Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2015:1182

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
09-02-2015
Datum publicatie
09-02-2015
Zaaknummer
09/818879-14
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Poging doodslag op agent

Verdachte heeft een agent met aanzienlijke snelheid meegesleurd in een auto met het doel een alcoholcontrole te ontwijken.

De rechtbank acht bewezen dat verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat de agent door het handelen van verdachte zou komen te overlijden.

Daarnaast acht de rechtbank bewezen dat verdachte onder invloed heeft gereden, zonder rijbewijs heeft gereden, de plaats van een ongeval heeft verlaten en joyriding.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Strafrecht

Meervoudige strafkamer

Parketnummer: 09/818879-14

Datum uitspraak: 9 februari 2015

Tegenspraak

(Promis vonnis)

De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen verdachte:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1993 te [geboorteplaats],

adres: [adres],

thans gedetineerd in de penitentiaire inrichting [penitentiaire inrichting].

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden ter terechtzitting van 4 november 2014 en 26 januari 2015.

De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie

mr. M. de Graaf en van hetgeen door de raadsman van verdachte mr. H.W. van Eeuwijk, advocaat te Den Haag, en door verdachte naar voren is gebracht.

2 De tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 27 juli 2014 te 's-Gravenhage ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk brigadier van politie [slachtoffer 1] (handelend in de rechtmatige uitoefening van zijn functie) van het leven te beroven, dan wel hem zwaar lichamelijk letsel toe te brengen,

opzettelijk

nadat hem door politie (meerdere malen) omwille van een alcoholcontrole was gevorderd om de auto die hij op dat moment bestuurde tot stilstand te brengen, aan welke vordering verdachte niet voldeed, waarna brigadier [slachtoffer 1], het bestuurdersportier van de auto van verdachte van buitenaf heeft geopend en daardoor in de auto van verdachte (naar verdachte en/of de handrem van diens auto) heeft gereikt om de gevorderde stilstand af te dwingen,

terwijl brigadier [slachtoffer 1] aldus handelend zich deels in de auto van verdachte bevond en/of het bestuurdersportier van verdachte vast hield

- zijn auto in beweging heeft gebracht en zijn snelheid heeft verhoogd, ook en zelfs nadat hierbij brigadier [slachtoffer 1] tussen het portier en de auto ingeklemd raakte en/of het bestuurdersportier van verdachte vast hield en terwijl zich in de directe omgeving andere auto's bevonden

- zijn snelheid is blijven verhogen (tot ongeveer 50km/u) terwijl brigadier [slachtoffer 1] zich in die (ingeklemde) positie bevond

- aldus handelend, terwijl brigadier [slachtoffer 1] zich in die (ingeklemde) positie bevond, met zijn auto een afstand van ongeveer 100 meter heeft afgelegd

- met zijn auto in de richting is gereden van (een) andere auto('s) die aan de zijde geparkeerd stond(en) waar brigadier [slachtoffer 1] zich in die (ingeklemde) positie bevond en deze geparkeerde auto('s) zodanig heeft genaderd dat brigadier [slachtoffer 1] zich omwille van het voorkomen van een aanrijding tussen zichzelf en deze geparkeerde auto('s) genoodzaakt zag om zich uit de auto van verdachte te laten vallen dan wel uit de auto van verdachte te springen en/of het bestuurdersportier van de auto van verdachte los te laten

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2.

hij op of omstreeks 27 juli 2014 te 's-Gravenhage als bestuurder van een motorrijtuig, personenauto, dit motorrijtuig heeft bestuurd na zodanig gebruik van alcoholhoudende drank, dat het alcoholgehalte van zijn adem bij een onderzoek als bedoeld in artikel 8, derde lid, aanhef en onder a van de Wegenverkeerswet 1994, 310 microgram, in elk geval hoger dan 88 microgram alcohol per liter uitgeademde lucht bleek te zijn, terwijl voor het besturen

van dat motorrijtuig een rijbewijs was vereist zulks terwijl aan de verdachte geen rijbewijs voor het besturen van dat motorrijtuig was afgegeven;

3.

hij, als degene die al dan niet als bestuurder van een motorrijtuig betrokken was geweest bij een verkeersongeval dat had plaatsgevonden in ’s-Gravenhage op/aan de de Hoefkade, op of omstreeks 27 juli 2014 de (voornoemde) plaats van vorenbedoeld ongeval heeft verlaten, terwijl bij dat ongeval, naar hij wist of redelijkerwijs moest vermoeden, aan een ander (te weten [slachtoffer 2]) letsel en/of schade was toegebracht;

