Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2015:11656

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
09-09-2015
Datum publicatie
09-10-2015
Zaaknummer
AWB 15/5836
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank komt tot het oordeel dat de beoordeling van het asielrelaas van eiseres in dit geval niet voldoet aan de eisen genoemd in rechtsoverwegingen 7.4 en 7.6 van de Afdelingsuitspraak van 8 juli 2015. Dat verweerder het asielrelaas van eiseres heeft getoetst aan de hand van de integrale geloofwaardigheidstoets zoals neergelegd in het WBV 2014/36 en de Werkinstructie 2014/10, leidt op zichzelf niet tot een ander oordeel, omdat die werkwijze - die geldt voor alle aanvragen, ongeacht het asielmotief - in zijn algemeenheid geen inzicht biedt in de (specifieke) beoordeling van een seksuele gerichtheid. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder onvoldoende deugdelijk gemotiveerd waarom de seksuele gerichtheid van eiseres ongeloofwaardig is, zodat het bestreden besluit voor wat betreft de asielaanvraag in strijd is met artikel 3:6 Algemene wet bestuursrecht.

In de beslissing ex artikel 3.1, eerste lid, Vb heeft verweerder enkel overwogen dat naar zijn voorlopig oordeel eiseresses aanvraag als een herhaalde aanvraag moet worden aangemerkt, omdat zij geen nieuwe feiten en omstandigheden heeft aangedragen. Verweerder heeft daarin niet gemotiveerd op grond waarvan hij zich op het standpunt stelt dat (naar zijn voorlopig oordeel) geen sprake is van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden. Dit “voorlopig oordeel” kan dan ook niet worden beschouwd als het in artikel 34, derde lid, aanhef en onder a, richtlijn 2005/85 genoemde besluit waarbij wordt vastgesteld dat aan de aanvraag geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden ten grondslag zijn gelegd. Uit het voorgaande volgt dat eiseres, nu het beroep in de asielprocedure gegrond is verklaard, als gevolg van haar asielaanvraag van 14 oktober 2014 thans nog steeds rechtmatig verblijf in Nederland toekomt totdat verweerder een nieuw besluit heeft genomen. Uit hetgeen de rechtbank heeft overwogen volgt dat eiseres er aanspraak op kan maken in Nederland te verblijven zolang niet – opnieuw - op haar aanvraag is beslist, althans een besluit is genomen als bedoeld in art. 42, derde lid van Richtlijn 2013/32 EU (de pendant van de bovengenoemde bepaling van art. 34, derde lid van richtlijn 2005/85). Daarom is het verzoek van eiseres om teruggeleiding naar Nederland toewijsbaar.

Wetsverwijzingen
Vreemdelingenbesluit 2000
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 15/5836 (beroep)

uitspraak van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken van 9 september 2015 in de zaak tussen

[eiseres] ,

geboren op [geboortedatum] , burger van Bosnië-Herzegovina,

eiseres,

mede namens haar minderjarige zoon,

[naam],

geboren op [geboortedatum 2] ,

(gemachtigde: mr. H. Tadema, advocaat te Deventer),

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder,

(gemachtigde: mr. L. Mol, werkzaam bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst).

Procesverloop

Bij besluit van 20 februari 2015 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiseres tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd afgewezen. In voornoemd besluit heeft verweerder tevens het bezwaar gericht tegen de beslissing ex artikel 3.1, eerste lid, Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb), ten gevolge waarvan eiseres op 24 oktober 2014 is uitgezet, ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft op 30 juni 2015 een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 juli 2015. Partijen hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden. Naar aanleiding van de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 8 juli 2015 (ELCL:NL:RVS:2015:2170) heeft de rechtbank het onderzoek heropend en partijen om een reactie verzocht. Verweerder heeft bij brief van 17 augustus 2015 gereageerd. Eiseres heeft bij brief van 20 augustus 2015 hierop gereageerd. De rechtbank heeft op 25 augustus 2015 het onderzoek, met toestemming van partijen zonder het houden van een nadere zitting, gesloten.

Overwegingen

1. De rechtbank betrekt bij de beoordeling de navolgende feiten en omstandigheden.
1.1 Eiseres heeft eerder, op 17 januari 2014, een aanvraag ingediend tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd en ter onderbouwing hiervan het volgende aangevoerd. Eiseres is een alleenstaande moeder die slachtoffer is geworden van verkrachting. In Bosnië bestaan geen instanties die haar gepaste zorg kunnen bieden. Evenmin heeft eiseres een sociaal vangnet waarop ze kan terugvallen nu men in Bosnië sterk afkeurend staat tegenover een alleenstaande moeder. Na terugkeer zal zij in een achtergestelde positie belanden. Verweerder heeft deze aanvraag bij besluit van 26 januari 2014 afgewezen. Het hiertegen ingediende beroep is bij uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Arnhem van 13 juni 2014 (AWB 14/2659) ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 18 juli 2014 (201405099/1/V2) heeft de Afdeling deze uitspraak bevestigd.

