Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2015:11713

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
05-10-2015
Datum publicatie
21-10-2015
Zaaknummer
C-09-494013-KG ZA 15-1195
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

De stichting handelt niet onrechtmatig door de zoon niet toe te laten op de gesloten afdeling waar zijn moeder verblijft. Door het gedrag van de zoon is de stichting niet in staat een veilige en rustige woon- en werkomgeving voor haar bewoners en medewerkers te waarborgen. Het belang van de zoon om zijn moeder onbeperkt te kunnen bezoeken op de gesloten afdeling moet dan ook wijken voor het belang van de stichting om een rustige woon- en werkomgeving te kunnen bieden aan haar bewoners en medewerkers.

Het recht op ‘family life’ als bedoeld in artikel 8 lid 2 EVRM kan worden beperkt indien de gezondheid of de rechten of vrijheden van anderen in het geding zijn. De beperking van de bezoekregeling is ingesteld om rust op de afdeling waar zijn moeder verblijft te creëren voor personeel en bewoners. De zoon kan zijn moeder iedere dag van de week bezoeken (binnen de openingstijden van de receptie), waarbij zij door een medewerker van de afdeling wordt gebracht en gehaald.

Wetsverwijzingen
Wet bijzondere opnemingen in psychiatrische ziekenhuizen
Wet bijzondere opnemingen in psychiatrische ziekenhuizen 41
Wet bijzondere opnemingen in psychiatrische ziekenhuizen 41a
Wet bijzondere opnemingen in psychiatrische ziekenhuizen 41b
Wet bijzondere opnemingen in psychiatrische ziekenhuizen 42
Wet bijzondere opnemingen in psychiatrische ziekenhuizen 43
Wet bijzondere opnemingen in psychiatrische ziekenhuizen 44
Wet bijzondere opnemingen in psychiatrische ziekenhuizen 60
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JVGGZ 2016/9 met annotatie van E. Plomp
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank den haag

Team handel - voorzieningenrechter

zaak- / rolnummer: C/09/494013 KG ZA 15/1195

Vonnis in kort geding van 5 oktober 2015

in de zaak van

[eiser] ,

wonende te [woonplaats] ,

eiser,

advocaat mr. P.A. van Hecke te Rotterdam,

tegen:

de stichting

Stichting Topaz,

gevestigd te Leiden,

gedaagde,

advocaat mr. D.J.G. Timmermans te Leiden.

Partijen worden hierna respectievelijk aangeduid als ‘ [eiser] ’ en ‘Topaz’.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding van 10 augustus 2015, met producties;

- de door gedaagde overgelegde producties;

- de op 21 september 2015 gehouden mondelinge behandeling, waarbij door beide partijen pleitnotities zijn overgelegd.

1.2.

Mr. Van Hecke heeft bezwaar gemaakt tegen de op 18 september 2015 door

mr. Timmermans toegezonden producties 39 t/m 44, omdat deze te laat zijn ingediend, waardoor hij deze producties niet met zijn cliënt kan bespreken.

1.3.

Ter zitting is vonnis bepaald op heden.

2 De feiten

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting wordt in dit geding van het volgende uitgegaan.

2.1.

De moeder van [eiser] , mevrouw [A] , verblijft sinds januari 2010 op basis van een BOPZ-indicatie op de gesloten afdeling voor dementerende cliënten van Topaz.

2.2.

Bij brief van 28 november 2014 heeft Topaz [eiser] de toegang tot het verpleegtehuis geweigerd in verband met zijn houding en gedrag jegens zijn moeder.

2.3.

Topaz heeft op 28 november 2014 bij de politie tegen [eiser] aangifte van mishandeling gedaan, waarvan proces-verbaal is opgemaakt.

2.4.

Bij brief van 29 november 2014 heeft [eiser] een klacht ingediend bij Topaz waarin hij bezwaar maakt tegen het feit dat hem de toegang tot het verpleegtehuis is ontzegd en hij verzoekt om zijn moeder weer te mogen bezoeken.

2.5.

Op 11 december 2014 heeft Topaz [eiser] toegestaan onder een aantal voorwaarden zijn moeder in het verpleegtehuis te bezoeken. [eiser] heeft ingestemd met de voorwaarden en heeft ingestemd met gemaakte afspraken, in aanwezigheid van de heer [B] , destijds de mentor van de moeder van [eiser] en mevrouw [C] , specialist ouderengeneeskunde.

2.6.

