Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2015:12109

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
22-10-2015
Datum publicatie
22-10-2015
Zaaknummer
09/857437-14
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Woningoverval, slachtoffer overleden. Gevangenisstraf voor de duur van zeven jaren.

Causaal verband tussen de woningoverval en het overlijden van het slachtoffer. Redelijke toerekening (zie Hoge Raad 19 maart 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ4491). Naar het oordeel van rechtbank is de dood van het slachtoffer met een aanzienlijke mate van waarschijnlijkheid door de overval veroorzaakt. Enerzijds is een hevige stresssituatie, zoals een overval, significant van invloed op het ontstaan van een fatale hartritmestoornis. Anderzijds hebben de daders de slachtoffers aan hun lot overgelaten en hebben daarmee de kans op tijdig medisch ingrijpen aanzienlijk verkleind.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Strafrecht

Meervoudige strafkamer

Parketnummer: 09/857437-14

Datum uitspraak: 22 oktober 2015

Tegenspraak

(Promisvonnis)

De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedag] 1995 te [geboorteplaats] ,

[adres 1] ,

thans gedetineerd in de penitentiaire inrichting “Haaglanden” te Zoetermeer.

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden ten terechtzittingen van 3 februari 2015, 30 april 2015 en 22 juli 2015 (alle pro forma) en 7 oktober 2015 (inhoudelijk) en 8 oktober 2015 (sluiting).

De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie mr. N. Coenen en van hetgeen door de raadsvrouw van de verdachte mr. T.S.S. Overes, advocaat te Almere, en door de verdachte naar voren is gebracht.

2 De tenlastelegging

Aan de verdachte is - na toewijzing van de vordering nadere omschrijving van de tenlastelegging ter terechtzitting van 3 februari 2015 - ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 4 augustus 2014 te Rijnsburg tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een geldbedrag en/of andere goederen van zijn/hun gading, geheel of ten dele

toebehorende aan [slachtoffer 1] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of aan zijn mededader(s) hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld bestond(en) uit het

- drukken en/of gedrukt houden van een kussen(sloop) op het gezicht en/of hoofd van die [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 1] en/of

- grijpen met een arm en/of hand (en) bij de nek en/of hals van die [slachtoffer 1] en/of (vervolgens) voornoemde hals dichtknijpen en/of dichtgeknepen houden en/of

- tegen die [slachtoffer 1] zeggen:" Waar is de kluis, zeg het, anders schieten we je vrouw dood", althans woorden van soortgelijke dreigende aard of strekking en/of

-(vast) tapen van de hand(en) en/of enkel(s) en/of mond van die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2]

terwijl dat feit de dood van die [slachtoffer 1] ten gevolge heeft gehad;

subsidiair, indien het vorenstaande niet tot een bewezenverklaring en/of een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 04 augustus 2014 te 's-Gravenhage ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening weg te nemen een gelbedrag en/of een of meer goederen van zijn/hun gading, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 1] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), en daarbij die voorgenomen diefstal te doen voorafgaan en/of te doen vergezellen en/of te doen volgen van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] , te plegen met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of (een) aan andere deelnemer(s) van dat misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, met een of meer van zijn mededader(s), althans alleen

- naar de woning van die [slachtoffer 1] is/zijn gegaan en/of

- ( vervolgens) via het raam voornoemde woning is/zijn binnengeklommen en/of

- ( vervolgens) een kussen(sloop) op het gezicht en/of hoofd van die [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 1] heeft/hebben gedrukt en/of gedrukt heeft/hebben gehouden en/of

- met een arm en/of hand(en) die [slachtoffer 1] bij de hals en/of nek heeft/hebben gegrepen en/of (vervolgens) voornoemde hals en/of nek heeft/hebben dichtgeknepen en/of dichtgeknepen heeft/hebben gehouden en/of

- tegen die [slachtoffer 1] heeft/hebben gezegd: "Waar is de kluis, zeg het, anders schieten we je vrouw dood", althans woorden van soortgelijke dreigende aard of strekking en/of

- de hand(en) en/of enkel(s) en/of mond van die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] heeft/hebben (vast) getaped,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf, de diefstal, niet is voltooid

terwijl dat feit de dood van die [slachtoffer 1] ten gevolge heeft gehad.

3 Bewijsoverwegingen

3.1

Inleiding

Op 4 augustus 2014 heeft er midden in de nacht een overval op een woning in Rijnsburg plaatsgevonden. Tijdens of kort na die overval is de bewoner van de woning, [slachtoffer 1] , overleden. De verdachte heeft bekend aan de overval te hebben deelgenomen. De vragen die de rechtbank dient te beantwoorden zijn of de verdachte kan worden aangemerkt als medepleger van de overval en of de dood van [slachtoffer 1] als gevolg van die overval aan de verdachte kan worden toegerekend.

3.2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het primair ten laste gelegde feit (diefstal met geweld in vereniging, de dood ten gevolge hebbend) wettig en overtuigend kan worden bewezen.

3.3

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich ten aanzien van het gronddelict gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank en daarbij opgemerkt dat de verdachte geen aandeel heeft gehad in het geweld of de bedreiging daarmee. Met betrekking tot de strafverzwarende omstandigheid ‘terwijl het feit de dood ten gevolge heeft’, heeft de verdediging betoogd dat de verdachte hiervan dient te worden vrijgesproken.