1.2

Voorts heeft verweerder bij de artikel 3.1, eerste lid, Vb beslissing bepaald dat uitzetting van eiseres niet achterwege wordt gelaten. Daarbij is jegens haar tevens een terugkeerbesluit uitgevaardigd. Eiseres heeft hiertegen op 21 oktober 2014 bezwaar gemaakt en een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend inhoudende dat verweerder wordt verboden eiseres uit te zetten totdat op het bezwaar is beslist. Bij uitspraak van de voorzieningenrechter van deze rechtbank, zittingsplaats Zwolle, van 22 oktober 2014 (AWB 14/23953) is dit verzoek afgewezen. Eiseres is samen met haar minderjarige kind op 24 oktober 2014 uitgezet.

1.3

Op 14 oktober 2014 is eiseres in bewaring gesteld. Op diezelfde datum heeft zij voorliggende asielaanvraag ingediend en hieraan ten grondslag gelegd dat zij tijdens haar verblijf hier te lande ontdekte lesbisch te zijn. Vanwege haar geaardheid vreest eiseres na terugkeer naar haar land van herkomst blootgesteld te worden aan onaanvaardbare discriminatie.

2. Allereerst ligt ter beoordeling voor of eiseres procesbelang heeft bij de beoordeling van het onderhavige beroep. Verweerder heeft dit in het verweerschrift weersproken en zich op het standpunt gesteld dat het beroep niet-ontvankelijk is wegens gebrek aan belang nu niet gebleken is dat de gemachtigde van eiseres sinds haar verwijdering naar Bosnië nog immer contact heeft met haar. Voorts ontbeert het beroep een actueel en concreet belang nu eiseres is uitgezet. De gemachtigde van eiseres betwist dit. Namens eiseres is ter zitting toegelicht dat via de in Nederland wonende schoonzuster van eiseres voortdurend contact is geweest over de voortgang van de procedure. Bovendien komen stukken uit Bosnië binnen, afkomstig van eiseres. De rechtbank overweegt dat het gegeven de desbetreffende betwisting op de weg van verweerder ligt aannemelijk te maken dat het contact tussen eiseres en haar gemachtigde zou zijn verbroken. Verweerder heeft daarvoor geen feitelijke argumenten aangedragen, en het tegendeel is door de toelichting van eiseres gemachtigde over het contact dat hij met eiseres onderhoudt aannemelijk geworden.Dat eiseres uit Nederland is verwijderd doet evenmin afbreuk aan haar procesbelang. Gelet op het voorgaande neemt de rechtbank aan dat sprake is van procesbelang.

Ten aanzien van de asielaanvraag van eiseres

3. Verweerder heeft in het bestreden besluit de asielaanvraag van eiseres afgewezen met toepassing van artikel 4:6 Algemene wet bestuursrecht (Awb), omdat hetgeen eiseres heeft verklaard niet wordt aangemerkt als nieuwe feiten of veranderde omstandigheden.

3.1

De rechtbank stelt vast dat het bestreden besluit, voor zover dat betrekking heeft op de afwijzing van de aanvraag van eiseres tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, materieel vergelijkbaar is met het eerdere afwijzende besluit van 26 januari 2014.

3.2

Uit het ne bis in idem beginsel vloeit voort dat indien na een eerder afwijzend besluit een materieel vergelijkbaar besluit wordt genomen, voorshands moet worden aangenomen dat laatstgenoemd besluit door de bestuursrechter niet mag worden getoetst als ware het een eerste afwijzing. Slechts indien door de vreemdeling in de bestuurlijke fase nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn aangevoerd, kunnen dat besluit, de motivering ervan en de wijze waarop het tot stand is gekomen door de bestuursrechter worden getoetst. Dat geldt ook indien uit hetgeen de vreemdeling heeft aangevoerd kan worden afgeleid dat zich een voor hem relevante wijziging van het recht voordoet. Dit is slechts anders, indien zich bijzondere, op de individuele zaak betrekking hebbende, feiten en omstandigheden als bedoeld in overweging 45 van het arrest van het EHRM van 19 februari 1998 (Bahaddar tegen Nederland; JV 1998/45) voordoen.

