Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2015:12174

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
16-10-2015
Datum publicatie
23-10-2015
Zaaknummer
AWB 15/13550
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Voor zover eiser in het kader van artikel 3 van het EVRM een beroep heeft gedaan op medische omstandigheden, kan dit beroep niet leiden tot verlening van een verblijfsvergunning onder artikel 29, eerste lid, onder b, van de Vw 2000. Het HvJEU heeft in zijn arrest van 18 december 2014 in de zaak M. Bodj tegen de Belgische Staat (zaaknr. C-542/13, ECLI:EU:C:2014:2452) geoordeeld dat de lidstaten geen subsidiaire bescherming mogen toekennen aan een derdelander ten aanzien van wie artikel 3 van het EVRM zich verzet tegen verwijdering omdat hij lijdt aan een ernstige ziekte en in zijn land van herkomst geen adequate behandeling voorhanden is. Dit kan slechts anders zijn indien aan de derdelander in zijn land van herkomst medische zorg opzettelijk wordt geweigerd. Gesteld noch gebleken is echter dat daarvan in het onderhavige geval sprake is, zodat eiser op medische gronden geen aanspraak kan maken op de gevraagde verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd.

Voor zover eiser zich in het kader van de uitvoering van het bestreden besluit (dat tevens een terugkeerbesluit behelst) beroept op zijn medische situatie, overweegt de rechtbank als volgt. Het HvJEU heeft in zijn arrest van 18 december 2014 in de zaak Abdida tegen de Belgische Staat (zaaknr. C-562/13, ECLI:EU:C:2014:2453) geoordeeld dat in de zeer uitzonderlijke gevallen waarin de verwijdering van een derdelander die aan een ernstige ziekte lijdt, naar een land waar geen adequate behandeling beschikbaar is, het beginsel van non-refoulement schendt, artikel 5 van richtlijn 2008/115/EG (de Terugkeerrichtlijn), gelezen in het licht van artikel 19, lid 2, van het Handvest van de grondrechten van de EU, zich ertegen verzet dat die lidstaten die verwijdering uitvoeren. Wanneer de uitvoering van een terugkeerbesluit meebrengt dat een derdelander die aan een ernstige ziekte lijdt, wordt verwijderd naar een land waar geen adequate behandeling voorhanden is, kan er in bepaalde gevallen sprake zijn van schending van artikel 5 van de Terugkeerrichtlijn, aldus het HvJEU. Gelet hierop zal de rechtbank beoordelen of verwijdering van eiser naar zijn land van herkomst in verband met zijn medische situatie in strijd is met artikel 5 van de Terugkeerrichtlijn. De rechtbank zal die beoordeling maken in het licht van de vaste jurisprudentie van het EHRM, waaruit volgt dat uitzetting naar het land van herkomst om medische redenen slechts onder zeer uitzonderlijke omstandigheden in strijd moet worden geacht met artikel 3 van het EVRM. Nu uit het BMA-advies blijkt dat eiser zich (onder de gegeven behandeling) niet in een terminaal en direct levensbedreigend stadium van een ziekte bevindt en dat medische behandeling van de klachten van eiser, therapie en medicatie, aanwezig is in Pakistan, hetgeen tussen partijen overigens ook niet in geschil is, ziet de rechtbank in de medische situatie van eiser geen grond voor het oordeel dat terugkeer van eiser naar Pakistan strijd zal opleveren met artikel 3 van het EVRM. Er bestaat dan ook geen grond voor het oordeel dat verwijdering van eiser naar zijn land van herkomst in verband met zijn medische situatie in strijd is met artikel 5 van de Terugkeerrichtlijn.

Wetsverwijzingen
Vreemdelingenwet 2000
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 15/13550

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 16 oktober 2015 in de zaak tussen

[eiser] , geboren op [geboortedatum] 1974, van Pakistaanse nationaliteit, eiser

(gemachtigde: mr. A. Kurt-Gecoglu),

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder

(gemachtigde: J.E.P. Pijnenburg).