4.

hij te 's-Gravenhage op of omstreeks 27 juli 2014 opzettelijk wederrechtelijk een motorrijtuig, (personenauto), toebehorende aan [slachtoffer 3], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, als bestuurder heeft gebruikt op de weg, de Hoefkade, in elk geval op een weg;

De in deze telastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voorzover

daaraan in de Wegenverkeerswet 1994 betekenis is gegeven, geacht in dezelfde

betekenis te zijn gebezigd;

5.

hij op of omstreeks 27 juli 2014 te 's-Gravenhage als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto) heeft gereden op de weg, de Hoefkade, zonder dat aan hem door de daartoe bevoegde autoriteit, als bedoeld in artikel 116 lid 1 van de Wegenverkeerswet 1994 een rijbewijs was afgegeven voor de categorie van motorrijtuigen, waartoe dat motorrijtuig behoorde;

De in deze tenlastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voorzover

daaraan in de Wegenverkeerswet 1994 betekenis is gegeven, geacht in dezelfde

betekenis te zijn gebezigd.

3 Bewijsoverwegingen

3.1

Inleiding

Op 27 juli 2014 omstreeks 06:00 uur in de ochtend vindt op de Hoefkade in Den Haag een alcoholcontrole plaats uitgevoerd door verbalisanten [slachtoffer 1] en [betrokkene 1]. Verdachte rijdt op de controle af en probeert deze te omzeilen. Verbalisant [slachtoffer 1] tracht verdachte tot stoppen te dwingen en wordt daarbij met hoge snelheid meegesleurd door de door verdachte bestuurde auto.

3.2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de onder 1 primair, 2, 3, 4 en 5 ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend kunnen worden bewezen.

3.3

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de onder 1 primair ten laste gelegde doodslag niet kan worden bewezen verklaard, omdat de kans op de dood voor de verbalisant door zich te laten vallen van de rijdende auto niet aanmerkelijk te noemen is. Ook heeft verdachte geen opzet gehad op de dood van de verbalisant, maar alleen op het omzeilen van de alcoholcontrole. De omstandigheid dat de verdachte de auto niet tot stilstand heeft gebracht ook toen de verbalisant half in de auto hing, moet worden begrepen in het licht van de uit de psychologie bekende “fight, flight of freeze-reflex” in een bedreigende situatie. Verdachte heeft als verstard gereageerd hetgeen niet als opzettelijk handelen moet worden opgevat.

3.4

De beoordeling van de tenlastelegging1

Ten aanzien van feit 1

Op 27 juli 2014 heeft verbalisant [slachtoffer 1] (hierna: [slachtoffer 1]) een alcoholcontrole afgenomen bij de bestuurder van een grijze Volkswagen Golf. Er is vervolgens een auto aan komen rijden, waar, naar later bleek, verdachte in reed. Deze auto stopte en reed een stukje achteruit. Doordat een andere auto achter verdachte de weg blokkeerde, kon hij niet verder achteruit. Verdachte is vervolgens toch doorgereden richting de alcoholcontrole2. Collega [betrokkene 1] heeft verdachte een stopteken gegeven, waarop verdachte heeft geprobeerd door te rijden door stapvoets de grijze Volkswagen Golf aan de rechterkant te passeren. Verbalisant [betrokkene 1] moest opzij stappen teneinde een aanrijding te voorkomen3. [slachtoffer 1] liep naar de auto en gaf een klap op het raam. Vervolgens heeft [slachtoffer 1] het portier aan de bestuurderszijde opengetrokken en tegen verdachte geroepen dat hij moest stoppen. Verdachte heeft gezegd dat hij zou stoppen, maar [slachtoffer 1] constateerde dat verdachte stapvoets bleef doorrijden. [slachtoffer 1] heeft vervolgens verdachte bij de borst gepakt en getracht hem uit de auto te trekken. Verdachte heeft toen hij de mogelijkheid kreeg opgetrokken, waarop [slachtoffer 1] heeft geprobeerd de handrem aan te trekken. Verdachte heeft verder versneld. [slachtoffer 1] hing half in de auto en kon daarom niet meer loslaten; hij moest zich vasthouden aan de deurpost en het open portier en werd aldus meegesleurd.4 Toen [slachtoffer 1] niet meer mee kon rennen, is hij half op de deurstijl gesprongen. Medepassagier [betrokkene 2] heeft verklaard dat hij uit angst heeft geschreeuwd tegen verdachte dat hij moest stoppen.5

