoed. Echtscheidingsconvenant. Gemeenschapsschuld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK DEN HAAG

Team handel (civiele bodemzaken)

zaaknummer / rolnummer: C/09/480612 / HA ZA 15-0048

Vonnis van 21 oktober 2015

in de zaak van:

[de vrouw] ,

de vrouw wonende te [woonplaats] ,

eiseres in conventie, verweerster in reconventie,

advocaat: mr. A. Klomp-Kraal te Den Haag ,

tegen

[de man] ,

de man wonende te [woonplaats] ,

gedaagde in conventie, eiser in reconventie,

advocaat: mr. A.K. Ramdas te Rotterdam.

De rechtbank zal de twee procespartijen hierna de vrouw en de man noemen.

De procedure

1.1

De rechtbank heeft bij het wijzen van dit vonnis rekening gehouden met de inhoud van de hierna volgende processtukken, uit welke opsomming ook het procesverloop blijkt:

  • -

    de dagvaarding van 24 december 2014 tegen de eerste rolzitting van 21 januari 2015, met de producties 1 t/m 8 van de vrouw;

  • -

    de conclusie van antwoord in conventie en van eis in reconventie van 22 april 2015, met de producties 1 t/m 3 van de man;

  • -

    het comparitievonnis van de rechtbank van 20 mei 2015;

  • -

    de op 17 augustus 2015 ter civiele griffie ontvangen conclusie van antwoord in reconventie, met eiswijziging in conventie en met de producties 9 t/m 14 van de vrouw;

  • -

    het proces-verbaal van de comparitie van partijen van 1 september 2015;

  • -

    de brieven van beide advocaten van 29 en 30 september 2015.

1.2

De vonnisdatum is bepaald op vandaag.

De feiten

2.1

De vrouw en de man zijn ex-echtgenoten. Zij zijn in gemeenschap van goederen gehuwd geweest van 5 augustus 1994 tot 9 april 2013. Hun zoon [de zoon] is geboren in [geboortemaand] 1998 en nu dus bijna 17 jaar oud.

2.2

De man en de vrouw hebben in het kader van hun voorgenomen echtscheiding op 19 januari 2013 een echtscheidingsconvenant ondertekend, dat is opgesteld door en dat tot stand is gekomen na tussenkomst van hun toenmalige gezamenlijke advocaat mr. [A] te Utrecht. Kortheidshalve zal de rechtbank een door de rechtbank gewaarmerkte kopie van dit echtscheidingsconvenant van vier bladzijden als bijlage aan dit vonnis hechten. De inhoud van dat convenant moet als hier geheel herhaald en ingelast worden beschouwd. Het bij het convenant behorende ouderschapsplan van eveneens vier bladzijden is niet door partijen geproduceerd. In dat ouderschapsplan is naar de rechtbank begrijpt onder meer overeengekomen dat de man aan de vrouw een jaarlijks te indexeren kinderalimentatie voor [de zoon] zal betalen van € 250,- per maand.

2.3

Na indiening van het gezamenlijk verzoekschrift met echtscheidingsconvenant en ouderschapsplan van 19 januari 2013 door mr. [A] en na het horen van [de zoon] op 14 februari 2013, heeft de rechtbank Midden-Nederland locatie Utrecht bij beschikking van 6 maart 2013 de echtscheiding uitgesproken. Die rechtbank heeft daarbij ook bepaald dat het echtscheidingsconvenant met ouderschapsplan deel uitmaakt van die beschikking, die daarna op 9 april 2013 is ingeschreven in het register van de burgerlijke stand.

2.4

De man heeft vervolgens in juni 2013 een andere woning gevonden en de vooralsnog onverdeeld gelaten gemeenschappelijke voormalige echtelijke woning aan de [adres] te [plaats] verlaten. In lijn met hetgeen daarover is overeengekomen in het convenant, is de vrouw met [de zoon] in die voormalige echtelijke woning blijven wonen en heeft zij na het vertrek van de man tot dusver alle eigenaarslasten en gebruikerslasten van die woning betaald. De WOZ-waarde van dat gemeenschappelijke registergoed was in 2014 € 200.000,-. Op dat gemeenschappelijke en vooralsnog onverdeeld gelaten registergoed rust sinds januari 2004 een gezamenlijke hypothecaire schuld van de man en de vrouw aan ING Bank NV met een hoofdsom van € 204.000. De waarde van het in die beleggingshypotheek vervatte beleggingsdepot bedroeg per 31 december 2013 afgerond € 14.076,-.

