Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2015:11919

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
15-10-2015
Datum publicatie
10-11-2015
Zaaknummer
09/777284-14
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Jeugdrecht

De verdachte heeft zich alleen dan wel samen met anderen schuldig gemaakt aan een tweetal woninginbraken en aan een poging daartoe.

Door woninginbraken wordt - vaak grote - materiële schade toegebrachte aan de slachtoffers. Ook worden er vaak goederen gestolen, waaraan het slachtoffer op gevoelsgronden sterk is gehecht en waarvan de affectieve waarde niet in geld kan worden uitgedrukt, zoals sieraden. De verdachte en/of zijn mededaders hebben zich niets gelegen laten liggen aan deze omstandigheden en alleen maar aan hun eigen geldelijk gewin gedacht.

Bovendien wordt door een woninginbraak ernstige inbreuk gemaakt op de persoonlijke levenssfeer en het gevoel van veiligheid van het slachtoffer en omwonenden. De eigen woning is bij uitstek een plek waar men zich veilig en geborgen zou moeten kunnen voelen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Den Haag

Meervoudige kamer jeugdstrafzaken

Parketnummer 09/777284-14; 09/777130-15 (t.t.g.)

Tul 09/777192-13

Datum uitspraak: 15 oktober 2015

Tegenspraak

(Promis)

De rechtbank Den Haag, rechtdoende in jeugdstrafzaken, heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaken van de officier van justitie tegen de verdachte:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1999,

adres: [woonplaats]

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden ter terechtzitting met gesloten deuren van 8 juni 2015 en

1 oktober 2015.

De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie

mr. M.C. Stolk en van hetgeen door de raadsman van de verdachte mr. J. Verschuren, advocaat te Den Haag, en door de verdachte naar voren is gebracht.

2 De tenlastelegging

Aan de verdachte is - na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting - ten laste gelegd dat:

09/777284-14

1.

hij op een of meer tijdstip(pen) gelegen in of omstreeks de periode van 24 december 2014 tot en met 26 december 2014 te [plaats] tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening in/uit een woning aan de [adres 1] heeft weggenomen diverse/een siera(a)d(en), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 1] in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), zulks na zich de toegang tot de plaats van het misdrijf te hebben verschaft en/of de/het weg te nemen goed(eren) onder zijn/hun bereik te hebben gebracht door met een breekvoorwerp een

openslaand raam open te breken/wrikken;

art 310 Wetboek van Strafrecht

art 311 lid 1 ahf/sub 4 Wetboek van Strafrecht

art 311 lid 1 ahf/sub 5 Wetboek van Strafrecht

2.

hij op een of meer tijdstip(pen) gelegen in of omstreeks de periode van 24 december 2014 tot en met 26 december 2014 te [plaats] tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening in/uit een woning aan de [adres 2] heeft weggenomen een mobiele telefoon (Iphone) en/of diverse/een pasje(s), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 2] en/of [benadeelde 1] en/of [slachtoffer 3] en/of

[benadeelde 2] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), zulks na zich de toegang tot de plaats van het misdrijf te hebben verschaft en/of de/het weg te nemen goed(eren) onder zijn/hun bereik te hebben gebracht door met een breekijzer het kozijn van het keukenraam te forceren;

art 310 Wetboek van Strafrecht

art 311 lid 1 ahf/sub 4 Wetboek van Strafrecht

art 311 lid 1 ahf/sub 5 Wetboek van Strafrecht

3.

hij op of omstreeks 29 december 2014 te [plaats] tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening in/uit een woning aan het [adres 3] heeft weggenomen een horloge en/of een (klik)oorbel, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 4] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), zulks na zich de toegang tot de plaats van het misdrijf te hebben verschaft en/of de/het weg te nemen goed(eren) onder zijn/haar/hun bereik te hebben gebracht door met een schroevendraaier het raam open te breken en de woning in te klimmen;

art 310 Wetboek van Strafrecht

art 311 lid 1 ahf/sub 4 Wetboek van Strafrecht

art 311 lid 1 ahf/sub 5 Wetboek van Strafrecht

Subsidiair, indien het vorenstaande niet tot een bewezenverklaring en/of een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 29 december 2014 te [plaats] ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening in/uit een woning aan het [adres 3] weg te nemen

diverse/een goed(eren) van hun/zijn gading en/of geld, geheel of ten dele toebehorende aan

[slachtoffer 4] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) en zich daarbij de toegang tot die woning te verschaffen en/of die/dat weg te nemen goed(eren) en/of geld onder zijn/hun bereik te brengen door middel van braak, verbreking en/of inklimming, met een

of meer van zijn mededader(s), althans alleen zich naar die woning hebben/heeft begeven en/of met een schroevendraaier/breekijzer het keukenraam heeft opengebroken en/of de woning in is geklommen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

art 310 Wetboek van Strafrecht

art 311 lid 1 ahf/sub 4 Wetboek van Strafrecht

art 311 lid 1 ahf/sub 5 Wetboek van Strafrecht

art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht

4.