3.3

De rechtbank beoordeelt ambtshalve of aan de aanvraag nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden ten grondslag zijn gelegd. Daaronder moeten worden begrepen feiten en omstandigheden die zijn voorgevallen na het nemen van het eerdere besluit of die niet voor het nemen van dat besluit konden worden aangevoerd en bewijsstukken van reeds eerder aangevoerde feiten of omstandigheden die niet voor het nemen van het eerdere besluit konden worden overgelegd. Dergelijke nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden rechtvaardigen echter geen nieuwe rechterlijke beoordeling, indien op voorhand is uitgesloten dat hetgeen alsnog is aangevoerd of overgelegd kan afdoen aan het eerdere besluit.

3.4

Eiseres voert als nieuw gebleken feit dan wel veranderde omstandigheid aan dat zij lesbisch is. De stelling van verweerder dat het relaas van eiseres ongeloofwaardig is, is onjuist gemotiveerd, immers zonder acht te slaan op de criteria die volgens het Hof van Justitie EU (Hof) gehanteerd moeten worden om homoseksualiteit vast te stellen. Eiseres zal bij terugkeer naar Bosnië gediscrimineerd worden vanwege haar geaardheid.
3.5 Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat eiseres haar gestelde lesbische geaardheid niet geloofwaardig heeft gemaakt. In dit verband wordt verwezen naar hetgeen is overwogen in de voornoemde uitspraak van 22 oktober 2014, waaruit te concluderen valt dat de voorzieningenrechter van oordeel is dat van rechtens relevante nova geen sprake is. Dat eiseres in Nederland van een kind is bevallen doet aan het voorgaande niet af. Voorts overweegt verweerder dat omtrent de verklaring van eiseres inzake haar verdieping in LHBT (Lesbisch, Homo-, Bi- en Transgenders) organisaties in Nederland kan worden afgeleid dat zij de mogelijkheid had om met deze organisaties per mail dan wel telefonisch contact te leggen. Bovendien heeft eiseres daartoe voldoende tijd gehad gelet op de geruime tijd die zij in Nederland heeft doorgebracht. Dat de Afdeling prejudiciële vragen heeft gesteld aan het Hof inzake het vaststellen van homoseksualiteit en de gevolgen daarvan in het land van herkomst, leidt niet tot een ander oordeel nu in voornoemde uitspraak van 22 oktober 2014 is geoordeeld dat verweerder het aanhangig zijn van de vragen niet bij de aanvraag had behoeven te betrekken.

3.6

Bij schrijven van 17 augustus 2015 heeft verweerder als reactie op de uitspraak van de Afdeling van 8 juli 2015 verwezen naar de interne vaste gedragslijn van verweerder zoals die wordt gehanteerd bij de beoordeling van asielzaken waar de seksuele gerichtheid het asielmotief is. Deze gedragslijn wordt door verweerder gehanteerd sinds 14 april 2014.
In de gedragslijn staat vermeld hoe er gehoord dient te worden. Dit gebeurt aan de hand van negen thema’s:

1) Privéleven, familie en religie. Het gaat om de eigen ervaringen van betrokkene en het bewustwordingsproces.

2) Relaties, zowel de huidige als de vorige relaties.

3) Familie en vrienden. Het gaat om hun reactie op de coming-out van betrokkene.

4) Homoseksuele contacten in het land van herkomst.

5) Contact met en kennis van belangenorganisaties in het land van herkomst.

6) Contacten met homoseksuelen in Nederland.

7) Kennis van de Nederlandse situatie met betrekking tot homoseksuelen.

8) Discriminatie, repressie en vervolging in het land van herkomst.

9) Toekomst; de door de vreemdeling verwachte gevolgen bij terugkeer naar het land van herkomst.