2.5

De man en de vrouw hebben de gemeenschappelijke inboedelzaken bij het vertrek van de man uit de woning in juni 2013 in onderling overleg verdeeld. Van de overige gemeenschappelijke roerende zaken is sinds juni 2013 bij de vrouw in exclusief gebruik gebleven de personenauto Suzuki Rhino met bouwjaar 2007, de motor Suzuki Gladius met bouwjaar 2010 en het staalgouden Breitling horloge; bij de man de motor Honda Shadow uit bouwjaar 2000 en nog een derde oude defecte motor van een onbekend merk en bouwjaar.

2.6

De man is door zijn gerezen financiële problemen vanaf november 2013 gestopt met het betalen aan de vrouw van de overeengekomen kinderalimentatie voor [de zoon] van
€ 250,- per maand plus indexering. De vrouw heeft daarna het LBIO ingeschakeld ter incasso van de achterstallige kinderalimentatie. Ondanks het in mei 2014 door het LBIO gelegde loonbeslag onder de werkgever van de man, is de betalingsachterstand van de man voor aan de vrouw te betalen kinderalimentatie per 28 april 2015 opgelopen tot € 4.617,66.

2.7

De man is door zijn financiële problemen omstreeks februari 2014 ook gestopt met zijn maandelijkse rentebetalingen van € 115,30 voor het door de man en de vrouw in juni 2010 gezamenlijk afgesloten krediet van € 46.000 bij DEFAM BV, waarover in het echtscheidingsconvenant in de punten 7 en 17 daarvan kort gezegd is overeengekomen dat de man in de onderlinge verhouding met de vrouw die gemeenschappelijke schuld aan DEFAM BV geheel voor zijn rekening zal nemen en de vrouw ter zake van die schuld aan DEFAM BV ook zal vrijwaren. DEFAM BV heeft daarna bij brief van 25 maart 2014 bij de vrouw de gehele rentedragende geldlening van toen in hoofdsom afgerond nog € 23.925,- opgeëist. De vrouw heeft vervolgens een betalingsregeling met DEFAM BV getroffen, waardoor de vrouw sinds april 2014 naast een betaling ineens van de achterstand van

€ 570,82 maandelijks € 113,20 rente aan DEFAM BV heeft betaald en sinds 1 juli 2015 maandelijks € 450,- voor rente en aflossing aan DEFAM BV heeft betaald. Per 1 december 2014 bedroeg de regresvordering van de vrouw op de man voor haar betalingen aan DEFAM BV sinds april 2014 al € 1.702,02.

2.8

Op naam van de man is tijdens het huwelijk per 1 december 1998 bij AEGON Spaarkas NV een spaarkasovereenkomst gesloten, destijds bestemd voor dekking van de latere studiekosten van de toen pasgeboren zoon [de zoon] . Op 1 december 2014 liep dit beleggingsproduct af met een aan de man uit te keren eindresultaat van € 11.361,89. De vrouw heeft medio december 2014 ten laste van de man conservatoir derdenbeslag doen leggen onder AEGON Spaarkas NV tot zekerheid voor haar vorderingen op de man uit achterstallige kinderalimentatie en uit regres voor haar betalingen aan DEFAM BV.

2.9

Zowel de vrouw als de man hebben relatief grote financiële problemen. Zij kunnen van hun relatief geringe inkomsten al hun bestaande financiële verplichtingen niet of nauwelijks meer betalen.

De geschillen

3.1

In conventie vordert de vrouw na eiswijziging, verkort weergegeven en met de gebruikelijke nevenvorderingen, dat de rechtbank:

  1. zal bepalen dat de opgebouwde waarde per 1 december 2014 van de polis bij Aegon Spaarkas tussen partijen zal worden gedeeld;

  2. zal verklaren voor recht dat de man jegens de vrouw voor het geheel draagplichtig is met betrekking tot de schuld bij de Defam;

  3. de man zal veroordelen om aan de vrouw te betalen al hetgeen zij in mindering op de schuld aan de Defam al heeft betaald en nog zal betalen aan de Defam;

  4. zal bepalen dat de woning aan de [adres] te [plaats] zal worden verdeeld, in dier voege dat de woning zal worden verkocht en geleverd aan een derde, waarna de opbrengst van de woning en de waarde van (naar de rechtbank begrijpt) het hypothecair beleggingsdepot zullen worden aangewend voor de aflossing van de hypothecaire geldlening en het resterende positieve dan wel negatieve bedrag bij helfte zal worden verdeeld;

  5. de man zal veroordelen om binnen 7 dagen na betekening van dit vonnis aan het door de vrouw gekozen makelaarskantoor [makelaarskantoor 1] te [plaats] de verkoopopdracht voor die woning in onbewoonde staat te verstrekken;

  6. de vrouw zal machtigen om, indien de man die medewerking weigert, namens de man de verkoopopdracht voor die woning aan dat makelaarskantoor te verstrekken;

  7. de man zal veroordelen tot medewerking aan de verkoop en levering aan de meest biedende derde op die woning;

  8. zal bepalen dat dit vonnis dezelfde kracht heeft als een in wettige vorm opgemaakte akte tot ondertekening door de man van de (ver)koopovereenkomst en de notariële transportakte van die woning, indien de man die medewerking weigert.