3.4

De beoordeling van de tenlastelegging1

Op 4 augustus 2014 omstreeks 02.25 uur kregen de dienstdoende agenten de opdracht om naar het [adres 2] te Rijnsburg te gaan in verband met een melding van een woningoverval.2 [slachtoffer 2] had 112 gebeld en aan de meldkamer verteld dat zij en [slachtoffer 1] waren overvallen door ‘drie, vier man’, zijnde ‘negers’ die volgens haar Papiaments spraken.3 In de woning troffen agenten een mannelijk slachtoffer (naar later blijkt [slachtoffer 1] ) op de grond aan met om zijn linker pols een stuk tape met daaraan een groot stuk tape dat los om de linkerhand heen hing.4

[slachtoffer 2] heeft verklaard dat zij op 3 augustus 2014 samen met [slachtoffer 1] in zijn woning in Rijnsburg was gaan slapen. Op enig moment werd zij wakker, doordat zij [slachtoffer 1] hoorde schreeuwen. Zij zag op dat moment drie personen in de slaapkamer staan. Eén persoon stond voor haar voeteneind, één stond aan het voeteneind van [slachtoffer 1] en een derde persoon stond vlakbij het raam, dat open stond. Zij zag dat [slachtoffer 1] een honkbalknuppel pakte en daarmee begon te slaan. [slachtoffer 1] zat op dat moment half overeind. Zij zag dat twee personen op hem sprongen en dat één van de mannen hem om zijn nek greep. Zij werd op dat moment door de persoon die bij haar aan het voeteneind had gestaan op haar buik gegooid met haar hoofd in het matras, waarna een kussen op haar hoofd werd gedrukt, waardoor zij niets meer kon zien. Zij hoorde de mannen zeggen “blijf rustig, blijf rustig” en “waar is de kluis, waar is de kluis?” Zij hoorde vervolgens iets van “kom maar” of “je kan nu komen” en had het idee dat er van binnen naar buiten werd geroepen. Zij hoorde de mannen onderling zowel Papiaments als Nederlands praten. Zij hoorde dat ze tegen [slachtoffer 1] zeiden “waar is de kluis, zeg het, zeg het, anders schieten we je vrouw dood”. Het kussen werd nog steeds op haar hoofd gehouden, waarbij de persoon die dat deed een keer is gewisseld. Zij merkte op een gegeven moment dat [slachtoffer 1] op de grond werd gelegd en hoorde vervolgens dat de mannen de trap op en af liepen, dat ze de kasten in de slaapkamer doorzochten en dat ze de zolder op en af liepen. Op een gegeven moment kwam er een tweede persoon de slaapkamer binnen en moest zij haar benen over elkaar doen en haar polsen achter haar rug kruisen. Zij hoorde vervolgens dat er tape van een rol werd gescheurd en zij voelde dat haar enkels aan elkaar vastgetapet werden. Vervolgens voelde zij dat haar polsen achter haar rug gekruist vastgetapet werden. Al die tijd drukte één van de mannen het kussen op haar hoofd. Door middel van een los stuk tape hebben ze geprobeerd haar mond dicht te plakken, maar omdat het slechte tape was, bleef deze niet plakken. Vervolgens werd er een kussensloop of iets dergelijks op haar hoofd geduwd. Zij zag later dat de handen van [slachtoffer 1] getapet waren.5 Zij denkt dat de mannen ongeveer een half uur tot drie kwartier binnen zijn geweest.6 Tot slot heeft [slachtoffer 2] verklaard dat er een geldbedrag van zo’n € 2.000,00 uit een rijbewijsmapje van [slachtoffer 1] is weggenomen, welk bedrag hij enkele dagen daarvoor van zijn dochter had gekregen.7 Deze dochter heeft bevestigd dat zij € 2.000,00 aan haar vader had gegeven.8 Volgens een andere dochter van [slachtoffer 1] miste er een aantal horloges van haar vader.9

De verdachte heeft bij de politie verklaard dat er van tevoren plannen zijn gemaakt wie er allemaal zouden gaan, dat hij van tevoren wist wat ze gingen doen, dat hij zou rijden met zijn auto en dat hij er € 10.000,00 voor zou krijgen.10 De verdachte wist dat er zwart geld in een kluis lag en er was een afspraak gemaakt over wie zou domineren en wie de kluis zou gaan zoeken.11 De verdachte heeft verklaard met handschoenen aan via het openstaande slaapkamerraam de woning binnen te zijn gegaan en naar de kluis te hebben gezocht.12 De verdachte heeft de man (de rechtbank begrijpt: [slachtoffer 1] ) zien liggen en dacht dat deze dood was.13 Tot slot heeft de verdachte verklaard dat er horloges zijn meegenomen.14