Verdachte heeft vervolgens de auto naar links gestuurd in de richting van geparkeerde auto’s. Uit vrees voor zijn leven heeft [slachtoffer 1] de beslissing genomen om los te laten, uit de auto te springen en zich op het asfalt te laten vallen. Daarbij heeft hij letsel opgelopen aan zijn bil, rug en armen.6 Getuige [getuige] heeft verklaard dat de politieagent over een afstand van 50 tot 100 meter is meegesleurd.7

Verdachte heeft verklaard dat hij bij het zien van de alcoholcontrole in paniek raakte, omdat hij zonder rijbewijs, met alcohol op en zonder toestemming in de auto van zijn stiefvader reed. Ter zitting heeft verdachte verklaard dat er tijdens het gebeuren van alles door zijn hoofd ging maar dat zijn gedachten in hoofdzaak werden bepaald door de mogelijke gevolgen thuis, doch hij kon ter zitting daarbij niet aangeven waaruit die gevolgen zouden kunnen bestaan.8

Niet is gebleken dat verdachte vol opzet op de dood van [slachtoffer 1] heeft gehad. De rechtbank zal beoordelen of sprake is geweest van voorwaardelijk opzet. Daarvoor is nodig dat sprake is geweest van de aanmerkelijke kans op de dood van [slachtoffer 1] en dat verdachte die aanmerkelijke kans willens en wetens heeft aanvaard.

Is er sprake van een aanmerkelijke kans op de dood?

De rechtbank zal eerst ingaan op de vraag of in deze zaak sprake is van een aanmerkelijke kans op de dood. De beantwoording van de vraag of de gedraging de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg in het leven roept, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval, waarbij betekenis toekomt aan de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht. Er is geen grond de inhoud van het begrip "aanmerkelijke kans" afhankelijk te stellen van de aard van het gevolg. Het zal in alle gevallen moeten gaan om een kans die naar algemene ervaringsregelen aanmerkelijk is te achten (HR 24 juni 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF8058, NJ 2003, 555).

Volgens het rapport Verkeersongevallen Analyse van 28 juli 2014 heeft verdachte een deel van de afstand waarover [slachtoffer 1] is meegesleurd, te weten 28 meter, met een gemiddelde snelheid van 50,4 kilometer per uur gereden.9 Het deel van de Hoefkade waar [slachtoffer 1] is meegesleurd betreft een smalle straat met aan beide zijden geparkeerde auto’s en paaltjes. Op de ter zitting getoonde camerabeelden is te zien dat de auto, terwijl [slachtoffer 1] tussen het portier en de door verdachte bestuurde auto ingeklemd was, naar links is gestuurd over het fietspad in de richting van aan de linkerkant van de weg geparkeerde auto’s en daarbij vlak langs die auto’s heeft gereden.10 Dit laatste kan ook worden opgemaakt uit fotoblad 7 bij het proces-verbaal Verkeersongevallen Analyse waarop strepen op het asfalt te zien zijn vlakbij een geparkeerde Volkswagen Polo, welke strepen volgens de opstellers van dit proces-verbaal kennelijk van de schoenen van [slachtoffer 1] afkomstig waren.11

De rechtbank is van oordeel dat sprake is geweest van de aanmerkelijke kans dat de uit de auto gesprongen dan wel vallende [slachtoffer 1] zou komen te overlijden door met een dergelijke hoge snelheid onder de beschreven omstandigheden tegen één van die geparkeerde auto’s of een paaltje te klappen dan wel verkeerd op het wegdek terecht te komen met zijn hoofd, nek of andere kwetsbare lichaamsdelen.

Heeft verdachte de aanmerkelijke kans op de dood willens en wetens aanvaard?

De vaststelling dat sprake is van een aanmerkelijke kans op de dood is echter nog niet voldoende om tot een bewezenverklaring van de ten laste gelegde opzet op de dood te kunnen concluderen. Daarvoor is ook nodig dat vaststaat dat de verdachte die aanmerkelijke kans op de dood willens en wetens heeft aanvaard. Of zulks het geval is geweest, zal indien de verklaring van de verdachte onvoldoende inzicht geeft, eveneens afhangen van de feitelijke omstandigheden van het geval. Bepaalde gedragingen kunnen naar hun uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als zo zeer gericht op een bepaald gevolg dat het -behoudens contra-indicaties - niet anders kan zijn dan dat de verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat dat gevolg zal intreden.