3.2

In reconventie vordert de man, verkort weergegeven en met nevenvorderingen, dat de rechtbank zal bepalen:

  1. dat punt 7 van het echtscheidingsconvenant in die zin wordt gewijzigd dat de draagplicht van de DEFAM-schuld vanaf de peildatum bij helfte tussen partijen moet worden gedragen;

  2. dat de motor Suzuki Gladius met kenteken [nummer 1] aan de vrouw wordt toebedeeld, met veroordeling van de vrouw om aan de man wegens overbedeling € 2.625,- te betalen;

  3. dat de personenauto Suzuki Rhino met kenteken [nummer 2] aan de vrouw wordt toebedeeld, met veroordeling van de vrouw om aan de man wegens overbedeling € 4.250,- te betalen;

  4. dat het gouden Breitling horloge aan de vrouw wordt toebedeeld, met veroordeling van de vrouw om daarvoor aan de man € 1.089,- wegens overbedeling te betalen;

  5. dat het overige goud aan de vrouw wordt toebedeeld, met veroordeling van de vrouw om daarvoor aan de man € 7.500,- wegens overbedeling te betalen;

  6. dat de inboedel van de voormalige echtelijke woning aan (naar de rechtbank begrijpt) de [adres] te [plaats] aan de vrouw wordt toebedeeld, met veroordeling van de vrouw om daarvoor aan de man € 7.500,- wegens overbedeling te betalen.

3.3

De rechtbank zal hierna bij de beoordeling van deze over en weer ingestelde vorderingen de relevante standpunten van beide partijen over die vorderingen vermelden.

De beoordeling

4.1

De rechtbank zal alle samenhangende vorderingen in conventie en in reconventie over kort gezegd de verdeling tussen beide ex-echtgenoten op de voet van art. 3:185 BW hierna met behulp van onderstreepte tussenkopjes beoordelen.

Verkoop van de voormalige echtelijke woning en opbrengst beleggingshypotheek.

4.2

De vrouw vordert in weerwil van hetgeen daarover in de punten 9 t/m 12 van het echtscheidingsconvenant van 19 januari 2013 voorshands is overeengekomen alsnog verdeling van de voormalige echtelijke woning te [plaats] , zulks door spoedige onderhandse verkoop aan een derde via het door de vrouw gekozen makelaarskantoor met medewerking van de man aan die verkoop en levering aan de meest biedende derde. Dit omdat de vrouw stelt dat zij de aan deze door haar en [de zoon] bewoonde en vooralsnog onverdeeld gelaten woning verbonden eigenaarslasten en gebruikerslasten niet meer kan betalen, nu de man in strijd met de afspraken uit het convenant de kinderalimentatie en de schuld bij DEFAM BV niet meer betaalt, waardoor de vrouw sinds eind 2013 en begin 2014 ook de kosten van [de zoon] en de maandbetalingen aan DEFAM BV geheel voor haar rekening heeft moeten nemen. De vrouw vreest dat dit alles tot een executieverkoop van de gemeenschappelijke woning door de hypotheekhouder ING Bank NV zal leiden, hetgeen partijen niet hebben beoogd met de bij convenant overeengekomen voorshandse onverdeeldheid van de woning. De man wil echter niet een gezamenlijke verkoopopdracht aan het door de vrouw gekozen makelaarskantoor met een door dat makelaarskantoor geadviseerde vraagprijs van € 199.000,- ondertekenen, aldus de vrouw.

4.3

De man heeft geen bezwaar tegen verkoop van de woning aan een derde, maar heeft wel bezwaar tegen het door de vrouw gekozen makelaarskantoor en tegen een vraagprijs van € 199.000,-. De man vreest dan voor een restschuld en wil dat wordt ingezet op een maximale verkoopopbrengst met verdeling van een maximale overwaarde.

