Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2015:11843

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
16-09-2015
Datum publicatie
19-10-2015
Zaaknummer
C/09/480724 / HA ZA 15-58
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verevening pensioenrechten; de vermeende uitsluiting van de toepasselijkheid van de Wet VP en/of de vermeende totstandkoming van een afwijkende verdelingsmethode is niet komen vast te staan, vordering afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK DEN HAAG

Team handel

zaaknummer / rolnummer: C/09/480724 / HA ZA 15-58

Vonnis van 16 september 2015

in de zaak van

[de man],

wonende te [woonplaats 1] ,

eiser,

advocaat mr. J.F.J. van den Hoek te Rotterdam,

tegen

[de vrouw],

wonende te [woonplaats 2] ,

gedaagde,

advocaat mr. W.A.M. Kouters te Dordrecht.

Partijen worden hierna [de man] en [de vrouw] genoemd.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het verzoekschrift van 29 september 2014, met bijlagen;

  • -

    de beschikking van 15 december 2014, hersteld bij de beschikking van 8 januari 2015, van Team familie van deze rechtbank, waarbij - onder toepassing van het bepaalde van artikel 69 Rv - is bevolen dat de procedure in de stand waarin deze zich bevindt wordt voortgezet volgens de regels die gelden voor de dagvaardingsprocedure en is bepaald dat de zaak zal worden uitgeroepen ter rolzitting van Team handel van deze rechtbank;

  • -

    het betekeningsexploot van 31 december 2014;

  • -

    het herstelexploot van 16 januari 2015;

  • -

    de conclusie van antwoord, met producties;

  • -

    het tussenvonnis van 1 april 2015, waarbij een comparitie van partijen is bevolen;

  • -

    het proces-verbaal van comparitie van partijen van 6 augustus 2015.

1.2.

Ten slotte is een datum voor vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

[de man] en [de vrouw] zijn op 7 juli 1989 te Waddinxveen in algehele gemeenschap van goederen met elkaar gehuwd.

2.2.

Tijdens het huwelijk hebben [de man] en [de vrouw] - voor zover relevant - de volgende pensioenaanspraken opgebouwd:

aan de zijde van [de man]
- pensioen bij het ABP te Heerlen;
- pensioen bij de Stichting Pensioenfonds Mercer;

aan de zijde van [de vrouw]
- pensioen bij de naamloze vennootschap Aegon Levensverzekeringen N.V.

2.3.

Op enig moment hebben [de man] en [de vrouw] besloten hun huwelijk door echtscheiding te willen ontbinden. In het kader van de afwikkeling van de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap zijn diverse (echtscheidings)gesprekken gevoerd. Tijdens die gesprekken werd [de man] bijgestaan door een advocaat en [de vrouw] door een scheidingsplanner (hierna: de scheidingsplanner).
2.4. Op 11 juni 2012 heeft een gesprek als bedoeld onder 2.3. plaatsgevonden. Daarbij is onder meer gesproken over de verdeling van de onder 2.2. genoemde pensioenaanspraken.

2.5.

Bij e-mail van 13 juni 2012 en refererend aan het (echtscheidings)gesprek van 11 juni 2012 heeft de scheidingsplanner (namens [de vrouw] ) aan de advocaat van [de man] geschreven, voor zover relevant:
Ouderdomspensioen
In het kader van de door de man opgebouwde pensioenaanspraken bij Mercer wil de vrouw afwijken van de standaardregeling volgens de wet Pensioenverevening bij scheiding door de verhouding 75%/25% af te spreken, waarbij de man dan 75% zal behouden.

Partijen sluiten bij deze de werking van de Wet Verevening Pensioenrechten bij scheiding met betrekking tot de door de vrouw opgebouwde rechten op ouderdomspensioen bij Aegon uit. Er zal derhalve geen pensioenverevening plaatsvinden.

Partijen sluiten bij deze de werking van de Wet Verevening Pensioenrechten bij scheiding met betrekking tot de door de man opgebouwde rechten bij Pensioenfonds ABP op ouderdomspensioen uit. Er zal derhalve geen pensioenverevening plaatsvinden.’