hij op of omstreeks 29 december 2014 te [plaats] ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening in/uit een woning aan het [adres 4] weg te nemen

diverse/een goed(eren) van hun/zijn gading en/of geld, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 5] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) en zich daarbij de toegang tot die woning te verschaffen en/of die/dat weg te nemen goed(eren) en/of geld onder zijn/hun bereik te brengen door middel van braak, verbreking en/of inklimming, met een

of meer van zijn mededader(s), althans alleen zich naar die woning hebben/heeft begeven en/of met een schroevendraaier/breekijzer het keukenraam heeft opengebroken en/of de woning in is geklommen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

art 310 Wetboek van Strafrecht

art 311 lid 1 ahf/sub 4 Wetboek van Strafrecht

art 311 lid 1 ahf/sub 5 Wetboek van Strafrecht

art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht

09/777130-15

hij op of omstreeks 16 mei 2014 te [plaats] met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening in/uit een woning aan het [adres 5] heeft weggenomen meerdere sieraden en/of een laptop en/of een Nikon Coolpix camera en/of een Canaon spiegelreflexcamera en/of een Panasonic videocamera en/of een Kindle Fire e-book en/of vier paspoorten, in elk geval enig goed, geheel of

ten dele toebehorende aan [slachtoffer 6] en/of [slachtoffer 7] [plaats] (laptop), in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, zulks na zich de toegang tot de plaats van het misdrijf te hebben verschaft en/of de/het weg te nemen goed(eren) onder zijn bereik te hebben gebracht door met een (rood) breekijzer het raam van de keuken van die woning open te breken en/of die woning in te klimmen;

art 310 Wetboek van Strafrecht

art 311 lid 1 ahf/sub 4 Wetboek van Strafrecht

art 311 lid 1 ahf/sub 5 Wetboek van Strafrecht

3 Bewijsoverwegingen

Ten aanzien van parketnummer 09/777284-14

3.1

Inleiding

Op 29 december 2014 is bij de politie een melding binnengekomen van een vermoeden van inbraak in vereniging in een of meerdere woningen gelegen in een flat aan het [straat 1] te [plaats] . Ter plaatste werd onder meer de verdachte in de flat aangetroffen.

Er bleek inderdaad ingebroken te zijn in twee woningen in de flat (feiten 3 en 4).

Verder rees het vermoeden dat de verdachte tevens eerder die week bij twee andere inbraken in woningen, gelegen aan de [straat 2] te [plaats] betrokken is geweest (feiten 1

en 2).

De rechtbank ziet zich gesteld voor de vraag of de verdachte inderdaad bij het plegen van deze feiten betrokken is geweest en zo ja, hoe deze betrokkenheid dient te worden gekwalificeerd.

3.2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de rechtbank de verdachte zal vrijspreken van de feiten 1 en 2 en dat de rechtbank wettig en overtuigend bewezen zal verklaren dat de verdachte de feiten 3 primair en 4 heeft begaan.

3.3

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft vrijspraak van de feiten 1 en 2 bepleit wegens het ontbreken van wettig en overtuigend bewijs. De raadsman heeft ten aanzien van de feiten 3 en 4 eveneens vrijspraak bepleit. Ten aanzien van feit 3 heeft de verdachte, aldus gesteld, geen rol gehad in de inbraken. Hij was samen met medeverdachte [medeverdachte 2] in de flat om op de brandtrap een sigaretje te roken. Zijn moeder mocht dit absoluut niet weten, reden waarom hij de politie heeft verklaard over een relatie met een moslimmeisje waar zijn ouders ook niets van mochten weten. Het schoenspooronderzoek kan voorts niet als belastend bewijs worden gebezigd nu er meerdere mensen rondlopen met Adidas schoenen, waaronder

medeverdachte [medeverdachte 1] en in het onderzoek is gerelateerd dat de schoenen nagenoeg overeenkomen, hetgeen volgens de verdediging niet kan. Een schoen komt qua maat overeen of niet. Het lijkt dan ook te gaan om een andere schoenmaat dan de verdachte heeft.

Ten aanzien van feit 4 heeft de raadsman aangegeven dat er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs voorhanden is. Van de twee personen die zouden hebben geprobeerd het raam open te breken zijn geen andere signalementen bekend dan dat zij donkere kleding aanhadden. Aldus kan niet met voldoende zekerheid worden vastgesteld dat de verdachte één van de personen is geweest die gepoogd zou hebben bij deze woning in te breken, noch dat hij hierbij enige andere rol zou hebben gehad.

3.4

De beoordeling van de tenlastelegging

Uit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting leidt de rechtbank het volgende af. 1

Feiten 1 en 2

In de periode van 24 december 2014 tot en met 26 december 2014 is er in [plaats] ingebroken in een tweetal woningen, gelegen aan de [adres 1]2 en de [adres 2]3. Met een breekvoorwerp zijn er ramen van de woningen verbroken, de woningen zijn overhoop gehaald en er zijn veel goederen, waaronder geld weggenomen.

De verdachte heeft ter terechtzitting verklaard voornoemde woningen niet te kennen.

In het dossier is, naar het oordeel van de rechtbank, geen bewijs voorhanden waaruit blijkt dat de verdachte een rol heeft gespeeld bij de inbraken in voornoemde woningen.

In navolging van het standpunt van zowel de officier van justitie als de raadsman is de rechtbank dan ook van oordeel dat de verdachte van de feiten 1 en 2 dient te worden vrijgesproken.