De rechtbank is op grond van voornoemde bewijsmiddelen, waarnaar in de voetnoten is verwezen, van oordeel dat de aan de verdachte primair ten laste gelegde diefstal met (bedreiging met) geweld in vereniging wettig en overtuigend kan worden bewezen. De verdachte wist van tevoren wat hij en zijn mededaders gingen doen en heeft tijdens de overval een actieve rol gehad door met handschoenen aan de woning te doorzoeken, met in het vooruitzicht een deel van de buit. Daarbij heeft de verdachte naar het oordeel van de rechtbank rekening moeten houden met het feit dat de bewoners zouden worden blootgesteld aan (bedreiging met) geweld. Er was immers van tevoren al een afspraak gemaakt wie zou domineren en wie zou zoeken naar de kluis. Het woord ‘domineren’ in combinatie met het zoeken naar een kluis, die geopend zou moeten worden met een code, impliceert dat er geweld of dreiging met geweld plaats zou vinden tegen de aanwezige bewoner(s) teneinde die code te verkrijgen. Naar het oordeel van de rechtbank is een gewelddadige confrontatie ook alleszins voorzienbaar bij het midden in de nacht door een openstaand slaapkamerraam betreden van een woning, zeker wanneer dat gebeurt teneinde daar goederen weg te nemen. Bij deze stand van zaken kan in het midden blijven of de verdachte al dan niet een aandeel heeft gehad in de ten laste gelegde geweldshandelingen, aangezien de geweldshandelingen van de mededaders in strafrechtelijke zin aan de verdachte als medepleger kunnen worden toegerekend.

De dood ten gevolge hebbend?

[slachtoffer 1] is overleden aan (de gevolgen van) een groot en recent hartinfarct.15 Het overlijden heeft volgens forensisch arts D. Botter op zijn laatst om circa 02.23 uur plaatsgevonden. Bij sectie was het hartinfarct zichtbaar met de LDH-enzymkleuring hetgeen volgens Botter betekent dat het infarct minimaal circa twee tot vier uur vóór overlijden heeft plaatsgevonden.16

Op grond van deze bevindingen, het tijdstip van de melding door [slachtoffer 2] en haar verklaring over de duur van de overval stelt de rechtbank vast dat het hartinfarct van [slachtoffer 1] op zijn laatst om 00.23 uur en dus vóór de overval heeft plaatsgevonden.

De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of er een causaal verband is tussen de overval en de dood van [slachtoffer 1] . Anders gezegd: of de dood van [slachtoffer 1] redelijkerwijs als gevolg van de overval aan de verdachte kan worden toegerekend. De rechtbank is van oordeel dat op basis van het dossier niet zonder meer kan worden vastgesteld dat de overval in de keten van de gebeurtenissen een noodzakelijke factor is geweest voor het overlijden van [slachtoffer 1] . In een dergelijk geval is voor het redelijkerwijs toerekenen van de dood van [slachtoffer 1] aan (een gedraging van) de verdachte ten minste vereist dat wordt vastgesteld dat de overval een onmisbare schakel kan hebben gevormd in de gebeurtenissen die tot de dood van [slachtoffer 1] hebben geleid, alsmede dat ook aannemelijk is dat de dood van [slachtoffer 1] met een aanzienlijke mate van waarschijnlijkheid door die overval is veroorzaakt. Of en wanneer sprake is van een dergelijke aanzienlijke mate van waarschijnlijkheid hangt af van de concrete omstandigheden van het geval. Bij de beoordeling daarvan kan als hulpmiddel dienen of in de gegeven omstandigheden de overval naar haar aard geschikt is om die dood teweeg te brengen en bovendien naar ervaringsregels van dien aard is dat zij het vermoeden wettigt dat deze heeft geleid tot het intreden van de dood van [slachtoffer 1] (vgl. Hoge Raad 19 maart 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ4491).

Ter terechtzitting is Botter als deskundige gehoord. Botter heeft verklaard dat [slachtoffer 1] is overleden aan een groot hartinfarct en dat de dood uiteindelijk via een fatale hartritmestoornis is ingetreden. Bij de sectie zijn er, aldus het daarvan opgemaakte rapport, geen andere afwijkingen gebleken die de dood zouden kunnen verklaren. Botter heeft daarnaast verklaard dat stress een significante invloed kan hebben op het ontstaan van een fatale hartritmestoornis.17

Dat er sprake is geweest van een acute hevige stresssituatie voor [slachtoffer 1] leidt de rechtbank af uit de hiervoor weergegeven verklaring van [slachtoffer 2] . Uit die verklaring komt immers naar voren dat [slachtoffer 1] nog leefde op het moment dat de overvallers midden in de nacht in zijn slaapkamer stonden, dat hij vervolgens is besprongen door twee overvallers en dat hij zich heeft geprobeerd te verdedigen met een honkbalknuppel. Op basis hiervan, in combinatie met de hiervoor vermelde verklaring van Botter, stelt de rechtbank vast dat de overval een onmisbare schakel kan hebben gevormd in het ontstaan van een fatale hartritmestoornis en daarmee de dood van [slachtoffer 1] .