4.4

Ter zitting van 1 september 2015 zijn de vrouw en de man alsnog overeengekomen dat de woning zal worden verkocht aan de meest biedende derde via een gezamenlijke verkoopopdracht aan het door de man voorgestelde [makelaarskantoor 2] te [plaats] met een te behalen verkoopprijs van minimaal € 200.000,-. De rechtbank zal de man en de vrouw aan die overeenstemming ter zitting houden en aldus beslissen. Daaraan doet niet of onvoldoende af dat de man ter zitting op advies van zijn advocaat uiteindelijk niet de door de advocaat van de vrouw verzochte desbetreffende deelschikking heeft willen ondertekenen. Voorts is de vordering van de vrouw aldus toewijsbaar bij gebrek van verder relevant verweer, nu gelet op de hiervoor bij 2.4 vermelde drie bedragen na een onderhandse verkoop voor minimaal € 200.000,- en na uitkering van de waarde van het hypothecair beleggingsdepot de huidige overwaarde van de woning te gelde kan worden gemaakt en toewijzing van de vordering zoals door de vrouw onderbouwd ook in het belang van beide partijen is. Dit ter voorkoming van een dreigende gemeenschappelijke restschuld aan de hypotheekhouder ING Bank NV na een voor beide partijen kostbare executieverkoop.

4.5

De rechtbank zal gelet op het voorgaande op de voet van art. 3:185 BW de verkoop van het gemeenschappelijk registergoed door [makelaarskantoor 2] in gezamenlijke opdracht en op gezamenlijke kosten van de man en de vrouw gelasten voor een te behalen verkoopprijs van minimaal € 200.000,-. Gelet op het feit dat de man ook ter zitting geen daartoe strekkende vaststellingsovereenkomst heeft ondertekend, zal de rechtbank de man veroordelen tot de door de vrouw gevorderde medewerking aan verkoop en levering met bij gebreke daarvan op de voet van art. 3:300 BW indeplaatsstelling van dit vonnis van de daartoe vereiste wilsverklaringen van de man, alles op de wijze zoals de rechtbank hierna bij de beslissingen op de desbetreffende vorderingen van de vrouw zal bepalen.

4.6

De rechtbank zal daarbij ook beslissen dat de verkoopopbrengst van de woning, na uitkering van de waarde van het hypothecair beleggingsdepot, na betaling van de bij helfte te delen verkoopkosten en na algehele aflossing van de hypothecaire geldschuld aan ING Bank NV, door de man en de vrouw bij helfte zal moeten worden gedeeld, met dien verstande echter dat de man zijn helft van die verkoopwinst na levering zo veel mogelijk zal moeten besteden aan boetevrije aflossing van de gemeenschapsschuld aan DEFAM BV en/of aan betaling van zijn schulden aan de vrouw voor dan nog achterstallige kinderalimentatie voor [de zoon] en/of wegens regres van alle door de vrouw sinds april 2014 betaalde bedragen aan DEFAM BV. Indien daarna eventueel nog een gemeenschapsschuld van partijen aan DEFAM BV zou resteren, moet ook de vrouw haar helft van de netto verkoopopbrengst van de woning en het hypothecair beleggingsdepot zo veel mogelijk besteden aan algehele boetevrije aflossing van die gemeenschapsschuld aan DEFAM BV, zulks ter voorkoming van voor beide partijen verdere dure rentebetalingen aan DEFAM BV.

De onderlinge draagplicht van de gemeenschapsschuld aan DEFAM BV.

4.7

Nadat de man door zijn inmiddels gerezen financiële problemen omstreeks februari 2014 is gestopt met zijn maandelijkse rentebetalingen van het gemeenschappelijk krediet bij DEFAM BV, bedroeg deze gemeenschapsschuld van in juni 2010 oorspronkelijk € 46.000,- per 31 maart 2014 een bedrag van in hoofdsom nog € 24.040,34, te vermeerderen met een contractuele rente van toen 0,482% per maand, dat is 5,9 % op jaarbasis. Vanzelfsprekend is het in het belang van beide partijen dat deze rentedragende gemeenschapsschuld zo spoedig mogelijk boetevrij algeheel wordt afgelost. Daartoe moet in ieder geval de door de onderhandse verkoop aan een derde te gelde te maken overwaarde van de woning zo veel mogelijk worden gebruikt, zie daartoe de voorgaande beslissingen van de rechtbank bij 4.6.