Feiten 3 en 4

Op 29 december 2014 omstreeks 17.00 uur komt er bij de politie een melding van getuigen binnen van een vermoeden van inbraak door vier personen in een flat aan het [straat 1] te [plaats] .

Getuige [getuige 1]4 en [getuige 2]5 zien op 29 december 2014 rond 16.30 uur vanuit hun woonkamer dat er aan de overkant, op de galerij van de flat aan het [straat 1] te [plaats] , vier jongens heen en weer lopen.

[getuige 1] ziet dat het vier jongens met donkere jassen zijn, waarvan er één een bontkraag heeft.

Ze ziet dat de jongens op de 17e en op de 13e verdieping bij verschillende woningen aanbellen en vervolgens ziet ze dat een jongen bij een woning op de 13e etage, waar was aangebeld, een beweging maakt alsof hij iets gebruikt om zo binnen te komen door middel van verbreken. Drie jongens gaan de woning in waarbij het lijkt alsof zij door het raam naar binnen klimmen. Eén van de jongens gaat op de uitkijk staan. [getuige 1] belt 112.

Als de politie ter plaatse komt, ziet zij dat de jongens uit de woning komen, wordt er door een van de jongens over de reling gekeken en rennen ze weg. De jongens splitsten zich op en vanaf de 12e of 13e verdieping worden meerdere spullen naar beneden gegooid.

Ook [getuige 2] ziet dat vier 4 jongens op de 13e etage een raam of een deur aan het open wrikken zijn en dat er drie jongens de woning inklimmen. De jongen die op de uitkijk staat, is licht getint. Deze jongen waarschuwt de anderen als de politie de straat inrijdt. De jongens rennen weg en gooien allerlei goederen naar beneden.

De politie, die kort na de meldingen bij de flat aan het [straat 1] arriveert, ziet over de galerij personen rennen en spullen naar beneden gooien over de balustrade.

Op dat moment is de gehele flat door diverse politie-eenheden middels een zogenaamde binnen- en buitenring afgezet waarbij er tevens een politiehelikopter in de lucht is die goed zicht heeft op de gehele flat en galerijen. Naast de verdachte en zijn drie hierna te noemen medeverdachten zijn, anders dan de aangetroffen bewoners van de flat, geen personen meer in de flat aangetroffen die aan het door de getuigen opgegeven signalement voldeden.6

Na onderzoek treft de politie in de struiken gelegen direct naast de flat diverse goederen aan, waaronder handschoenen, een bivakmuts, een koevoet en een betonschaar.7

In de hal van de flat aan het [straat 1] te [plaats] wordt vervolgens de verdachte om 17:13 uur aangehouden.8

Omstreeks dat tijdstip worden ook hiervoor genoemde drie medeverdachten [medeverdachte 3]9,

[medeverdachte 1] 10 en [medeverdachte 2]11 in de flat aan het [straat 1] te [plaats] aangetroffen en aangehouden.

Vervolgens doet [slachtoffer 4] aangifte van diefstal met braak uit haar woning, gelegen aan het [adres 3] te [plaats] op 19 december 2014.12 Er is ingebroken door het keukenraam te forceren en de woning is overhoop gehaald, waarna er een horloge en oorbellen blijken te zijn weggenomen.

Via de sociale media en billboards in de wijk Voorhof te [plaats] probeert de politie de eigenaars van diverse weggenomen goederen die bij de flat en in de fouillering van enkele verdachten zijn aangetroffen, te vinden.

Aangeefster [slachtoffer 4] herkent een goudkleurige klipoorbel en een goudkleurig horloge als haar eigendom.13 Deze oorbel is aangetroffen in de fouillering van de medeverdachte [medeverdachte 1]14

In de woning gelegen aan het [adres 3] te [plaats] is na forensisch onderzoek een fragment van schoenafdrukken op de vensterbank in de slaapkamer van de aangeefster aan de galeriezijde aangetroffen.15

Blijkens het proces-verbaal vergelijkend sporenonderzoek is het schoenzoolspoor (spoor A;

SIN AAHX2840NL) waarschijnlijk veroorzaakt met de linkerschoen van de medeverdachte [medeverdachte 3] en is het schoenzoolspoor (spoor B; SIN AAHX2837 NL) veroorzaakt met een linker schoenzool soortgelijk aan de zool van de linkerschoen van de verdachte.16

Voorts doet [slachtoffer 5] aangifte van diefstal met braak uit zijn woning gelegen aan het [adres 4] te [plaats] op 29 december 2014.17 Er is ingebroken door het keukenraam te forceren. De schade aan de post van het keukenraam zat er eerder niet.

Er blijkt niets te zijn weggenomen.

In de raamlijst van het keukenraam worden meerdere in- en tegendruksporen aangetroffen en veilig gesteld.18

De breedte van de 2 geschikte tegendruksporen (SIN:AAHV6484NL en SIN:AAHV6485NL) komen overeen met de breedte van de beitel- en spijkerstrekkerzijde van het roodgekleurde breekijzer, welke door de verbalisanten diezelfde dag ter plaatse in de bosjes naast de flat gelegen aan het [straat 1] werd aangetroffen,

SIN: AAHV7386NL Rood Breekijzer.19

De verdachte heeft bij de politie, de rechter-commissaris en ter terechtzitting ontkend zich aan voormelde feiten schuldig te hebben gemaakt.