2.6.

In reactie hierop heeft de advocaat van [de man] bij e-mail van 23 juni 2012 aan de scheidingsplanner geschreven, voor zover relevant:
‘Het door u aan de orde gestelde onderwerp inzake het ouderdomspensioen (…) is inderdaad conform het (…) besprokene, waar ook mijn cliënt zich achter stelt. Daarover bestaat derhalve consensus.’

2.7.

Begin 2013 hebben partijen deze rechtbank (over en weer) verzocht om de echtscheiding uit te spreken.

2.8.

Ter gelegenheid van de mondelinge behandeling van hun zaak op 16 januari 2014 hebben partijen ter beëindiging van hun geschil overeenstemming bereikt omtrent de partneralimentatie en de afwikkeling van de verdeling van de huwelijksgoederen-gemeenschap. De overeenstemming is vastgelegd in de vaststellingsovereenkomst van 16 januari 2014 (hierna: de vaststellingsovereenkomst).

2.9.

De vaststellingsovereenkomst vermeldt, voor zover relevant:
‘Partijen komen ter beëindiging van hun geschil het volgende overeen:

1. De man betaalt aan de vrouw met ingang van 1 februari 2014 een bedrag als bijdrage in haar levensonderhoud (….).

2. De echtelijke woning wordt toebedeeld aan de man. (…)

3. Alle verzekeringen en rekeningen op naam van één van partijen zullen op naam van die partij blijven staan. Partijen zullen over en weer - voor zover nodig - hun medewerking verlenen aan het op naam van één van partijen stellen van alle rekeningen en verzekeringen, de auto en aan de overdracht van de onverdeelde helft van de woning aan de man. (…).

4. De man betaalt aan de vrouw ter zake overbedeling een bedrag van € 44.000,-- bij gelegenheid van transport van de echtelijke woning.
5. Nadat voormelde regelingen ten uitvoer zijn gelegd, hebben partijen over een weer niets meer van elkaar te vorderen en zij verlenen elkaar ter zake reeds nu voor alsdan over en weer finale kwijting.’
Bij beschikking van 17 januari 2014 is door deze rechtbank de echtscheiding uitgesproken. De echtscheiding is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand van de gemeente Waddinxveen op 3 februari 2014.

3 Het geschil

3.1.

[de man] vordert dat de rechtbank bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
I. voor recht verklaart dat tussen partijen op 23 juni 2012 een overeenkomst tot stand is gekomen, zoals weergegeven in - met name de punten 4 tot en met 6 van - het onder 1.1. genoemde verzoekschrift;
II. [de vrouw] veroordeelt om binnen twee weken na betekening van [de rechtbank leest:] het te wijzen vonnis haar medewerking te verlenen aan de door [de man] voorgestane registratie van voornoemde afspraken, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 150,- voor iedere dag dat [de vrouw] niet aan die veroordeling zal voldoen en kosten rechtens.

3.2.

[de man] legt aan zijn vorderingen ten grondslag dat - los van de vaststellingsovereenkomst en de daarbij beslechte geschilpunten (zie 2.8. en 2.9.) - tussen partijen ten aanzien van de verdeling/verevening van (onder meer) de onder 2.2. genoemde pensioenaanspraken een overeenkomst tot stand is gekomen met als aanbod de hiervoor onder 2.5. geciteerde passage uit de e-mail van 13 juni 2012 en als aanvaarding de hiervoor onder 2.6. geciteerde passage uit de e-mail van 23 juni 2012. Volgens [de man] zijn bij die overeenkomst de navolgende bindende afspraken gemaakt over de verdeling/verevening van de onder 2.2. genoemde pensioenaanspraken:
- wat betreft het bij Mercer opgebouwde pensioen is een verdeling van 75%/25% overeengekomen, waarbij [de man] 75% behoudt;
- wat betreft het bij Aegon en ABP opgebouwd pensioen is overeengekomen dat er geen pensioenverevening plaatsvindt,
een en ander in afwijking van de standaard 50%/50%-regeling in respectievelijk onder uitsluiting van de toepasselijkheid van de Wet verevening pensioenrechten bij scheiding (hierna: de Wet VP).

