Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2015:12135

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
12-10-2015
Datum publicatie
29-10-2015
Zaaknummer
C/09/481345
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

art. 1:204 lid 1 sub e BW (oud).

Beantwoording van de vraag of er naar Nederlands recht sprake is van rechtsgeldige erkenningen in 2006 en 2009. Er kon geen sprake zijn van een rechtsgeldige erkenning zonder dat vaststelling vooraf van de huwelijkse band of nauwe persoonlijke betrekking. De erkenningen door de man zijn in zoverre nietig.

De nietige erkenningen zijn echter wel bekrachtigd op grond van artikel 3:59 j° 3:58 BW, zodat zij vanaf de data van de erkenningen rechtsgeldig zijn.

Verklaring voor recht dat de door de man gedane erkenningen door bekrachtiging rechtsgeldig zijn.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JIN 2016/57 met annotatie van F. Holstege
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Meervoudige kamer

Rekestnummer: FA RK 15-439

Zaaknummer: C/09/481345

Datum beschikking: 12 oktober 2015

Artikel 1:204 lid 1 sub e van het Burgerlijk Wetboek (oud)

Beschikking op het op 20 januari 2015 ingekomen verzoekschrift van:

[de vrouw] ,

de vrouw,

wonende te [woonplaats] ,

advocaat mr. E.A. Vermeer-Wartna te ’s-Gravenhage.

Als belanghebbende worden aangemerkt:

[de man] ,

de man,

wonende te [woonplaats] ,

[de minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] ,

en

[de minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] ,

de minderjarigen,

in rechte vertegenwoordigd door mr. F. Borger van der Burg-Holstege te ’s-Gravenhage,

in de hoedanigheid van bijzondere curator,

de ambtenaar van de burgerlijke stand van de gemeente ’s-Gravenhage,

zetelend te ’s-Gravenhage,

hierna te noemen: de ambtenaar.

Procedure

De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:

  • -

    het verzoekschrift;

  • -

    het verweerschrift van de zijde van de bijzondere curator;

  • -

    het verweerschrift van de zijde van de ambtenaar;

  • -

    de verklaring tot instemming van de man, ingekomen bij de rechtbank op 30 januari 2015;

  • -

    het F9-formulier d.d. 17 februari 2015 met bijlagen van de zijde van de vrouw;

  • -

    de brief d.d. 30 april 2015 van de zijde van de vrouw;

  • -

    de brief d.d. 8 juni 2015 van de zijde van de bijzondere curator.

De minderjarige [de minderjarige 1] heeft in raadkamer zijn mening kenbaar gemaakt.

Op 14 september 2015 is de zaak ter zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen: de vrouw, bijgestaan door haar advocaat, de man, de bijzondere curator en namens de ambtenaar de heer [naam] en mevrouw [naam] .

Verzoek

Het verzoekschrift strekt er thans toe een verklaring voor recht af te geven over de rechtsgeldigheid van de erkenningen door de man van de minderjarigen.

Ter zitting heeft de vrouw zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

Feiten

- Uit [de vrouw] zijn geboren de minderjarigen:

• [de minderjarige 1] op [geboortedatum] te [geboorteplaats] , die door de man op
[datum] is erkend,

• [de minderjarige 2] op [geboortedatum] te [geboorteplaats] , die door de man op
[datum] is erkend.

  • -

    Op de geboorteaktes van de minderjarigen staat de man als vader vermeld.

  • -

    De vrouw en de man hebben van 1993 tot juni 2010 samengewoond.

  • -

    De man is op [datum] in Tunesië gehuwd met een andere vrouw en is met die vrouw nog steeds gehuwd.

  • -

    Dit huwelijk is op [datum] geregistreerd in de gemeentelijke basisregistratie (thans: basisregistratie personen) van de gemeente [plaats] .

  • -

    De vrouw was ten tijde van de geboorte van de minderjarigen ongehuwd.

  • -

    De vrouw heeft de Nederlandse nationaliteit.

  • -

    De man heeft de Nederlandse en Tunesische nationaliteit.

  • -

    De minderjarigen hebben de Nederlandse nationaliteit.

  • -

    Bij beschikking van deze rechtbank d.d. 26 januari 2015 is mr. F. Borger van der Burg-Holstege voornoemd benoemd tot bijzondere curator teneinde de minderjarigen ingevolge artikel 1:212 BW te vertegenwoordigen.

