Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2015:12098

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
09-10-2015
Datum publicatie
27-10-2015
Zaaknummer
4355424 RL EXPL 15-23941
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Loonvordering naar aanleiding van een brief die werknemer van de SVB kreeg waarbij hem werd medegedeeld dat hij AOW-pensioen krijgt met ingang van een latere datum dan waar werkgever en werknemer vanuit zijn gegaan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2015/2026
PJ 2015/182
AR-Updates.nl 2015-1057
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Den Haag

Team kanton Den Haag

FH

Rolnr.: 4355424 RL EXPL 15-23941

9 oktober 2015

Vonnis ex art. 254 Rv in de zaak van:

[eiser] ,

wonende te [woonplaats] ,
eisende partij,
gemachtigde: mr. I. Ouwehand (FNV),


tegen

[gedaagde] ,

gevestigd en wonende te [woonplaats] ,

gedaagde partij,
gemachtigde: mr. N. Çiçek.

Partijen worden hierna aangeduid als “ [eiser] ” en “ [gedaagde] ”.

Procedure

1.1

De kantonrechter heeft kennis genomen van de volgende stukken:

- de dagvaarding van 25 augustus 2015, met producties;

- de brief zijdens [gedaagde] van 23 september 2015 met producties.

1.2

Op 25 september 2015 heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden, waarvan de griffier aantekeningen heeft gemaakt. Bij die gelegenheid zijn beide partijen vergezeld van hun gemachtigden verschenen. De gemachtigde van [gedaagde] heeft zich ter zitting van een pleitnota bediend.

Feiten

2.1

[eiser] is op [datum in dienst] 2009 voor onbepaalde tijd in dienst getreden bij [gedaagde] als [functie] voor 40 uur per week. Het laatstverdiende loon bedroeg
€ [xx] bruto.

2.2

In artikel 2 van de arbeidsovereenkomst is bepaald:

“De arbeidsovereenkomst wordt aangegaan voor onbepaalde tijd met dien verstande dat de dienstbetrekking in ieder geval eindigt zonder dat opzegging is vereist bij het bereiken door werknemer van de AOW-gerechtigde leeftijd. […]”

2.3

In het paspoort van [eiser] staat vermeld dat zijn geboortedatum [geboortedag] 1950 is. In de arbeidsovereenkomst staat [geboortedag] 1950 als geboortedatum van [eiser] vermeld.

2.4

[eiser] heeft per 1 april 2015 geen loon meer ontvangen en geen werkzaamheden meer verricht voor [gedaagde] .

2.5

Bij brief van 18 mei 2015 heeft de Sociale Verzekeringsbank (hierna: SVB) [eiser] bericht dat hij vanaf oktober 2015 een AOW-pensioen krijgt.

Vordering, grondslag en verweer

3.1

[eiser] vordert bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad en na vermindering van eis, veroordeling van [gedaagde] om aan [eiser] te betalen:

a. een bedrag van € 7.628,64 bruto ter zake achterstallig loon over de periode van 1 april 2015 tot en met 31 juli 2015;

b. een bedrag van € 1.830,87 bruto ter zake achterstallig loon over de periode van juni 2014 tot mei 2015;

c. een bedrag van € 1.907,16 bruto per maand na 1 augustus 2015 tot het moment van de rechtsgeldige beëindiging van de arbeidsovereenkomst, te weten 30 september 2015;

d. de wettelijke verhoging ex artikel 7:625 BW ad 50 % over de onder a tot en met c genoemde bedragen;

e. een bedrag van € 851,79 (exclusief btw) ter zake buitengerechtelijke incassokosten;

f. de wettelijke rente over alle voornoemde bedragen vanaf de dag dat die bedragen verschuldigd zijn tot het moment van algehele voldoening;

g. de kosten van deze procedure.