Verdachte heeft verklaard dat hij in paniek was en zich er niet van bewust was dat hij hard in de richting van geparkeerde auto’s reed. Volgens de verdediging was verdachte niet in staat beslissingen te nemen en heeft hij als verstard gereageerd.

De rechtbank stelt allereerst vast dat verdachte, die onder invloed van alcohol en zonder rijbewijs alsmede zonder toestemming in een niet van hem zijnde auto reed, getracht heeft een alcoholcontrole te omzeilen. Daarbij heeft hij in eerste instantie rustig, stapvoets, een in de weg staande auto aan de rechterzijde gepasseerd.

De meegesleurde [slachtoffer 1] heeft vervolgens meerdere malen geschreeuwd dat verdachte moest stoppen en ook zijn medepassagier heeft geschreeuwd dat verdachte moest stoppen. Verdachte heeft ondanks deze waarschuwingen [slachtoffer 1] aangekeken, en kalm en rustig tegen [slachtoffer 1] gezegd dat hij ging stoppen, maar vervolgens heeft verdachte het voertuig juist laten versnellen.12 Dit zijn actieve handelingen die er naar het oordeel van de rechtbank naar hun uiterlijke verschijningsvorm op duiden dat verdachte zich tegen elke prijs aan de politiecontrole wilde onttrekken en [slachtoffer 1] af wilde schudden.

Wat er ook zij van de verklaring van verdachte dat hij in paniek heeft gehandeld, de rechtbank acht in ieder geval niet geloofwaardig dat verdachte -ook al zou hij in paniek zijn- zich er niet van bewust is geweest dat hij met [slachtoffer 1] in het openstaande portier met hoge snelheid door een smalle straat vlak langs de aan de linkerkant geparkeerde auto’s is gereden. Daarbij neemt de rechtbank tevens in aanmerking dat verdachte, die iets verder op de Hoefkade woonde, ter plaatse zeer goed bekend was en ter zitting heeft verklaard de verkeerssituatie goed te kennen.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft verdachte met bovenstaande gedragingen in de hiervoor beschreven omstandigheden willens en wetens de aanmerkelijke kans genomen dat [slachtoffer 1] zou komen te overlijden. Het is enkel vanwege buiten de wil van verdachte gelegen omstandigheden geweest dat [slachtoffer 1] niet is overleden. Gezien het voorgaande acht de rechtbank het onder 1 primair tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen.

Ten aanzien van de feiten 2, 3, 4 en 5

De rechtbank acht de onder 2 tot en met 5 ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend bewezen en is van oordeel dat met een opgave van bewijsmiddelen, als bedoeld in artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering, kan worden volstaan, nu verdachte het bewezenverklaarde heeft bekend en hij nadien niet anders heeft verklaard.

De rechtbank komt tot een bewezenverklaring op grond van de navolgende bewijsmiddelen:

  • -

    Het proces-verbaal relaas, p. 3 tot en met 8 (pv I);

  • -

    het proces-verbaal verhoor getuige [getuige], p. 28 en 29 (pv II);

  • -

    een geschrift, te weten de uitdraai blaastest, p. 51 (pv II);

  • -

    een geschrift, te weten de uitdraai RDW gegevens van de politie, p. 52 (pv II);

  • -

    het proces-verbaal verhoor aangever [slachtoffer 3], p. 27 en 28 (pv I);

  • -

    het proces-verbaal ontvangst klacht door hulpofficier van justitie, p. 26 (pv I);

  • -

    het proces-verbaal Verkeers Ongevallen Analyse eenheid Den Haag, p. 5;

  • -

    de verklaring van verdachte ter terechtzitting van 26 januari 2015.

De hiervoor aangehaalde bewijsmiddelen zijn - ook in onderdelen - slechts gebruikt ten aanzien van het feit of de feiten waarop zij blijkens hun inhoud betrekking hebben.