Bij brief van 19 december 2014 heeft Topaz [eiser] onder meer het volgende meegedeeld:

“(…)

Vanuit de afdeling ontvingen wij signalen dat u sinds een paar weken pestgedrag vertoont jegens mevrouw [A] . Op dinsdag 25 november 2014 is ons gebleken dat het pestgedrag door u jegens mevrouw [A] toenam. Dit bestond bijvoorbeeld uit het dichthouden van de neus totdat mevrouw [A] rood aanloopt en het volproppen van de mond. Hierdoor begint mevrouw [A] te proesten, waarop u weer meer eten in haar mond stopt. Hierdoor ontstaat ons inziens verstikkingsgevaar, aangezien mevrouw [A] moeite heeft om al dat eten tegelijk weg te krijgen. Verder geeft u mevrouw [A] soms een tik (klap) net achter haar oor, tegen haar hoofd. Mevrouw [A] heeft weinig kracht in haar armen. U tilt haar armen soms op, waarop u haar armen plotseling loslaat en haar armen naar beneden vallen. Om al het bovenstaande begint u mevrouw [A] vervolgens uit te lachen.

Op het moment dat het personeel [het personeel] iets van uw gedrag zegt, reageert u daarop heel denigrerend en verbaal agressief en dreigend.

(…) Uw gedrag is ontoelaatbaar en staat haaks op de belangen van mevrouw [A] .

(...)

Op donderdag 27 november 2014 hebben wij getracht de wijkagent te bereiken. Dit is echter niet gelukt.

Op die dag bent u opnieuw op bezoek gegaan bij mevrouw [A] . U hebt toen een hele Mars-reep of soortgelijk snoep bij mevrouw [A] in haar mond gestopt. Hierna wilde u haar er nog een geven. Hier is door het personeel wat van gezegd.

Vervolgens bent u met mevrouw [A] gaan lopen. U liep erg snel en mevrouw [A] kon dit moeilijk bijhouden, met het risico op een valpartij. U trok haar als het ware mee. Ook hier werd door het personeel wat van gezegd, waarop u erg intimiderend reageerde jegens het personeel.

(…)”

2.7.

De officier van justitie heeft op 25 januari 2015 de zaak tegen [eiser] wegens onvoldoende bewijs geseponeerd.

2.8.

Op 15 mei 2015 heeft [eiser] bij de politie aangifte gedaan tegen Topaz van een valse aangifte tegen hem.

2.9.

De zus van [eiser] , mevrouw [zus van A] , is met ingang van 22 februari 2015 benoemd tot mentor over haar moeder.

2.10.

Naar aanleiding van een evaluatie van de bezoekregeling van [eiser] aan zijn moeder, zijn in aanwezigheid van mevrouw [zus van A] , mevrouw [D] (maatschappelijk werk) en [E] (EVV) en mevrouw [F] (teammanager) de volgende afspraken gemaakt, die gelden vanaf 15 juni 2015:

- [eiser] meldt zich bij de receptie op zelfgekozen tijden, binnen de receptietijden. Maandag tot en met vrijdag van 8.30 uur tot 18.00 uur, zaterdag en zondag van 10.30 tot 18.00 uur.

- [eiser] komt zelfstandig op bezoek niet meer in het bijzijn van zijn zus/broer;

- De receptie belt de afdeling en de afdeling brengt mevr. [A] naar de receptie.

- [eiser] brengt mevr. [A] vóór 18.00 uur terug bij de receptie.

- De receptie belt de afdeling om mevr. [A] te komen ophalen.

- Evaluatie vindt plaats over 4 maanden.

3 Het geschil

3.1.

[eiser] vordert – zakelijk weergegeven – Topaz te gebieden toe te staan dat [eiser] zijn moeder onbegeleid in haar privé-omgeving kan bezoeken, op straffe van een dwangsom en met veroordeling van Topaz in de proceskosten.

3.2.

Daartoe voert [eiser] – samengevat – het volgende aan. Topaz handelt onrechtmatig door [eiser] om oneigenlijke redenen weg te houden bij zijn moeder althans hem geen onvoorwaardelijke mogelijkheid te bieden zijn moeder te bezoeken. [eiser] mag niet op de afdeling komen waar zijn moeder verblijft. Het halen en wegbrengen van zijn moeder door het personeel van Topaz is niet bevorderlijk voor zijn moeders welbevinden. Bovendien moet [eiser] telkens aan het personeel vragen of zij zijn moeder kunnen halen en brengen. Het zou veel rustiger zijn indien hij zijn moeder op haar eigen kamer kan bezoeken. De relatie tussen [eiser] en zijn moeder valt onder de reikwijdte van artikel 8 lid 1 EVRM. [eiser] heeft een spoedeisend belang bij zijn vordering.

3.3.

