Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2015:11839

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
03-09-2015
Datum publicatie
21-10-2015
Zaaknummer
AWB - 14 _ 10763
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Enig bestuurder van eiseres heeft een zakelijke bankrekening geopend op naam van eiseres. Het beheer van deze bankrekening heeft de bestuurder overgedragen aan S. Zij heeft in dat kader de bij de rekening behorende bankpas, pincode, inloggegevens en tancodes afgegeven aan S. De bestuurder heeft verklaard de eerste aangifte omzetbelatsing samen met S zodanig te hebben ingevuld dat een teruggaaf van € 8.000 resulteerde en vervolgens de inloggegevens voor het indienen van de aangifte te hebben overhandigd aan S. Uit het controlerapport naar aanleiding van een boekenonderzoek bij eiseres volgt dat eiseres niet kan worden aangemerkt als ondernemer in de zin van artikel 7 van de Wet op de omzetbelasting 1968 en ten onrechte over de jaren 2010 en 2011 een bedrag van € 22.155 respectievelijk € 35.525 aan omzetbelasting is teruggevraagd. In geschil is of de naheffingsaanslag en boetebeschikking terecht aan eiseres zijn opgelegd. De rechtbank oordeelt dat de naheffingsaanslag terecht aan eiseres is opgelegd. De aangiften omzetbelasting zijn op naam van eiseres ingediend en hiervoor is gebruik gemaakt van (exclusief) aan haar verstrekte inloggegevens. Dat eiseres het indienen van de aangiften aan S heeft overgelaten en daartoe de inloggegevens van de Belastingdienst uit handen heeft gegeven komt voor haar rekening en risico. De rechtbank matigt wel de boete tot een bedrag van € 8.600. S heeft namens eiseres opzettelijk onjuiste aangiften gedaan, maar verweerder heeft onvoldoende feiten gesteld op grond waarvan die opzet kan worden toegerekend aan eiseres.

Wetsverwijzingen
Wet op de omzetbelasting 1968 7, geldigheid: 2015-10-21
Algemene wet inzake rijksbelastingen 67f, geldigheid: 2015-10-21
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2015-2608
V-N 2015/57.17.5
V-N Vandaag 2015/2275

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Team belastingrecht

zaaknummer: SGR 14/10763

uitspraak van de meervoudige kamer van 3 september 2015 in de zaak tussen

[eiseres] , gevestigd te [plaats 1] , eiseres

(gemachtigde: mr. R.H. Lussenburg),

en

[P] , verweerder.

Procesverloop

Verweerder heeft aan eiseres over het tijdvak 1 mei 2010 tot en met 31 december 2011 een naheffingsaanslag omzetbelasting opgelegd van € 57.410 (de naheffingsaanslag), alsmede bij beschikking een boete van € 28.705 (de boetebeschikking). Verweerder heeft voorts bij beschikking € 3.432 heffingsrente in rekening gebracht.

Verweerder heeft bij in één geschrift vervatte uitspraken op bezwaar de naheffingsaanslag en de boetebeschikking gehandhaafd.

Eiseres heeft daartegen beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 juni 2015 te Den Haag.

Namens eiseres is [naam 1] verschenen, bijgestaan door de gemachtigde van eiseres. Namens verweerder zijn verschenen [naam 2] en [naam 3] .

Deze zaak is gelijktijdig behandeld met de zaak met procedurenummer SGR 14/10798. Al hetgeen is aangevoerd en overgelegd wordt geacht in beide zaken te zijn aangevoerd en overgelegd.

Overwegingen

Feiten

1. Bij akte van 11 mei 2010 is eiseres ingeschreven bij ‘ [X] ’ te [plaats 2] , [land] onder nummer [nummer] .

2. Enig bestuurder van eiseres is [naam 1] (de bestuurder).

3. Volgens de inschrijving bestonden de activiteiten van de onderneming uit: Groothandel in machines voor de bouw, groothandel in ecologische bouwmaterialen en toebehoren alsmede bouw-, grond- en straatwerken. Tevens de handel in bouwmachines en onderdelen.