3.6.1

Verweerder stelt zich op het standpunt dat eiseres over alle relevante thema’s is ondervraagd hetgeen blijkt uit het nader gehoor. In zijn algemeenheid stelt verweerder voorop dat het zwaartepunt ligt op de antwoorden op vragen over de eigen ervaringen (o.a. bewustwording en zelfacceptatie) van de vreemdeling met betrekking tot de seksuele oriëntatie, wat dit voor hem en de omgeving betekend heeft, wat de situatie is voor personen met die gerichtheid in het land van herkomst en hoe diens ervaringen in het algemene beeld passen. In de voorliggende zaak heeft verweerder aan verklaringen die zien op het bewustwordingsproces zwaar gewicht toegekend, temeer nu een dergelijk bewustwordingsproces waarmee eiseres inzicht kan verschaffen in het proces dat zij doorgemaakt heeft alvorens te beseffen dat zij lesbienne is, geheel lijkt te ontbreken. Voor verweerder is tevens van belang dat eiseres gedurende de tien maanden sinds ze zou weten lesbienne te zijn, nooit contact heeft gelegd met andere lesbische vrouwen dan wel homo-organisaties. Bovendien heeft eiseres pas verklaard over haar geaardheid nadat zij is geïnformeerd over haar aanstaande vertrek naar Bosnië hetgeen afbreuk doet aan de geloofwaardigheid van de verklaringen. Tot slot stelt verweerder zich op het standpunt dat het toepassen van de integrale geloofwaardigheidstoets, zoals neergelegd in het WBV 2014/36 en de Werkinstructie 2014/10, van belang is. Het toepassen van deze toets leidt er immers toe dat het besluit meer inzicht biedt in de beoordeling en weging van de elementen van het asielrelaas. Gelet op het vorenstaande is voldoende inzichtelijk gemaakt hoe in het algemeen in zaken met seksuele geaardheid als asielmotief het onderzoek wordt verricht zodat aan de in de uitspraak van de Afdeling van 8 juli 2015 genoemde eisen van inzichtelijkheid is voldaan. Door toepassing van de vaste gedragslijn is het asielrelaas van eiseres op juiste gronden ongeloofwaardig geacht.

3.6.2

In haar reactie op verweerder verwijst eiseres naar een uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van 4 augustus 2015 (AWB 15/13178) waarin is overwogen dat verweerder niet inzichtelijk heeft gemaakt hoe aan de hand van de uitkomsten van zijn onderzoek de beoordeling van de geloofwaardigheid van een gestelde homoseksuele gerichtheid in het algemeen pleegt te worden verricht en hoe deze in de betreffende zaak is uitgevallen. Voorts is geoordeeld dat verweerder niet inzichtelijk heeft gemaakt op welke vragen en antwoorden van de vreemdeling het zwaartepunt ligt en hoe hij de door de vreemdeling gegeven antwoorden heeft gewaardeerd en onderling gewogen. Gelet op hetgeen de rechtbank in genoemde uitspraak heeft overwogen dient het beroep van eiseres ook gegrond te worden verklaard.

3.7

In de genoemde uitspraak van 8 juli 2015 heeft de Afdeling – voor zover van belang – het volgende overwogen:
“Moment waarop over seksuele gerichtheid wordt verklaard.

5.1 (…)

Daarom vloeit uit de aard van het asielmotief en de wijze waarop de staatssecretaris de geloofwaardigheid van de verklaringen van de vreemdeling daarover onderzoekt, voort dat ter beantwoording van de vraag of die seksuele gerichtheid een nieuw gebleken feit of omstandigheid is, aan de vreemdeling niet mag worden tegengeworpen dat hij niet eerder over zijn seksuele gerichtheid heeft verklaard. (…).

Beoordeling van een seksuele gerichtheid

7. De door het Hof geformuleerde grenzen scheppen een algemeen kader waarbinnen de staatssecretaris de beoordeling van de geloofwaardigheid van de seksuele gerichtheid in een concreet geval mag verrichten. Teneinde de bestuursrechter in staat te stellen de zorgvuldigheid en motivering van besluiten, als bedoeld in de artikelen 3:2 en 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht, te toetsen in het licht van deze grenzen, moet de staatssecretaris evenwel inzichtelijk maken op welke wijze hij die beoordeling daadwerkelijk in een concrete zaak heeft verricht. Hierbij is met name van belang het soort vragen dat de staatssecretaris heeft gesteld en de wijze waarop hij de antwoorden op die vragen onderling heeft gewogen. Het gaat er hierbij niet alleen om dat de staatssecretaris inzichtelijk maakt wat hij niet doet bij het onderzoek naar de geloofwaardigheid van de seksuele gerichtheid, maar ook hoe hij de beoordeling van de geloofwaardigheid van de seksuele gerichtheid met inachtneming van artikel 4 van Richtlijn 2004/83 wél heeft ingericht.
(…)
7.2 Anders dan voor zaken waarin een geloofsovertuiging als asielmotief wordt aangevoerd, heeft de staatssecretaris voor het onderzoek naar een gestelde seksuele gerichtheid geen specifiek op die asielzoekers toegespitste vragenlijst ontwikkeld waarin hij categorieën van vragen heeft opgenomen, zoals vragen over de wijze en het moment waarop een vreemdeling tot besef van zijn seksuele gerichtheid is gekomen en wat dit voor hem en zijn omgeving heeft betekend, wat de situatie is voor personen met die gerichtheid in het land van herkomst van een vreemdeling en hoe diens ervaringen, ook volgens zijn asielrelaas, in dat algemene beeld passen. De door de staatssecretaris te verrichten onderzoeken naar beide asielmotieven vertonen echter, gelet op de aard van die asielmotieven en gezien de moeilijkheden die een vreemdeling kan ondervinden een dergelijk asielmotief te bewijzen, gelijkenissen. Zie voor de inrichting van het onderzoek naar een gestelde geloofsovertuiging de uitspraak van de Afdeling van 24 mei 2013 in zaak nr. 201109256/1/V2.

