Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2015:11941

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
16-10-2015
Datum publicatie
16-10-2015
Zaaknummer
AWB 15/2751
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Vo 604/2013, Hongarije, interstatelijk vertrouwensbeginsel, Hungarian Helsinki Committee, HHC, Act LXXX of 2007 on Asylum, Hongaarse asielwet, ceased, bij verstek, in absentia, OIN, terugkerende Dublinclaimanten, Servië, veilig derde land, reisroute, I.M. tegen Frankrijk, artikel 13 EVRM, Griekenland, arrest M.M.S. tegen België en Griekenland.

De rechtbank concludeert dat overdracht aan Hongarije een reëel risico op schending van artikel 3 EVRM oplevert omdat sprake is van zodanige aan het systeem gerelateerde tekortkomingen in de (nieuwe) asielprocedure dat aan de ondergrens zoals omschreven in het arrest M.M.S. tegen België en Griekenland niet langer wordt voldaan. Verweerder had daarom, conform zijn eigen beleid, behoren af te zien van overdracht van eiser aan Hongarije en de behandeling van zijn asielaanvraag aan zich te trekken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2015/342
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 15/2751

uitspraak van de meervoudige kamer van 16 oktober 2015 in de zaak tussen

[eiser] , geboren op [geboortedag] 1990, van Afghaanse nationaliteit, eiser

(gemachtigde: mr. P.A. Blaas),

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder

(gemachtigde: mr. drs. M.F. van der Lubbe).

Procesverloop

Bij besluit van 11 februari 2015 (het bestreden besluit), genomen in de algemene asielprocedure, heeft verweerder de aanvraag van eiser om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) afgewezen op grond van artikel 30, eerste lid, aanhef en onder a, Vw 2000. Tevens is bepaald dat het besluit wordt aangemerkt als overdrachtsbesluit en dat eiser Nederland binnen vier weken Nederland dient te verlaten.

Eiser heeft op 12 februari 2015 tegen dit besluit beroep ingesteld en tevens de voorzieningenrechter van deze rechtbank verzocht om hangende het beroep een voorlopige voorziening te treffen.

Bij uitspraak van de voorzieningenrechter van deze rechtbank en zittingsplaats van 20 maart 2015 (AWB 15/2753) is het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening toegewezen, in die zin dat het verweerder wordt verboden om eiser uit Nederland te verwijderen tot op het beroep is beslist.

Het beroep is behandeld op de zitting van 11 mei 2015, waar eiser en zijn gemachtigde zijn verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Bij tussenuitspraak van 22 juni 2015 (ECLI:NL:RBDHA:7071) heeft de rechtbank verweerder gelegenheid geboden om het door de rechtbank geconstateerde gebrek in het bestreden besluit van 11 februari 2015 te herstellen.

Ter uitvoering van deze tussenuitspraak heeft verweerder bij faxbericht van 27 juli 2015 een aanvullende motivering gegeven. Eiser heeft bij faxbericht van 12 augustus 2015 gereageerd en een zienswijze gegeven over de wijze waarop verweerder heeft geprobeerd het gebrek te herstellen.

Vervolgens heeft de rechtbank besloten het onderzoek met toepassing van artikel 8:68 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) te heropenen, omdat het onderzoek naar het oordeel van de rechtbank niet volledig is geweest. Daarbij is bij brief van 18 augustus 2015 door de rechtbank aan partijen medegedeeld dat, gelet op de aanvullende motivering van verweerder en de zienswijze van eiser hierop, een tweede onderzoek ter zitting noodzakelijk wordt geacht.

Partijen hebben aanvullende stukken overgelegd ter onderbouwing van hun standpunt.

De zaak is behandeld op de zitting van de meervoudige kamer van 29 september 2015, waar eiser en zijn gemachtigde zijn verschenen. Verweerder is verschenen bij gemachtigde.