Procesverloop


Bij besluit van 19 juni 2015 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) afgewezen. Daarnaast heeft verweerder ambtshalve besloten dat eiser niet in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd op grond van artikel 14, eerste lid, aanhef en onder e, van de Vw 2000 en dat geen uitstel van vertrek wordt verleend op grond van artikel 64 van de Vw 2000.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 september 2015. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. De rechtbank overweegt ambtshalve dat op 20 juli 2015 de wijziging van de Vw 2000 ter implementatie van de herziene Procedure- en Opvangrichtlijn in werking is getreden. Ingevolge het in die wetswijziging opgenomen overgangsrecht is op aanvragen tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de

Vw 2000 waarop is besloten voor inwerkingtreding van deze wet het recht zoals dit gold voor inwerkingtreding van deze wet van toepassing, met uitzondering van artikel 83a (nieuw) van de Vw 2000, tenzij het onderzoek door de rechtbank is gesloten.

2. Nu het bestreden besluit dateert van vóór 20 juli 2015, is het recht zoals dit gold voor inwerkintreding van de wijziging van de Vw 2000 van toepassing, met uitzondering van artikel 83a (nieuw) van de Vw 2000 omdat de sluiting van het onderzoek in deze zaak heeft plaatsgevonden ter zitting van 24 september 2015, aldus na 19 juli 2015. De toetsing van de rechtbank omvat dus al wel het in artikel 83a (nieuw) van de Vw 2000 bedoelde volledig en ex nunc onderzoek naar zowel de feitelijke als de juridische gronden, met inbegrip van, indien van toepassing, een onderzoek naar de behoefte aan internationale bescherming.

3. De rechtbank stelt allereerst vast dat eiser geen beroepsgronden heeft gericht tegen verweerders standpunt in het bestreden besluit, dat eiser niet in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd op grond van artikel 14, eerste lid, aanhef en onder e, van de Vw 2000 en dat geen uitstel van vertrek wordt verleend op grond van artikel 64 van de Vw 2000, zodat dit standpunt geen bespreking behoeft.

4. Ten aanzien van de weigering van verweerder om eiser in het bezit te stellen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de Vw 2000, overweegt de rechtbank als volgt.

5. Eiser heeft ter onderbouwing van zijn aanvraag het volgende aangevoerd.
Eiser is afkomstig uit [woonplaats] , gelegen in Pakistan. Hij is in 1997 naar Nederland gekomen voor vakantie. Eiser ontmoette in Nederland zijn huidige echtgenote – die afkomstig is uit Suriname – en trouwde met haar op traditionele wijze. De relatie van eiser met zijn vrouw werd echter niet geaccepteerd door zijn familie, aangezien eiser met iemand van binnen de familie zou moeten trouwen. Eiser werd daarom vóór 2001 mishandeld en bedreigd door zijn vader, die ook in Nederland woonde. Eiser is in 2001 vervolgens onder dwang en bedreiging naar Pakistan gebracht door zijn oom. Toen eiser vanuit Pakistan weer naar Nederland wilde vertrekken werd hij door zijn moeder en oom bijna doodgeslagen. Eiser werd maandenlang mishandeld, werd ziek en verbleef twee weken in het ziekenhuis. Uiteindelijk kreeg hij van zijn familie toch toestemming om naar Nederland terug te keren, onder de voorwaarde dat hij zijn echtgenote zou verlaten. In Nederland keerde eiser echter direct terug naar zijn echtgenote en eiser gaf dit ook telefonisch door aan zijn familie in Pakistan. Daarop werd eiser (in 2002) ernstig bedreigd door een oom uit Frankrijk en een Marokkaanse jongen. De moeder van eiser heeft vervolgens (in 2013) een artikel in de krant gepubliceerd waarin zij eiser onterft en waarin zij stelt niet (langer) verantwoordelijk te zijn voor eiser en voor diegenen die met hem contact onderhouden. De situatie leverde voor eiser stress op, waardoor hij psychisch ziek werd. Eiser ondervindt nog steeds bedreigingen van de zijde van zijn familie. Hij vreest bij terugkeer naar Pakistan dat hij door zijn familie, in het bijzonder door zijn oom [naam] , om het leven zal worden gebracht.

