Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2015:12153

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
28-08-2015
Datum publicatie
29-10-2015
Zaaknummer
C/09/493488
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verzoek vervangende toestemming verhuizing afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Meervoudige Kamer

Rekestnummer: FA RK 15-5920

Zaaknummer: C/09/493488

Datum beschikking: 28 augustus 2015

Gezagsuitoefening

Beschikking op het op 27 juli 2015 ingekomen verzoek van:

[de vrouw] ,

de vrouw,

wonende te [woonplaats] ,

advocaat: mr. A.R. Oosthout te Leiden.

Als belanghebbende wordt aangemerkt:

[de man] ,

de man,

wonende te [woonplaats] ,

advocaat: mr. R.W. van den Hoek te Leiden.

Procedure

De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:

  • -

    het verzoekschrift;

  • -

    het verweerschrift tevens houdende zelfstandig verzoek.

Op 26 augustus 2015 is de zaak ter zitting van deze rechtbank behandeld. Daarbij zijn gelijktijdig behandeld de door partijen over en weer gedane verzoeken voorlopige voorzieningen te treffen (FA RK 15-4498 en C/09/490429). Hierbij zijn verschenen: partijen, bijgestaan door hun advocaten en namens de Raad voor de Kinderbescherming: mevrouw [naam] en de heer [naam] . Van de zijde van de vrouw zijn pleitnotities overgelegd.

Verzoek en verweer

De vrouw heeft in het kader van artikel 1:253a van het Burgerlijk Wetboek (BW) verzocht om haar vervangende toestemming te verlenen voor de verhuizing van de minderjarigen naar [plaats] , alsmede de Raad voor de Kinderbescherming te verzoeken een onderzoek te doen naar de vraag welke verdeling van de zorg- en opvoedingstaken (hierna: zorgregeling) het meest in het belang van de minderjarigen is, een en ander voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.

De man heeft verweer gevoerd, welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.

Tevens heeft de man zelfstandig verzocht:

  • -

    de vaststelling van de hoofdverblijfplaats van de minderjarige kinderen van partijen bij de man;

  • -

    indien de hoofdverblijfplaats van de minderjarige kinderen van partijen bij de vrouw wordt bepaald: vaststelling van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken over de minderjarige kinderen van partijen, in die zin dat de kinderen bij de man verblijven het ene weekend van vrijdag 17.00 uur tot zondag 18.00 uur, het andere weekend van vrijdag 17.00 uur tot zaterdag 12.00 uur en de helft van de vakanties en feestdagen, waarbij de vrouw haalt en brengt.

Feiten

  • -

    Partijen zijn gehuwd op [datum huwelijk] te [plaats huwelijk] .

  • -

    Zij zijn de ouders van de volgende thans nog minderjarige kinderen:

- [de minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] ,

- [de minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] .

  • -

    De minderjarige [de minderjarige 1] verblijft thans bij de vrouw en de minderjarige [de minderjarige 2] verblijft thans bij de man.

  • -

    Partijen oefenen het gezamenlijk gezag over de minderjarigen uit.

  • -

    Bij beschikking van 16 juli 2015 van deze rechtbank is in het kader van de voorlopige voorzieningen bepaald dat de man voorlopig gerechtigd is om de minderjarigen bij zich te hebben van maandag 27 juli 2015 tot en met zondag 16 augustus 2015 en zijn de verzoeken ten aanzien van de toevertrouwing van de minderjarigen en de voorlopige zorgregeling aangehouden.

  • -

    In de hiervoor genoemde procedure wordt heden door de rechtbank een beslissing genomen onder meer inhoudende een verzoek aan de Raad voor de Kinderbescherming om een onderzoek te doen.

Bij beschikking van 28 augustus 2015 van deze rechtbank is spoedheidshalve slechts een verkorte beschikking gegeven. Het onderstaande vormt daarvan een uitwerking.

Beoordeling

De rechtbank handhaaft al hetgeen bij genoemde beschikkingen is overwogen en beslist.

