Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2015:11827

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
08-10-2015
Datum publicatie
21-10-2015
Zaaknummer
AWB - 15 _ 1910
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: SGR 15/1910 AW

uitspraak van de meervoudige kamer van 8 oktober 2015 in de zaak tussen

[eiser] , te [plaats] , eiser

(gemachtigde: mr. M.F.A. Dankbaar),

en

[verweerder] , verweerder

(gemachtigde: mr.drs. J.H.M. Wesseling).

Procesverloop

Eiser heeft bij brief van 13 maart 2015 beroep ingesteld tegen het besluit van

3 februari 2015, waarbij zijn bezwaar tegen het besluit van 25 juni 2014 ongegrond is verklaard.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 augustus 2015.

Eiser is in persoon verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde.

Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Voorts is van de zijde van verweerder verschenen [naam] , directiesecretaris.

Overwegingen

1 De rechtbank gaat bij de beoordeling van dit beroep uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1

Op 25 april 2001 is [BV 1] opgericht, waarin eiser 100% aandeelhouder is. In deze vennootschap is in de vorm van een stamrecht een bruto ontslagvergoeding ondergebracht, die eiser had ontvangen in verband met een eerder ontslag bij een andere werkgever.

1.2

Eiser is vanaf november 2001 werkzaam geweest als secretaris-directeur bij [verweerder] . Aan eiser is per 1 september 2006 eervol ontslag verleend op grond van artikel 8:8 van de Collectieve Arbeidsvoorwaardenregeling sector gemeenten (CAR). In verband hiermee is tussen partijen op 28 september 2006 een vaststellingsovereenkomst (de overeenkomst) tot stand gekomen. In deze overeenkomst is opgenomen dat door verweerder aan eiser een uitkering wordt toegekend over de periode 1 september 2006 tot 23 april 2014. De uitkering is gelijk aan de werkloosheidsuitkering waarop eiser ingevolge de Werkloosheidswet (WW) recht zou hebben gehad, alsmede de aanvullende en aansluitende uitkering ingevolge hoofdstuk 10a van de CAR.

1.3

Op 5 februari 2008 is [BV 2] opgericht door [BV 1] en [BV 3] . Deze vennootschappen hielden vanaf de datum van oprichting ieder 50% van de aandelen in [BV 2] en waren vanaf die datum ook (statutair) bestuurder. Op 17 mei 2013 zijn alle aandelen in [BV 2] verkocht aan een derde partij. Eiser is per 17 mei 2013 als werknemer in dienst getreden bij [BV 2] .

1.4

Eiser heeft verweerder bij brief van 24 mei 2013 medegedeeld dat hij op 17 mei 2013 een functie voor onbepaalde tijd heeft aanvaard en daarmee niet langer beschikbaar is voor de arbeidsmarkt. Hiermee is één van de gronden voor het toekennen van de werkloosheidsuitkering zoals bedoeld in de overeenkomst komen te vervallen, aldus eiser.

1.5

Bij brief van 20 juni 2013 heeft verweerder eiser medegedeeld dat diens uitkering per 17 mei 2013 zal worden stopgezet. Voorts is medegedeeld dat uit eisers dossier onvoldoende blijkt of hij de afgelopen jaren aan de in de overeenkomst opgenomen verplichtingen in het kader van de uitkering heeft voldaan en dat een onderzoek wordt ingesteld.

1.6

Bij brief van 15 oktober 2013 heeft verweerder eiser vragen gesteld met betrekking tot [BV 2] over de periode 1 september 2006 tot 17 mei 2013. Eiser heeft hierop bij brief van 27 oktober 2013 gereageerd.

Bij brief van 27 november 2013 heeft verweerder eiser verzocht de jaarstukken en de winst- en verliesrekeningen van [BV 1] en [BV 2] alsmede eisers persoonlijke belastingaangiften en -aanslagen over de jaren 2008 tot en met 2012 in te zenden. Eiser heeft hierop bij brief van 20 december 2013 gereageerd.

Bij brieven van 8 januari 2014 respectievelijk 17 maart 2014 heeft verweerder eiser nogmaals verzocht om toezending van de gevraagde stukken. Eiser heeft hierop bij brieven van 21 februari 2014 respectievelijk 19 mei 2014 gereageerd.

1.7

Bij brief van 28 mei 2014 heeft verweerder eiser het voornemen kenbaar gemaakt om de hem toegekende uitkering met ingang van 1 januari 2009 vervallen te verklaren.