Overwegingen

1. Deze uitspraak bouwt voort op de tussenuitspraak van 22 juli 2015. De rechtbank blijft bij alles wat zij in deze tussenuitspraak heeft overwogen en beslist, tenzij hierna uitdrukkelijk anders wordt overwogen.

2. In voormelde tussenuitspraak heeft de rechtbank, kort gezegd, overwogen dat verweerder zich – op grond van het arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) in de zaak M.S.S. tegen België en Griekenland van 21 januari 2011 (ECLI:NL:XX:2011:BP4356) – er bij overdracht van dient te vergewissen en garanties moet vragen dat de Hongaarse autoriteiten de eigen wetgeving inzake de (opvolgende) asielprocedure in de praktijk toepast op een wijze die geen strijd oplevert met het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM), nu in het geval van eiser niet was uit te sluiten dat hij in Hongarije na uitsluitend een eerste gehoor een (verstek)beslissing op zijn asielaanvraag heeft gehad waar geen rechtsmiddel meer tegen open stond. Bij een opvolgende aanvraag zouden nieuwe feiten of omstandigheden moeten worden gesteld. Volgens de rechtbank was niet duidelijk of en wanneer getoetst wordt aan artikel 3 EVRM als er, zoals de wet leek te verplichten, een besluit tot beëindiging van de procedure was geweest. In deze omstandigheden heeft de rechtbank aanleiding gezien verweerder op te dragen expliciet bij de Hongaarse immigratie-autoriteiten navraag te doen naar de fase waarin de asielaanvraag van eiser zich bevond en wat het vervolg van de procedure zal zijn als eiser zijn asielverzoek wil handhaven. Het bestreden besluit was op deze punten bij gebrek aan een deugdelijke motivering in strijd met artikel 3:2 en 3:46 Awb.

3. De rechtbank is van oordeel dat verweerder het in de tussenuitspraak vastgestelde gebrek in voldoende mate heeft hersteld met het faxbericht van 27 juli 2015 en de daarbij gevoegde bijlagen (de aan de Hongaarse autoriteiten gezonden vragen in het Nederlands en Hongaars en de daarop door Hongarije gegeven antwoorden in het Engels). Immers, uit de beantwoording van de vragen van verweerder door de autoriteiten van Hongarije bij email van 24 juli 2015 is op te maken dat de asielprocedure van eiser in Hongarije is afgesloten op 25 augustus 2014 (his asylum procedure was ceased by the asylum authority on 25.08.2014.), dat dit besluit rechtsgevolg kreeg op 8 september 2014 (the decision took legal effect on 08.09.2014.) en dat er geen inhoudelijke afdoening heeft plaatsgevonden (no in merit decision was made in his case. (…), no judicial procedure was carried out.). Verder blijkt uit de antwoorden van de Hongaarse autoriteiten dat eiser na zijn terugkeer naar Hongarije, zowel volgens de asielwetgeving ten tijde van de beantwoording van de vragen als de asielwetgeving die sinds 1 augustus 2015 van kracht is, een nieuwe asielprocedure moet worden gestart. De rechtbank begrijpt uit de antwoorden van Hongarije dat de asielautoriteit (OIN, de Hongaarse immigratiedienst) de nieuwe asielaanvraag inhoudelijk zal beoordelen zonder dat van eiser wordt vereist dat hij daaraan nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden ten grondslag dient te leggen, mits hij zich beschikbaar houdt tijdens de procedure en hij medewerking verleent. Daarbij geeft de Hongaarse Dublin Unit aan dat de Hongaarse asielwet volledig in overeenstemming is met het EVRM, in het bijzonder het bepaalde in artikel 3 EVRM. Uit zowel de oude als de nieuwe Hongaarse asielwet kan weliswaar worden opgemaakt dat in het geval een aanvrager met onbekende bestemming is vertrokken, zoals eiser, de procedure zal worden afgesloten, maar niet dat zijn asielverzoek door de Hongaarse autoriteiten als stilzwijgend ingetrokken zal worden gekwalificeerd. Verder is van belang dat niet is gebleken of aannemelijk is gemaakt dat in het geval van eiser in Hongarije in zijn afwezigheid bij verstek (in absentia) door de OIN een negatief besluit is genomen.