Hij heeft bij de politie verklaard dat hij in de flat aanwezig was om met zijn vriendin, een moslim meisje, te kunnen praten zonder dat zijn ouders dat wisten. Medeverdachte [medeverdachte 2] was hierbij aanwezig. Ter terechtzitting heeft de verdachte verklaard dat het verhaal over de ontmoeting met een vriendin verzonnen was, maar dat hij samen met medeverdachte [medeverdachte 2] op de brandtrap van de flat wilde roken, hetgeen zijn ouders niet mochten weten en dat hij verder niets wil verklaren.20

Medeverdachte [medeverdachte 2] heeft bij de politie verklaard dat hij op 29 december 2014 in de flat aan het [straat 1] samen met een aantal anderen, waarvan hij de namen niet wil noemen, via de brandtrap naar de 13e etage is gegaan en dat zij vervolgens hebben aangebeld om te kijken of de bewoners thuis waren.

Iemand heeft toen een raam verbroken en een aantal mensen zijn de woning met nummer 155 ingegaan. In de andere woning is het raam wel verbroken, maar is er niemand naar binnen geweest. Medeverdachte [medeverdachte 2] heeft verklaard dat hij op de uitkijk heeft gestaan en dat hij de anderen heeft gewaarschuwd toen de politie kwam. Iedereen is toen zijn eigen weg gegaan.

Het rode breekijzer, dat bij de flat is aangetroffen, is volgens [medeverdachte 2] gebruikt bij de inbraak. Hij heeft het breekijzer op 29 december 2014 meegenomen, omdat de anderen het breekijzer eerder bij hem thuis hadden laten liggen.21

Uit de bewijsmiddelen leidt de rechtbank met betrekking tot de betrokkenheid van de verdachte bij de ten laste gelegde feiten het volgende af.

De getuigen [getuige 1] en [getuige 2] die op 29 december 2014 rond 16.30 uur vanuit hun woning aan de overkant vier jongens op de galerij van de flat aan het [straat 1] zien lopen en hen uiteindelijk zien inbreken op de 13e etage van de flat, hebben de politie gealarmeerd en zien ook dat de vier 4 jongens, na de snelle komst van de politie, uit elkaar gaan.

Deze getuigen hebben ook gezien dat de jongens bij diverse woningen hebben aangebeld alvorens op de 13e etage bij een flat bewegingen te maken alsof er iets werd verbroken en in deze flat te verdwijnen. Drie jongens klimmen naar binnen en de vierde blijft op de uitkijk staan.

In de woning aan het [adres 3] te [plaats] is een (deel van een) schoenspoor aangetroffen dat waarschijnlijk afkomstig is van de linkerschoen van medeverdachte [medeverdachte 3] , terwijl er ook een (deel van een) schoenspoor is aangetroffen dat soortgelijk is aan de linkerschoen van de verdachte.

Voorts heeft de politie, na de flat direct te hebben omsingeld, naast de verdachte en zijn medeverdachten en behoudens de bewoners van de flat geen andere personen aangetroffen die voldeden aan het opgegeven signalement.

De verdachte is 29 december 2014 omstreeks 17.13 uur aangehouden in de hal van de flat gelegen aan het [straat 1] . De verdachte heeft naar het oordeel van de rechtbank geen aannemelijke verklaring gegeven voor zijn aanwezigheid in deze flat.

De rechtbank acht de verklaring van de verdachte dat hij op 29 december 2014 in de flat aan het [straat 1] aanwezig was om te roken ongeloofwaardig.

Ook de medeverdachten [medeverdachte 3] en [medeverdachte 1] hebben geen geloofwaardige verklaring afgelegd voor hun aanwezigheid in de bewuste flat. Medeverdachte [medeverdachte 2] heeft verklaard dat hij samen met een aantal anderen heeft ingebroken in een woning in genoemde flat, waarbij hij op de uitkijk heeft gestaan.

Gelet op het voorgaande bestaat bij de rechtbank geen twijfel dat de verdachte op

29 december 2014 samen met zijn medeverdachten [medeverdachte 3] , [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] in de flat aan het [straat 1] te [plaats] aanwezig was met het doel om in te breken.

Dit heeft geleid tot een voltooide inbraak en een poging daartoe. Wat betreft de vraag of deze feiten in vereniging zijn gepleegd en of dus sprake is geweest van medeplegen, overweegt de rechtbank als volgt.

Medeplegen

Blijkens jurisprudentie van de Hoge Raad is voor medeplegen van een strafbaar feit vereist dat sprake is van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking tussen de betrokken personen, gericht op de totstandkoming van het delict. Daarnaast moet de van medeplegen verdachte persoon aan de totstandkoming van het delict een wezenlijke bijdrage hebben geleverd. Daarbij is niet doorslaggevend dat de van medeplegen verdachte persoon ook een daadwerkelijke uitvoerder is geweest of alle handelingen van het strafbare feit zelf moet hebben verricht; ook een andere rol kan leiden tot de conclusie dat de verdachte een wezenlijke bijdrage aan de voltooiing van het delict heeft geleverd.