De vrouw stelt zich op het standpunt dat aan haar vervangende toestemming moet worden verleend om met de minderjarigen naar [plaats] te verhuizen. Zij voert daartoe aan dat zij genoodzaakt was om naar Brabant te verhuizen. Na verkoop van de gezamenlijke woning begin mei 2015 heeft de vrouw een huurwoning in [plaats] gevonden maar deze moest zij eind juni 2015 plots weer verlaten omdat de eigenaar liet weten de woning op korte termijn weer te willen betrekken. De man weigert steeds de vrouw te helpen betaalbare woonruimte in [plaats] te vinden. Door haar partner is vervolgens aangeboden om bij hem in [plaats] te komen wonen. Volgens de vrouw heeft de man in eerste instantie toestemming voor deze verhuizing gegeven. Thans woont de vrouw met haar partner samen in [plaats] . De eengezinswoning waar zij wonen heeft genoeg ruimte voor alle kinderen, ook die van haar partner. Voorts is de vrouw er de hele dag voor de kinderen, ook als zij zou werken, nu zij van plan is een nagelstudio aan huis te beginnen. De man daarentegen heeft een eigen stucadoorsbedrijf en moet overdag werken, waardoor de kinderen zullen worden opgevoed door de partner van de man. Ook is de woning van de partner van de man niet in [plaats] maar in [plaats] en zullen de kinderen, indien zij bij de man gaan wonen, niet in hun vertrouwde omgeving wonen. Volgens de vrouw hebben de kinderen de nieuwe partner van de man nog maar een paar keer gezien en is er geen sprake van een stabiele relatie. Daarbij is het de wens van de minderjarigen om bij haar in Brabant te wonen, aldus de vrouw. De vrouw is thans niet in staat de minderjarigen op een school in Brabant in te schrijven omdat de man daarvoor zijn toestemming niet verleent. Ter zitting heeft de vrouw nog nadrukkelijk aangegeven dat, indien haar geen vervangende toestemming wordt verleend, zij zelf in Brabant zal blijven wonen. De vrouw stelt dat op korte termijn in (de omgeving van) [plaats] alleen in de vrije huursector woonruimte voor haar beschikbaar zou zijn en dat dit gelet op haar financiële status niet tot de mogelijkheden behoort.

De man stelt dat het verzoek van de vrouw dient te worden afgewezen nu in het geheel niet is aangetoond dat de verhuizing in het belang van de minderjarigen is. Zij hebben hun wortels en vastigheid in [plaats] , met school, sport en zwemmen en de goede contacten met de man. Door de verhuizing zal het contact tussen de man en de minderjarigen verslechteren. Het belang van de vrouw bij een verhuizing is volstrekt onvoldoende om de belangen van de minderjarigen en zijn belangen opzij te zetten, aldus de man. Daarbij komt dat de vrouw, zo stelt de man, de noodzaak om te verhuizen niet heeft aangetoond en dat de verhuizing niet is doordacht en voorbereid. De man weerspreekt bovendien dat hij toestemming voor de verhuizing heeft gegeven.

De rechtbank dient een beslissing te nemen die haar in het belang van de minderjarigen wenselijk voorkomt. Onder verwijzing naar het arrest van de Hoge Raad van 25 april 2008, (ECLI:NL:HR:BC5901) zal de rechtbank bij haar beoordeling alle omstandigheden van het geval in acht nemen. Dat kan er toe leiden dat andere belangen zwaarder wegen dan het belang van de minderjarigen, hoezeer ook dat belang een overweging van de eerste orde dient te zijn bij de te verrichten afweging van belangen.

In het onderhavige geschil dienen de navolgende omstandigheden en belangen te worden meegewogen:

  • -

    het recht en belang van de vrouw om te verhuizen en in vrijheid haar leven (opnieuw) in te richten;

  • -

    de noodzaak voor de vrouw om te verhuizen;

  • -

    de mate waarin de verhuizing is doordacht en voorbereid;

  • -

    de door de vrouw geboden alternatieven en maatregelen om de gevolgen van de verhuizing voor de minderjarigen te verzachten en/of te compenseren;

  • -

    de mate waarin partijen in staat zijn tot onderlinge communicatie en overleg;

  • -

    de rechten van de man en de minderjarigen op onverminderd contact met elkaar in hun vertrouwde omgeving;

  • -

    de verdeling van de zorgtaken en de continuïteit van de zorg;

  • -

    de frequentie van het contact tussen de minderjarigen en de man voor en na de verhuizing;

  • -

    de leeftijd van de minderjarigen, hun mening en de mate waarin zij zijn geworteld in hun omgeving of juist gewend zijn aan verhuizingen;

  • -

    de (extra) kosten van de omgangscontacten na de verhuizing.