4. Het geding zoals dat na de tussenuitspraak wordt gevoerd, blijft in beginsel beperkt tot de beroepsgronden zoals die zijn besproken in de tussenuitspraak, omdat het inbrengen van nieuwe geschilpunten over het algemeen in strijd met de goede procesorde wordt geacht. De rechtbank heeft in de tussenuitspraak daarbij ook verwezen naar de uitspraak van de Afdeling van 12 juni 2013 (ECLI:NL:RVS:2013:CA2877). In dit geval heeft de rechtbank partijen bij brief van 18 augustus 2015 gewezen op een uitspraak van de voorzieningenrechter van deze rechtbank en zittingsplaats van 7 juli 2015 (ECLI:NL:RBDHA:2015:7727), waarbij het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening is toegewezen. Tevens is in de periode gelegen tussen de tussenuitspraak en het huidige onderzoek ter zitting nieuwe asielwetgeving van kracht geworden in Hongarije en zijn partijen daarvan op de hoogte gesteld en in de gelegenheid gesteld zowel vooraf als tijdens de zitting hierover een standpunt te nemen. Bij deze gang van zaken acht de rechtbank het niet in strijd met de goede procesorde om de aanvullende geschilpunten betreffende het interstatelijk vertrouwensbeginsel ten aanzien van Hongarije bij de beoordeling te betrekken.

5. Verweerder heeft bij faxbericht van 19 augustus 2015 laten weten dat er daadwerkelijk Dublinoverdrachten naar Hongarije plaatsvinden. Eiser heeft hierop gereageerd bij faxbericht van 26 augustus 2015 en daarbij allereerst gesteld dat zijn asielaanvraag na overdracht aan Hongarije aldaar zal worden behandeld aan de hand van de nieuwe asielwetgeving die van kracht is sinds 1 augustus 2015. Voorts heeft eiser bij zijn reactie een rapport van het Hungarian Helsinki Committee (hierna: HHC) van 7 augustus 2015 bijgevoegd, waaruit volgt dat verweerder in dit kader niet langer kan vasthouden aan het interstatelijk vertrouwensbeginsel omdat – kort gezegd – onder de nieuwe wetgeving sprake zal zijn van automatische afwijzing van 99% van de asielaanvragen vanwege de (onrechtmatige) aanname om Servië als veilig derde land te kwalificeren, onzorgvuldige asielprocedures, in het geval van afwijzing geen toegang tot de rechter, reële kans op (onrechtmatige) vreemdelingendetentie en gebrekkige of geen opvang. De omstandigheid dat de Hongaarse autoriteiten eerder een in Nederland afgewezen asielzoeker hebben teruggenomen kan daar volgens eiser niet aan af doen.

6. De rechtbank volgt, net als verweerder, eiser in zijn standpunt dat na de Dublinoverdracht van eiser aan Hongarije zijn asielaanvraag conform de nieuwe asielwetgeving zal worden behandeld. Het standpunt van eiser dat ziet op de bepalingen uit de “oude” wetgeving behoeft daarom geen bespreking meer.

7. Ten aanzien van de nieuwe Hongaarse wetgeving stelt eiser dat zijn aanvraag conform dat nieuwe recht in Hongarije niet-ontvankelijk zal worden verklaard, omdat hem zal worden tegengeworpen dat hij voor zijn asielaanvraag in een veilig derde land heeft verbleven. Daarmee dreigt (indirect) refoulement, aldus eiser, omdat Hongarije – onder meer – Servië ten onrechte als veilig derde land heeft aangemerkt.