4. Per 1 januari 2012 is eiseres uitgeschreven uit het register en is zij opgeheven.

5. De bestuurder heeft in verband met de activiteiten van eiseres een zakelijke bankrekening geopend op naam van eiseres. Het beheer van deze bankrekening heeft bestuurder aan de heer [S] (S) overgedragen. In dat kader heeft zij de bij deze rekening behorende bankpas, pincode, inloggegevens en tancodes aan hem afgegeven. De dagafschriften van deze betaalrekening ontving bestuurder, waarna zij deze dagafschriften in een map voegde.

6. Vanaf het vierde kwartaal 2010 zijn op naam van eiseres aangiften omzetbelasting ingediend. De bestuurder heeft verklaard de eerste aangifte samen met S zodanig te hebben ingevuld dat een teruggaaf van € 8.000 resulteerde en vervolgens de inloggegevens voor het indienen van de aangiften te hebben overhandigd aan S. Over de jaren 2010 en 2011 is een bedrag van € 22.155 respectievelijk € 35.255 aan omzetbelasting teruggevraagd.

7. Bij eiseres heeft een boekenonderzoek plaatsgevonden waarvan op 30 augustus 2013 een controlerapport is opgesteld. Uit dit controlerapport volgt dat eiseres niet kan worden aangemerkt als ondernemer in de zin van artikel 7 van de Wet op de omzetbelasting 1968 en dat er aan de teruggevraagde omzetbelasting geen prestaties en facturen ten grondslag liggen.

8. Op basis van de bevindingen uit het boekenonderzoek heeft verweerder aan eiseres onderhavige naheffingsaanslag en boetebeschikking opgelegd, die bij uitspraak op bezwaar zijn gehandhaafd.

Geschil
9. In geschil is of de naheffingsaanslag en de vergrijpboete terecht aan eiseres zijn opgelegd. Daarnaast is de hoogte van de vergrijpboete in geschil.

10. Eiseres stelt dat de naheffingsaanslag en boetebeschikking ten onrechte aan haar zijn opgelegd en dat deze aan S opgelegd hadden moeten worden. Hiertoe voert zij onder meer aan dat eiseres de dagelijkse gang van zaken aan S overliet, dat zij niet (volledig) op de hoogte was van de aangiften omzetbelasting die S indiende en dat er dan ook geen sprake is van het door haar opzettelijk indienen van onjuiste aangiften. S heeft misbruik gemaakt van het vertrouwen dat de bestuurder in hem had en heeft bovendien identiteitsfraude gepleegd door zich voor de bestuurder uit te geven. De verantwoordelijkheid voor de onjuiste aangiften ligt bij S. Dat eiseres op de aangiften ten onrechte in totaal een bedrag van € 57.410 heeft teruggevraagd terwijl daarop geen recht bestond, is niet in geschil.

11. Eiseres concludeert primair tot gegrondverklaring van het beroep, vernietiging van de uitspraak op bezwaar en vernietiging van de naheffingsaanslag en de vergrijpboete. Subsidiair concludeert eiseres tot gegrondverklaring van het beroep, vernietiging van de uitspraak op bezwaar, vermindering van de naheffingsaanslag tot een bedrag van € 13.000 en vernietiging van de vergrijpboete.

12. Verweerder heeft de standpunten van eiseres gemotiveerd betwist. Verweerder concludeert primair tot ongegrondverklaring van het beroep en subsidiair tot gegrondverklaring van het beroep en vermindering van de boete tot € 14.352 omdat sprake is van grove schuld.