Bij de vorming van zijn oordeel dat sprake is van de voor medeplegen vereiste nauwe en bewuste samenwerking, kan de rechter rekening houden met onder meer de intensiteit van de samenwerking, de onderlinge taakverdeling, de rol in de voorbereiding, de uitvoering of de afhandeling van het delict en het belang van de rol van de verdachte, diens aanwezigheid op belangrijke momenten en het zich niet terugtrekken op een daartoe geëigend tijdstip.

Uit voornoemde feiten en omstandigheden kan worden afgeleid dat er sprake was van een bepaalde samenwerking tussen alle verdachten waaraan een plan ten grondslag lag.

De verdachten zijn systematisch te werk gegaan, op zoek naar een geschikte woning om in te breken. Zij belden aan bij woningen om te controleren of de bewoners thuis waren. Medeverdachte [medeverdachte 2] heeft verklaard dat hij op de uitkijk heeft gestaan, en getuigen hebben verklaard dat zij “de andere drie jongens” de woning in hebben zien gaan. Er zijn naast de verdachte en zijn drie medeverdachten geen andere personen aangetroffen in de flat. Onderaan de flat en bij medeverdachte [medeverdachte 1] zijn goederen aangetroffen die bij voornoemde woninginbraak en de poging daartoe zijn gebruikt dan wel weggenomen.

Alles overwegende is de rechtbank van oordeel dat er sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachte en zijn medeverdachten, gericht op de totstandkoming van de delicten, en heeft de verdachte daarnaast aan de totstandkoming van de delicten een wezenlijke bijdrage geleverd.

De rechtbank is dan ook van oordeel dat de feiten 3 primair en 4 wettig en overtuigend bewezen kunnen worden verklaard.

Ten aanzien van parketnummer 09/777130-15

3.5

Inleiding

Op 16 mei 2014 is er in [plaats] in een woning, gelegen aan het [adres 5] , ingebroken.

De rechtbank ziet zich gesteld voor de vraag of de verdachte dit feit heeft gepleegd.

3.6

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de rechtbank wettig en overtuigend bewezen zal verklaren dat de verdachte dit feit heeft begaan.

3.7

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich ten aanzien van dit feit gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

3.8

De beoordeling van de tenlastelegging

Uit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting leidt de rechtbank het volgende af. 22

Op 16 mei 2014 is er in [plaats] in een woning, gelegen aan het [adres 5] , ingebroken. Met een breekijzer is er een raam verbroken en zijn er diverse goederen weggenomen.23

Bij sporenonderzoek in voornoemde woning is onder meer in de ouder slaapkamer op de gordijnen ter hoogte van het geopende raam een bloedspoor aangetroffen. Dit bloedspoor, AAHF4858NL, is veilig gesteld24 en blijkt na onderzoek door het NFI afkomstig te zijn van de verdachte.25

De verdachte heeft zich bij de politie beroepen op zijn zwijgrecht en verklaard dat het DNA op het gordijn niet van hem is.26 Ter terechtzitting heeft de verdachte verklaard er niets over te willen zeggen.27

De rechtbank acht, gelet op de aangifte en het in de woning op een gordijn aangetroffen bloedspoor met het DNA van de verdachte, alsook gelet op de omstandigheid dat de verdachte geen aannemelijke verklaring voor de aanwezigheid van dit bloedspoor wil geven, wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte deze woninginbraak heeft gepleegd.

3.9

De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat

09/77284-14

3. primair

hij op 29 december 2014 te [plaats] tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening in een woning aan het [adres 3] heeft weggenomen een horloge en een (klik)oorbel, toebehorende aan [slachtoffer 4] , zulks na zich de toegang tot de plaats van het misdrijf te hebben verschaft door met een breekvoorwerp het raam open te breken en de woning in te klimmen;

4.

hij op 29 december 2014 te [plaats] ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening in/uit een woning aan het [adres 4] weg te nemen goederen van hun gading en/of geld, toebehorende aan [slachtoffer 5] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededaders en zich daarbij de toegang tot die woning te verschaffen en/of die/dat weg te nemen goederen en/of geld onder hun bereik te brengen door middel van braak, met zijn mededaders, zich naar die woning heeft begeven en met een schroevendraaier/breekijzer het keukenraam heeft opengebroken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

09/777130-15

hij op 16 mei 2014 te [plaats] met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening in een woning aan het [adres 5] heeft weggenomen sieraden en een laptop en een Nikon Coolpix camera en een Canon spiegelreflexcamera en een Panasonic videocamera en een Kindle Fire e-book en vier paspoorten, toebehorende aan [slachtoffer 6] en/of [slachtoffer 7] [plaats] (laptop), , zulks na zich de toegang tot de plaats van het misdrijf te hebben verschaft door met een breekijzer het raam van de keuken van die woning open te breken en die woning in te klimmen.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

4 De strafbaarheid van de feiten

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

Dit levert de in de beslissing genoemde strafbare feiten op.

5 De strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is eveneens strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6 De straf/maatregel

6.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot jeugddetentie voor de duur van 120 dagen, met aftrek van de tijd in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, waarvan 105 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren, met als bijzondere voorwaarde begeleiding door de jeugdreclassering en ook tot een werkstraf voor de duur van 150 uren subsidiair 75 dagen jeugddetentie.