Eiser heeft bij brief van 10 juni 2014 zijn zienswijze kenbaar gemaakt.

1.8

Bij besluit van 25 juni 2014 heeft verweerder de aan eiser verstrekte uitkering als bedoeld in de overeenkomst met ingang van 1 januari 2009 vervallen verklaard. Voor zover vereist wordt de nadere besluitvorming over de terugvordering van uitkeringsgelden overgedragen aan het Dagelijks Bestuur van [verweerder] .

Eiser heeft bij brief van 4 augustus 2014 bezwaar gemaakt tegen dit besluit.

Eiser is op 15 oktober 2014 in het kader van zijn bezwaar gehoord door de Bezwarencommissie personele aangelegenheden (de commissie).

Op 24 november 2014 heeft de commissie verweerder van advies gediend, houdende gegrondverklaring van eisers bezwaar en toekenning van een proceskostenveroordeling.

1.9

Bij besluit van 3 februari 2015 heeft verweerder, in afwijking van het advies van de commissie, het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft bij brief van 13 maart 2015 beroep ingesteld tegen dit besluit.

1.10

Bij besluit van 26 mei 2015 heeft het Dagelijks Bestuur regionaal reinigingsbedrijf [verweerder] een bepaald bedrag aan uitkeringen van eiser teruggevorderd, onder de overweging dat sprake is geweest van onverschuldigde betalingen. Eiser heeft bij brief van 26 juni 2015 bezwaar gemaakt tegen dit besluit. Verweerder heeft de rechtbank bij brief van 14 augustus 2015 medegedeeld dat de betaling van het teruggevorderde bedrag heeft plaatsgevonden.

2 Verweerder heeft aan het bestreden besluit van 3 februari 2015 ten grondslag

gelegd dat eiser in strijd met de op hem rustende verplichting heeft nagelaten te melden dat hij (mede) een onderneming, te weten [BV 2] , had opgericht, voor welke onderneming hij vervolgens werkzaamheden is gaan verrichten. Voorts heeft eiser, hoewel herhaaldelijk daartoe opgeroepen, nagelaten voor zijn uitkeringsrecht relevante informatie over [BV 2] casu quo over zijn werkzaamheden ten behoeve van [BV 2] te verstrekken. Derhalve kon niet worden vastgesteld of eiser al dan niet voldeed aan de voorwaarden voor het ontvangen van de uitkering. Op grond van de verklaring van J. Kuin van 29 september 2014 is nadien komen vast te staan casu quo aannemelijk geworden dat eiser ten tijde hier van belang niet als werkloos kon worden aangemerkt, waarmee hij niet langer voldeed aan de voorwaarden voor verstrekking van de uitkering. Eiser kon, gezien de omvang van zijn werkzaamheden voor [BV 2] in de van belang zijnde periode, niet als werkloos worden aangemerkt. Verweerder beschikt inmiddels over vele honderden e-mailberichten die eiser tijdens kantooruren vanaf zijn [BV 2] -account naar zijn zakelijke contactpersonen binnen en buiten Nederland heeft verzonden. Hierin wordt in veel gevallen verwezen naar andere werkzaamheden die eiser, eveneens tijdens kantooruren, ten behoeve van [BV 2] heeft verricht, zoals onder meer het voeren van overleg, het bijwonen van vergaderingen, het maken van plannen, het aanvragen van vergunningen en het maken van reizen naar het buitenland. Hieruit volgt dat eiser in de periode 1 januari 2009 tot 17 mei 2013 geen recht had op de aan hem verstrekte uitkering. De uitkering, als vastgelegd in de overeenkomst, is niet ongeclausuleerd verstrekt. Uit eisers nalatigheid om verplichtingen na te komen volgt het recht van verweerder om de toegekende uitkering vervallen te verklaren, aldus verweerder.

3 Eiser heeft - voor zover hier van belang en naast hetgeen reeds in zijn zienswijze en in bezwaar naar voren is gebracht - het volgende aangevoerd.