4.8

In het door hun toenmalige gezamenlijke advocaat opgestelde convenant van 19 januari 2013 zijn de man en de vrouw in punt 7 daarvan over deze gemeenschapsschuld aan DEFAM BV het volgende overeengekomen: De man zal in de interne verhouding tussen partijen de persoonlijke lening aangegaan bij Defam voor zijn rekening nemen, waarbij hij zich ervoor zal inspannen de vrouw te laten ontslaan uit de hoofdelijke verplichtingen. In punt 17 daarvan is toen ook overeengekomen: Partijen vrijwaren elkaar over en weer, indien de ene partij wordt aangesproken tot voldoening van een schuld, welke ingevolge deze overeenkomst ten laste van de andere partij komt.

4.9

De man vordert in deze procedure dat de rechtbank punt 7 van het convenant op de voet van punt 20 van het convenant zal wijzigen aldus dat de draagplicht van de DEFAM-schuld vanaf de peildatum bij helfte tussen partijen moet worden gedragen. De man stelt daartoe ten eerste dat hij bij de ondertekening van het echtscheidingsconvenant met het voor hem nadelige punt 7 over de DEFAM-schuld ervan uitging dat het (kort gezegd) slechts een tussenfase betrof waarin hij aan alle wensen van de vrouw toegaf om de te verwachten toekomstige verzoening met de vrouw niet op het spel te zetten, maar dat hij daarbij niet werkelijk de bedoeling heeft gehad om af te wijken van de wettelijke 50/50 verdeling van de onderlinge draagplicht van de DEFAM-schuld. Ten tweede betoogt de man daartoe dat hij door zijn nadien gerezen financiële problemen als flexwerker met weinig werkaanbod en doordat hij met zijn nieuwe partner ook een dochtertje heeft gekregen niet meer in staat is om punt 7 van het convenant na te komen, waardoor dit gelet op punt 20 daarvan door de rechtbank zou moeten worden gewijzigd op de wijze zoals door de man is gevorderd.

4.10

De vrouw vordert in deze procedure daarentegen dat de man overeenkomstig de punten 7 en 17 van het convenant aan de vrouw moet betalen al hetgeen zij inmiddels sinds april 2014 noodgedwongen aan DEFAM BV heeft moeten betalen en nog zal moeten betalen, zie nader hiervoor bij 2.7. De vrouw stelt daartoe dat de man moet worden gehouden aan de punten 7 en 17 van het convenant omdat ten eerste ook die via een gezamenlijke advocaat toen gemaakte verdelingsafspraak geen tussenfase betrof, omdat ten tweede dit wel degelijk de werkelijke bedoeling van de man was nu het krediet van DEFAM BV destijds grotendeels is besteed aan de toenmalige eenmanszaak van de man, omdat ten derde punt 7 van het convenant niet voor wijziging door de rechter vatbaar is op grond van punt 20 gelet op de punten 17 en 18 van dat convenant met finale kwijting, en omdat ten vierde de gerezen financiële problemen van de man voor risico van de man moeten blijven.

4.11

De rechtbank zal alles afwegende de man houden aan zijn ondertekening van de punten 7 en 17 van het in januari 2013 door tussenkomst van een gezamenlijke advocaat overeengekomen echtscheidingsconvenant. Uit niets blijkt dat dit slechts een tijdelijke afspraak voor een tussenfase was; de hiervoor bij 4.8 geciteerde bewoordingen duiden daarentegen op een welbewuste en definitieve overeenkomst dat de man in de onderlinge verhouding met de vrouw de gemeenschappelijke schuld aan DEFAM BV geheel voor zijn rekening zal nemen, zal trachten de vrouw te doen ontslaan uit haar hoofdelijke aansprakelijkheid jegens DEFAM BV en de vrouw zal vrijwaren voor al hetgeen zij desondanks aan DEFAM BV zal moeten betalen. De man heeft onvoldoende weersproken dat deze afspraak verband hield met het feit dat dit krediet grotendeels is gebruikt voor de toenmalige eenmanszaak van de man. Deze stelling van de vrouw vindt bevestiging in het na punt 7 volgende punt 8 van het convenant dat luidt De eenmanszaak [de eenmanszaak] zal met alle toebehoren door de man worden voortgezet en aan hem worden toebedeeld en in de ongedateerde handgeschreven productie 10 van de vrouw waarin kennelijk de man heeft geschreven De schuld bij Defam neem ik op mee. De vrouw betoogt voorts terecht dat als hoofdregel de na deze overeenkomst van januari 2013 gerezen financiële problemen van de man in de onderlinge verhouding tot de vrouw voor risico en rekening van de man moeten blijven en zonder nadere toelichting, die ontbreekt, ook geen zwaarwegende reden vormen voor wijziging van punt 7 van het convenant zoals door de man bepleit.