3.3.

[de man] heeft [de vrouw] verzocht middels de daarvoor bestemde mededelingsformulieren haar fiat tot registratie van vorenbedoelde afspraken bij de pensioenuitvoerders te geven. Alhoewel daartoe uit hoofde van voornoemde overeenkomst verplicht, heeft [de vrouw] laten weten aan de verzochte registratie geen medewerking te verlenen alsook dat zij een “standaardverevening” wenst.

3.4.

[de vrouw] voert gemotiveerd verweer. Zij betoogt dat de vaststellingsovereenkomst de kwestie behelst van de partneralimentatie en de verdeling van de - inmiddels ontbonden - huwelijksgoederengemeenschap, die ondertussen zowel feitelijk als financieel volledig is afgewikkeld. Partijen hebben ter zake niets meer van elkaar te vorderen en de overeengekomen partneralimentatie wordt door [de man] maandelijks betaald. [de man] stelt zich thans ten onrechte op het standpunt dat er in juni 2012 deelafspraken tot stand zijn gekomen met betrekking tot een van de Wet VP afwijkende pensioenvereveningsregel. Volgens [de vrouw] is er in de fase vóór de zitting van 16 januari 2014 geen overeenstemming bereikt over enig onderdeel/gevolg van de scheiding. Er zijn geen afspraken gemaakt of ondertekend. De heen en weer gaande onderhandelingen zijn destijds afgebroken, zonder resultaat. Ook tijdens de rechtszitting van 16 januari 2014 heeft [de man] zich niet op het standpunt gesteld dat een afwijkende afspraak ter zake van pensioenverevening tot stand was gekomen, hetgeen alsdan wel op zijn weg had gelegen. Nu tussen partijen evenmin een convenant tot stand is gekomen waarbij de toepasselijkheid van de Wet VP is uitgesloten, dient de standaardregeling van de Wet VP te worden gevolgd.

3.5.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling
4.1. In geschil is of partijen ten aanzien van de verdeling van de onder 2.2. genoemde pensioenaanspraken bindende afspraken hebben gemaakt, waarbij wat betreft het bij Aegon en het ABP opgebouwde pensioen de werking van de Wet VP is uitgesloten en wat betreft het bij Mercer opgebouwde pensioen van de wettelijke regeling is afgeweken.
Standaardregeling
4.2. Wettelijk uitgangspunt is dat de na de huwelijkssluiting opgebouwde pensioenrechten bij scheiding verevend worden. In de Wet VP is daartoe een standaardregeling opgenomen (artikel 2 Wet VP). Daarbij krijgen de ex-echtelieden de helft van het ouderdomspensioen dat door de ander tijdens het huwelijk is opgebouwd (artikel 3 lid 1 Wet VP). Dit recht ontstaat van rechtswege bij het definitief worden van de scheiding.

Afwijking/uitsluiting van de standaardregeling
4.3. De artikelen 2 lid 1 en 4 lid 1 Wet VP bieden evenwel de mogelijkheid om de toepasselijkheid van de Wet VP uit te sluiten dan wel om van de wettelijke standaardregeling afwijkende verdelingsmethoden overeen te komen. Dit kan bij
(i) huwelijkse voorwaarden of (ii) een bij geschrift gesloten overeenkomst met het oog op de scheiding, derhalve een echtscheidingsconvenant. Voor een rechtsgeldige uitsluiting dan wel afwijking van de Wet VP dient aldus sprake te zijn van een door beide partijen - wat betreft het echtscheidingsconvenant niet mede door een advocaat of notaris - ondertekend geschrift.

4.4.

