Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2015:11851

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
01-10-2015
Datum publicatie
08-02-2016
Zaaknummer
AWB - 15 _ 2283
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Voor zover het bezwaar is gericht tegen de aanslag is de rechtbank van oordeel dat eiser onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij de Nederlandse taal onvoldoende beheerst en dat hij, zo dit al zou moeten worden aangenomen, niet in staat is geweest zich tijdig door een deskundige te laten bijstaan. Voor de stelling van eiser dat hij slechts als katvanger door derden zou zijn misbruikt is ook geen begin van bewijs aangedragen.

Voor zover het bezwaar is gericht tegen de verzuimboete stelt de rechtbank voorop dat de niet-ontvankelijkheid daarvan slechts kan worden uitgesproken indien kan worden gesteld dat de stelling van eiser dat een eventuele termijnoverschrijding niet aan hem is toe te rekenen, onjuist is. De bewijslast rust derhalve op de inspecteur. Met hetgeen verweerder heeft aangevoerd heeft hij naar het oordeel van de rechtbank voldaan aan de op hem rustende bewijslast.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2016/319
FutD 2016-0392
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Team belastingrecht

zaaknummer: SGR 15/2283

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 1 oktober 2015 in de zaak tussen

[eiser], wonende te [woonplaats], eiser

(gemachtigde: mr. K.Y. Ramdhan),

en

de inspecteur van de Belastingdienst/Belastingen, kantoor [plaats], verweerder.

Procesverloop

Verweerder heeft aan eiser voor het jaar 2009 een (ambtshalve) aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) met aanslagnummer [nummer] en een aanslag ZVW 2009, beide met dagtekening 28 november 2012, opgelegd

Eiser heeft op 10 juli 2013 een aangifte IB/PVV 2009 ingediend. Verweerder heeft deze aangifte als bezwaarschriften tegen de ambtshalve aanslag IB/PVV 2009 en de aanslag ZVW 2009 aangemerkt.

Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 17 februari 2015 het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.

Eiser heeft daartegen beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 september 2015 te Den Haag.

Namens eiser is zijn gemachtigde verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door [persoon A] en [persoon B].

Overwegingen

Feiten

1. Verweerder heeft aan eiser voor het jaar 2009 een (ambtshalve) aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) met aanslagnummer [nummer] en een aanslag ZVW 2009, beide met dagtekening 28 november 2012, opgelegd.

2. Eiser heeft op 10 juli 2013 een aangifte IB/PVV 2009 ingediend. Verweerder heeft deze aangifte als bezwaarschriften tegen de ambtshalve aanslag IB/PVV 2009 en de aanslag ZVW 2009 aangemerkt.

3. Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 17 februari 2015 het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard. Voorts is het verzamelinkomen nader op € 62.730 vastgesteld. De aanslag ZVW 2009 wordt gehandhaafd. De opgelegde verzuimboete bij de aanslag IB/PVV 2009 is nader vastgesteld op € 226 en de heffingsrente is bij ambtshalve vermindering van 4 maart 2015 nader vastgesteld op € 1.765.

Geschil
4. In geschil is de vraag of het bezwaar terecht niet-ontvankelijk is verklaard. Eiser heeft voorts verzocht om een immateriële schadevergoeding.

5. Eiser beantwoordt de vraag ontkennend en heeft – zakelijk weergegeven – het volgende aangevoerd. De verzuimboete heeft een punitief karakter. Dit betekent dat artikel 6 EVRM en strafrechtelijke waarborgen onverkort gelden in deze zaak. (zie HR, ECLI:NL:PHR:2014:521, Conclusie A.G. 28 mei 2014). Daar eiser de Nederlandse taal niet machtig is, zodat hij deze onvoldoende kan lezen en schrijven, is de verzuimboete niet bekend gemaakt in de taal die eiser machtig is. De werking van de beschikking, dus ook de bezwaartermijn wordt opgeschort, totdat eiser op een voor hem begrijpelijke wijze op de hoogte wordt gebracht van de verzuimboete. Hij verwijst hierbij naar de uitspraak van de Hoge Raad van 12 maart 2002, NJ 2002, 317. Eiser stelt daarom tijdig bezwaar te hebben gemaakt tegen de bestreden beschikking. Eiser is genaturaliseerde Nederlander geworden in de tijd dat de inburgeringscursus nog niet was ingevoerd. Bovendien bevindt hij zich enkel in sociale kringen van eigen afkomst. Uit een door eiser afgelegde verklaring tijdens een verhoor zou blijken dat hij begrepen zou hebben dat hij enveloppen van verweerder heeft geopend en daarin brieven zag waarin werd verzocht om informatie over de bedrijven [X] B.V. e.a. Verweerder concludeert hieruit zijns inziens ten onrechte dat als eiser de Nederlandse taal niet machtig is geweest, hij deze beoordelingen niet had kunnen maken. Voorts blijkt uit de verklaring van eiser dat hij niet kan aangeven om welke informatie is verzocht.