4.12

De rechtbank zal derhalve de vorderingen van de vrouw met betrekking tot de gemeenschapsschuld aan DEFAM BV toewijzen en die van de man daarover afwijzen.

De verdeling van de opbrengst van het beleggingsproduct bij AEGON Spaarkas NV.

4.13

Zoals hiervoor bij 2.8 is vastgesteld, ligt er thans conservatoir derdenbeslag van de vrouw onder AEGON Spaarkas NV ten laste van de man op (kort gezegd) het door Aegon Spaarkas NV aan de man uit te keren eindresultaat van per 1 december 2014 € 11.361,89 van de in de onverdeelde huwelijksgemeenschap vallende spaarkasovereenkomst op naam van de man. Partijen zijn het erover eens dat zij dit beleggingsproduct destijds hadden bestemd voor de latere studiekosten van hun zoon [de zoon] en dat zij dat bedrag nu nog steeds geheel willen bestemmen voor studiekosten of andere kosten of bestedingen van [de zoon] .

4.14

Ter zitting van 1 september 2015 hebben de man en de vrouw desgevraagd geantwoord dat hun inmiddels bijna 17-jarige zoon [de zoon] in mei 2016 eindexamen VMBO-T zal doen en dat hij daarna in september 2016 misschien een schildersopleiding of een andere technische beroepsopleiding wil gaan volgen. Naar het oordeel van de rechtbank is voor een eventuele schildersopleiding of een andere BBL-beroepsopleiding vooralsnog echter geen € 11.361,89 nodig en kan [de zoon] voor een dergelijke of een eventuele andere opleiding na zijn eindexamen VMBO-T, indien [de zoon] daarvoor althans in 2016 zal slagen en zal besluiten daarna nog door te willen leren, zo nodig een studielening bij DUO afsluiten op aanzienlijk gunstiger voorwaarden dan de voorwaarden die zijn verbonden aan de gemeenschappelijke dure lening van zijn ouders bij DEFAM BV.

4.15

Gelet daarop en gelet op de vaste rechtspraak dat de rechter bij een verdeling op grond van art. 3:185 BW niet gebonden is aan hetgeen partijen expliciet of impliciet hebben gevorderd, zal de rechtbank beslissen dat het eindresultaat van € 11.361,89 van het beleggingsproduct bij Aegon Spaarkas NV tussen de man en de vrouw bij helfte zal moeten worden verdeeld, met dien verstande dat de man de aan hem toekomende helft van afgerond € 5.680,95 nu zo veel en spoedig mogelijk zal moeten besteden aan een boetevrije aflossing van de gemeenschappelijke schuld aan DEFAM BV. De vrouw zal de aan haar uit te keren helft van afgerond € 5.680,94 moeten besteden aan of reserveren voor een door [de zoon] na overleg met zijn beide ouders op of na zijn 17de verjaardag zelf te kiezen bestedingsdoel.

De verdeling van de gemeenschappelijke roerende zaken.

4.16

Omdat dit bij echtscheidingsconvenant nog niet tussen partijen is vastgelegd, zal de rechtbank aan de vrouw en aan de man ieder toedelen de eigendom van de tot de inboedel behorende gemeenschappelijke roerende zaken die ieder na het einde van het huwelijk in bezit heeft gekregen. Ook zal de rechtbank de personenauto, de drie motoren en het gouden horloge in eigendom toedelen aan die partij die na het einde van het huwelijk deze roerende zaken in haar of zijn bezit heeft gekregen, zie daartoe nader de feitenvaststelling bij 2.5.

4.17

De man heeft gesteld dat er op de relevante - maar ondanks herhaald verzoek van de rechtbank in deze procedure onbekend gebleven - peildatum van indiening van het verzoekschrift omstreeks 1 februari 2013 ook nog sprake was van te verdelen en bij de vrouw verbleven gouden sieraden met een waarde van ongeveer € 15.000,-. De vrouw heeft dit gemotiveerd betwist en ter zitting meegedeeld dat de man hier blijkbaar doelt op de door de vrouw tijdens het huwelijk geërfde sieraden van haar overleden ouders, die zij tijdens het huwelijk van partijen echter heeft verkocht waarna zij met de opbrengst daarvan een tatoeage heeft laten zetten ter herinnering aan haar overleden ouders. De man heeft dit ter zitting onvoldoende weersproken en heeft voorts geen enkele bewijsstuk geproduceerd van zijn betwiste stelling over de volgens hem omstreeks 1 februari 2003 naast het staalgouden Breitling horloge nog aanwezige gouden sieraden ter waarde van € 15.000,-. De rechtbank zal daarom die gemotiveerd betwiste en niet onderbouwde vordering van de man afwijzen.