8. De rechtbank overweegt dat de Hongaarse autoriteiten op 24 juli 2015 aan verweerder hebben toegezegd dat een nieuwe aanvraag van eiser inhoudelijk zal worden beoordeeld als hij voldoet aan zijn verplichtingen, Deze toezegging had echter betrekking op de vraag of eiser ten tijde van beantwoording van de vragen door OIN nieuwe feiten of omstandigheden ten grondslag diende te leggen indien hij opnieuw aan asielaanvraag wilde indienen. Uit de beantwoording van de vragen valt niet af te leiden dat aan eiser de derde-landen-exceptie, zoals opgenomen in de vanaf 1 augustus 2015 geldende wetgeving, niet zal worden tegengeworpen. Hoewel de Hongaarse Dublin Unit in meergenoemde email van 24 juli 2015 heeft medegedeeld dat de Hongaarse wetgeving in lijn is met het EVRM, en met name artikel 3 EVRM, ziet de rechtbank daarom aanleiding om de beroepsgronden van eiser die zien op de nieuwe wetgeving en meer in het bijzonder het aanmerken van Servië als veilig derde land in relatie tot artikel 3 EVRM bij haar beoordeling te betrekken.

9. Uit de verklaringen van eiser tijdens het eerste gehoor op 20 oktober 2014 blijkt dat hij vanuit Mazar in Afghanistan via Iran, Turkije en Griekenland naar Hongarije is gereisd. Een gedetailleerde verklaring over de exacte reisroute van Griekenland naar Hongarije ontbreekt. Uit Eurodac volgt dat eiser op 31 maart 2014 asiel heeft aangevraagd in Griekenland en dat hij op 14 juli 2014 asiel heeft aangevraagd in Hongarije.

10. Verweerder heeft in zijn verweerschrift terecht opgemerkt dat eiser niet heeft verklaard dat hij via Servië Hongarije is ingereisd. De rechtbank acht het echter aannemelijk dat, nu eiser heeft verklaard dat hij deels te voet en deels per auto vanuit Griekenland naar Hongarije is gereisd, eiser zal worden tegengeworpen dat de initiële inreis via Servië heeft plaatsgevonden en daarmee dat eiser voor zijn asielaanvraag in een veilig derde land heeft verbleven. Verweerder heeft niet (onderbouwd) gesteld dat de aanvankelijke reisroute niet bij de beoordeling van Dublinclaimanten wordt betrokken.

11. Ten aanzien van de nieuwe wetgeving overweegt de rechtbank als volgt. Verweerder heeft de uitspraak van 23 september 2015 van de voorzieningenrechter van deze rechtbank, zittingslocatie Middelburg, (ECLI:NL:RBZWB:2015:6242) in geding gebracht. In rechtsoverweging 16 wordt overwogen dat op grond van de aangepaste wetgeving niet valt uit te sluiten dat eisers aanvraag met toepassing van paragraaf 51 van de nieuwe wetgeving (Act LXXX of 2007 on Asylum, inwerkingtreding 1 augustus 2015) niet-ontvankelijk zal worden verklaard omdat hij in een veilig derde land heeft verbleven. Uit het Government Decree 191/2015 (VII.21) on national designation of safe countries of origin and safe third countries volgt dat Servië, als kandidaat-lid van de Europese Unie, door de Hongaarse autoriteiten als een veilig derde land wordt aangemerkt.

12. Uit de notitie van het HHC (Building a legal fence – Changes to Hungarian asylum law jeopardise access to protection in Hungary) van 7 augustus 2015 kan worden afgeleid dat Servië door het UNHCR, HHC en Amnesty International niet als een veilig derde land wordt beschouwd. Zelfs het Hongaarse Hooggerechtshof beschouwt Servië niet als zodanig en ook andere Europese lidstaten niet.