Vaststaat dat [de man] en [de vrouw] – destijds gehuwd in gemeenschap van goederen (zie hiervoor onder 2.1.) – niet bij huwelijkse voorwaarden de toepasselijkheid van de Wet VP hebben uitgesloten dan wel een daarvan afwijkende regeling zijn overeengekomen. Ter discussies staat of zij dat hebben gedaan door middel van een overeenkomst als hiervoor onder (ii) genoemd. De tussen partijen gesloten vaststellingsovereenkomst van 16 januari 2014 kan als een dergelijke overeenkomst worden aangemerkt. De rechtbank stelt evenwel vast dat daarin ten aanzien van de pensioenaanspraken niets is opgenomen (zie 2.9.), terwijl – zoals [de vrouw] terecht betoogt – indien uitsluiting en/of afwijking van de Wet VP was beoogd dit wel voor de hand had gelegen. Weliswaar blijkt uit de onder 2.5. en 2.6. weergegeven e-mailwisseling dat partijen hebben gesproken over verrekening of verevening van de pensioenaanspraken, maar zelfs indien sprake is van aanbod en aanvaarding – hetgeen de rechtbank in het midden laat – is daarmee niet voldaan aan het schriftelijkheidsvereiste van de artikelen 2 en 4 Wet VP. Immers, een door beide partijen ondertekende overeenkomst ontbreekt.

4.5.

Evenmin kan geoordeeld worden dat uit het arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 27 januari 2015 (ECLI:NL:GHARL:2015:618) kan worden afgeleid dat in onderhavig geval sprake is van een rechtsgeldige afwijking /uitsluiting van de toepasselijkheid van de Wet VP. Immers in genoemd arrest is, anders dan in dit geschil, wél sprake van een door beide partijen ondertekend geschrift. Het betrof weliswaar een ‘ontwerp’akte verdeling maar die voldeed aan de wettelijk vastgestelde vormvoorschriften voor afwijking van de wettelijke regeling: partijen hadden namelijk iedere pagina voorzien van een paraaf en de laatste pagina van een handtekening.

4.6.

Ten slotte verwerpt de rechtbank het betoog van [de man] dat [de vrouw] zelf ook in overeenstemming met de vermeende afspraken handelt. De enkele door [de man] in dit verband aangevoerde omstandigheid dat [de vrouw] aan Aegon niet een mededelingsformulier als bedoeld in artikel 2 lid 2 Wet VP heeft gezonden, oordeelt de rechtbank onvoldoende om aldus te concluderen. Dit geldt te meer nu de handelswijze van [de vrouw] er veeleer van getuigt dat uitvoering is gegeven aan de wettelijke standaardregeling. [de vrouw] heeft in navolging van de Wet VP immers wél mededelingsformulieren aan Mercer en het ABP gestuurd (zie de producties 3 en 5 bij de conclusie van antwoord). Daar komt bij dat aan de zijde van [de vrouw] op de zitting onweersproken is gesteld dat haar handelswijze ingeval van de standaardverevening gebruikelijk is; ieder van de partijen stuurt een mededelingsformulier aan de pensioenuitvoerder van de ander. Het betoog van [de man] dat van [de vrouw] mocht worden verwacht dat zij het mededelingsformulier zelf aan Aegon zou sturen, verhoudt zich hiermee niet en wordt dan ook gepasseerd.

Conclusie
4.7. Nu de vermeende uitsluiting van de toepasselijkheid van de Wet VP en/of de vermeende totstandkoming van een afwijkende verdelingsmethode niet is komen vast te staan, ziet de rechtbank geen ruimte om het gevorderde toe te wijzen.

Proceskostenveroordeling
4.8. In de omstandigheid dat partijen een affectieve relatie hebben gehad, wordt aanleiding gevonden te bepalen dat iedere partij de eigen proceskosten draagt. Hierbij merkt de rechtbank op dat, anders dan [de vrouw] lijkt voor te staan, niet gezegd kan worden dat de beslissing zó voor de hand lag dat het in rechte betrekken van [de vrouw] als volstrekt onnodig en onterecht dient te worden geoordeeld. De enkele omstandigheid dat de vorderingen van [de man] worden afgewezen, rechtvaardigt een dergelijk oordeel niet.

5 De beslissing

De rechtbank

5.1.

wijst het gevorderde af;

5.2.

compenseert de kosten in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.J.A.M. Ahsmann en in het openbaar uitgesproken op 16 september 2015 in tegenwoordigheid van de griffier.

1

1 type: 1486coll: 2049