De vraag die vervolgens dient te worden beantwoord is of ook aannemelijk is dat de dood van [slachtoffer 1] met een aanzienlijke mate van waarschijnlijkheid door die overval is veroorzaakt. Ook die vraag beantwoordt de rechtbank bevestigend op basis van de door Botter ter terechtzitting afgelegde verklaring. Botter heeft immers verklaard dat enerzijds een hevige stresssituatie significant van invloed is op het ontstaan van een fatale hartritmestoornis, en dat anderzijds de overlevingskans flink wordt gereduceerd bij het uitblijven van tijdig medisch ingrijpen.18 Bij dat laatste betrekt de rechtbank mede de omstandigheid dat [slachtoffer 2] heeft verklaard vastgetapet te zijn achtergelaten, dat zij zich, nadat de overvallers waren vertrokken, heeft kunnen bevrijden met een mes dat op de overloop lag en dat zij daarna 112 heeft gebeld, waarna (toen pas) de nodige medische hulpverlening op gang is gekomen.19 Een en ander betekent dat de verdachte en zijn mededaders, nadat ze door de overval een acute hevige stresssituatie hadden veroorzaakt, [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] aan hun lot hebben overgelaten en daarmee de kans op tijdig medisch ingrijpen aanzienlijk hebben verkleind. In dit licht bezien kent de rechtbank geen betekenis toe aan de verklaring van de verdachte dat hij nog geprobeerd zou hebben [slachtoffer 1] te reanimeren, nu dit handelen - wat hiervan ook zij - wordt tenietgedaan door het (ook aan de verdachte toe te rekenen) nalaten en belemmeren van het zo snel mogelijk inschakelen van de hulpdiensten.

De rechtbank overweegt ten slotte dat de (niet uit te sluiten) mogelijkheid dat [slachtoffer 1] ook zonder de handelingen van de verdachte en zijn mededaders zou zijn overleden niet aan toerekening aan de verdachte en zijn mededaders in de weg staat.

Alles afwegend komt de rechtbank tot het oordeel dat de strafverzwarende omstandigheid ‘terwijl het feit de dood ten gevolge heeft’ wettig en overtuigend kan worden bewezen.

3.5

De bewezenverklaring

De rechtbank verklaart ten aanzien van de verdachte bewezen dat:

(primair)

hij op 4 augustus 2014 te Rijnsburg tezamen en in vereniging met anderen met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een geldbedrag en andere goederen van zijn gading, toebehorende aan [slachtoffer 1] , welke diefstal werd voorafgegaan en vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken en om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en aan zijn mededaders hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren,

welk geweld en welke bedreiging met geweld bestonden uit het

- drukken en gedrukt houden van een kussen(sloop) op het hoofd van die [slachtoffer 2] en

- grijpen met een arm en/of hand(en) bij de nek van die [slachtoffer 1] en

- tegen die [slachtoffer 1] zeggen: "Waar is de kluis, zeg het, anders schieten we je vrouw dood", althans woorden van soortgelijke dreigende aard of strekking en

- vasttapen van de handen en enkels en mond van die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] ,

terwijl dat feit de dood van die [slachtoffer 1] ten gevolge heeft gehad.

Voor zover in de tenlastelegging type- en taalfouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.

4 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Het bewezenverklaarde levert het volgende strafbare feit op:

diefstal, voorafgegaan en vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden, gemakkelijk te maken en om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf of andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen en de dood ten gevolge heeft.

5 De strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is eveneens strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

6 De strafoplegging

6.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte overeenkomstig het volwassenenstrafrecht wordt berecht en daarbij zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van acht jaren, met aftrek van de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht. Zij heeft daarbij aansluiting gezocht bij de LOVS-oriëntatiepunten en in strafverzwarende zin rekening gehouden met de dreiging met vuurwapengeweld, het knevelen en het in hulpeloze toestand achterlaten van de slachtoffers. Aldus zou volgens de officier van justitie een gevangenisstraf voor de duur van zes jaren moeten worden opgelegd, een straf die in haar visie met twee jaren dient te worden verhoogd nu het overlijden van [slachtoffer 1] als gevolg van de overval aan de verdachte kan worden toegerekend.

6.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft bepleit ten aanzien van de verdachte het adolescentenstrafrecht toe te passen en aan de verdachte een deels voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen waarbij het onvoorwaardelijke gedeelte gelijk is aan het voorarrest. Aan het voorwaardelijke gedeelte van de gevangenisstraf kunnen de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden worden verbonden met uitzondering van het contactverbod met de stiefvader van de verdachte, [Medeverdachte 1] .

6.3

Het oordeel van de rechtbank

Na te melden straf is in overeenstemming met de ernst van het gepleegde feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek ter terechtzitting is gebleken. De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.

Ernst van het feit

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een woningoverval ten gevolge waarvan de mannelijke bewoner is overleden. Samen met anderen is de verdachte midden in de nacht via een openstaand slaapkamerraam de woning binnengedrongen. De slachtoffers, een man en een vrouw, lagen op dat moment nietsvermoedend te slapen en werden door drie mannen overmeesterd. De man werd besprongen door twee daders en aan de vrouw werd al vrij snel elk zicht ontnomen doordat haar door een derde dader een kussen op het hoofd werd gedrukt. Het laatste wat zij heeft gezien was dat de man bij zijn nek werd gegrepen. Zij hoorde de daders nog tegen hem zeggen: “Waar is de kluis? Zeg het, anders schieten we je vrouw dood”. De rechtbank gaat ervan uit dat de vrouw in doodsangst heeft verkeerd, zowel voor zichzelf als voor haar vriend. Daar komt nog bij dat de slachtoffers zich op het moment van de overval in een kwetsbare positie bevonden, omdat zij ongekleed waren. De daders hebben vervolgens niet alleen de woning doorzocht, maar ook nog de enkels en polsen van de vrouw en de handen van de man met tape vastgebonden en geprobeerd de mond van de vrouw met tape af te plakken. In die situatie hebben de daders de slachtoffers achtergelaten en zijn zij er met een geldbedrag en horloges vandoor gegaan.