4.18

Vervolgens moet de rechtbank het geschil van partijen beoordelen of de man voor de roerende zaken nog een vordering wegens overbedeling op de vrouw heeft en zo ja, voor welk bedrag. De rechtbank zal de vrouw volgen in haar door de man onvoldoende weersproken stelling dat er voor wat betreft de in onderling overleg in juni 2013 verdeelde inboedelzaken geen relevant waardeverschil en dus geen vordering wegens overbedeling bestaat. De man heeft zijn vordering van € 7.500,- in dat verband voorts niet van enige relevante onderbouwing met enig relevant bewijsstuk voorzien.

4.19

De rechtbank zal de vrouw ook volgen in haar door de man onvoldoende betwiste en met een bewijsstuk onderbouwde stelling dat zij het staalgouden Breitling horloge in augustus 2013 uit geldnood voor de toen best mogelijke prijs van € 1.100,- aan de hoogst biedende juwelier heeft verkocht en dat zij aan de man wegens overbedeling daarvoor derhalve de helft, dat is € 550,-, verschuldigd is. Anders dan de man acht de rechtbank daarbij niet van belang dat dit horloge in verband met een kostbaarhedenverzekering in juli 1997 is getaxeerd op € 2.178,-, waarvan de helft is het door de man op dit punt van de vrouw gevorderde bedrag van € 1.089,-. Niet onderbouwd is voorts de door de vrouw betwiste stelling van de man ter zitting dat de vrouw bij haar verkoop in augustus 2013 tenminste € 1.700,- voor dit staalgouden Breitling horloge had moeten kunnen verkrijgen.

4.20

De rechtbank volgt de vrouw echter niet in haar door de man gemotiveerd betwiste stelling dat partijen zijn overeengekomen dat na de feitelijke verdeling van het tot de gemeenschap behorende staalgouden Breitling horloge, de personenauto en de drie motoren van partijen aan de man geen vordering wegens overbedeling van de vrouw toekomt. Dat volgt immers niet of onvoldoende uit de tekst en strekking van het convenant en/of van het door de vrouw als productie 10 overgelegde ongedateerde handgeschreven briefje van kennelijk de man. De rechtbank is voorts met de man van oordeel dat de vrouw naast haar overbedeling van € 550,- voor het staalgouden Breiting horloge ook bij de verdeling van de gemeenschappelijke auto en de drie motoren financieel is overbedeeld. De auto en de drie motoren zijn gebruiksgoederen, die met het verstrijken van de tijd per definitie relatief sterk dalen in waarde en die daarom zoals de man terecht betoogt bij de verdeling het best kunnen worden gewaardeerd op het moment dat ieder het exclusief gebruik daarvan heeft gekregen, dat is in dit geval juni 2013 bij het vertrek van de man uit de voormalige echtelijke woning.

4.21

De aan de vrouw toe te delen personenauto Suzuki Rhino heeft als bouwjaar 2007 en de aan de vrouw toe de delen motor Suzuki Gladius heeft als bouwjaar 2010. De aan de man toe te delen motor Honda Shadow heeft als bouwjaar 2000 en de aan de man formeel nog toe delen oude defecte motor van een onbekend merk en een onbekend bouwjaar is (zo bleek ter zitting) namens de man inmiddels door zoon [de zoon] verkocht voor € 200,- aan een derde. Bij gebreke van verdere gegevens en bij gebreke van geproduceerde taxatierapporten door beide partijen zal de rechtbank het tussen partijen ook in geschil zijnde bedrag wegens overbedeling van de vrouw bij de verdeling van de auto en de drie motoren gelet op de bekende bouwjaren daarvan per juni 2013 schatten op per saldo € 5.000,-. Dat samen met de hiervoor vastgestelde € 550,- voor het Breitling horloge brengt de totale vordering van de man op de vrouw wegens overbedeling bij deze roerende zaken op € 5.550,-.

4.22

De man heeft echter niet of onvoldoende weersproken dat de vrouw op grond van wetsartikel 6:127 BW die vordering van de man van € 5.550,- op de vrouw mag verrekenen met al haar vorderingen op de man wegens achterstallige kinderalimentatie van per 28 april 2015 al € 4.617,66 en van per 1 december 2014 al tenminste € 1.702,02 (zie hiervoor bij 2.6 en 2.7), dat is in totaal dus toen al € 6.319,68, nog te vermeerderen met al hetgeen de man nadien nog aan de vrouw verschuldigd is wegens kinderalimentatie en regres DEFAM BV. Tot die door de vrouw bepleite verrekening zal de rechtbank hierna dus beslissen.