6. Blijkens het (voornemen tot het) bestreden besluit acht verweerder de verklaringen van eiser over de problemen die hij van de zijde van zijn familie heeft ondervonden vanwege zijn huwelijk niet geloofwaardig, zodat eiser op grond van die gestelde problemen naar de mening van verweerder niet in aanmerking komt voor de gevraagde vergunning. Subsidiair heeft verweerder zich blijkens de besluitvorming op het standpunt gesteld dat eiser tegen de gestelde problemen de bescherming kan inroepen van de Pakistaanse autoriteiten. Meer subsidiair is verweerder van mening dat eiser zich (tijdelijk) elders kan vestigen in zijn land van herkomst teneinde zich aan moeilijkheden te onttrekken. Uit het (voornemen tot het) bestreden besluit blijkt voorts dat verweerder wel geloofwaardig acht – voor zover thans van belang – dat eiser bekend is met chronische depressieve en psychotische klachten. Nu uit het medisch advies van Bureau Medische Advisering (BMA) echter blijkt dat geen sprake is van een terminaal en direct levensbedreigend stadium van een ziekte en behandeling van de klachten in Pakistan mogelijk is, komt eiser op grond hiervan evenmin in aanmerking voor toelating, aldus verweerder.

7. Eiser kan zich niet verenigen met het bestreden besluit. Op hetgeen hij heeft aangevoerd zal hieronder – voor zover van belang – nader worden ingegaan.