13. De rechtbank merkt op dat de asielzoeker ingevolge de nieuwe Hongaarse wetgeving de vooronderstelling dat hij bescherming kan vragen in Servië dient te weerleggen. Volgens het HHC is deze mogelijkheid theoretisch van aard en is de in wet opgenomen bewijsstandaard dat de vreemdeling moet bewijzen dat hij geen asielaanvraag kan indienen in Servië onrealistisch hoog. Daarbij wijst het HHC erop dat de aanvraag bij tegenwerping van deze grond versneld (paragraaf 51 onder 7 van de wet) kan worden afgedaan en dat de asielzoeker binnen drie dagen (paragraaf 51 onder 11 van de wet) dit bewijs dient te leveren. Tegelijkertijd kent de wet geen bepalingen over de vormvereisten, de taal waarin de procedure plaatsvindt en de beschikbaarheid van tolken. Tevens is er volgens het HHC niet voorzien in verplichte en/of kosteloze rechtsbijstand voor deze procedure. Het HHC concludeert dat er bij gebreke aan een functionerend systeem van professionele rechtsbijstand de overgrote meerderheid van asielzoekers geen toegang heeft tot professionele rechtsbijstand. Dat knelt eens te meer nu de beroepstermijn na een afwijzende beslissing met drie dagen uitzonderlijk kort is, aldus het HHC, waardoor het recht op een ‘effective remedy’ moeilijk kan worden uitgeoefend.

13. Voorts concludeert het HHC dat bij niet-ontvankelijkverklaring van de aanvraag geen sprake is van een individuele beoordeling van de asielaanvraag. Deze conclusie trekt het HHC omdat het OIN bij afdoening van de aanvraag als niet-ontvankelijk deze beslissing binnen slechts vijftien dagen dient te nemen (paragraaf 47 onder 2 van de wet). Nu de meeste asielzoekers Hongarije bereiken via Servië betekent deze afwijzingsgrond dat asielverzoeken in feite verworpen worden zonder dat een beoordeling van de gevraagde bescherming heeft plaatsgevonden en bestaat het risico van ketting-refoulement (punt 2 van de notitie van HHC). Volgens de door verweerder overgelegde uitspraak van zittingsplaats Middelburg worden procedures met ingang van 15 september 2015 versneld zodat het mogelijk wordt om binnen twaalf dagen een beslissing te nemen op een asielverzoek (ECRE, Elena Weekly Update, 11 september 2015).

15. Het HHC stipt verder aan dat getwijfeld kan worden aan de kwaliteit van de asielwetgeving omdat Hongarije het begrip veilig derde land ook toepasselijk acht op de Dublinlidstaten. Ook is deze bepaling volgens het HHC een verdere indicatie dat Hongarije conform meerdere publieke uitlatingen overweegt de Dublinverordening weer toepasselijk te achten op Griekenland.

15. Verweerder heeft het rapport van HHC betwist met de enkele stelling dat er thans geen reden is om aan te nemen dat de geamendeerde Hongaarse asielwetgeving in strijd is met het EVRM.

15. De rechtbank acht deze enkele stelling volstrekt onvoldoende om het rapport van het HHC te weerleggen. Uit het arrest van het EHRM in de zaak I.M. tegen Frankrijk van 2 februari 2012 (nr. 9152/09) kan niet worden afgeleid dat het EHRM van oordeel is dat de enkele omstandigheid dat een aanvraag van een vreemdeling in een versnelde procedure wordt afgehandeld, strijdig is met artikel 13 EVRM. Of een procedure voldoet aan de waarborgen die artikel 13 EVRM stelt, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval. Echter, verweerder maakt in dit specifieke geval op geen enkele wijze inzichtelijk dat sprake is van een daadwerkelijk rechtsmiddel om op te komen tegen een afwijzende beslissing en dat een meer dan theoretische toegang tot professionele rechtsbijstand en tolken bestaat. De stelling van verweerder dat het Hongaarse Hooggerechtshof heeft geoordeeld dat Servië geen veilig derde land is, is geen overtuigende onderbouwing van zijn standpunt. Immers, vast staat dat Hongarije, in weerwil van de uitspraak van het Hongaarse Hooggerechtshof, in de nieuwe wetgeving expliciet opneemt dat Servië wel een veilig derde land is. Verder heeft verweerder geen uitdrukkelijk onderbouwd standpunt ingenomen dat in deze versnelde Hongaarse asielprocedure een daadwerkelijk rechtsmiddel open staat tegen een afwijzend besluit op een asielaanvraag. De rechtbank betrekt hierbij dat het entameren van een procedure bij het EHRM niet beschouwd kan worden als een standaard beroepsgang ten aanzien van de nationale rechterlijke procedure. Gelet hierop bestaat grond voor het oordeel dat deze versnelde Hongaarse asielprocedure onvoldoende waarborgen biedt voor een effectieve beoordeling als vereist door artikel 13 EVRM.