6.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft bepleit dat aan de verdachte een onvoorwaardelijke jeugddetentie gelijk aan het voorarrest van de verdachte wordt opgelegd, temeer ook omdat de verdachte een deel van deze tijd in beperkingen heeft doorgebracht. Daarnaast heeft de raadsman bepleit dat aan de verdachte een deels voorwaardelijke werkstraf wordt opgelegd, conform het advies van de Raad voor de Kinderbescherming. De door de officier van justitie gevorderde werkstraf dient wel te worden gematigd en begeleiding is, gelet op de lage kans op recidive, niet nodig.

6.3

Het oordeel van de rechtbank

Na te melden straffen zijn in overeenstemming met de ernst van de gepleegde feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Daarbij is in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft zich alleen dan wel samen met anderen schuldig gemaakt aan een tweetal woninginbraken en aan een poging daartoe.

Door woninginbraken wordt - vaak grote - materiële schade toegebrachte aan de slachtoffers. Ook worden er vaak goederen gestolen, waaraan het slachtoffer op gevoelsgronden sterk is gehecht en waarvan de affectieve waarde niet in geld kan worden uitgedrukt, zoals sieraden. De verdachte en/of zijn mededaders hebben zich niets gelegen laten liggen aan deze omstandigheden en alleen maar aan hun eigen geldelijk gewin gedacht.

Bovendien wordt door een woninginbraak ernstige inbreuk gemaakt op de persoonlijke levenssfeer en het gevoel van veiligheid van het slachtoffer en omwonenden. De eigen woning is bij uitstek een plek waar men zich veilig en geborgen zou moeten kunnen voelen.

Voorts is komen vast te staan dat de verdachte, blijkens een hem betreffend uittreksel uit het uittreksel Justitiële Documentatie, in het verleden reeds eerder is veroordeeld voor vermogensdelicten. Van deze eerdere, deels voorwaardelijke, veroordeling is kennelijk geen preventieve werking uitgegaan, nu de verdachte zich gedurende de proeftijd van deze veroordeling wederom schuldig heeft gemaakt aan de thans bewezenverklaarde feiten.

De rechtbank heeft kennis genomen van diverse voorlichtingsrapporten betreffende de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, waaronder het meest recente rapport van

de Raad voor de Kinderbescherming (verder: de Raad) d.d. 27 mei 2015.

Blijkens dit rapport zijn er, aldus de Raad, ondanks het feit dat er veel beschermende factoren aanwezig zijn, ook voldoende begeleiding doelen aanwezig voor de Jeugdreclassering.

Daarnaast ziet de Raad voldoende risicofactoren om de Maatregel Toezicht en Begeleiding te indiceren. Er kan gewerkt worden aan een delict analyse, aandacht voor zijn vrijetijdsbesteding en schoolgang. Tevens zullen de vaardigheden en beïnvloedbaarheid van de verdachte aandachtspunten zijn. Positief is te noemen dat de verdachte en zijn ouders open staan voor hulp. Zo nodig zou er begeleiding door een 16+ coach ingezet kunnen worden; de Raad geeft dit in overweging aan de Jeugdreclassering.

De Raad acht het nu op dit moment niet nodig om een leerstraf te adviseren omdat verdachte recentelijk therapie heeft gevolgd bij de GGZ.

De Raad adviseert de rechtbank om de verdachte een deels voorwaardelijke taakstraf (werkstraf) op te leggen, onder de algemene voorwaarden dat de verdachte:

- zich voor het einde van die proeftijd niet zal schuldig maken aan een strafbaar feit;

- zijn medewerking verleent aan het vaststellen van zijn identiteit;

- zijn medewerking verleent aan reclasseringstoezicht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen;

en onder de bijzondere voorwaarde dat de verdachte tot het behalen van een startkwalificatie onderwijs volgt;

waarbij aan de gecertificeerde instelling te weten Jeugdbescherming west opdracht wordt gegeven toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden.

De rechtbank onderschrijft voornoemd advies van de Raad.

Van de zijde van Stichting Jeugdbescherming west heeft de heer [Dhr. A] werkzaam als jeugdreclasseerder en gehoord als deskundige ter terechtzitting, benadrukt dat de vaste jeugdreclasseringsbegeleider van de verdachte heeft aangegeven dat het goed gaat op school en dat de verdachte ook goed meewerkt aan de begeleiding en hulpverlening, maar dat de noodzaak van verdere begeleiding nog wel aanwezig is. Met name de vrienden en de vrije tijdsbesteding van de verdachte zijn nog punten van aandacht. Ook wordt er gewerkt aan het inzetten van een 16+ coach voor de verdachte.

De rechtbank is, gelet op het vorenstaande, allereerst van oordeel dat een vrijheidsbenemende straf van na te melden duur passend en geboden is.

Teneinde de verdachte in de toekomst van strafbare feiten te weerhouden, ziet de rechtbank aanleiding een deel van deze straf voorwaardelijk op te leggen.

Daarbij zal als algemene voorwaarde onder andere het meewerken aan toezicht en begeleiding door de Stichting Jeugdbescherming west, afdeling jeugdreclassering, huisbezoeken inbegrepen, worden opgelegd, in combinatie met de bijzondere voorwaarden dat de verdachte zich dient te melden bij de jeugdreclassering. Gelet op de goede start op school, ziet de rechtbank geen reden het behalen van een startkwalificatie als bijzondere voorwaarde op te leggen.