3.2

[eiser] legt aan zijn vordering het navolgende ten grondslag. In de arbeidsovereenkomst is bepaald dat de arbeidsovereenkomst eindigt bij het bereiken van de AOW-gerechtigde leeftijd. De SVB gaat uit van een geboortedatum van 1 juli 1950 en heeft beslist dat [eiser] per oktober 2015 AOW-pensioen krijgt. [eiser] heeft aldus per 1 oktober 2015 de AOW-gerechtigde leeftijd bereikt. Ten onrechte gaat [gedaagde] ervan uit dat de arbeidsovereenkomst per 1 april 2015 is beëindigd. Uit het voorgaande volgt dat [eiser] , die vanaf april 2015 geen loon meer heeft ontvangen, recht heeft op doorbetaling van het loon over de maanden april tot en met juli 2015 van € 1.907,16 x 4 = € 7.628,64 bruto. Daarnaast maakt [eiser] aanspraak op doorbetaling van het loon na 1 augustus 2015 tot en met 30 september 2015 ad
€ 1.907,16 bruto per maand nu de arbeidsovereenkomst eerst per 1 oktober 2015 in verband met de AOW-gerechtigde leeftijd eindigt. Voorts maakt [eiser] aanspraak op de vakantietoeslag over de periode 2014-2015 ter hoogte van een bedrag van
(€ 1.907,16 x 12 x 8% =) € 1.830,87 bruto.

Verweer

4. [gedaagde] heeft verweer gevoerd waarop hierna, voor zover van belang, zal worden ingegaan.

Beoordeling

5.1

Het spoedeisende belang van [eiser] is aannemelijk geworden nu hij onder meer achterstallig salaris vordert.

5.2

Voorop moet worden gesteld dat voor toewijzing van de vorderingen eerst plaats is, indien er sprake is van een grote mate van waarschijnlijkheid dat die toewijzing in overeenstemming zal zijn met een oordeel in een bodemprocedure. De kantonrechter dient daarom te beoordelen of de vorderingen van [eiser] in een bodemprocedure een zodanige kans van slagen hebben dat vooruitlopend daarop de toewijzing reeds nu gerechtvaardigd is.

5.3

Tussen partijen staat niet ter discussie dat de SVB de AOW-gerechtigde leeftijd van [eiser] heeft vastgesteld op 1 oktober 2015. Dat [eiser] zelf uitging van een geboortedatum van 1 januari 2015, en [gedaagde] daardoor ook, doet aan het voorgaande niet af. [eiser] heeft ter zitting immers onweersproken gesteld dat de SVB als beleid heeft dat als de geboortedatum niet bekend is (op zijn paspoort staat [geboortedag] 1950), de SVB als uitgangspunt 1 juli neemt en dat dat beleid is goedgekeurd door de Centrale Raad van Beroep. Artikel 2 van de arbeidsovereenkomst kan derhalve op geen andere wijze worden uitgelegd dan dat de arbeidsovereenkomst op 1 oktober 2015 is geëindigd, nu het -uitsluitend- de SVB is die beslist op welke datum voor een AOW-gerechtigde het AOW-pensioen aanvangt. In dat kader had het op de weg van [gedaagde] gelegen om als werkgever na te gaan wanneer de AOW-gerechtigde leeftijd door een van zijn werknemers wordt bereikt. Dat daar in dit geval een misverstand over is ontstaan, komt ligt derhalve binnen de risicosfeer van [gedaagde] . Hieruit volgt dat [gedaagde] in beginsel gehouden is tot doorbetaling van het loon tot 1 oktober 2015.

5.4

Hoewel [eiser] sinds 1 april 2015 geen loon meer heeft ontvangen, heeft [eiser] vanaf die datum ook geen werkzaamheden meer verricht. Dit heeft tot gevolg dat [eiser] geen aanspraak heeft op loon over de periode tussen 1 april 2015 en 23 mei 2015, gelet op de hoofdregel van artikel 628 lid 1 BW, dat slechts loon verschuldigd is, indien de werknemer de bedongen arbeid heeft verricht. Omdat beide partijen, totdat de SVB anders besliste, van een einddatum van de arbeidsovereenkomst per 1 april 2015 uitgingen, behoort de periode totdat [eiser] aanspraak maakte op zijn loon niet voor rekening van [gedaagde] te komen. Pas na ontvangst van de brief van de SVB heeft [eiser] actie ondernomen richting [gedaagde] en aanspraak gemaakt op doorbetaling van het loon. In de brief van 21 mei 2015 geeft [eiser] bij monde van zijn gemachtigde daarnaast aan dat hij bereid is de bedongen werkzaamheden te verrichten zodra [gedaagde] hem hiertoe oproept. [gedaagde] heeft ter zitting betwist dat [eiser] beschikbaar was voor werkzaamheden, maar nu hij dat pas in de laatste termijn heeft aangevoerd, is dat verweer tardief en wordt dat verweer verworpen. Aldus moet het ervoor gehouden worden dat [eiser] nadat [gedaagde] de brief van 21 mei 2015 heeft ontvangen het loon dient te betalen aan [eiser] . De kantonrechter gaat er daarbij vanuit dat de brief op 22 mei 2015 bij [gedaagde] ter post is bezorgd zodat [gedaagde] [eiser] op zijn vroegst op 23 mei 2015 had kunnen oproepen, zodat [gedaagde] zal worden veroordeeld tot doorbetaling van het loon vanaf 23 mei 2015 tot 30 september 2015, het moment waarop de arbeidsovereenkomst rechtsgeldig is beëindigd.