3.5

De bewezenverklaring

De rechtbank verklaart bewezen dat:

1.

hij op 27 juli 2014 te 's-Gravenhage ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk brigadier van politie [slachtoffer 1] (handelend in de rechtmatige uitoefening van zijn functie) van het leven te beroven,

opzettelijk

nadat hem door politie (meerdere malen) omwille van een alcoholcontrole was

gevorderd om de auto die hij op dat moment bestuurde tot stilstand te

brengen, aan welke vordering verdachte niet voldeed, waarna brigadier [slachtoffer 1],

het bestuurdersportier van de auto van verdachte van buitenaf heeft geopend en

daardoor in de auto van verdachte (naar verdachte en de handrem van diens

auto) heeft gereikt om de gevorderde stilstand af te dwingen,

terwijl brigadier [slachtoffer 1] aldus handelend zich deels in de auto van verdachte

bevond en het bestuurdersportier van verdachte vast hield

- zijn auto in beweging heeft gebracht en zijn snelheid heeft verhoogd, ook en

zelfs nadat hierbij brigadier [slachtoffer 1] tussen het portier en de auto ingeklemd

raakte en het bestuurdersportier van verdachte vast hield en terwijl zich

in de directe omgeving andere auto's bevonden

- zijn snelheid is blijven verhogen (tot ongeveer 50km/u) terwijl brigadier

[slachtoffer 1] zich in die (ingeklemde) positie bevond

- aldus handelend, terwijl brigadier [slachtoffer 1] zich in die (ingeklemde) positie

bevond, met zijn auto een afstand van ongeveer 100 meter heeft afgelegd

- met zijn auto in de richting is gereden van andere auto's die aan de

zijde geparkeerd stonden waar brigadier [slachtoffer 1] zich in die (ingeklemde)

positie bevond en deze geparkeerde auto's zodanig heeft genaderd dat

brigadier [slachtoffer 1] zich omwille van het voorkomen van een aanrijding tussen

zichzelf en deze geparkeerde auto's genoodzaakt zag om uit de auto van

verdachte te springen

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2.

hij op 27 juli 2014 te 's-Gravenhage als bestuurder van een motorrijtuig, personenauto, dit motorrijtuig heeft bestuurd na zodanig gebruik van alcoholhoudende drank, dat het alcoholgehalte van zijn adem bij een onderzoek als bedoeld in artikel 8, derde lid, aanhef en onder a van de Wegenverkeerswet 1994, 310 microgram, in elk geval hoger dan 88 microgram alcohol per liter uitgeademde lucht bleek te zijn, terwijl voor het besturen

van dat motorrijtuig een rijbewijs was vereist zulks terwijl aan de verdachte geen rijbewijs voor het besturen van dat motorrijtuig was afgegeven;

3.

hij, als degene die als bestuurder van een motorrijtuig betrokken was geweest bij een verkeersongeval dat had plaatsgevonden in ’s-Gravenhage op de Hoefkade, op 27 juli 2014 de (voornoemde) plaats van vorenbedoeld ongeval heeft verlaten, terwijl bij dat ongeval, naar hij redelijkerwijs moest vermoeden, aan een ander (te weten [slachtoffer 2])

schade was toegebracht;

4.

hij te 's-Gravenhage op 27 juli 2014 opzettelijk wederrechtelijk een motorrijtuig, (personenauto), toebehorende aan [slachtoffer 3], als bestuurder heeft gebruikt op

de weg, de Hoefkade;

5.

hij op 27 juli 2014 te 's-Gravenhage als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto) heeft gereden op de weg, de Hoefkade, zonder dat aan hem door de daartoe bevoegde autoriteit, als bedoeld in artikel 116 lid 1 van de Wegenverkeerswet 1994 een rijbewijs was afgegeven voor de categorie van motorrijtuigen, waartoe dat motorrijtuig behoorde.

4 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

5 De strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is eveneens strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

6 De strafoplegging

6.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat aan verdachte voor de feiten 1 primair, 2, 3 en 4 een gevangenisstraf van 24 maanden wordt opgelegd, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren en de bijzondere voorwaarden zoals door de reclassering voorgesteld.

Voor feit 5 heeft de officier van justitie een schuldigverklaring zonder oplegging van straf gevorderd.

Tot slot heeft de officier van justitie gevorderd dat aan verdachte op de voet van art. 179a WVW 1994 een ontzegging van de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen voor 2 jaren wordt opgelegd.

6.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft verzocht als strafverminderend mee te wegen dat verdachte in paniek was en niet meer goed beslissingen kon nemen. De raadsman verwijst ook naar het rapport van het NIFP. Tevens kan de vraag worden gesteld of er geen andere methode was geweest om verdachte tot stoppen te dwingen. Daarnaast wordt verzocht bij de strafoplegging rekening te houden met de verminderde toerekeningsvatbaarheid van de verdacht en zijn oprechte aan het slachtoffer betuigde spijt.