De rechtbank ziet voorts reden de verdachte een werkstraf op te leggen.

Gelet op de positieve ontwikkeling die de verdachte de afgelopen periode heeft doorgemaakt en de reeds ingezette begeleiding en therapie, zal de rechtbank de door de officier van justitie gevorderde straf matigen.

De verdachte heeft het onvoorwaardelijke deel van zijn detentiestraf reeds in voorarrest doorgebracht.

7 De vordering van de benadeelde partij / de schadevergoedingsmaatregel

[benadeelde 1] heeft zich ten aanzien van parketnummer 09/777284-14, feit 2, als benadeelde partij gevoegd ter zake van de vordering tot schadevergoeding, groot € 106,02.

[benadeelde 2] heeft zich ten aanzien van parketnummer 09/777284-14, feit 2, als benadeelde partij gevoegd ter zake van de vordering tot schadevergoeding, groot € 637,59, met vergoeding van de wettelijke rente en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

7.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot niet-ontvankelijk verklaring van de benadeelde partijen Smedes en Dammers in hun vorderingen, gelet op de gevorderde vrijspraak van het in de zaak met parketnummer 09/777284-14 onder 2 ten laste gelegde feit.

7.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft eveneens niet-ontvankelijk verklaring van de benadeelde partijen in de vordering bepleit.

7.3

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank zal de benadeelde partijen [benadeelde 1] en [benadeelde 2]

niet-ontvankelijk verklaren in hun vordering tot schadevergoeding, aangezien de verdachte ten aanzien van het ten laste gelegde feit waarop de vorderingen betrekking hebben, zal worden vrijgesproken.

Dit brengt mee dat de benadeelde partijen dienen te worden veroordeeld in de kosten die de verdachte tot aan deze uitspraak in verband met zijn verdediging tegen die vordering heeft moeten maken, welke kosten de rechtbank tot op heden begroot op nihil.

8 De vordering tenuitvoerlegging

8.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft voorts de tenuitvoerlegging gevorderd van het voorwaardelijke deel van de bij vonnis van de kinderrechter in deze rechtbank d.d. 9 juli 2013 opgelegde taakstraf, bestaande uit een werkstraf voor de duur van 70 uren subsidiair 35 dagen vervangende jeugddetentie.

8.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft afwijzing van de vordering tot tenuitvoerlegging bepleit, nu de vordering pas twee maanden na afloop van de poeftijd is ingediend en hoewel dit binnen de termijn is, het bovendien enkel feiten betreffen die ruim voor het verstrijken van de proeftijd zijn gepleegd.

8.3

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank zal de vordering tot tenuitvoerlegging van het voorwaardelijke gedeelte van de werkstraf, opgelegd bij vonnis van de kinderrechter d.d. 9 juli 2013 afwijzen.

De rechtbank overweegt hierbij dat de verdachte zich gedurende een proeftijd van twee jaren - behoudens het andermaal plegen van strafbare feiten - aan alle voorwaarden die bij voornoemd vonnis zijn opgelegd, heeft gehouden en de vordering ook pas op 10 september 2015, bijna twee maanden na het verstrijken van de proeftijd, is opgesteld en vlak voor de zitting van heden aan de verdachte is betekend, terwijl de thans bewezenverklaarde feiten ruim voor het verstrijken van de proeftijd zijn gepleegd. De rechtbank ziet in deze omstandigheden aanleiding om de vordering af te wijzen.

9 De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen:

45, 77a, 77g, 77h, 77i, 77m, 77n, 77x, 77y, 77z, 77aa, 77gg en 311 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

10 De beslissing

De rechtbank:

verklaart niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de bij dagvaarding met parketnummer 09/777284-14 onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte de hem bij - gewijzigde -dagvaarding met parketnummer 09/777284-14 onder 3 primair en 4 ten laste gelegde feiten alsook het hem bij dagvaarding met parketnummer 09/7777130-15 ten laste gelegde feit heeft begaan en dat het bewezene uitmaakt:

09/777284-14 feit 3 primair:

DIEFSTAL DOOR TWEE OF MEER VERENIGDE PERSONEN WAARBIJ DE SCHULDIGE ZICH DE TOEGANG TOT DE PLAATS VAN HET MISDRIJF HEEFT VERSCHAFT DOOR MIDDEL VAN BRAAK EN INKLIMMING

09/777284-14 feit 4:

POGING TOT DIEFSTAL DOOR TWEE OF MEER VERENIGDE PERSONEN WAARBIJ DE SCHULDIGE ZICH DE TOEGANG TOT DE PLAATS VAN HET MISDRIJF HEEFT VERSCHAFT EN/OF HET WEG TE NEMEN GOED ONDER ZIJN BEREIK HEEFT GEBRACHT DOOR MIDDEL VAN BRAAK

09/777130-15:

DIEFSTAL WAARBIJ DE SCHULDIGE ZICH DE TOEGANG TOT DE PLAATS VAN HET MISDRIJF HEEFT VERSCHAFT DOOR MIDDEL VAN BRAAK EN INKLIMMING

verklaart het bewezene en de verdachte deswege strafbaar;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte bij dagvaarding meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt hem daarvan vrij;


veroordeelt de verdachte tot

jeugddetentie voor de duur van 76 DAGEN

bepaalt dat een gedeelte van de jeugddetentie groot 60 DAGEN, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten wegens niet nakoming van na te melden voorwaarden;

stelt de proeftijd vast op 2 jaren onder de algemene voorwaarden dat de veroordeelde:

- zich voor het einde van die proeftijd niet zal schuldig maken aan een strafbaar feit;

- ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit zijn medewerking zal verlenen aan het

nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1

Wet op de identificatieplicht ter inzage zal aanbieden;

- zijn medewerking zal verlenen aan het door de (jeugd)reclassering te houden toezicht,

bedoeld in artikel 77aa, eerste tot en met het vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de

medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen;

en onder de bijzondere voorwaarde dat de veroordeelde:

- zich gedurende de proeftijd en op door de reclassering te bepalen tijdstippen zal melden bij

de (jeugd) reclassering, zo frequent en zo lang deze instelling dat noodzakelijk acht;

- geeft opdracht aan de gecertificeerde instelling, de Stichting Jeugdbescherming west, tot

het houden van toezicht op de naleving van voormelde bijzondere voorwaarde en de

veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden;

bepaalt dat de tijd, door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijk gedeelte van de hem opgelegde jeugddetentie geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;

en veroordeelt verdachte voorts tot:

een taakstraf, bestaande uit een werkstraf, zijnde het verrichten van onbetaalde arbeid, voor de tijd van 40 UREN;

beveelt, voor het geval dat de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende jeugddetentie zal worden toegepast voor de tijd van 20 DAGEN;

heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte;

ten aanzien van feit 2:

bepaalt dat de benadeelde partijen [benadeelde 1] en [benadeelde 2] niet-ontvankelijk zijn in hun vorderingen tot schadevergoeding;

veroordeelt de benadeelde partijen in de kosten door de verdachte ter verdediging tegen de vordering gemaakt, welke kosten tot op heden begroot zijn op nihil;

de rechtbank wijst af de vordering tot tenuitvoerlegging van de straf, voorwaardelijk opgelegd bij voormeld vonnis van de kinderrechter in deze rechtbank d.d. 9 juli 2013, gewezen onder parketnummer 09/777192-13.

Dit vonnis is gewezen door

mr. J.C. U-A-Sai, kinderrechter, voorzitter,

mr. M.C. Bruining, kinderrechter,

en mr. J.A.H.M. Janssen, kinderrechter-plv.,

in tegenwoordigheid van mr. M.M. de Witte, griffier.

Het vonnis is uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 15 oktober 2015.

Mr. Janssen is buiten staat dit vonnis te ondertekenen.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar doorgenummerde dossierpagina’s betreft dit – voor zover niet anders weergegeven - delen van ambtsedige processen-verbaal de Politie Eenheid Den Haag, als bijlagen opgenomen bij het dossier met het nummer PL1500-2014340123Z, doorgenummerd als pagina 1 tot en met 1072.

2 Proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 1] pagina 435/445.

3 Proces-verbaal van aangifte van [benadeelde 1] , pagina 447/457 en verhoor benadeelde [benadeelde 2] , pagina 466/467.

4 Proces-verbaal verhoor getuige [getuige 1] , pagina 73/75.

5 Proces-verbaal verhoor getuige [getuige 2] , pagina 81/83.

6 Proces-verbaal van bevindingen, pagina 319.

7 Proces-verbaal van bevindingen, pagina 95/97.

8 Proces-verbaal aanhouding verdachte [verdachte], pagina 45/47.

9 Proces-verbaal aanhouding verdachte [medeverdachte 3] , pagina 23/25.

10 Proces-verbaal aanhouding verdachte [medeverdachte 1] , pagina 35/37.

11 Proces-verbaal aanhouding verdachte [medeverdachte 2] , pagina 57/59.

12 Proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 4] , pagina 67/68.

13 Proces-verbaal van verhoor aangeefster, pagina 762/763.

14 Proces-verbaal van bevindingen, met bijlagen, pagina 103/109.

15 Proces-verbaal sporenonderzoek, pagina 774/781.

16 Proces-verbaal sporenonderzoek, pagina 770/772.

17 Proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 5] , pagina 142/143.

18 Proces-verbaal sporenonderzoek 783/785.

19 Proces-verbaal uitslag sporenonderzoek, met bijlagen, pagina 786/792.

20 Verklaring verdachte ter terechtzitting van 1 oktober 2015.

21 Proces-verbaal verhoor verdachte [medeverdachte 2] , pagina 394/404.

22 Wanneer hierna wordt verwezen naar doorgenummerde dossierpagina’s betreft dit – voor zover niet anders weergegeven - delen van ambtsedige processen-verbaal de Politie Eenheid Den Haag, als bijlagen opgenomen bij het dossier met het nummer PL1500-2014340123Z, doorgenummerd als pagina 1 tot en met 1072.

23 Proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 6] , met bijlagen, pagina 828/838.

24 Proces-verbaal sporenonderzoek, pagina 839/841.

25 Rapport DNA-onderzoek aan een referentiemonster van een verdachte, met bijlage, pagina 843/845.

26 Proces-verhaal verhoor verdachte [verdachte] , pagina 637/641.

27 Verklaring verdachte ter terechtzitting van 1 oktober 2015.