7.3

De staatssecretaris heeft ter zitting desgevraagd slechts kunnen toelichten welke vragen in de gehoren niet mogen worden gesteld. Hoewel daartoe door de Afdeling in de gelegenheid gesteld, heeft hij niet inzichtelijk gemaakt welke soort vragen hij wél stelt tijdens de gehoren en of die vragen al dan niet in samenwerking met een belangen-organisatie, zoals de Nederlandse Vereniging tot Integratie van Homoseksualiteit (COC), tot stand zijn gekomen. Hoewel de staatssecretaris blijkens de nadere gehoren in de voorliggende zaken wel vragen stelt aangaande de gestelde seksuele gerichtheid, is niet gebleken dat die vragen voortkomen uit een vastgelegde, op de aard van het asielrelaas toegespitste, onderzoekssystematiek.

7.4.

De staatssecretaris heeft evenmin kunnen verduidelijken hoe hij vervolgens aan de hand van de uitkomsten van zijn onderzoek de beoordeling van de geloofwaardigheid van een gestelde seksuele gerichtheid, pleegt te verrichten en hoe hij deze naar aanleiding van de asielrelazen van de vreemdelingen in deze zaken heeft verricht.
(…)
7.6. Uit het vorenstaande volgt dat de staatssecretaris niet inzichtelijk heeft gemaakt op welke vragen en antwoorden, in het concrete geval in het licht van het asielrelaas van de desbetreffende vreemdeling, het zwaartepunt ligt en hoe de staatssecretaris de door een vreemdeling gegeven antwoorden waardeert en onderling weegt (vergelijk het arrest van het Hof van 22 november 2012 in zaak C-277/11, M.M. tegen Ierland, ECLI:EU:C:2012:744, en de uitspraak van de Afdeling van 9 april 2015 in zaak nr. 201501145/1/V2, www.raadvanstate.nl, en zie in dat kader ook de uitspraak van de Afdeling van 15 juli 2014 in zaak nr. 201401627/1/V2).

7.7.

Wegens het ontbreken van een beleidsregel of een vaste gedragslijn van de staatssecretaris over de wijze waarop hij een gestelde seksuele gerichtheid onderzoekt en beoordeelt, terwijl dat onderzoek en die beoordeling binnen het Nederlandse bestuursrechtelijke stelsel in eerste instantie aan hem is, is het voor de bestuursrechter thans niet mogelijk effectief te toetsen hoe de staatssecretaris in een concreet geval dat onderzoek en die beoordeling verricht en aldus een zorgvuldig voorbereid en deugdelijk gemotiveerd besluit neemt over de geloofwaardigheid van een seksuele gerichtheid als asielmotief. Het is binnen dit stelsel niet aan de bestuursrechter, maar aan de staatssecretaris om hieraan in de vormgeving en uitvoering van het vreemdelingenbeleid nader invulling te geven.”

3.8

Daargelaten het antwoord op de vraag of verweerder met de in de brief van 17 augustus 2015 (onder 3.6 genoemd) vervatte uiteenzetting over de door hem gevolgde interne werkinstructie tegemoetkomt aan de bezwaren van de Afdeling zoals genoemd in rechtsoverweging 7.3 van de uitspraak van 8 juli 2015, heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank, zoals deze rechtbank en zittingsplaats eerder heeft overwogen in de uitspraken van 28 juli 2015 (ECLI:NL:RBDHA:2015:8855) en van 11 augustus 2015 (AWB 15/13725), niet inzichtelijk gemaakt hoe hij aan de hand van de uitkomsten van zijn onderzoek de beoordeling van de geloofwaardigheid van een gestelde homoseksuele gerichtheid in het algemeen pleegt te verrichten en hoe hij deze naar aanleiding van de verklaringen van eiseres in de onderhavige zaak heeft verricht. Verweerder heeft met name niet inzichtelijk gemaakt hoe hij de door eiseres gegeven antwoorden heeft gewaardeerd en onderling gewogen.
Uit het bestreden besluit en het daarin ingelaste voornemen blijkt dat verweerder weliswaar is ingegaan op de verklaringen van eiseres, maar uit de besluitvorming blijkt niet hoe deze zijn gewogen. Voorts blijkt niet hoe de antwoorden op de vragen onderling zijn gewogen. In het schrijven van 17 augustus 2015 heeft verweerder weliswaar het standpunt ingenomen dat eiseres haar verklaringen omtrent de bewustwording van haar gestelde geaardheid lijken te ontbreken, maar uit het bestreden besluit blijkt niet hoe de weging van de verklaringen van eiseres over dit thema ten opzichte van de verklaringen van eiseres over de overige thema’s van de interne gedragslijn heeft plaatsgevonden.