Uit zijn verklaring blijkt niet dat hij heeft begrepen dat aan hem verzuimboetes zijn opgelegd. Dit betekent dat verweerder er niet van mag uitgaan dat eiser de Nederlandse taal voldoende machtig is. Eiser is analfabeet ten aanzien van de Nederlandse taal, hij heeft geen basisonderwijs gevolgd in zijn jeugd. Aangezien de betreffende boete schriftelijk bekend gemaakt moet worden, had de betreffende boetebeschikking in de taal die eiser machtig is, namelijk de Surinaamse/Samami taal aan hem bekend gemaakt moeten worden. Nu dit niet is gebeurd, is de bezwaartermijn opgeschort en heeft hij tijdig bezwaar gemaakt.

Hij verzoekt de rechtbank het bezwaar ontvankelijk te verklaren, het beroep gegrond te verklaren, het bestreden besluit te vernietigen en verweerder op te dragen binnen een bepaalde termijn een nieuw besluit te nemen. Voorts verzoekt eiser om toekenning van een immateriële schadevergoeding tot een bedrag van € 1.500 omdat verweerder 13 maanden te laat uitspraak op bezwaar heeft gedaan.

6. Verweerder beantwoordt de vraag bevestigend en heeft daartoe het volgende aangevoerd. Eiser is directeur van [Y] B.V., van [X] B.V. en van [Z] B.V. Bij [Y] B.V. is door de Fiod een strafrechtelijk onderzoek ingesteld. Met toestemming van de Officier van Justitie zijn gegevens uit dit onderzoek gebruikt voor fiscale doeleinden.

Onweersproken is vast komen te staan dat eiser ondanks een herinnering en een aanmaning de aangifte IB/PVV 2009 niet binnen de gestelde termijn heeft ingeleverd. Zeven maanden nadat de aanslag is opgelegd heeft eiser zijn aangifte IB/PVV 2009 alsnog ingediend.

Verschoonbare termijnoverschrijding wordt niet snel aangenomen. Het niet beheersen van de Nederlandse taal ligt in de risico sfeer van eiser om de volgende redenen.

1. Eiser neemt deel aan het economisch maatschappelijke verkeer in Nederland. De deelname vindt plaats door middel van een aantal rechtspersonen.

2. Deelname aan het economisch maatschappelijke brengt met zich mee dat er contacten zijn met onder andere Belastingdienst.

3. De fiscale regelwetgeving brengt met zich mee dat er aan een aantal verplichtingen moet worden voldaan in casu de aangifte plicht.

4. Het niet voldoen aan deze verplichtingen brengt sancties met zich mee.

5. Eiser is geboren in Suriname waar de officiële (school)taal Nederlands is.

Al deze factoren brengen met zich mee, dat eiser maatregelen had kunnen en moeten treffen om aan de verplichtingen te voldoen, door bijvoorbeeld het inhuren van een adviseur. Nu eiser dit heeft nagelaten respectievelijk niet voldoende controle heeft uitgeoefend of de verplichtingen worden nagekomen is er geen sprake van een verschoonbare termijnoverschrijding. Het beroep dient ongegrond verklaard te worden. Eiser heeft geen recht op een schadevergoeding, onder meer omdat er verscheidene malen in de bezwaarfase om uitstel is verzocht.

Beoordeling van het geschil

7. Voor het indienen van een bezwaarschrift geldt een termijn van zes weken. Deze termijn begint op de dag na die van de dagtekening van de aanslag. Dit volgt uit artikel 22j van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (Awr).

8. Een bezwaarschrift is tijdig ingediend wanneer het voor het einde van de termijn door verweerder is ontvangen. Als het bezwaarschrift per post wordt verstuurd, is het ook verweerder is ontvangen binnen een week na afloop van de termijn. Dit volgt uit artikel 6:9, eerste en tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

9. Als iemand een bezwaarschrift te laat indient, moet het bestuursorgaan het bezwaar niet-ontvankelijk verklaren. Dat is alleen anders als het niet of niet tijdig indienen van het bezwaarschrift niet aan betrokkene is toe te rekenen. Dan laat verweerder op grond van artikel 6:11 van de Awb niet-ontvankelijkverklaring als gevolg van die te late indiening achterwege.

10. Vast staat is dat de dagtekening van de aanslagen 28 november 2012 is, zodat de termijn voor het indienen van bezwaarschriften eindigde op 9 januari 2013.

11. Verweerder heeft de als bezwaarschriften aangemerkte aangifte ontvangen op 10 juli 2013. Eiser heeft (samengevat) als reden voor de termijnoverschrijding gegeven dat hij de Nederlandse taal niet voldoende machtig was, zodat hij geen kennis heeft kunnen nemen van de opgelegde aanslag en verzuimboete. Om die reden zou de termijnoverschrijding verschoonbaar moeten zijn.

12. De rechtbank begrijpt het standpunt van eiser aldus, dat hij van mening is dat nu de bekendmaking van de aanslag niet op de juiste wijze in zijn eigen taal is geschied, de bezwaartermijn niet is aangevangen.