8. De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat de verklaringen van eiser over de problemen die hij van de zijde van zijn familie heeft ondervonden vanwege zijn huwelijk niet geloofwaardig zijn te achten. Daarbij heeft verweerder met name van belang kunnen achten dat eiser minstens twaalf jaren heeft gewacht voordat hij zich vanwege de door hem gestelde problemen voor bescherming heeft gewend tot de Nederlandse autoriteiten. Verweerder heeft zich op het standpunt kunnen stellen dat deze omstandigheid ernstig afbreuk doet aan de geloofwaardigheid van de verklaringen van eiser over zijn problemen. De stelling van eiser dat hij na zijn inreis in Nederland in 2002 niet wist dat zijn problemen zich leenden voor een asielaanvraag, heeft verweerder niet tot een ander standpunt hoeven brengen. Dit heeft evenzeer te gelden voor de verklaring van eiser dat de advertentie die zijn moeder in 2013 in de krant publiceerde hem meer dan voorheen bewust maakte van het risico dat hij loopt bij terugkeer naar Pakistan. Van belang daarbij is dat eiser heeft verklaard in 2002, kort na zijn terugkeer in Nederland, ernstig te zijn bedreigd door zijn oom vanwege zijn huwelijk, en niet valt in te zien dat eiser zo lang heeft gewacht met het indienen van een asielaanvraag vanwege zijn gestelde problemen, terwijl die zich ook al vóór 2002 voordeden. Gelet op de gestelde ernstige bedreiging van de zijde van eisers oom in 2002 – welke bedreigingen zich volgens eiser ook later nog voordeden – kan eiser voorts niet worden gevolgd in zijn stelling dat hij in de veronderstelling verkeerde dat hij in Nederland relatief veilig was. In hetgeen overigens van de zijde van eiser in dit verband is aangevoerd ziet de rechtbank geen aanleiding voor een andersluidend oordeel. In aanvulling op het vorenstaande is de rechtbank voorts van oordeel dat verweerder de verklaring van eiser dat hij direct na zijn terugkeer in Nederland (in 2002) naar zijn familie in Pakistan heeft gebeld om te vertellen dat hij was teruggekeerd naar zijn vrouw, als zeer bevreemdend heeft kunnen aanmerken. Immers, eiser heeft verklaard dat hij Pakistan slechts heeft kunnen verlaten nadat hij aan zijn familie had beloofd en gezworen dat hij zijn vrouw zou verlaten en nadat hij in Pakistan maandenlang door zijn familie was mishandeld en bijna was doodgeslagen. In deze context valt niet in te zien dat eiser na terugkomst in Nederland zijn familie belt om te zeggen dat hij bij zijn vrouw is. Eiser heeft voor deze tegenwerping van verweerder ook geen enkele verklaring gegeven. Verweerder heeft zich voorts op het standpunt mogen stellen dat de omstandigheid dat eiser in de periode van 1997 tot heden van de door hem gestelde ernstige mishandelingen en bedreigingen geen aangifte heeft gedaan bij de Nederlandse, Franse of Pakistaanse politie, verder afbreuk doet aan de geloofwaardigheid van de door eiser gestelde problemen. Hetgeen eiser hieromtrent in beroep heeft aangevoerd, is ontoereikend voor een andersluidend oordeel. Verweerder heeft verder aan eiser mogen tegenwerpen dat hij verklaringen heeft afgelegd die niet met elkaar te rijmen zijn. Immers, eiser heeft eerst verklaard dat hij in Pakistan zijn vrouw niet mocht bellen en dat hij niet vrij naar buiten mocht gaan, terwijl hij later tijdens het nader gehoor heeft verklaard dat hij in Pakistan in de avond met zijn vrienden wegging om te hockeyen of cricket te spelen en dat hij naar een telefoonwinkel ging om zijn vrouw te bellen. Eiser heeft zich in beroep weliswaar op het standpunt gesteld dat verweerder ten onrechte op dit punt een tegenstrijdigheid heeft aangenomen, maar de rechtbank volgt dit standpunt van eiser niet. Verweerder heeft tot slot van belang kunnen achten dat eiser zijn verklaringen over zijn gestelde problemen vanwege zijn huwelijk niet heeft onderbouwd met objectief bewijsmateriaal. Eiser heeft weliswaar een pagina overgelegd uit een krant (waarin het door eiser genoemde artikel is gepubliceerd), maar nu niet kan worden vastgesteld uit welke krant deze pagina afkomstig is en evenmin op welke datum het krantenartikel is gepubliceerd, kan dit stuk niet worden aanvaard als objectief stuk dat het relaas van eiser bevestigt. Bovendien kan niet worden nagegaan wie het artikel in de krant heeft geplaatst en maakt het artikel geen melding van de door eiser gestelde problemen. Onder deze omstandigheden volgt de rechtbank eiser niet in zijn stelling dat verweerder nader onderzoek had moeten doen naar genoemd krantenartikel. De rechtbank ziet in dit verband dan ook geen aanleiding om het onderzoek ter heropenen.

9. Nu verweerder zich – gelet op het vorenstaande – niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat de verklaringen van eiser over de problemen die hij van de zijde van zijn familie heeft ondervonden vanwege zijn huwelijk niet geloofwaardig zijn te achten, komt eiser op grond van die verklaringen reeds daarom niet in aanmerking voor de gevraagde verblijfsvergunning. Hetgeen namens eiser is aangevoerd omtrent verweerders subsidiaire standpunt (beschermingsalternatief) en meer subsidiaire standpunt (vestigingsalternatief) behoeft daarom geen nadere bespreking.

10. Ten aanzien van de (geloofwaardig geachte) chronische depressieve en psychotische klachten van eiser, overweegt de rechtbank als volgt.