Dat de overval voor de vrouw traumatische ervaringen heeft teweeggebracht volgt uit haar toelichting op haar vordering tot schadevergoeding en uit de door haar ter terechtzitting afgelegde verklaring. Zij heeft psychisch letsel opgelopen, waarvoor zij nog steeds in behandeling is, en kan haar gewone werkzaamheden niet meer uitvoeren. Voor haar en ook voor de nabestaanden van de man heeft de overval een geweldige impact op hun leven gehad en het is voor hen nog steeds onwerkelijk en onvoorstelbaar dat hij er niet meer is. Eén van zijn dochters heeft dit treffend in haar verklaring ter terechtzitting verwoord: “Er was een leven voor 4 augustus 2014 en er is een leven na 4 augustus 2014.”

De rechtbank neemt het de verdachte uitermate kwalijk dat hij louter voor eigen gewin een overval heeft gepleegd en is voorbijgegaan aan de traumatische ervaringen die hij de vrouw daarmee heeft bezorgd alsmede de enorme impact die de overval en de daarmee gepaard gaande dood van de man op haar en de nabestaanden van [slachtoffer 1] hebben gehad en nog steeds hebben.

Documentatie

Uit een uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 6 januari 2015 blijkt dat de verdachte niet eerder met politie en justitie in aanraking is gekomen ter zake van soortgelijke strafbare feiten.

Persoon van de verdachte

De rechtbank heeft met betrekking tot de persoon van de verdachte kennisgenomen van het reclasseringsadvies van 23 september 2015. Hieruit blijkt dat zijn vatbaarheid voor beïnvloeding door derden en impulsiviteit als risicoverhogende factoren worden gezien. Volgens de reclassering is het wenselijk dat de verdachte inzicht krijgt in de factoren die zijn keuzes hebben beïnvloed om recidive te voorkomen. De reclassering adviseert het jeugdstrafrecht toe te passen, omdat er geen sprake is van een langdurige of uitgebreide delictgeschiedenis, de verdachte niet lijkt te zijn ingebed in een crimineel milieu, hij een meeloper lijkt te zijn, er mogelijkheden zijn voor een pedagogische beïnvloeding en hij actief deel uitmaakt van een liefdevol gezin.

De reclassering komt tot een tweeledig advies. Enerzijds adviseert zij een gedeeltelijk voorwaardelijke gevangenisstraf aan de verdachte op te leggen, met als bijzondere voorwaarden:

- een meldplicht,

- een ambulante behandelverplichting (bij De Waag of een soortgelijke instelling),

- een locatieverbod ten aanzien van de woning waar de overval heeft plaatsgevonden,

- een locatiegebod om op vastgestelde tijdstippen op zijn verblijfadres aanwezig te zijn, en

- een contactverbod met [Medeverdachte 2] , [Medeverdachte 3] en [Medeverdachte 1] .

De reclassering adviseert hierbij het toezicht te laten uitvoeren door de volwassenenreclassering, met de mogelijkheid het toezicht over te dragen aan de jeugdreclassering zodra dat wenselijk wordt geacht.

Anderzijds adviseert de reclassering een onvoorwaardelijke gevangenisstraf aan de verdachte op te leggen waarbij de detentiefasering en de voorwaardelijke invrijheidstelling conform de overvallersaanpak (dat wil zeggen verscherpt toezicht met elektronische controle) zal verlopen.

Toepassing adolescentenstrafrecht

Ten aanzien van de door de reclassering geadviseerde en door de raadsvrouw verzochte toepassing van het adolescentenstrafrecht overweegt de rechtbank als volgt.

Artikel 77c van het Wetboek van Strafrecht biedt de mogelijkheid om bij jongvolwassenen die ten tijde van het begaan van het strafbaar feit in de leeftijdscategorie van 18 tot 23 jaar vallen een sanctie uit het sanctiearsenaal van het jeugdstrafrecht toe te passen. Dit is mogelijk als daartoe aanleiding wordt gevonden in de persoonlijkheid van de dader of de omstandigheden waaronder het feit is begaan.

Hiervoor is reeds overwogen onder welke omstandigheden de overval is gepleegd. De rechtbank is van oordeel dat deze omstandigheden geen enkele grond bieden om het adolescentenstrafrecht toe te passen, ook al zou ten aanzien van verdachte worden uitgegaan van een rol als meeloper. Sterker nog, de omstandigheden waaronder de overval heeft plaatsgevonden (planmatig, met aanzienlijk geweld) vormen veeleer een contra-indicatie voor toepassing van het adolescentenstrafrecht. De rechtbank is voorts van oordeel dat de persoonlijkheid van de verdachte, afgezet tegen de ernst van het feit, evenmin een grond biedt om over te gaan tot toepassing van het adolescentenstrafrecht. Het enkele feit dat de verdachte geen noemenswaardig stafblad heeft en niet lijkt te zijn ingebed in een crimineel milieu valt in dit geval in het niet bij de ernst van het feit en legt onvoldoende gewicht in de schaal. Bovendien blijkt uit het dossier dat de verdachte kort na de overval is gevlucht naar Curaçao met de hulp van zijn oma, zijn wettelijke voogd, en dat zijn stiefvader medeverdachte is in deze zaak. Gelet hierop kan niet zonder meer worden gesproken van een liefdevol gezin waarin mogelijkheden zijn voor een pedagogische beïnvloeding, zoals de reclassering heeft geschetst. Daar komt bij dat de reclassering in beginsel een toezicht door de volwassenreclassering en geen specifieke interventies uit het jeugdstrafrecht heeft geadviseerd.