13. Eisers beroep op de door hem aangehaalde jurisprudentie kan niet slagen. Anders dan eiser kennelijk voorstaat, leest de rechtbank hierin niet dat de bezwaartermijn niet gaat lopen, zolang eiser niet in zijn eigen taal bericht heeft ontvangen over de aanslag en boetebeschikking. Nu de rechtbank van oordeel is dat de aanslag en de verzuimboete op de juiste wijze zijn bekendgemaakt, dient de rechtbank te beoordelen of er sprake is van een situatie waarin niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar achterwege moet blijven omdat redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat eiser in verzuim is geweest.

14. De rechtbank maakt daarbij onderscheid tussen het bezwaar tegen de aanslag en het bezwaar tegen de verzuimboete.

Voor zover het bezwaar is gericht tegen de aanslag is de rechtbank van oordeel dat eiser onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij de Nederlandse taal onvoldoende beheerst en dat hij, zo dit al zou moeten worden aangenomen, niet in staat is geweest zich tijdig door een deskundige te laten bijstaan. Voor de stelling van eiser dat hij slechts als katvanger door derden zou zijn misbruikt is ook geen begin van bewijs aangedragen.

Voor zover het bezwaar is gericht tegen de verzuimboete stelt de rechtbank voorop dat de niet-ontvankelijkheid daarvan slechts kan worden uitgesproken indien kan worden gesteld dat de stelling van eiser dat een eventuele termijnoverschrijding niet aan hem is toe te rekenen, onjuist is. De bewijslast rust derhalve op de inspecteur. Met hetgeen verweerder heeft aangevoerd heeft hij naar het oordeel van de rechtbank voldaan aan de op hem rustende bewijslast. Nu eiser er in een later stadium in is geslaagd een gemachtigde in te schakelen, valt niet in te zien waarom dat niet eerder mogelijk zou zijn geweest.

Derhalve is er geen sprake van een situatie als bedoeld in artikel 6:11 van de Awb die in de weg zou staan aan niet-ontvankelijkverklaring.

15. De rechtbank is gelet op het voorgaande van oordeel dat verweerder het bezwaar van eiser terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard. Het beroep dient dan ook ongegrond te worden verklaard.

16. Met betrekking tot de door eiser gevraagde immateriële schadevergoeding overweegt de rechtbank als volgt.

In onder meer het arrest van 10 juni 2011, 09/05112, ECLI:NL:HR:2011:BO5080 heeft de Hoge Raad beslist dat in belastingzaken, waar artikel 6 EVRM niet van toepassing is, een schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn kan worden toegekend. Voor de hoogte van de schadevergoeding hanteert de Hoge Raad een tarief van € 500 per halfjaar dat de redelijke termijn is overschreden, waarbij het totaal van de overschrijding naar boven wordt afgerond.

17. Bij de beoordeling van de vraag of de redelijke termijn is overschreden, moet worden aangesloten bij de uitgangspunten die zijn neergelegd in het arrest van de Hoge Raad van 22 april 2005, nr. 37984, ECLI:NL:HR:2005:AO9006. Dit betekent dat als uitgangspunt geldt dat, behoudens bijzondere omstandigheden, de berechting van een zaak door de rechtbank niet binnen een redelijke termijn geschiedt indien de rechtbank niet binnen twee jaar nadat die termijn is aangevangen, uitspraak doet. Die termijn vangt op grond van het arrest van de Hoge Raad van 10 juni 2011 aan op het moment dat verweerder het bezwaarschrift ontvangt.

18. Eiser heeft op 10 juli 2013 de aangifte ingediend die door verweerder als bezwaarschrift is aangemerkt. Bepalend voor de redelijke termijnberekening is de datum waarop de rechtbank uitspraak doet. Dit is 1 oktober 2015. Nu de standaard termijn (inclusief verlenging) die aan verweerder ter beschikking staat voor het afhandelen van een bezwaarschrift twaalf weken bedraagt, dient deze op de totale termijn in mindering te worden gebracht. Dit leidt tot de conclusie dat de redelijke termijn voor het doen van uitspraak niet wordt overschreden. Het feit dat verweerder pas op 17 februari 2015 uitspraak op bezwaar heeft gedaan, maakt dat niet anders, nu volgens vaste jurisprudentie de lange termijn van de bezwaarfase gecompenseerd kan worden met een korte duur van de beroepsprocedure (zie Hoge Raad van 12 december 2014, 14/00797, ECLI:NL:HR:2014:3562). Er is dan ook geen aanleiding om schadevergoeding toe te kennen.

Proceskosten

19. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep ongegrond;

- wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. E.I. Batelaan-Boomsma, rechter, in aanwezigheid van mr. A.M. van Duijvendijk, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 1 oktober 2015.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na verzending hoger beroep instellen bij het gerechtshof Den Haag (belastingkamer), Postbus 20021, 2500 EA Den Haag.