3.9

De rechtbank komt tot het oordeel dat de beoordeling van het asielrelaas in dit geval niet voldoet aan de eisen genoemd in rechtsoverwegingen 7.4 en 7.6 van de uitspraak van 8 juli 2015. Dat verweerder het asielrelaas van eiseres heeft getoetst aan de hand van de integrale geloofwaardigheidstoets zoals neergelegd in het WBV 2014/36 en de Werkinstructie 2014/10, leidt op zichzelf niet tot een ander oordeel, omdat die werkwijze
- die geldt voor alle aanvragen, ongeacht het asielmotief - in zijn algemeenheid geen inzicht biedt in de (specifieke) beoordeling van een seksuele gerichtheid. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder onvoldoende deugdelijk gemotiveerd waarom de seksuele gerichtheid van eiseres ongeloofwaardig is, zodat het bestreden besluit voor wat betreft de asielaanvraag in strijd is met artikel 3:6 Algemene wet bestuursrecht (Awb). De beroepsgrond slaagt. De rechtbank zal het bestreden besluit voor wat betreft de asielaanvraag van eiseres vernietigen en verweerder opdragen een nieuw besluit te nemen. De rechtbank ziet gelet op de aard van het motiveringsgebrek geen aanleiding om de bestuurlijke lus toe te passen als bedoeld in artikel 8:51a Awb.


Ten aanzien van het niet achterwege laten van de uitzetting van eiseres
4. Eiseres voert aan dat haar bezwaar ten onrechte kennelijk ongegrond is verklaard. In de asielaanvraag heeft zij nieuwe omstandigheden uiteengezet en aangegeven wat haar gronden waren om een nieuwe asielaanvraag in te dienen. Verweerder heeft miskend dat eiseres haar aanvraag met alle zorgvuldigheid moest worden onderzocht gezien de prejudiciële vragen omtrent de vaststelling van homoseksualiteit die de Afdeling aan het Hof heeft gesteld. In plaats daarvan heeft verweerder een beslissing ingevolge art. 3.1, eerste lid, Vb aan eiseres uitgereikt en hangende het bezwaar daartegen eiseres uitgezet. De gemachtigde van eiseres verzoekt de rechtbank dan ook te gelasten dat eiseres wordt toegestaan Nederland opnieuw in te reizen, waarbij de Nederlandse staat de reiskosten dient te betalen.

4.1

Nu eiseres met het beroep wenst te bereiken dat verweerder haar teruggeleidt naar Nederland, dient de rechtbank allereerst te beoordelen of eiseres belang heeft bij het beroep. In dit verband is van belang de vraag of eiseres – na vernietiging van het besluit waarbij haar asielaanvraag is afgewezen - als gevolg van haar asielaanvraag van 14 oktober 2014 thans aanspraak heeft op rechtmatig verblijf in Nederland.

4.2

Volgens artikel 7, eerste lid, van richtlijn 2005/85/EG van de Raad van de Europese Unie van 1 december 2005 betreffende minimumnormen voor de procedures in de lidstaten voor de toekenning of intrekking van de vluchtelingenstatus (hierna: richtlijn 2005/85) mogen asielzoekers in de lidstaat verblijven louter ten behoeve van de procedure, totdat de beslissingsautoriteit overeenkomstig de in hoofdstuk III uiteengezette procedures in eerste aanleg een beslissing heeft genomen. Dit recht om te blijven houdt niet in dat de betrokkene recht heeft op een verblijfsvergunning.

4.3

De voorwaarde voor het in artikel 7, eerste lid, richtlijn 2005/85 bedoelde recht om te blijven (wat betreft eiseres: in Nederland) is de hoedanigheid van asielzoeker op wiens asielverzoek in eerste aanleg nog niet is beslist. Indien en zolang een onderdaan van een derde land deze hoedanigheid heeft en aldus aan de voorwaarde voldoet, moet diens verblijf als legaal worden aangemerkt.

4.4

De aanvraag van 14 oktober 2014 heeft derhalve tot gevolg gehad dat eiseres rechtmatig verblijf heeft gekregen.