Verweerder heeft verwezen naar nieuwe informatie, te weten de honderden e-mails. Deze informatie is niet voorgelegd aan eiser. Dat er honderden e-mails zijn, anders dan de drie citaten uit het bestreden besluit, is voor eiser niet te toetsen. Materieel kan het ook niet leiden tot de conclusie dat eiser niet langer beschikbaar was voor de arbeidsmarkt. Eiser stelt dat hij gedurende de gehele periode heeft gesolliciteerd en steeds beschikbaar is geweest voor de arbeidsmarkt. Het was niet verboden om werkzaamheden te verrichten ten behoeve van [BV 1] . Pas ten tijde van de verkoop van [BV 2] was sprake van einde van de werkloosheid. Eiser stelt dat hij niet hoefde te weten dat hij de oprichting van [BV 2] moest melden. Hij is niet voor [BV 2] gaan werken. Hij heeft enkele werkzaamheden verricht, als bestuurder van [BV 1] . Van loon of gebruikelijke loonregeling was geen sprake. [BV 1] heeft geïnvesteerd in [BV 2] , wat jarenlang tot verliezen heeft geleid. Pas ten tijde van de daadwerkelijke verkoop raakte de BV uit de rode cijfers. De activiteiten van [BV 1] zijn uitdrukkelijk in de overeenkomst genoemd; deze vielen buiten de regeling die partijen met elkaar hebben getroffen. Het is voor eiser onduidelijk waarom de uitkering vervallen is verklaard, enerzijds omdat niet helder was waarom het Algemeen Bestuur bevoegd was en anderzijds omdat niet helder was wat eiser precies werd verweten en op basis van welke bepaling tot vervallenverklaring werd gekomen.

4.1

Volgens vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (hierna: de Raad, CRvB 22 mei 2008, ECLI:NL:CRVB:2008:BD2813, en 7 mei 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:1431) zijn partijen gebonden aan een overeenkomst als de onderhavige, die in de ambtenaarrechtelijke rechtsverhouding tussen een betrokkene en het bestuursorgaan aangemerkt moet worden als een nadere regeling inzake de uitoefening van de aan het bestuursorgaan toekomende ontslagbevoegdheid. Bij de uitleg van de overeenkomst komt het niet slechts aan op de letterlijke bewoordingen van de overeenkomst, maar ook op de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan die bepalingen mochten toekennen en op hetgeen zij redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten.

4.2

In artikel 4 van de overeenkomst is neergelegd dat de uitkering eindigt wanneer eiser niet langer werkloos is of niet meer beschikbaar is voor de arbeidsmarkt.

In artikel 6 van de overeenkomst is neergelegd dat eiser zijn werkgever maandelijks met een informatieformulier dient te informeren over zijn sollicitatieactiviteiten, andere activiteiten die door hem zijn ondernomen in het kader van het verwerven van inkomsten uit arbeid of onderneming en inkomsten die uit arbeid of onderneming zijn verworven.

In artikel 7 van de overeenkomst is neergelegd dat inkomsten van eiser uit arbeid of onderneming, al dan niet via een vennootschap direct of indirect onder beheer van eiser, maandelijks in mindering worden gebracht op de uitkering. Inkomsten uit andere bronnen, die eiser reeds genoot voor 1 februari 2006, blijven bij deze verrekening buiten beschouwing.

4.3

Ter zitting heeft verweerder desgevraagd medegedeeld dat de aan eiser toegekende uitkering, die niet uit afzonderlijke en opvolgende uitkeringen bestaat, een totaalbedrag omvat dat gelijk is aan de werkloosheidsuitkering, de aanvullende en de aansluitende uitkering waarop eiser recht zou hebben gehad. Deze uitkering is toegekend door verweerder en kwam volledig ten laste van verweerder. Eiser heeft dit niet betwist.

4.4

Tussen partijen is allereerst in geschil of eiser verweerder in kennis had moeten stellen van zijn activiteiten voor [BV 2] , al dan niet verricht via [BV 1] , en de eventueel daaruit voortvloeiende inkomsten.

4.4.1

De rechtbank overweegt dat reeds uit de bewoordingen van artikel 6 van de overeenkomst kan worden afgeleid dat partijen zijn overeengekomen dat voor eiser een ruime informatieplicht geldt. Meer in het bijzonder kan uit dit artikel niet worden afgeleid dat alle toekomstige activiteiten en eventuele daaruit voortvloeiende inkomsten van eiser, al dan niet via [BV 1] binnen het kader van de statutaire doelstellingen van deze vennootschap, buiten beschouwing dienen te blijven bij de op eiser rustende informatieplicht. In de gedingstukken heeft de rechtbank geen aanwijzingen gevonden voor het bestaan van een intentie van partijen om voor eiser een beperkte informatieplicht in het leven te roepen. Voor zover eiser heeft verwezen naar artikel 7 van de overeenkomst, met name waar het gaat om het buiten beschouwing laten van inkomsten uit andere bronnen die eiser reeds genoot vòòr 1 februari 2006, overweegt de rechtbank dat artikel 7 zich beperkt tot het verrekenen van eventuele inkomsten uit bronnen die reeds bestonden voor genoemde datum en dat dit artikel niet ziet op de informatieplicht. Er bestaan geen aanknopingspunten op grond waarvan kan worden geoordeeld dat partijen hebben beoogd om over de band van artikel 7 van de overeenkomst toekomstige activiteiten van eiser via [BV 1] alsmede de hieruit voortvloeiende inkomsten, uit te sluiten in het kader van de informatieplicht.