Tot slot heeft de raadsman jurisprudentie overgelegd om aan te geven dat de eis van de officier van justitie te hoog is.

6.3

Het oordeel van de rechtbank

Na te melden straffen en maatregel zijn in overeenstemming met de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.

Verdachte heeft geprobeerd een alcoholcontrole te omzeilen, omdat hij zonder rijbewijs en dronken achter het stuur zat. Tevens had hij de auto van zijn stiefvader meegenomen zonder diens toestemming. Daarbij heeft hij een politieagent die hem probeerde te laten stoppen, enige tijd over een flinke afstand en met hoge snelheid in een smalle straat met obstakels meegesleurd, waarbij verdachte de auto in de richting van en vlak langs aan de linkerzijde geparkeerde auto’s heeft gestuurd. Politieagent [slachtoffer 1] was toen ingeklemd tussen het portier en de auto. In doodsangst heeft de verbalisant ervoor gekozen om uit de auto te springen, voordat het portier andere auto’s met hoge snelheid zou raken.

Verdachte heeft tegen elke prijs aan een controle willen ontkomen en heeft dit zwaarder laten wegen dan het leven van de daarbij betrokken politieagent.

De omstandigheid dat deze agent het er levend vanaf heeft gebracht is niet aan verdachte te danken.

De rechtbank weegt mee dat het handelen van verdachte gericht was tegen een politieambtenaar. Het is van groot maatschappelijk belang dat politieambtenaren hun werkzaamheden kunnen doen en niet worden tegengewerkt of belemmerd in de uitoefening van hun functie. Verdachte heeft door zijn gedragingen het gezag en respect dat de politie toekomt in ernstige mate miskend. Voorts ondervindt het slachtoffer tot op heden psychische en lichamelijke gevolgen van de handelingen van verdachte, zoals ook blijkt uit de door hem ingediende en ter zitting voorgelezen slachtofferverklaring.

Tevens heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan het besturen van een auto onder invloed van alcohol, terwijl hij geen rijbewijs heeft en aldus heeft hij de verkeersveiligheid in gevaar gebracht. Bovendien heeft hij een andere auto aangereden en verzuimd op de plaats van het ongeval te blijven om te kijken of de ander schade had.

De rechtbank ziet in het handelen van de agent geen aanleiding om de straf te verminderen. De agent heeft immers met zijn handelen in het kader van zijn taak de verkeersveiligheid willen dienen en getracht te voorkomen dat een persoon zou ontkomen die door zijn vluchtgedrag bij een alcoholcontrole verdacht werd van rijden onder invloed.

De rechtbank weegt voorts in het nadeel van verdachte mee dat hij blijkens het dossier eerder heeft getracht zich aan een staandehouding te onttrekken.13

De rechtbank heeft kennisgenomen van het uittreksel Justitiële Documentatie van

28 juli 2014 betreffende verdachte. Daaruit blijkt dat hij eerder is veroordeeld voor het plegen van strafbare feiten. Hij is echter niet eerder voor een soortgelijk geweldsdelict veroordeeld.

De rechtbank heeft acht geslagen op het Pro Justitia rapport van A.C.J. Schrama, GZ-psycholoog/orthopedagoog van 25 november 2014. Uit dit rapport volgt dat er bij verdachte sprake is van een ziekelijke stoornis in de vorm van een dysthyme stoornis. Daarnaast is er sprake van cannabismisbruik in vroege remissie en zijn er zorgen omtrent de persoonlijkheidsontwikkeling waarin ontwijkende en vermijdende trekken waarneembaar zijn, als ook antisociale. Deze stoornis was aanwezig tijdens de delicten en is van invloed geweest. De deskundige adviseert verdachte enigszins verminderd toerekeningsvatbaar te verklaren. De rechtbank neemt deze conclusie over en maakt deze tot de hare.

Verder heeft de rechtbank kennisgenomen van het rapport van de reclassering d.d.

19 december 2014 over verdachte. De reclassering schrijft dat verdachte is gediagnosticeerd met een dysthyme stoornis met ontwijkende, vermijdende en antisociale trekken. Hij ervaart onmacht om zijn problemen op te lossen. Het recidiverisico wordt hoog ingeschat, evenals het risico op het zich onttrekken aan voorwaarden. De reclassering adviseert onder andere een meldplicht en een behandelverplichting bij De Waag gericht op vergroten van copingvaardigheden en zelfbeeld.