Topaz voert gemotiveerd verweer, dat hierna, voor zover nodig, zal worden besproken.

4 De beoordeling van het geschil

4.1.

Het bezwaar van [eiser] tegen de op 18 september 2015 namens Topaz toegezonden aanvullende producties 39 t/m 44 wordt afgewezen. Het betreft met name brieven van Topaz aan [eiser] en een indicatie/zorgovereenkomst, met welke stukken hij reeds bekend is. De voorzieningenrechter acht [eiser] niet in zijn belangen geschaad.

Ontvankelijkheid

4.2.

Topaz voert ten verwere aan dat [eiser] niet-ontvankelijk is in zijn vordering, omdat hij de klachtprocedure op grond van de artikelen 40 t/m 41a van de Wet bijzondere opnemingen in psychiatrische ziekenhuizen (BOPZ) moet volgen.

4.3.

Naar voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter slaagt dit verweer niet. De klachtenregeling van de Wet BOPZ heeft betrekking op klachten over beslissingen en gedragingen van behandelaars die de rechten van de cliënt beperken. [eiser] kan dus wel in zijn vordering worden ontvangen.

Spoedeisend belang

4.4.

Gelet op de leeftijd en de kwetsbare gezondheid van de moeder van [eiser] , is het spoedeisend belang van [eiser] bij de vordering voldoende aannemelijk.

Ontzegging toegang tot gesloten afdeling

4.5.

Kern van dit kort geding is de vraag of Topaz onrechtmatig jegens [eiser] handelt door hem niet toe te laten op de gesloten afdeling waar zijn moeder verblijft.

4.6.

[eiser] betwist dat hij zijn moeder gepest en/of mishandeld zou hebben en dat hij onrust heeft veroorzaakt bij de andere bewoners. In de visie van [eiser] is er geen enkele legitieme reden om het bezoek te beperken.

4.7.

Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is uit de overgelegde gespreksverslagen en brieven van de medewerkers van Topaz voldoende aannemelijk dat [eiser] door zijn gedrag en bejegening van de zorgverleners al gedurende langere tijd onrust op de afdeling waar zijn moeder verblijft heeft veroorzaakt. Ter zitting heeft [eiser] erkend dat er op 18 en 27 november 2014 onrust op de afdeling is geweest over het geven van chocolade aan zijn moeder. Naar aanleiding van deze incidenten is [eiser] op 28 november 2014 de toegang tot het verpleeghuis ontzegd. In de maanden daarna is de bezoekregeling van [eiser] aan zijn moeder geleidelijk en na tussentijdse evaluatie uitgebreid, eerst onder begeleiding van de mentor. Sinds 15 juni 2015 heeft Topaz de bezoekregeling verder verruimd en is afgesproken dat [eiser] zijn moeder iedere dag mag bezoeken in het verpleegtehuis, behalve op de afdeling en/of op haar kamer.

4.8.

Gelet op de inhoud van de overgelegde brieven kan niet gezegd worden dat Topaz jegens [eiser] onrechtmatig heeft gehandeld door hem niet toe te laten op de gesloten afdeling. Door het gedrag van [eiser] is Topaz niet in staat een veilige en rustige woon- en werkomgeving voor haar bewoners en haar medewerkers te waarborgen. Het belang van [eiser] om zijn moeder onbeperkt te kunnen bezoeken op de afdeling moet dan ook wijken voor het belang van Topaz om een rustige en veilige woon- en werkomgeving te kunnen bieden aan haar bewoners en medewerkers. Voor zover eiser zich beroept op artikel 8 van het EVRM, gaat dat beroep niet op, nu uit lid 2 volgt dat het recht op “familiy life” kan worden beperkt indien de gezondheid of de rechten of vrijheden van anderen in het geding zijn. Dat is hier het geval. De beperking van de bezoekregeling is ingesteld om rust op de afdeling waar de moeder van [eiser] verblijft te creëren voor het personeel en de bewoners. [eiser] kan zijn moeder iedere dag van de week binnen de openingstijden van de receptie bezoeken, waarbij zij door een medewerker van de afdeling naar beneden wordt gebracht en gehaald.

4.9.

Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de vordering zal worden afgewezen. [eiser] zal, als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de kosten van dit geding.

5 De beslissing

De voorzieningenrechter:

5.1.

wijst de vordering af;

5.2.

veroordeelt [eiser] in de kosten van dit geding, tot dusverre aan de zijde van Topaz begroot op € 1.429,--, waarvan € 816,-- aan salaris advocaat en € 613,-- aan griffierecht.

Dit vonnis is gewezen door mr. G.P. van Ham en in het openbaar uitgesproken op 5 oktober 2015.

CJ