4.5

Volgens artikel 7, tweede lid, richtlijn 2005/85 kunnen de lidstaten alleen een uitzondering maken voor de gevallen waarin een volgend asielverzoek overeenkomstig de artikelen 32 en 34 niet verder zal worden behandeld of wanneer zij een persoon zullen overdragen of uitleveren, naar gelang van het geval, aan hetzij een andere lidstaat uit hoofde van verplichtingen overeenkomstig een Europees aanhoudingsbevel of anderszins, hetzij een derde land of internationale strafhoven of tribunalen.

4.6

Volgens artikel 32, tweede lid, aanhef en onder b, richtlijn 2005/85, voor zover thans van belang, kunnen de lidstaten een specifieke procedure zoals bedoeld in het derde lid toepassen wanneer een persoon een volgend asielverzoek indient nadat een beslissing is genomen over het vorige verzoek.

Volgens het derde lid, voor zover thans van belang, moet een volgend asielverzoek eerst aan een voorafgaand onderzoek worden onderworpen om uit te maken of er, na de in het tweede lid, onder b, bedoelde beslissing inzake dit verzoek, nieuwe elementen of bevindingen aan de orde zijn of door de asielzoeker zijn voorgelegd in verband met de behandeling van de vraag of hij voor erkenning als vluchteling in aanmerking komt overeenkomstig richtlijn 2004/83/EG van de Raad van 29 april 2004 inzake minimumnormen voor de erkenning van onderdanen van derde landen en staatlozen als vluchteling of als persoon die anderszins internationale bescherming behoeft, en de inhoud van de verleende bescherming (hierna: richtlijn 2004/83). Volgens het vierde lid wordt het verzoek verder behandeld overeenkomstig hoofdstuk II, indien na het in het derde lid bedoelde voorafgaande onderzoek nieuwe elementen of bevindingen aan de orde zijn of door de asielzoeker zijn voorgelegd die de kans aanzienlijk groter maken dat de asielzoeker voor erkenning als vluchteling in aanmerking komt overeenkomstig richtlijn 2004/83.

4.7

In artikel 34, derde lid, aanhef en onder a, richtlijn 2005/85 is bepaald dat de lidstaten er voor zorgen dat de asielzoeker op passende wijze op de hoogte wordt gesteld omtrent de uitkomst van het voorafgaande onderzoek en, ingeval het verzoek niet verder zal worden behandeld, van de desbetreffende redenen en de mogelijkheden om een bezwaar of een beroep in te stellen.

4.8

In navolging van hetgeen de Afdeling bij uitspraak van 25 juni 2012 (ECLI:NL:RVS:2012:BX0050) heeft overwogen, overweegt de rechtbank dat uit artikel 32, derde lid, gelezen in onderlinge samenhang met artikel 34, derde lid, aanhef en onder a, richtlijn 2005/85 kan worden afgeleid dat een volgend asielverzoek aan een voorafgaand onderzoek naar de door de asielzoeker gestelde nieuwe elementen of bevindingen zal worden onderworpen en dat deze op de hoogte wordt gesteld van de uitkomst van dat onderzoek. Indien de uitkomst luidt dat bedoeld verzoek niet verder zal worden behandeld wordt, voor zover thans van belang, de asielzoeker op de hoogte gesteld van de mogelijkheden om bezwaar te maken of beroep in te stellen. Dit betekent dat bij het niet verder behandelen van het asielverzoek overeenkomstig artikel 32 en 34 de in artikel 7, tweede lid, richtlijn 2005/85 toegestane uitzondering op het in het eerste lid van dat artikel opgenomen recht om te blijven aan de orde is op het moment dat de asielzoeker op de hoogte wordt gesteld dat diens volgend asielverzoek niet verder zal worden behandeld.

4.9

Zoals de Afdeling voorts heeft overwogen in de genoemde uitspraak van 25 juni 2012, is in de Vw een volgend asielverzoek, waaraan geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden ten grondslag zijn gelegd, volgens artikel 1, aanhef en onder f, van deze wet een herhaalde aanvraag. De vaststelling dat aan die aanvraag geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden ten grondslag zijn gelegd vindt plaats bij een besluit. Binnen het systeem van de Vw is de bekendmaking van dat besluit het in richtlijn 2005/85 bedoelde moment waarop de asielzoeker op de hoogte wordt gesteld van de uitkomst van het voorafgaand onderzoek, te weten dat het asielverzoek niet verder zal worden behandeld. Dat betekent dat een vreemdeling tot aan de bekendmaking van het hiervoor bedoelde besluit legaal verblijf, als bedoeld in artikel 7, eerste lid, richtlijn 2005/85 heeft. Bij die bekendmaking heeft de desbetreffende vreemdeling naar nationaal recht geen rechtmatig verblijf meer. Aldus is met die bekendmaking de in artikel 7, tweede lid, richtlijn 2005/85 toegestane uitzondering op het eerste lid van deze bepaling opgenomen recht van verblijf ingetreden.