Slotsom en proceskosten.

4.23

Al het voorgaande brengt de rechtbank tot de hierna volgende beslissingen, zoals over en weer gevorderd zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad.

4.24

Omdat de vrouw en de man op relevante geschilpunten over en weer in het ongelijk zijn gesteld en voorts omdat zij ex-echtgenoten zijn, zal de rechtbank de proceskosten in conventie en in reconventie alle afwegende per saldo compenseren.

De beslissingen

De rechtbank in conventie en in reconventie:

- gelast de verkoop van het gemeenschappelijke registergoed van de man en de vrouw aan de [adres] te [plaats] in gezamenlijke opdracht van en op bij helfte te delen kosten van de man en de vrouw door [makelaarskantoor 2] te [plaats] voor een zo hoog mogelijke verkoopprijs maar met een verkooprijs van minimaal € 200.000,-;

- veroordeelt de man om binnen 7 dagen na betekening van dit vonnis mee te werken aan die gezamenlijke verkoopopdracht aan dat makelaarskantoor, met machtiging aan de vrouw om bij gebreke van die medewerking van de man die gezamenlijke verkoopopdracht op gezamenlijke kosten mede namens de man te verstrekken;

- veroordeelt de man voorts om binnen 7 dagen na betekening van dit vonnis alle vereiste medewerking te verlenen aan de verkoop en levering van dat registergoed aan de meest biedende derde met een verkoopprijs van minimaal € 200.000,-, bij gebreke waarvan dit vonnis in de plaats zal treden van die vereiste medewerking van de man aan de ondertekening van de verkoopovereenkomst en aan de ondertekening van de notariële leveringsakte van dat gemeenschappelijk registergoed aan die meest biedende derde;

- bepaalt dat de netto verkoopopbrengst van dat registergoed inclusief het hypothecair beleggingsdepot door de man en de vrouw zal moeten worden verdeeld en besteed op de wijze zoals hiervoor door de rechtbank nader is overwogen en beslist bij 4.6;

- verklaart voor recht dat de man in de onderlinge verhouding met de vrouw op grond van punt 7 van het echtscheidingsconvenant van 19 januari 2013 voor het geheel draagplichtig is en blijft voor de gemeenschapsschuld aan DEFAM BV;

- veroordeelt de man om aan de vrouw op grond van de punten 7 en 17 van dat convenant te betalen al hetgeen de vrouw sinds april 2014 voor die door de man geheel te dragen gemeenschapsschuld aan DEFAM BV heeft betaalt en nog zal betalen;

- bepaalt dat het eindresultaat van € 11.361,89 van het beleggingsproduct bij Aegon Spaarkas NV door de man en de vrouw zal moeten worden verdeeld en besteed op de wijze zoals hiervoor door de rechtbank nader is overwogen en beslist bij 4.15;

- deelt in eigendom toe aan de vrouw en aan de man die inboedelzaken die ieder van hen na het einde van hun huwelijk in bezit heeft gekregen zonder verdere verrekening;

- deelt in eigendom voorts toe enerzijds aan de vrouw het staalgouden Breitling horloge, de personenauto Suzuki SX4 Rhino met kenteken [nummer 2] en de motor Suzuki Gladius 650 met kenteken [nummer 1] , en anderzijds aan de man de motor Honda Shadow uit bouwjaar 2000 met onbekend kenteken en voorts de aan partijen bekende oude defecte motor van een onbekend merk en met een onbekend kenteken;

- verklaart voor recht dat de vrouw de vordering van de man op de vrouw van per saldo

€ 5.550,- wegens overbedeling van de vrouw bij de verdeling van die personenauto, die drie motoren en het staalgouden Breitling horloge op grond van art. 6:127 BW mag verrekenen met alle huidige en toekomstige vorderingen van de vrouw op de man wegens achterstallige kinderalimentatie vanaf november 2013 en wegens regres voor alle betalingen van de vrouw aan DEFAM BV vanaf april 2014, zoals hiervoor door de rechtbank nader is overwogen en beslist bij 4.21 en 4.22;

- verklaart dit vonnis tot zover zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad;

- compenseert de proceskosten in conventie en in reconventie aldus dat de man en de vrouw ieder de eigen proceskosten moeten dragen;

- wijst af al hetgeen in conventie en in reconventie meer of anders is gevorderd.

Dit vonnis is gewezen door mr. H. Wien en in het openbaar uitgesproken op woensdag 21 oktober 2015.