De rechtbank heeft voorts rekening gehouden met de jonge leeftijd van verdachte en met het feit dat hij richting de politieagent spijt heeft betuigd.

Gelet op het bovenstaande acht de rechtbank een gevangenisstraf van na te melden duur passend en geboden. De rechtbank zal een deel van deze straf voorwaardelijk opleggen en daar de bijzondere voorwaarden van de meldplicht en de behandelverplichting aan verbinden.

Voor feit 5 dient een afzonderlijke straf worden opgelegd, omdat dit een overtreding is. Gelet op de straf die wordt opgelegd ten aanzien van de feiten 1 tot en met 4, zal de rechtbank, zoals ook door de officier is gevorderd, de verdachte voor feit 5 schuldig verklaren zonder een straf of maatregel voor dat feit op te leggen. Tot slot zal de rechter verdachte ter zake van feit 1 een ontzegging van de rijbevoegdheid opleggen.

7 De vordering van de benadeelde partij

[slachtoffer 1], heeft zich als benadeelde partij gevoegd ter zake van de vordering tot schadevergoeding, groot € 7.077,75.

7.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot gedeeltelijke toewijzing van de vordering van de benadeelde partij tot een bedrag van € 6.287,75, bestaande uit € 6000,00 immateriële schade en € 287,75 aan materiele schade met toewijzing van de wettelijke rente en tot niet-ontvankelijk verklaring van de benadeelde partij voor het overige.

Voorts heeft de officier van justitie gevorderd dat de rechtbank aan verdachte de verplichting zal opleggen tot betaling aan de Staat van een bedrag groot € 6.287,75, subsidiair 66 dagen hechtenis ten behoeve van het slachtoffer genaamd [slachtoffer 1].

7.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de uitspraak die door de benadeelde partij is bijgevoegd ter onderbouwing van de immateriële schade een hele andere zaak betreft. Daarnaast is er sprake van een bepaalde mate van culpa in causa. De verdediging verzoekt de benadeelde partij niet ontvankelijk te verklaren in diens vordering, subsidiair de vordering te matigen. Met betrekking tot de materiële schade refereert de raadsman zich aan het oordeel van de rechtbank.

7.3

Het oordeel van de rechtbank

De vordering, voor zover deze betrekking heeft op materiele schade, is namens verdachte niet betwist en is voldoende onderbouwd door de benadeelde partij. Uit het onderzoek ter terechtzitting is vast komen te staan dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden als gevolg van het onder 1 bewezenverklaarde feit. De rechtbank zal dit gedeelte van de vordering ten bedrage van € 287,75 toewijzen.

Ter zake van de gevorderde immateriële schade, overweegt de rechtbank het volgende. De benadeelde partij heeft ter onderbouwing een uitspraak bijgevoegd uit de smartengeldgids. Deze zaak is echter naar het oordeel van de rechtbank niet te vergelijken met onderhavige zaak. Gelet op de gevolgen, zowel lichamelijk als psychisch die het incident voor de benadeelde partij heeft gehad, zal de rechtbank naar billijkheid een bedrag van € 3.000,00 toewijzen.

De rechtbank zal derhalve de vordering toewijzen tot een bedrag van € 3.287,75.

De rechtbank zal voorts de gevorderde wettelijke rente toewijzen, nu vast is komen te staan dat de schade met ingang van 27 juli 2014 is ontstaan.

De rechtbank zal voor het overige deel van de vordering, de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren.

Dit brengt mee, dat verdachte dient te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met zijn vordering heeft gemaakt, welke kosten de rechtbank tot op heden begroot op nihil, en de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Tevens zal de rechtbank de schadevergoedingsmaatregel opleggen.

8 De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen straf en maatregel zijn gegrond op de artikelen:

- 9 a, 14a, 14b, 14c, 14d, 24c, 36f, 45, 57, 62 en 287 van het Wetboek van Strafrecht;

- 7, 8, 11, 107, 176, 177 en 179a van de Wegenverkeerswet 1994.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

9 De beslissing

De rechtbank:

verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat verdachte de onder 1 primair, 2, 3, 4 en 5 tenlastegelegde feiten heeft begaan en dat het bewezenverklaarde uitmaakt:

1 primair

poging tot doodslag;

2.

overtreding van artikel 8, vierde lid, juncto artikel 8, derde lid, onderdeel a van de Wegenverkeerswet 1994;

3.

overtreding van artikel 7, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994;

4.