Op grond van het voorgaande zal de rechtbank een straf opleggen overeenkomstig het volwassenenstrafrecht.

Straf

De rechtbank stelt voorop dat gelet op de ernst van het feit niet kan worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming meebrengt. Bij het bepalen van de hoogte van de straf neemt de rechtbank de LOVS-oriëntatiepunten als uitgangspunt. In dat verband overweegt de rechtbank als volgt.

Als oriëntatiepunt voor de op te leggen straf in geval van een woningoverval met licht geweld, te weten een enkele ruk/duw zonder noemenswaardig letsel, wordt een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van drie jaren gehanteerd en in geval van een woningoverval met ander geweld een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van vijf jaren. Nu het verschil zit in de mate van geweld, dient allereerst dit aspect te worden beoordeeld.

De rechtbank overweegt dat er enig fysiek geweld is gebruikt. Het mannelijke slachtoffer is door twee daders overmeesterd, bij de nek gepakt en zijn handen zijn getapet. Het vrouwelijke slachtoffer is op het bed vastgehouden en haar is langere tijd een kussen op het hoofd gedrukt. Zij is aan polsen en enkels getapet en de daders hebben geprobeerd haar mond dicht te plakken met tape. Naast het uitgeoefende fysieke geweld was er ook sprake van dreiging met geweld. In dat verband is relevant dat de daders in de nachtelijke uren door een open slaapkamerraam de woning zijn binnengedrongen en hebben gedreigd met het doodschieten van de vrouw op het moment dat de vrouw door het kussen op haar hoofd niets meer kon zien. Dit werkt zeer intimiderend en vergroot de impact van het gebeuren in aanzienlijke mate.

Alles bij elkaar genomen is de rechtbank van oordeel dat de mate van geweld, met name gelet op de dreiging daarmee en de omstandigheden waaronder dat heeft plaatsgevonden, kan worden gekwalificeerd als ‘ander geweld’. Dat betekent dat het uitgangspunt voor de op te leggen straf wordt gesteld op een gevangenisstraf van vijf jaren.

Vervolgens dient de rechtbank te beoordelen of er sprake is van strafvermeerderende of strafverminderende factoren.

Ten aanzien van de strafvermeerderende factoren overweegt de rechtbank als volgt.

De overval is gepleegd door meerdere daders die planmatig te werk zijn gegaan en doelbewust midden in de nacht naar Rijnsburg zijn gegaan. Er was sprake van een duidelijke taakverdeling tussen ‘domineren’ en zoeken naar de kluis, waarbij van tevoren is bedacht om handschoenen aan te doen teneinde geen sporen achter te laten. Bij het verlaten van de woning hebben de daders de slachtoffers in een uiterst kwetsbare en vernederende positie aan hun lot overgelaten: de slachtoffers waren beiden ongekleed en vastgetapet en de man was niet meer bij bewustzijn. De vrouw heeft aan de overval fors psychisch letsel overgehouden en de man is als gevolg van de overval overleden. Alleen al dat laatste leidt tot een significant hogere gevangenisstraf, gelet op het feit dat deze strafverzwarende omstandigheid op grond van artikel 312, derde lid, van het Wetboek van Strafrecht leidt tot een strafmaximum van vijftien jaren, zijnde een verhoging van 25% ten opzichte van een diefstal met geweld in vereniging.

Als strafverminderende factoren zal de rechtbank meewegen dat de verdachte in een relatief vroeg stadium heeft bekend aan de overval te hebben deelgenomen en ter terechtzitting spijt heeft betuigd.

Gelet op de mate van geweld in combinatie met de aanwezigheid van diverse zwaarwegende strafvermeerderende factoren en slechts enkele strafverminderende factoren acht de rechtbank een gevangenisstraf van zeven jaren passend en geboden.

7 De vorderingen van de benadeelde partijen / de schadevergoedingsmaatregel

7.1

De vorderingen

[slachtoffer 2] heeft zich als benadeelde partij gevoegd ter zake van een vordering tot schadevergoeding, primair ten bedrage van € 27.153,52 en subsidiair ten bedrage van

€ 14.153,52. De vordering strekt tot vergoeding van materiële schade (bestaande uit zorgkosten, telefoon- en portikosten en reiskosten), verlies van arbeidsvermogen, immateriële schade (alle drie voorschotbedragen) en kosten medische informatie, te vermeerderen met de wettelijke rente.

[slachtoffer 3] heeft zich als benadeelde partij gevoegd ter zake van een vordering tot schadevergoeding ten bedrage van € 15.479,72. De vordering strekt tot vergoeding van de kosten van de uitvaart, de kosten van het gedenkteken en reiskosten, te vermeerderen met de wettelijke rente.