18. De rechtbank overweegt voorts dat verweerder ter zitting een verslag van het Kamerdebat heeft overgelegd waarin de staatssecretaris is ingegaan op de Kamervragen die zijn gesteld over Dublinoverdrachten naar Hongarije. De rechtbank begrijpt het overleggen hiervan tezamen met de ter zitting gegeven toelichting aldus dat dit een nadere onderbouwing is van het standpunt dat ten aanzien van Hongarije kan worden vastgehouden aan het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Uit dit verslag, alsmede uit de stelling van verweerder dat in rechte (nog) niet vaststaat dat Dublinoverdrachten aan Hongarije in strijd zijn met de verdragsrechtelijke verplichtingen van Nederland, leidt de rechtbank af dat verweerder geen juridisch standpunt inneemt ten aanzien van het vasthouden aan het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Veeleer blijkt van een politieke keuze om Hongarije aan zijn verdragsverplichtingen te houden en niet in te gaan op de door Hongarije geuite politieke onwil om zich te conformeren aan Europese afspraken ten aanzien van verdeling van massaal ingestroomde migranten. Deze, al dan niet politiek legitieme, keuze om Hongarije hiervoor niet te belonen, volstaat niet als onderbouwing van de juridische kwalificatie dat verweerder onverkort vast kan houden aan het interstatelijk vertrouwensbeginsel ten aanzien van Hongarije.

19. De stelling van verweerder dat een duidelijk onderscheid dient te worden gemaakt tussen de gereguleerde overdrachten in het kader van de Dublinverordening, waarbij de Hongaarse autoriteiten zich coöperatief en professioneel opstellen, en de chaotische toestanden in opvang, registratie en doorgeleiding die zich voordoen bij ongereguleerde instroom, zal de rechtbank buiten beschouwing laten, nu verweerder geen enkel aanknopingspunt geeft voor de stelling dat ten aanzien van terugkerende Dublinclaimanten meer of andere waarborgen van toepassing zijn. Uit de overgelegde informatie noch anderszins blijken aanknopingspunten voor de stelling dat Hongarije een separate asielprocedure voor terugkerende Dublinclaimanten kent. Dit betekent dat de inhoud van het HHC-rapport, voor zover het een analyse geeft van de Hongaarse asielprocedure en die door verweerder niet inhoudelijk met juridische argumenten is betwist, onverkort van toepassing is op eiser.

20. De rechtbank concludeert dat de Hongaarse asielprocedure, voor zover die ziet op het tegenwerpen van Servië als veilig derde land, niet voldoet aan de eisen die het EHRM stelt omdat geen sprake is van een effectief rechtsmiddel tegen een afwijzende beslissing, geen reële toegang is tot professionele rechtsbijstand, tolken niet beschikbaar zijn en de korte termijnen die de Hongaarse asielprocedure kent in de weg staan aan een deugdelijke verdediging. De Hongaarse procedure voldoet daarmee immers niet aan de minimale vereisten zoals die in artikel 46, zevende lid, van de Richtlijn 2013/32/EU betreffende gemeenschappelijke procedures voor de toekenning en intrekking van de internationale bescherming (herschikking) zijn gesteld.

