Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2015:12048

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
20-10-2015
Datum publicatie
08-12-2015
Zaaknummer
SGR 15/4425
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

In het toekenningsbesluit van de bijstandsuitkering is eiser gewezen op de arbeidsverplichtingen. De rechtbank is van oordeel dat eisers bezwaar hiertegen terecht niet-ontvankelijk is verklaard omdat deze mededeling niet op rechtsgevolg is gericht. Het beroep is ongegrond.

Wetsverwijzingen
Wet werk en bijstand 9
Algemene wet bestuursrecht 1:3
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: SGR 15/4425

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 20 oktober 2015 in de zaak tussen

[eiser] , te [plaats] , eiser

(gemachtigde: mr. S. Salhi),

en

het college van burgemeester en wethouders van Den Haag, verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 10 februari 2015 (het primaire besluit) heeft verweerder met ingang van 18 juli 2014 een bijstandsuitkering aan eiser toegekend. Verweerder heeft in dit besluit tevens medegedeeld dat de arbeidsverplichtingen op eiser van toepassing zijn.

Bij besluit van 11 mei 2015 (het bestreden besluit) heeft verweerder eisers bezwaar niet‑ontvankelijk verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 oktober 2015. Eiser en zijn gemachtigde zijn, met voorafgaand bericht, niet verschenen. Verweerder is, met voorafgaand bericht, evenmin verschenen.

Overwegingen

1. Eiser heeft op 1 december 2014 een bijstandsuitkering aangevraagd. Bij het primaire besluit heeft verweerder aan eiser met terugwerkende kracht tot 18 juli 2014 een bijstandsuitkering naar de norm voor gehuwden toegekend. Verweerder heeft in dit besluit tevens medegedeeld dat eiser aan de arbeidsverplichtingen moet voldoen om recht op bijstand te hebben.

2. Eiser heeft hiertegen bezwaar gemaakt, omdat hij als gevolg van medische beperkingen niet in staat zou zijn om te werken. Aan hem zijn daarom ten onrechte arbeidsverplichtingen opgelegd zonder dat een medische keuring is verricht of beperkingen zijn vastgesteld.

3. Bij het bestreden besluit heeft verweerder eisers bezwaar niet-ontvankelijk verklaard. Verweerder heeft daaraan ten grondslag gelegd dat de arbeidsverplichtingen, zoals bedoeld in artikel 9, eerste lid, van de Participatiewet, van toepassing zijn vanaf de datum dat een betrokkene zich heeft gemeld voor een bijstandsuitkering.

Deze verplichtingen vloeien voort uit de wet en hoeven niet eerst in het toekenningsbesluit te worden opgenomen. Het is daarom niet mogelijk om bezwaar te maken tegen het opleggen van de arbeidsverplichtingen. Voorts heeft eiser tijdens de Brede Intake op 27 maart 2015 aangegeven dat hij klachten heeft, maar dat deze klachten geen belemmering voor werk vormen, aldus verweerder.

4. In zijn beroepschrift heeft eiser zijn bezwaargronden herhaald. Hij heeft daaraan toegevoegd dat hij in aanmerking komt voor ontheffing van alle arbeidsverplichtingen.

5. Ingevolge artikel 9, eerste lid, van de Participatiewet is de belanghebbende van 18 jaar of ouder doch jonger dan de pensioengerechtigde leeftijd, vanaf de dag van melding als bedoeld in artikel 44, tweede lid, verplicht:
a. naar vermogen algemeen geaccepteerde arbeid, waarbij geen gebruik wordt gemaakt van een voorziening als bedoeld in artikel 7, eerste lid, onderdeel a, te verkrijgen en deze te aanvaarden, waaronder begrepen registratie als werkzoekende bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, indien hem daartoe het recht toekomt op grond van artikel 30b, eerste lid, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen;
b. gebruik te maken van een door het college aangeboden voorziening, waaronder begrepen sociale activering, gericht op arbeidsinschakeling, alsmede mee te werken aan een onderzoek naar zijn mogelijkheden tot arbeidsinschakeling en, indien van toepassing, mee te werken aan het opstellen, uitvoeren en evalueren van een plan van aanpak als bedoeld in artikel 44a;
c. naar vermogen door het college opgedragen onbeloonde maatschappelijk nuttige werkzaamheden te verrichten die worden verricht naast of in aanvulling op reguliere arbeid en die niet leiden tot verdringing op de arbeidsmarkt.

6. Volgens vaste jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) zijn de verplichtingen als bedoeld in artikel 9, eerste lid, van de Participatiewet van rechtswege aan de bijstand verbonden. De mededeling dat de arbeidsverplichtingen van toepassing zijn, is daarom niet gericht op enig rechtsgevolg. De rechtbank verwijst hiervoor naar de uitspraak van de CRvB van 24 juni 2008, ECLI:NL:CRVB:2008:BD5413.

7. Uit het voorgaande volgt dat de mededeling in het primaire besluit, waarbij eiser is gewezen op de op hem rustende arbeidsverplichtingen, niet op rechtsgevolg is gericht. Dit onderdeel van het primaire besluit is daarom niet aan te merken als een besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht. Tegen dit onderdeel kunnen daarom geen rechtsmiddelen worden aangewend. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder eisers bezwaar dan ook terecht niet-ontvankelijk verklaard. Het beroep tegen het bestreden besluit zal daarom ongegrond worden verklaard.

8. Het voorgaande laat onverlet dat het eiser vrijstaat om bij verweerder een verzoek om (gedeeltelijke) ontheffing van de uit artikel 9, eerste lid, van de Participatiewet, voortvloeiende arbeidsverplichtingen in te dienen. Verweerder dient daarop een besluit te nemen, waartegen rechtsmiddelen kunnen worden aangewend.

9. Omdat het beroep ongegrond wordt verklaard, bestaat er geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. F.X. Cozijn, rechter, in aanwezigheid van mr. J.V. Veldwijk, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 20 oktober 2015.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.