7.2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot hoofdelijke toewijzing van de beide vorderingen, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

7.3

Het standpunt van de verdediging

Ten aanzien van de vorderingen van [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] heeft de raadsvrouw zich op het standpunt gesteld dat deze vorderingen primair (deels) niet-ontvankelijk dienen te worden verklaard aangezien de verdachte dient te worden vrijgesproken van het onderdeel ‘terwijl het feit de dood ten gevolge heeft’. Subsidiair dienen deze vorderingen niet-ontvankelijk te worden verklaard wegens een onevenredige belasting van het strafgeding. Meer subsidiair dienen de vorderingen voor een groot deel te worden afgewezen. Voor wat betreft dit laatste onderdeel heeft de raadsvrouw ten aanzien van de vordering van [slachtoffer 1] en de vordering van [slachtoffer 3] gewezen op de in het strafrecht gebruikelijk toe te wijzen reiskosten van € 0,19 per kilometer in plaats van de verzochte € 0,29 per kilometer. Daarnaast heeft zij voor wat betreft de vordering van [slachtoffer 2] naar voren gebracht dat zij de immateriële schade met betrekking tot de ‘shockschade’ niet heeft kunnen toetsen met betrekking tot de gestelde diagnoses en dat de vordering op dit punt niet, althans onvoldoende is onderbouwd. Ten aanzien van de vordering van [slachtoffer 3] heeft de raadsvrouw gesteld dat onduidelijk is in hoeverre de kosten van de uitvaart in overeenstemming met de voormalige persoonlijke (financiële) leefomstandigheden van [slachtoffer 3] zijn.

7.4

Het oordeel van de rechtbank

Vordering [slachtoffer 2]

De vordering van [slachtoffer 2] is door de verdediging inhoudelijk op twee punten betwist. Ten aanzien van de betwiste post reiskosten zal de rechtbank aansluiting zoeken bij ‘De Letselschade Richtlijn Kilometervergoeding’ ten bedrage van € 0,29 per kilometer, nu het hier om vergoeding van reiskosten in verband met letselschade gaat. Voor wat betreft de immateriële schade met betrekking tot de ‘shockschade’ is de rechtbank van oordeel dat uit de overlegde producties 1 (brief van de huisarts d.d. 2 september 2015), 2 (brief van de psycholoog d.d. 2 september 2015) en 3 (brief van de bedrijfsarts d.d. 18 augustus 2015) en de nadere toelichting door mr. A. Bouhuizen namens [slachtoffer 2] ter terechtzitting voldoende naar voren komt dat er bij [slachtoffer 2] sprake is van PTSS en een depressie, zijnde in de psychiatrie erkende ziektebeelden. Nu de vordering voor het overige voldoende is onderbouwd door de benadeelde partij en door of namens de verdachte niet is betwist en uit het onderzoek ter terechtzitting is komen vast te staan dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden als gevolg van het primair bewezenverklaarde feit zal de rechtbank de vordering hoofdelijk toewijzen tot een bedrag van € 27.153,52.

De rechtbank zal voorts de gevorderde wettelijke rente toewijzen, op de navolgende wijze (overeenkomstig de LOVS-oriëntatiepunten ter zake van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht):

  • -

    ten aanzien van de immateriële schade (€ 23.000,00) met ingang van 4 augustus 2014, zijnde de dag waarop de schade is ontstaan;

  • -

    ten aanzien van de materiële schade, verlies van arbeidsvermogen en kosten medische informatie (€ 4.153,52) met ingang van de dag dat deze kosten zijn gevorderd, waarbij wordt uitgegaan van de datumstempel op de vordering, te weten 29 september 2015.

Nu de vordering wordt toegewezen, zal de verdachte tevens hoofdelijk worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met haar vordering heeft gemaakt, welke kosten de rechtbank tot op heden begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Vordering [slachtoffer 3]

De vordering van [slachtoffer 3] is door de verdediging inhoudelijk op twee punten betwist. Ten aanzien van de betwiste post reiskosten zal de rechtbank, evenals bij de vordering van [slachtoffer 2] , aansluiting zoeken bij ‘De Letselschade Richtlijn Kilometervergoeding’ ten bedrage van € 0,29 per kilometer. Voor wat betreft de uitvaartkosten is de rechtbank van oordeel dat mr. E.W. Bosch namens [slachtoffer 3] ter terechtzitting voldoende onderbouwd naar voren heeft gebracht dat deze kosten in redelijke verhouding staan tot de voormalige levensstandaard van [slachtoffer 3] . Nu de vordering voor het overige voldoende is onderbouwd door de benadeelde partij en door of namens de verdachte niet is betwist en uit het onderzoek ter terechtzitting is komen vast te staan dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden als gevolg van het primair bewezenverklaarde feit zal de rechtbank de vordering hoofdelijk toewijzen tot een bedrag van € 15.479,72.

De rechtbank zal voorts de gevorderde wettelijke rente toewijzen met ingang van de dag dat deze kosten zijn gevorderd, waarbij bij gebrek aan een datumstempel wordt aangesloten bij de datum van de brief waarmee de verdachte van de vordering in kennis is gesteld, te weten 5 oktober 2015.

Nu de vordering wordt toegewezen, zal de verdachte tevens hoofdelijk worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met haar vordering heeft gemaakt, welke kosten de rechtbank tot op heden begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Schadevergoedingsmaatregel

Nu de verdachte voor het primair bewezenverklaarde strafbare feit zal worden veroordeeld en hij jegens [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door dit feit is toegebracht, zal de rechtbank aan de verdachte de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat

  • -

    van een bedrag van € 27.153,52, te vermeerderen met de wettelijke rente op hierna te vermelden wijze, ten behoeve van [slachtoffer 2] ;

  • -

    van een bedrag van € 15.479.72, te vermeerderen met de wettelijke rente op hierna te vermelden wijze, ten behoeve van [slachtoffer 3] .