5.5

[eiser] heeft voorts vakantietoeslag gevorderd over de periode van juni 2014 tot mei 2015. [gedaagde] heeft dat bedrag in zoverre betwist dat hij stelt dat reeds een bedrag van
€ 500,00 is betaald, doch daarvan heeft [gedaagde] alleen via zijn telefoon bewijs getoond. Voornoemd bedrag zal derhalve alleen in mindering kunnen strekken op het toe te wijzen bedrag indien en voor zover [eiser] dat bedrag daadwerkelijk heeft ontvangen. Daarnaast is de kantonrechter met [gedaagde] van oordeel dat het vakantiegeld niet tot 1 mei 2015 maar 1 april 2015 verschuldigd is, nu uit het voorgaande volgt dat [gedaagde] over de periode van 1 april 2015 tot 23 mei 2015 geen loon aan [eiser] verschuldigd is en derhalve ook geen vakantietoeslag over die periode. De vakantietoeslag zal aldus worden toegewezen over de periode van juni 2014 tot 1 april 2015.

5.6

Beide partijen zijn in eerste instantie uitgegaan van een pensioengerechtigde leeftijd per 1 april 2015. Naar het oordeel van de kantonrechter is het derhalve niet redelijk om in dat geval de wettelijke verhoging toe te wijzen, zodat dit gedeelte van de vordering zal worden afgewezen. De wettelijke rente zal slechts worden toegewezen vanaf de vijftiende dag na betekening van dit vonnis.

5.7

Naar het oordeel van de kantonrechter is voorts van voldoende werkzaamheden gebleken die de vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten rechtvaardigen, zodat deze zullen worden toegewezen. Nu de kantonrechter over onvoldoende gegevens beschikt om het achterstallig loon en de vakantietoeslag te berekenen, zullen de buitengerechtelijke kosten worden gematigd tot een geschat bedrag van
€ 750,00 exclusief btw.

5.8

[gedaagde] zal als de overwegend in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten.

Beslissing

De kantonrechter bij wege van voorlopige voorziening:

1. veroordeelt [gedaagde] om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [eiser] te betalen het achterstallig loon ad € 1.907,16 bruto per maand over de periode van 23 mei 2015 tot en met 30 september 2015;

2. veroordeelt [gedaagde] om tegen behoorlijk bewijs kwijting aan [eiser] te betalen de vakantietoeslag over de periode van juni 2014 tot 1 april 2015;

3. veroordeelt [gedaagde] om tegen behoorlijk bewijs kwijting aan [eiser] te betalen de buitengerechtelijke kosten ad € 750,00 (exclusief btw);

4. veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de wettelijke rente over de onder 1 tot en met 3 toegewezen bedragen vanaf de vijftiende dag na betekening van dit vonnis tot aan de dag van algehele voldoening;

5. veroordeelt [gedaagde] in de kosten van de procedure, tot op deze uitspraak aan de zijde van [eiser] vastgesteld op een bedrag van € 717,06 waarin begrepen een bedrag van
€ 400,00 wegens salaris gemachtigde;

6. verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

7. wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door kantonrechter mr. C.W.D. Bom en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 9 oktober 2015, in tegenwoordigheid van de griffier.