overtreding van artikel 11 van de Wegenverkeerswet 1994;

5.

overtreding van artikel 107, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994;

verklaart het bewezen verklaarde en verdachte deswege strafbaar;

verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;

veroordeelt verdachte voor de feiten 1 primair, 2, 3 en 4 tot:

een gevangenisstraf voor de duur van 18 (achttien) maanden,

bepaalt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijk gedeelte van de hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;

bepaalt dat een gedeelte van die straf, groot 6 (zes) maanden, niet zal worden tenuitvoergelegd onder de algemene voorwaarde dat de veroordeelde:

- zich voor het einde van de hierbij op twee jaren vastgestelde proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

- ter vaststelling van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

- medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen;

en onder de bijzondere voorwaarden dat de veroordeelde:

- zich gedurende de proeftijd meldt bij de Reclassering Nederland, Adviesunit 2 Zuid-West, Bezuidenhoutseweg 179 te Den Haag op door de reclassering te bepalen tijdstippen, zo frequent en zolang deze de reclassering dat noodzakelijk acht;

- zich gedurende de proeftijd onder behandeling stelt van De Waag of soortgelijke polikliniek voor ambulante forensische zorg op de tijden en plaatsen als door of namens die instelling aan te geven, teneinde zich te laten behandelen;

geeft opdracht aan Reclassering Nederland tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde bijzondere voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden;

bepaalt dat ter zake van het onder feit 5 verklaarde geen straf of maatregel wordt opgelegd;

veroordeelt verdachte ter zake van feit 1 voorts tot:

ontzegging van de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen voor 1 (één) jaar;

wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij gedeeltelijk toe en veroordeelt verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan [slachtoffer 1], een bedrag van € 3.287,75, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 27 juli 2014 tot aan de dag waarop deze vordering is voldaan;

veroordeelt verdachte tevens in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

verklaart de benadeelde partij voor het overige deel niet-ontvankelijk in de vordering;

legt aan verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat van een bedrag groot

€ 3287,75, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 27 juli 2014 tot aan de dag waarop deze vordering is voldaan, ten behoeve van het slachtoffer genaamd

[slachtoffer 1];

bepaalt dat in geval volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt - onder handhaving van voormelde verplichting - vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 42 dagen;

bepaalt dat voldoening van de gehele of gedeeltelijke betalingsverplichting aan de benadeelde partij de betalingsverplichting aan de Staat in zoverre doet vervallen, alsmede dat voldoening van de gehele of gedeeltelijke betalingsverplichting aan de Staat de betalingsverplichting aan de benadeelde partij in zoverre doet vervallen.

Dit vonnis is gewezen door

mr. A.P. Pereira Horta, voorzitter,

mr. C.F. Mewe, rechter,

mr. A. Dantuma-Hieronymus, rechter,

in tegenwoordigheid van mrs. F.E. van der Does en I.C. Kranenburg, griffiers,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 9 februari 2015.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door (een) daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en). Waar wordt verwezen naar dossierpagina’s, betreft dit de pagina’s van het processen-verbaal met het nummer PL1500-2014167918, van de politie eenheid Den Haag, district Den Haag Centrum, met bijlagen, doorgenummerd p. 1 t/m 127 (pv I) en doorgenummerd p. 1 tot en met 67 (pv II).

2 Proces-verbaal van bevindingen, p. 36 t/m 38 (pv I).

3 Proces-verbaal van bevindingen, p. 47 en 48 (pv I).

4 Proces-verbaal van bevindingen, p. 36 t/m 38 (pv I) en proces –verbaal verhoor getuige [getuige], p. 34 en 35 (pv I).

5 Proces-verbaal van verhoor verdachte [betrokkene 2], p. 58 (pv I).

6 Proces-verbaal van bevindingen, p. 36 t/m 38 (pv I) en medische informatie, p. 82 (pv I).

7 Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige], p. 34 en 35 (pv I).

8 Verklaring verdachte ter terechtzitting van 26 januari 2015.

9 Proces-verbaal Verkeers Ongevallen Analyse, p. 5.

10 Proces-verbaal van bevindingen, p. 52 (pv I) en waarneming van de rechtbank ter terechtzitting van de ter zitting getoonde camerabeelden.

11 Proces-verbaal Verkeers Ongevallen Analyse, p. 4.

12 Proces-verbaal van bevindingen, p. 37 (pv I).

13 Proces-verbaal van bevindingen, p. 112 (pv I).