8 De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen straf en maatregel zijn gegrond op de artikelen:

- 24c, 36f en 312 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

9 De beslissing

De rechtbank:

verklaart wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het primair tenlastegelegde feit heeft begaan en dat het bewezenverklaarde uitmaakt:

diefstal, voorafgegaan en vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden, gemakkelijk te maken en om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf of andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen en de dood ten gevolge heeft;

verklaart het bewezenverklaarde en de verdachte deswege strafbaar;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

veroordeelt de verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van 7 (zeven) JAREN;

bepaalt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;

wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partijen [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] toe en veroordeelt de verdachte hoofdelijk om tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan:

- [slachtoffer 2] : een bedrag van € 27.153,52, vermeerderd met de wettelijke rente over een bedrag van € 23.000,00 vanaf 4 augustus 2014 en over een bedrag van

€ 4.153,52 vanaf 29 september 2015, beide tot aan de dag van de algehele voldoening;

- [slachtoffer 3] : een bedrag van € 15.479,72, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 5 oktober 2015 tot aan de dag van de algehele voldoening;

veroordeelt de verdachte tevens hoofdelijk in de proceskosten door de benadeelde partijen gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

legt aan de verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat van een bedrag van:

  • -

    € 27.153,52, vermeerderd met de wettelijke rente over een bedrag van € 23.000,00 vanaf 4 augustus 2014 en over een bedrag van € 4.153,52 vanaf 29 september 2015, beide tot aan de dag van de algehele voldoening, ten behoeve van [slachtoffer 2] ;

  • -

    € 15.479,72, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 5 oktober 2015 tot aan de dag van de algehele voldoening, ten behoeve van [slachtoffer 3] ;

bepaalt dat in geval volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt - onder handhaving van voormelde verplichting - vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 170 respectievelijk 112 dagen;

bepaalt dat gehele of gedeeltelijke voldoening van de betalingsverplichtingen door de verdachte en/of een van zijn mededaders aan de benadeelde partijen de betalingsverplichtingen aan de Staat in zoverre doet vervallen, alsmede dat gehele of gedeeltelijke voldoening van de betalingsverplichtingen aan de Staat de betalingsverplichtingen door de verdachte en/of zijn mededaders aan de benadeelde partijen in zoverre doet vervallen.

Dit vonnis is gewezen door

mr. E. Rabbie, voorzitter,

mr. S.M. de Bruijn, rechter,

mr. M.L. Ruiter, rechter,

in tegenwoordigheid van mr. M.A. Schaap, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 22 oktober 2015.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door (een) daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en). Waar wordt verwezen naar dossierpagina’s, betreft dit de pagina’s van het proces-verbaal met het nummer 2014176674, van de politie Eenheid Den Haag, onderzoek Lima 14, met bijlagen.

2 Proces-verbaal van bevindingen d.d. 4 augustus 2014, ambtshandelingen dossier, p. 22.

3 Proces-verbaal van bevindingen d.d. 6 augustus 2014, ambtshandelingen dossier, p. 18.

4 Proces-verbaal van bevindingen d.d. 12 augustus 2014, ambtshandelingen dossier, p. 30.

5 Proces-verbaal van verhoor getuige [slachtoffer 2] d.d. 5 augustus 2014, getuigen dossier, p. 38 en 41-42.

6 Proces-verbaal van bevindingen d.d. 4 augustus 2014, ambtshandelingen dossier, p. 32.

7 Proces-verbaal van verhoor getuige [slachtoffer 2] d.d. 12 januari 2015, aanvullend dossier, p. 11-12.

8 Proces-verbaal van verhoor getuige [slachtoffer 3] d.d. 8 augustus 2014, getuigen dossier, p. 107.

9 Proces-verbaal van verhoor getuige [slachtoffer 1] d.d. 20 januari 2015, aanvullend dossier, p. 14.

10 Proces-verbaal uitwerking verhoor [verdachte] van 18 november 2014, d.d. 26 november 2014, verdachten dossier, p. 183 en 198.

11 Ibidem, p. 198 en 206.

12 Ibidem, p. 182 en 206-207.

13 Ibidem, p. 184.

14 Ibidem, p. 192.

15 Een geschrift, te weten een rapport Pathologie onderzoek naar aanleiding van een mogelijk niet natuurlijke dood van het Nederlands Forensisch Instituut d.d. 10 oktober 2014, opgemaakt en ondertekend door A. Maes, arts en patholoog, NFI-deskundige forensische pathologie, dossier forensisch onderzoek, bijlage 7.

16 Een geschrift, te weten het verslag van de forensisch arts D. Botter d.d. 22 december 2014, dossier forensisch onderzoek, bijlage 11.

17 Verklaring van deskundige D. Botter ter terechtzitting van 7 oktober 2015.

18 Verklaring van deskundige D. Botter ter terechtzitting van 7 oktober 2015.

19 Proces-verbaal van verhoor getuige [slachtoffer 2] d.d. 5 augustus 2014, getuigen dossier, p. 42-43.