4.10

Verweerder stelt zich in de ex artikel 3.1, eerste lid, Vb gegeven beslissing van 21 oktober 2014 op het standpunt dat de aanvraag van eiseres van 14 oktober 2014 als herhaalde aanvraag is aangemerkt omdat eiseres geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden aan deze aanvraag ten grondslag heeft gelegd. Verder is aangegeven dat deswege, en gelet op het bepaalde in artikel 3.1, eerste lid, Vb de uitzetting van eiseres niet achterwege zal worden gelaten. Het rechtmatig verblijf van eiseres als gevolg van haar herhaalde asielaanvraag, is gezien het genomen terugkeerbesluit ten einde gekomen. Eiseres is dan ook uitzetbaar, aldus verweerder.

4.11

De rechtbank volgt verweerder niet in dit standpunt. In de beslissing ex artikel 3.1, eerste lid, Vb heeft verweerder immers enkel overwogen dat naar zijn voorlopig oordeel eiseresses aanvraag als een herhaalde aanvraag moet worden aangemerkt, omdat zij geen nieuwe feiten en omstandigheden heeft aangedragen. Verweerder heeft daarin niet gemotiveerd op grond waarvan hij zich op het standpunt stelt dat (naar zijn voorlopig oordeel) geen sprake is van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden. Dit “voorlopig oordeel” kan dan ook niet worden beschouwd als het in artikel 34, derde lid, aanhef en onder a, richtlijn 2005/85 genoemde besluit waarbij wordt vastgesteld dat aan de aanvraag geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden ten grondslag zijn gelegd. Uit het voorgaande volgt dat eiseres, nu het beroep gegrond is verklaard, als gevolg van haar asielaanvraag van 14 oktober 2014 thans nog steeds rechtmatig verblijf in Nederland toekomt totdat verweerder een nieuw besluit heeft genomen.

5. Gelet op het voorgaande zal de rechtbank het bestreden besluit voor wat betreft het niet achterwege laten van de feitelijke uitzetting vernietigen wegens strijd met artikel 7:12 Awb. Verweerder zal een nieuwe beslissing moeten nemen met inachtneming van deze uitspraak, nu met toepassing van de inmiddels toepasselijke Herschikte Procedurerichtlijn (2013/32 EU).

6. De rechtbank ziet geen aanleiding om zelf in de zaak te voorzien, in aanmerking genomen dat de richtlijn 2005/85 met ingang van 20 juli 2015 is vervangen door de richtlijn 2013/32/EU en verweerder zich hierover nog niet heeft uitgelaten.

7. Dan is nog aan de orde het verzoek van eiseres om – kort weergegeven – haar teruggeleiding naar Nederland te gelasten. De rechtbank vat dit verzoek op als een verzoek om ambtshalve een desbetreffende voorlopige voorziening te treffen, in afwachting van de hernieuwde beslissing op het bezwaar betreffende haar feitelijke uitzetting .

8. Uit hetgeen hiervoor is overwogen volgt dat eiseres er aanspraak op kan maken in Nederland te verblijven zolang niet – opnieuw - op haar aanvraag is beslist, althans een besluit is genomen als bedoeld in art. 42, derde lid van Richtlijn 2013/32 EU (de pendant van de bovengenoemde bepaling van art. 34, derde lid van richtlijn 2005/85). Daarom is het verzoek toewijsbaar zoals hierna te vermelden.

7.
De rechtbank zal met toepassing van artikel 8:75, eerste lid, Awb verweerder veroordelen in de kosten die eiseres heeft gemaakt. De kosten zijn op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht € 980,00 (1 punt voor het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit en bepaalt dat verweerder nieuwe besluiten neemt op de asielaanvraag en op het bezwaar tegen de beschikking van 21 oktober 2014 ertoe strekkende dat eiseresses uitzetting niet achterwege wordt gelaten met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen;

- treft de voorlopige voorziening dat verweerder maatregelen neemt ertoe strekkende dat eiseres op kosten van verweerder naar Nederland kan terugkeren binnen twee weken na deze uitspraak en in Nederland kan verblijven in afwachting van een beslissing op de beslissing op bezwaar tegen de beschikking haar uitzetting niet achterwege te laten;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten en draagt verweerder op € 980,- te betalen.

Deze uitspraak is gedaan door mr. G.W.S. de Groot, rechter, in aanwezigheid van mr. I. Boland, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 9 september 2015.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Coll:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.