11. Uit de stukken in het dossier komt naar voren dat eiser lijdt aan chronische depressieve en psychotische klachten, waarvoor hij thans in Nederland wordt behandeld door middel van therapie en medicatie. Verweerder heeft met het oog op eisers medische situatie advies gevraagd van het BMA. In het advies van dit bureau van 5 januari 2015 is geconcludeerd dat eiser zich onder de gegeven behandeling niet bevindt in een terminaal en direct levensbedreigend stadium van een ziekte. Verder wordt daarin geconcludeerd dat het uitblijven van de behandeling kan leiden tot toename van psychotische fenomenen en toename van depressieve klachten, ten gevolge waarvan eiser een gevaar voor zichzelf of de mensen in zijn omgeving kan zijn, alsmede dat niet kan worden uitgesloten dat – indien behandeling na terugkeer ontbreekt, uitblijft dan wel onvoldoende is – dit binnen afzienbare termijn (tot drie maanden) een onomkeerbaar proces naar de dood tot gevolg zal hebben. Tot slot blijkt uit het BMA-advies dat medische behandeling van de klachten van eiser (therapie en medicatie) aanwezig is in Pakistan.

12. Voor zover eiser in het kader van artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) een beroep heeft gedaan op medische omstandigheden, overweegt de rechtbank dat dit beroep niet kan leiden tot verlening van een verblijfsvergunning onder artikel 29, eerste lid, onder b, van de Vw 2000. Het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJEU) heeft in zijn arrest van

18 december 2014 in de zaak M. Bodj tegen de Belgische Staat (zaaknr. C-542/13, ECLI:EU:C:2014:2452) geoordeeld dat de lidstaten geen subsidiaire bescherming mogen toekennen aan een derdelander ten aanzien van wie artikel 3 van het EVRM zich verzet tegen verwijdering omdat hij lijdt aan een ernstige ziekte en in zijn land van herkomst geen adequate behandeling voorhanden is. Dit kan slechts anders zijn indien aan de derdelander in zijn land van herkomst medische zorg opzettelijk wordt geweigerd. Gesteld noch gebleken is echter dat daarvan in het onderhavige geval sprake is, zodat eiser op medische gronden geen aanspraak kan maken op de gevraagde verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd.

13. Voor zover eiser zich in het kader van de uitvoering van het bestreden besluit (dat tevens een terugkeerbesluit behelst) beroept op zijn medische situatie, overweegt de rechtbank als volgt.

13. Het HvJEU heeft in zijn arrest van 18 december 2014 in de zaak Abdida tegen de Belgische Staat (zaaknr. C-562/13, ECLI:EU:C:2014:2453) geoordeeld dat in de zeer uitzonderlijke gevallen waarin de verwijdering van een derdelander die aan een ernstige ziekte lijdt, naar een land waar geen adequate behandeling beschikbaar is, het beginsel van non-refoulement schendt, artikel 5 van richtlijn 2008/115/EG (de Terugkeerrichtlijn), gelezen in het licht van artikel 19, lid 2, van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, zich ertegen verzet dat die lidstaten die verwijdering uitvoeren. Wanneer de uitvoering van een terugkeerbesluit meebrengt dat een derdelander die aan een ernstige ziekte lijdt, wordt verwijderd naar een land waar geen adequate behandeling voorhanden is, kan er in bepaalde gevallen sprake zijn van schending van artikel 5 van de Terugkeerrichtlijn, aldus het HvJEU.

15. Artikel 5 van de Terugkeerrichtlijn luidt als volgt:

Bij de tenuitvoerlegging van deze richtlijn houden de lidstaten rekening met:

(…)

c. de gezondheidstoestand van de betrokken onderdaan van een derde land, en eerbiedigen zij het beginsel van non-refoulement.