Beoordeling

Rechtsmacht en toepasselijk recht

De rechtbank is op grond van artikel 3 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering bevoegd van het voorliggende verzoek kennis te nemen.

Op het verzoek tot verklaring voor recht is Nederlands recht van toepassing.

Inhoudelijk

Uit het hiervoor weergegeven feitencomplex volgt dat de erkenningen door de man van de minderjarigen op grond van de destijds (tot 1 april 2014) geldende wetgeving (artikel 1:204 lid 1 onder e van het Burgerlijk Wetboek, oud) in beginsel nietig zijn. Immers, de man was op het tijdstip van de erkenningen met een andere vrouw dan de moeder van de minderjarigen gehuwd, terwijl de rechtbank niet voorafgaand aan de erkenningen had vastgesteld dat aannemelijk was dat tussen de man en de vrouw een band bestond of had bestaan die in voldoende mate met een huwelijk op één lijn was vast te stellen of dat tussen de man en de minderjarigen een nauwe persoonlijke betrekking bestond. Een dergelijke vaststelling diende, om de erkenning door de man van de minderjarigen rechtsgeldig te doen zijn, door de rechtbank voorafgaand aan de erkenningen plaats te vinden.

De vrouw voert aan dat, nu zij en de man een relatie hebben gehad die met een huwelijk op één lijn valt te stellen en tussen de man en de minderjarigen een nauwe persoonlijke betrekking bestaat, de door de man gedane erkenningen van de minderjarigen alsnog erkend kunnen worden. De rechtbank begrijpt dat de vrouw bedoelt te stellen dat de erkenningen alsnog als rechtsgeldig dienen te worden beschouwd.

De ambtenaar heeft erop gewezen dat met ingang van 1 april 2014 het erkenningsverbod door een met een andere vrouw gehuwde man is komen te vervallen. Een gehuwde man kan thans een kind erkennen van een andere persoon dan zijn echtgenote, zonder dat een rechter eerst vaststelt dat tussen hem en het kind een nauwe persoonlijke betrekking bestaat dan wel dat er tussen hem en de moeder sprake is van een band die op één lijn te stellen is met het huwelijk. De ambtenaar vraagt zich af of de rechtbank in onderhavige zaak ex nunc kan beoordelen of een erkenning, onder het oude recht gedaan, door een met een andere vrouw gehuwde man thans (nog) in strijd zou zijn met de Nederlandse openbare orde en daarmee naar het huidige recht rechtsgeldig tot stand is gekomen. Indien dit het geval zou zijn dan zou de ambtenaar concluderen dat de geboorteakten van de minderjarigen, waarop de man immers als vader vermeld staat, geen verdere verbetering of wijziging behoeven. Indien en voor zover de rechtbank geen mogelijkheden tot ex nunc toetsing ziet, dan ligt het volgens de ambtenaar voor de hand dat, nadat een vaststelling in de zin van artikel 1:204 lid 1 aanhef en onder e BW (oud) heeft plaatsgevonden, het verzoek van de vrouw wordt toegewezen.

Volgens de bijzondere curator kan worden vastgesteld dat tussen de man en de vrouw een band bestaat of heeft bestaan die in voldoende mate met een huwelijk op één lijn valt te stellen en dat tussen de man en de minderjarigen een nauwe persoonlijke betrekking bestaat ex artikel 1:204 lid 1 sub e BW (oud).

De rechtbank overweegt als volgt. Er is rechtspraak van de Hoge Raad waarin is bepaald dat een in het buitenland rechtsgeldig gedane erkenning door een met een andere vrouw gehuwde man in Nederland erkend kan worden als achteraf vastgesteld kan worden dat er ten tijde van de erkenning sprake was van een nauwe persoonlijke betrekking tussen de man en de minderjarige dan wel dat er een band tussen de man en de moeder van de minderjarige was die gelijk te stellen is aan een huwelijkse band. De rechtbank begrijpt dat de ambtenaar en de bijzondere curator naar deze rechtspraak bedoelen te verwijzen. In casu is er echter geen sprake van een buitenlandse erkenning van de minderjarigen door de man, maar van een erkenning in Nederland, waarbij derhalve eerst en alleen maar de vraag dient te worden beantwoord of er naar Nederlands recht sprake is van een rechtsgeldige erkenning. Daartoe zijn de constitutieve vereisten voor een erkenning naar Nederlands recht bepalend. Dit betekent, zoals hiervoor reeds weergegeven, dat naar het ten tijde van de erkenningen door de man van de minderjarigen geldend recht er geen sprake kon zijn van een rechtsgeldige erkenning, zonder vaststelling vóóraf van de eerder genoemde huwelijkse band of nauwe persoonlijke betrekking. De erkenningen door de man van de minderjarigen zijn in zoverre nietig. Aan erkenning (artikel 10:31 BW en verder) van de door de man gedane erkenningen van de minderjarigen en aan toetsing aan de openbare orde, zoals de ambtenaar kennelijk betoogt, komt de rechtbank derhalve – nu het een Nederlandse erkenning betreft - niet toe. Evenmin komt de rechtbank in zoverre derhalve toe aan de vraag of er ten tijde van de erkenningen sprake was van een nauwe persoonlijke betrekking of een band gelijk te stellen aan het huwelijk. In zoverre kan het verzoek van de vrouw dan ook niet worden toegewezen.