4.4.2

Verweerder heeft ter zitting toegelicht dat eiser over de periode 1 januari 2009 tot 1 september 2009 wordt tegengeworpen dat hij de op hem rustende informatieplicht heeft geschonden. Daarnaast wordt eiser tegengeworpen dat hij over de periode 1 september 2009 tot 17 mei 2013 niet beschikbaar is geweest voor de arbeidsmarkt.

4.4.3

De rechtbank overweegt dat niet in geschil is dat eiser verweerder niet zelf in kennis heeft gesteld van de oprichting van [BV 2] in 2008 en zijn nadien verrichte activiteiten voor deze vennootschap. Eiser heeft voorts tijdens de uitkeringsperiode nagelaten om verweerder informatie te verstrekken over zijn eventuele inkomsten die voortvloeiden uit zijn activiteiten voor [BV 2] . Nadat verweerder eiser vanaf 15 oktober 2013 herhaaldelijk had gevraagd om de betreffende informatie te verstrekken, heeft eiser uiteindelijk te kennen gegeven niet in te zien waarom hij gehouden zou zijn om de betreffende informatie te verstrekken. Eerst in bezwaar heeft eiser financiële en/of fiscale informatie overgelegd. De rechtbank overweegt dat eiser verweerder deze informatie tijdens de uitkeringsperiode reeds uit zichzelf had dienen te verstrekken, nu het hier gaat om andere activiteiten die door eiser zijn ondernomen in het kader van het verwerven van inkomsten uit arbeid of onderneming en inkomsten die uit arbeid of onderneming zijn verworven, zoals bepaald in artikel 6 van de overeenkomst. Nu eiser ten tijde van de uitkering geen opgave heeft gedaan van de oprichting van [BV 2] , een vennootschap die na het sluiten van de overeenkomst is opgericht, zijn activiteiten daarvoor en zijn eventuele inkomsten, heeft hij de op hem rustende informatieplicht geschonden. Hiermee heeft eiser verweerder de mogelijkheid ontnomen zich een oordeel te vormen omtrent de vraag of eiser heeft voldaan aan de voorwaarden voor het verkrijgen van de uitkering per 1 januari 2009. De door verweerder niet betwiste stelling dat eiser opgave heeft gedaan van zijn sollicitatieactiviteiten kan hier niet aan afdoen.

4.4.3

De rechtbank overweegt voorts dat tijdens de bezwaarprocedure J. Kuin, directeur van [verweerder] , op 29 september 2014 een verklaring heeft afgelegd, waarin hij heeft verklaard dat hij met eiser directeur/eigenaar was van [BV 2] en dat zij ieder voor de helft (50/50) werkzaamheden hebben verricht voor [BV 2] . Het werken voor [BV 2] was voor Kuin een fulltime bezigheid. De commissie heeft in haar advies, nu eiser tijdens de hoorzitting in bezwaar de door Kuin gestelde verdeling van werkzaamheden heeft betwist en heeft medegedeeld dat hij alleen wat uren in de avond werkzaam was en een enkele keer een door [BV 2] geëxploiteerd tankstation heeft bezocht, overwogen dat zij haar twijfels had of betrokkene daadwerkelijk geen werkzaamheden heeft verricht ten behoeve van [BV 2] . De commissie is tot de conclusie gekomen dat deze twijfels onvoldoende zijn om te komen tot het oordeel dat eiser in substantiële mate werkzaamheden heeft verricht ten behoeve van [BV 2] en niet langer beschikbaar was voor arbeid. Nadien is een zeer omvangrijk aantal e-mailberichten, verzonden in de periode 1 september 2009 tot ruim na 17 mei 2013, ter kennis gekomen van verweerder. Deze e-mailberichten zijn door eiser verzonden vanaf zijn e-mailaccount bij [BV 2] aan zakelijke contactpersonen en (in afschrift) aan Kuin. Verweerder heeft deze e-mailberichten ten grondslag gelegd aan zijn standpunt in het bestreden besluit dat eiser niet beschikbaar is geweest voor arbeid.