Beoordeling van het geschil

13. De aangiften omzetbelasting zijn ingediend op naam van eiseres en hiervoor is gebruik gemaakt van de (exclusief) aan de bestuurder van eiseres verstrekte inloggegevens. Op deze aangiften zijn bedragen in aftrek gebracht en deze bedragen zijn ook daadwerkelijk uitbetaald op de op naam van eiseres staande bankrekening. Dit betekent dat de naheffingsaanslag terecht aan eiseres is opgelegd. Dat de aangiften feitelijk zijn ingevuld door S en hij ook, althans volgens de stelling van eiseres, over de teruggaven heeft beschikt, maakt dit niet anders. De verantwoordelijkheid voor het indienen van een juiste aangifte omzetbelasting lag immers bij eiseres. Dat zij dat heeft overgelaten aan S en daartoe de inloggegevens van de Belastingdienst uit handen heeft gegeven, komt voor haar rekening en risico.

14. Ingevolge artikel 67f, eerste lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen kan aan de belastingplichtige een vergrijpboete worden opgelegd indien het aan diens opzet of grove schuld is te wijten dat omzetbelasting niet, gedeeltelijk niet, dan wel niet binnen de in de belastingwet gestelde termijn is betaald. Daarmee wordt gelijk gesteld het geval waarin, naar aanleiding van een verzoek, ten onrechte teruggaaf van belasting is verleend. Verweerder heeft een vergrijpboete opgelegd van 50% van de na te heffen belasting, omdat naar zijn mening sprake is van het opzettelijk doen van onjuiste aangiften. De bewijslast voor de aanwezigheid van (voorwaardelijk) opzet rust op verweerder.

15. Verweerder heeft met hetgeen hij heeft aangevoerd niet aannemelijk gemaakt dat het aan (voorwaardelijk) opzet van eiseres te wijten is dat onjuiste dan wel onvolledige aangiften omzetbelasting zijn gedaan. Uit de stukken van het geding kan weliswaar worden afgeleid dat S namens eiseres opzettelijk onjuiste aangiften heeft gedaan, maar verweerder heeft onvoldoende feiten gesteld op grond waarvan die opzet kan worden toegerekend aan eiseres. Naar het oordeel van de rechtbank kan eiseres echter wel grove schuld worden verweten aangezien zij door het uit handen geven van de inloggegevens aan S hem de faciliteiten heeft geboden om onjuiste aangiften in te dienen. De rechtbank acht een boetebedrag van € 14.352, gelet op de door verweerder onweersproken slechte financiële situatie van eiseres, echter niet passend en geboden. De rechtbank ziet daarom aanleiding de boete te matigen tot een bedrag van € 8.600.

16. Gelet op wat hiervoor is overwogen, dient het beroep gegrond te worden verklaard.

Proceskosten

17. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiseres gemaakte proceskosten. Naar het oordeel van de rechtbank is ten aanzien van onderhavige zaak en de gelijktijdig ter zitting behandelde zaak met zaaknummer SGR 14/10798 sprake van samenhangende zaken als bedoeld in artikel 3 van het Besluit proceskosten bestuursrecht (het Besluit). Op grond van bijlage C2 bij het Besluit is de wegingsfactor bij minder dan vier samenhangende zaken 1. De kosten voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand stelt de rechtbank vast op € 980 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 490 en een wegingsfactor 1). Gelet op bovengenoemde samenhang zal de rechtbank deze proceskosten gelijkelijk over beide zaken verdelen en in onderhavige zaak een kostenvergoeding toekennen van € 490.

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep voor zover gericht tegen de boetebeschikking gegrond;

  • -

    verklaart het beroep voor het overige ongegrond;

  • -

    vernietigt de uitspraak op bezwaar voor zover deze betrekking heeft op de boetebeschikking;

  • -

    vermindert de boete tot € 8.600 en bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het vernietigde deel van de uitspraak op bezwaar;

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 490;

  • -

    draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 165 aan eiseres te vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. G.J. Ebbeling, voorzitter, en mr. E. Kouwenhoven en

mr. H.W.M. van Kesteren, leden, in aanwezigheid van mr. B. van Eeuwijk, griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 3 september 2015.

griffier voorzitter

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na verzending hoger beroep instellen bij het gerechtshof Den Haag (belastingkamer), Postbus 20021,

2500 EA Den Haag.