21. Voor zover, bij gebreke van verklaringen van eiser en andere bewijsstukken, het exacte land van inreis in Hongarije niet kan worden vastgesteld, is niet onaannemelijk dat wordt tegengeworpen, zoals eiser stelt, dat hij in Griekenland een asielaanvraag heeft ingediend. Voor zover Hongarije Griekenland daadwerkelijk als veilig derde land zou tegenwerpen, zoals eiser aan de hand van het HHC-rapport, pagina 2 heeft gesteld, overweegt de rechtbank dat uit de vaste rechtspraak van het EHRM – de zaken K.R.S. tegen het Verenigd Koninkrijk van 2 december 2008 (ECLI:NL:XX:2008:BG9802) en M.S.S. tegen België en Griekenland van 21 januari 2011 – volgt dat het uitgangspunt is dat in iedere lidstaat, die is aangesloten bij de Dublin-Verordening (thans: Vo 604/2013), mogelijkheden bestaan om bescherming te krijgen tegen een dreigende schending van artikel 3 EVRM. Enkel ten aanzien van Griekenland heeft het EHRM in het M.S.S.arrest geoordeeld dat voldoende was aangetoond dat dit niet het geval was, zodat overdracht een reëel risico op schending van artikel 3 EVRM met zich bracht. Gesteld noch gebleken is dat de situatie zoals die door het EHRM is beschreven en beoordeeld inmiddels zodanig significant is verbeterd dat dit oordeel achterhaald is. Als Hongarije de asielaanvraag van eiser afwijst omdat Hongarije Griekenland als veilig derde land beschouwt, ontstaat daarmee gezien het voorgaande het risico dat Griekenland zal refouleren. Dit risico op indirect refoulement kan verweerder niet onbesproken laten.

22. De rechtbank concludeert gezien het voorgaande dat overdracht aan Hongarije een reëel risico op schending van artikel 3 EVRM oplevert omdat sprake is van zodanige aan het systeem gerelateerde tekortkomingen in de (nieuwe) asielprocedure dat aan de ondergrens zoals omschreven in het arrest M.M.S. tegen België en Griekenland niet langer wordt voldaan. Verweerder had daarom, conform zijn eigen beleid, behoren af te zien van overdracht van eiser aan Hongarije en de behandeling van zijn asielaanvraag aan zich te trekken.

23. De beschikbaarheid en kwaliteit van de opvang van asielzoekers behoeft in het onderhavige dossier gelet op rechtsoverweging 22 geen bespreking. Dit geldt ook voor de overige gronden die eiser heeft aangevoerd.

24. Het beroep is derhalve gegrond. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit en verweerder zal een nieuw besluit moeten nemen met inachtneming van deze uitspraak. Gezien het gegeven dat de bestuursrechter uitspraak heeft gedaan, vervalt de bij uitspraak van 20 maart 2015 getroffen voorziening, zulks gelet op het bepaalde in artikel 8:85, tweede lid, sub c, Awb. De rechtbank ziet aanleiding voor een proceskostenveroordeling conform het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht en stelt deze kosten vast op € 1.960,00 (2 punten voor het beroep en 2 punten voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 490,00 en een wegingsfactor van 1).

25. Beslist wordt als volgt.

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit;

  • -

    bepaalt dat verweerder een nieuw besluit neemt met inachtneming van deze uitspraak;

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten tot een bedrag van € 1.960,00.

Deze uitspraak is gedaan door mr. drs. S. van Lokven, voorzitter, en mr. A.F.C.J. Mosheuvel en mr. C.T.C. Wijsman, leden, in aanwezigheid van mr. B.J. Groothedde, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op

16 oktober 2015.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.