Verweerder heeft ter zitting desgevraagd medegedeeld dat men niet beschikt over

e-mailberichten over de periode 1 januari 2009 tot 1 september 2009. De schending van de informatieplicht wordt zwaarwegend geacht en nadien is tijdens de bezwaarprocedure gebleken dat eiser in ieder geval per 1 september 2009 niet beschikbaar is geweest voor de arbeidsmarkt. Hieruit volgt dat het primaire besluit eens te meer juist kan worden geacht, aldus verweerder.

Eiser heeft ter zitting van de rechtbank te kennen gegeven dat hij geen juridische beletselen ziet voor verweerder om de e-mailberichten te gebruiken ter onderbouwing van het bestreden besluit. Tevens heeft hij erkend dat de emailberichten van hem afkomstig zijn en de inhoud ervan niet betwist.

De rechtbank volgt het standpunt van verweerder dat uit de vele e-mailberichten over de periode 1 september 2009 tot 17 mei 2013 blijkt dat eiser niet beschikbaar was voor de arbeidsmarkt. De e-mailberichten, die voor het overgrote deel zijn verzonden tijdens kantooruren en soms in de avonduren, tonen een beeld van veel activiteiten voor [BV 2] . Het betreft onder meer besprekingen in binnen- en buitenland met (potentiële) opdrachtgevers, betrokkenheid bij het opstellen van planningen, contracten, brochures en offertes. Voorts was er betrokkenheid bij het verkrijgen van vergunningen voor de bouw van een onbemand tankstation. Geconcludeerd kan worden dat eiser activiteiten heeft ondernomen in het kader van het verwerven van inkomsten uit arbeid of onderneming. Eiser heeft deze activiteiten bovendien niet gemeld. De rechtbank overweegt dat eiser niet heeft aangevoerd dat hij vóór 1 september 2009 feitelijk minder werkzaamheden voor [BV 2] verrichtte. Naar het oordeel van de rechtbank mocht verweerder er dan ook van uit gaan dat eiser ook in de periode van 1 januari 2009 tot 1 september 2009 niet beschikbaar was voor de arbeidsmarkt. Hierbij komt dat vast is komen te staan dat hij - ook - in deze periode de op hem rustende informatieplicht heeft geschonden.

4.4.4

Uit het voorgaande volgt dat eiser in de periode 1 januari 2009 tot 17 mei 2013 niet heeft voldaan aan de voorwaarden voor het verkrijgen van de uitkering, zoals neergelegd in de overeenkomst.

4.5

Verweerder heeft ter zake van zijn bevoegdheid om de uitkering per 1 januari 2009 vervallen te verklaren verwezen naar jurisprudentie van de Raad (CRvB 15 maart 2007, ECLI:NL:CRVB:2007:BA1788). De rechtbank overweegt dat uit deze jurisprudentie volgt dat bij toekenning van wachtgeld aan een betrokkene als gewezen ambtenaar sprake is van een rechtsverhouding van publiekrechtelijke aard. Het toekenningsbesluit is een besluit in de zin van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Een besluit tot terugvordering van onverschuldigde betaling(en) aan een (gewezen) ambtenaar, ook bij het ontbreken van een daarop toegesneden bepaling, wordt door de Raad gezien als een voor bezwaar en beroep vatbaar besluit.

De rechtbank overweegt dat deze jurisprudentie evenzeer van toepassing is op dit geschil, waarin niet de terugvordering ter beoordeling voorligt, maar de beëindiging van de uitkering met terugwerkende kracht. Dit betekent dat de bevoegdheid tot toekenning van een uitkering tevens de bevoegdheid impliceert om de uitkering te beëindigen omdat niet langer aan de voorwaarden voor toekenning wordt voldaan. Nu eiser niet langer aan deze voorwaarden heeft voldaan, mocht verweerder overgaan tot beëindiging van de uitkering per

1 januari 2009.

Hetgeen eiser met betrekking tot inkomsten en ook overigens heeft aangevoerd kan niet tot een ander oordeel leiden.

5 Het beroep dient derhalve ongegrond te worden verklaard.

6 Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. D.G.J. Dop, voorzitter, en mr. M. Dam en mr. G.A.C.M. van Ballegooij, leden, in aanwezigheid van A.J. van Rossum, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 8 oktober 2015.

griffier voorzitter

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.