Bij die belangenafweging neemt de rechtbank het volgende in aanmerking, waarbij zij mede betrekt de omstandigheid dat de vrouw haar verzoek strekkende tot het verkrijgen van toestemming voor verhuizing indient terwijl de echtscheidingsprocedure nog aanhangig is en partijen geen ouderschapsplan zijn overeengekomen. Evenmin heeft de rechter in het kader van die echtscheidingsprocedure een beslissing kunnen nemen over de hoofdverblijfplaats en de zorgregeling betreffende de minderjarigen. Dit betekent naar het oordeel van de rechtbank dat enige terughoudendheid op zijn plaats is.

Vooropgesteld dient te worden dat de vrouw in beginsel het recht heeft haar leven (opnieuw) in te richten. Op grond van de stukken en het verhandelde ter terechtzitting en de belangen van alle betrokkenen tegen elkaar afwegend, is de rechtbank niettemin van oordeel dat het verzoek van de vrouw tot vervangende toestemming voor haar verhuizing dient te worden afgewezen. De noodzaak voor de vrouw te verhuizen naar een andere woning was na de verkoop van de voormalig echtelijke woning in april 2015 aanwezig, zo moet worden erkend. De rechtbank ziet echter niet de noodzaak voor de vrouw om naar Brabant te verhuizen, althans de vrouw heeft niet inzichtelijk gemaakt dat zij genoodzaakt was of is daarheen te verhuizen. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de vrouw onvoldoende onderbouwd dat zij heeft geprobeerd in [plaats] een andere woning te vinden, of in ieder geval zodanig in de buurt van [plaats] dat nog goed contact tussen de minderjarigen en de man zou kunnen plaatsvinden. De rechtbank begrijpt de wens van de vrouw haar leven ergens anders (opnieuw) te beginnen, maar gelet op het feit dat partijen samen twee kinderen hebben, mocht van de vrouw een grotere inzet en moeite worden verwacht om in Leiden, dan wel in de omgeving daarvan, een andere woning te vinden teneinde de veranderingen voor de minderjarigen zo beperkt mogelijk te houden. De vrouw heeft ook op geen enkele wijze reëel overleg met de man gevoerd over haar voorgenomen verhuizing. Door een verhuizing naar Brabant wordt het contact tussen de man en de minderjarigen bovendien ingeperkt aangezien de zorgregeling die partijen na hun uiteengaan overeen zijn gekomen mede voorzag in contacten door de week. Ook zijn door de vrouw geen alternatieven en maatregelen geboden om de gevolgen van de verhuizing voor de minderjarigen (en de man) in tijd en/of financieel te verzachten en/of te compenseren. Voorts hebben partijen beiden ter zitting aangegeven dat er thans nauwelijks communicatie en overleg is, hetgeen het risico op nog verdere inperking van het contact tussen de minderjarigen en hun vader verhoogt. Ten slotte neemt de rechtbank in aanmerking dat de minderjarigen door een verhuizing naar Brabant van school zouden moeten veranderen en dat ook het overige sociale leven van de minderjarigen een grote verandering zal ondergaan; continuering van de huidige (sport)clubs en omgang met vriendjes en vriendinnetjes zal vanuit Brabant moeizaam zijn. Gelet op het vorenstaande en gelet op het feit dat de echtscheidingsprocedure tussen partijen nog aanhangig is, zal de rechtbank het verzoek van de vrouw tot vervangende toestemming voor verhuizing afwijzen.

De rechtbank zal, gelet op het onderzoek door de Raad voor de Kinderbescherming dat met het oog op de echtscheidingsprocedure zal worden uitgevoerd –vgl. de procedure strekkende tot het treffen van voorlopige voorzieningen waarin heden uitspraak wordt gedaan- en dat zich zal richten op de vraag welke hoofdverblijfplaats en verdeling van de zorg- en opvoedingstaken het meest in het belang van de minderjarigen is, de verzoeken van de man om de hoofdverblijfplaats bij hem te bepalen en een zorgregeling te bepalen in de onderhavige procedure eveneens afwijzen. Deze verzoeken kunnen en moeten in het kader van de echtscheidingsprocedure aan de orde komen. In voormelde procedure aangaande het treffen van voorlopige voorzieningen wordt beslist over de voorlopige toevertrouwing en over het treffen van een voorlopige zorgregeling.

Beslissing

De rechtbank:

wijst de verzoeken van de vrouw af;

wijst de verzoeken van de man af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. M.Th.Nijhuis, S.M. van der Schenk en A.D. van Riel, tevens kinderrechters, bijgestaan door mr. I. van der Kamp, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 28 augustus 2015.