16. Gelet op het voorgaande zal de rechtbank beoordelen of verwijdering van eiser naar zijn land van herkomst in verband met zijn medische situatie in strijd is met artikel 5 van de Terugkeerrichtlijn. De rechtbank zal die beoordeling maken in het licht van de vaste jurisprudentie van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM), waaruit volgt dat uitzetting naar het land van herkomst om medische redenen slechts onder zeer uitzonderlijke omstandigheden in strijd moet worden geacht met artikel 3 van het EVRM. Verwezen wordt naar het arrest in de zaak D. tegen het Verenigd Koninkrijk van 2 mei 1997 (St. Kitts), gepubliceerd onder nummer ECLI:NL:XX:1997:AB8007 en het arrest in de zaak Bensaid tegen het Verenigd Koninkrijk van 6 februari 2001, gepubliceerd onder nummer ECLI:NL:XX:2001:AD4236. Van uitzonderlijke omstandigheden kan volgens genoemde jurisprudentie slechts sprake zijn, indien de desbetreffende vreemdeling lijdt aan een ziekte in een vergevorderd en direct levensbedreigend stadium. Speculaties over een mogelijke toekomstige verslechtering van de gezondheidssituatie van een vreemdeling zijn onvoldoende om aannemelijk te achten dat de desbetreffende vreemdeling een reëel risico loopt van een met artikel 3 van het EVRM strijdige behandeling. De rechtbank verwijst naar rechtsoverwegingen 38 tot en met 40 van het arrest van het EHRM van 6 februari 2001 en rechtsoverwegingen 2.1.2 tot en met 2.1.6 van de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 3 augustus 2009, gepubliceerd onder nummer ECLI:NL:RVS:2009:BJ4753.

17. Nu uit voornoemd BMA-advies blijkt dat eiser zich (onder de gegeven behandeling) niet in een terminaal en direct levensbedreigend stadium van een ziekte bevindt en dat medische behandeling van de klachten van eiser, therapie en medicatie, aanwezig is in Pakistan, hetgeen tussen partijen overigens ook niet in geschil is, ziet de rechtbank in de medische situatie van eiser geen grond voor het oordeel dat terugkeer van eiser naar Pakistan strijd zal opleveren met artikel 3 van het EVRM. Voor zover eiser betoogt dat de medische behandeling van zijn klachten in Pakistan niet adequaat kan zijn vanwege de problemen met zijn familie aldaar, welke problemen ook de oorzaak zijn van zijn ziekte en klachten, kan dit betoog niet slagen. De rechtbank verwijst in dit verband naar hetgeen hiervoor is overwogen over de geloofwaardigheid van de verklaringen van eiser over de problemen die hij van de zijde van zijn familie heeft ondervonden. Ook anderszins heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat – in weerwil van hetgeen is vermeld in het BMA-advies – geen adequate behandeling van zijn klachten voorhanden is in zijn land van herkomst. De in beroep overgelegde brief van 30 juni 2015 van eisers behandelaars kan niet leiden tot een andersluidend oordeel en leidt evenmin tot het oordeel dat het door BMA verrichte onderzoek niet volledig is geweest. In deze brief is onder meer vermeld dat de conclusies van de BMA-arts niet onjuist zijn, maar dat in het BMA-advies niet naar voren komt welke hulp en begeleiding (naast de professionele behandeling) noodzakelijk is voor eiser. Daarnaast is in de brief aangegeven dat de inzet van mantelzorg noodzakelijk is bij het dagelijks functioneren, dat zijn partner eiser ondersteunt bij ADL en taken van hem overneemt en dat het dagelijks beheren en het verstrekken van medicatie aan eiser cruciaal is. Uit de in deze brief gegeven informatie, die niet bekend was ten tijde van het BMA-advies, blijkt niet dat mantelzorg noodzakelijk is voor het slagen van de medische behandeling die eiser ondergaat. Bovendien heeft eiser geen informatie verstrekt waaruit blijkt dat in Pakistan de noodzakelijke mantelzorg, zoals omschreven door zijn behandelaars in de brief van 30 juni 2015, ontbreekt. Gelet hierop kan hetgeen eiser heeft aangevoerd niet slagen.

18. Gelet op het voorgaande bestaat geen grond voor het oordeel dat verwijdering van eiser naar zijn land van herkomst in verband met zijn medische situatie in strijd is met artikel 5 van de Terugkeerrichtlijn.

18. Uit het voorgaande vloeit voort dat het beroep ongegrond is. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. C.F.E. van Olden-Smit, rechter, in aanwezigheid van
H.J. Renders, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 16 oktober 2015.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.