De nietige erkenningen van de minderjarigen zijn naar het oordeel van de rechtbank echter wel bekrachtigd op grond van artikel 3:59 j° 3:58 BW, zodat deze vanaf respectievelijk
[datum] en [datum] rechtsgeldig zijn. Daartoe wordt als volgt overwogen.

Ingevolge artikel 3:59 BW vinden buiten het vermogensrecht de bepalingen van deze titel overeenkomstige toepassing, voor zover de aard van de rechtshandeling of van de rechtsbetrekking zich daartegen niet verzet. Ingevolge artikel 3:58 lid 1 BW is, wanneer eerst na het verrichten van een rechtshandeling een voor haar geldigheid gesteld wettelijk vereiste wordt vervuld, maar alle onmiddellijke belanghebbenden die zich op dit gebrek hadden kunnen beroepen, in de tussen de handeling en de vervulling van het vereiste liggende tijdsruimte de handeling als geldig hebben aangemerkt, daarmede de rechtshandeling bekrachtigd.

Artikel 3:58 lid 1 BW kan op grond van artikel 3:59 BW overeenkomstig worden toegepast op de erkenning van kinderen, nu de aard van die rechtshandeling en de aard van de rechtsbetrekking tussen de man, die de kinderen erkent, en de kinderen zich daartegen in beginsel niet verzetten. Dit is anders in de gevallen waarin bekrachtiging van een nietige erkenning in strijd zou komen met het belang van het kind. Dat daarvan in het onderhavige geval sprake is, is niet gebleken. Immers zoals blijkt uit hetgeen de vrouw en de bijzondere curator heeft aangevoerd, is er sprake van family life tussen de man en de minderjarigen en zien de minderjarigen de man (al lange tijd) als hun vader (vgl. Hoge Raad 30 januari 2015, ECLI:NL:HR:2015:186).

De omstandigheden van het geval, zoals gebleken uit de stukken en het verhandelde ter terechtzitting, nopen tot het oordeel dat bekrachtiging van de (nietige) erkenningen heeft plaatsgevonden. Die omstandigheden komen erop neer dat geen van de onmiddellijk belanghebbenden in het tijdvak tussen het verrichten van de rechtshandelingen, te weten de erkenningen, en de vervulling van een voor de erkenningen wettelijk gesteld vereiste, zijnde het vervallen per 1 april 2014 van artikel 1:204 lid 1 aanhef en onder e BW (oud), zich op de nietigheid heeft beroepen of zich heeft gedragen op een wijze die onverenigbaar is met de geldigheid van de erkenningen. Daarom zal de rechtbank voor recht verklaren dat de door de man op [datum] en [datum] gedane nietige erkenningen bekrachtigd zijn. Deze bekrachtiging heeft terugwerkende kracht, in die zin dat de rechtshandelingen reeds vanaf het moment van totstandkoming geldig zijn geweest.

Beslissing

De rechtbank:

verklaart voor recht dat de door de man, [de man] , geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] , Tunesië, op [datum] gedane erkenning van [de minderjarige 1] te
’s-Gravenhage door bekrachtiging rechtsgeldig is;

verklaart voor recht dat de door de man, [de man] , geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] , Tunesië, op [datum] gedane erkenning van [de minderjarige 2] te
’s-Gravenhage door bekrachtiging rechtsgeldig is;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. S.M. Westerhuis-Evers, M.P. Verloop en A.M.A. Keulen, bijgestaan door mr. I. van der Kamp als griffier en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 12 oktober 2015.