Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2015:11598

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
01-10-2015
Datum publicatie
08-10-2015
Zaaknummer
15 / 9750
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Buiten schuld, China, positief zwaarwegend ambtsbericht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg

Bestuursrecht

Zaaknummer: AWB 15/9750

V-nummer: [nummer]

uitspraak van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken van 1 oktober 2015 in de zaak tussen

[naam], eiser,

gemachtigde: mr. R.W. Koevoets,

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder,

gemachtigde: mr. R.A.P.M. van der Zanden.

Procesverloop

Bij besluit van 5 december 2014 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd met als doel ‘humanitair tijdelijk’ (buiten zijn schuld niet uit Nederland kunnen vertrekken) afgewezen.

Bij besluit van 22 april 2015 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen het primaire besluit kennelijk ongegrond verklaard.

Eiser heeft op 15 mei 2015 beroep ingesteld tegen dit besluit.

De behandeling van het beroep heeft plaatsgevonden op 3 september 2015. Beide partijen zijn verschenen bij gemachtigde. Ter zitting is het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. Verweerder heeft aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd dat eiser op grond van artikel 66a, zesde lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) niet in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning nu hem op 17 oktober 2014 een inreisverbod is opgelegd, dit nog steeds van kracht is en er geen reden is om het opgelegde inreisverbod ambtshalve op te heffen. Eiser heeft een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd aangevraagd op grond dat hij buiten zijn schuld niet uit Nederland kan vertrekken, maar voldoet niet aan de in paragraaf B8/4.1 van de Vreemdelingencirculaire (Vc 2000) genoemde cumulatieve voorwaarden van het gevraagde verblijfsdoel. Eiser heeft niet aangetoond dat de Chinese diplomatieke vertegenwoordiging niet (op korte termijn) zal overgaan tot afgifte van een laissez-passer (LP) aan eiser. Daarbij komt dat eiser geen ambtsbericht met een zwaarwegend positief advies van de Dienst Terugkeer en Vertrek (DT&V) heeft overgelegd als bedoeld in het nieuwe beleid zoals dat geldt met ingang van

1 april 2014. Er bestaat dan ook geen aanleiding af te wijken van het vereiste van een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) als bepaald in artikel 3.71, eerste lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb 2000).

2. Eiser heeft in beroep gesteld dat verweerder hem ten onrechte tegenwerpt dat hij niet aan het mvv-vereiste voldoet. Verweerder heeft in zijn bestreden besluit een cirkelredenering toegepast. De Chinese autoriteiten geven momenteel geen enkele LP af. Eiser heeft daarom niet de mogelijkheid naar China terug te keren en ook niet om daar een mvv aan te vragen. Verweerder dient een welwillender houding te betrachten bij de beoordeling of eiser een tijdelijke verblijfsvergunning toekomt. Eiser heeft de wens uit Nederland te vertrekken en terug te keren naar China. Hij heeft tijdens vreemdelingenbewaring vanuit het detentiecentrum de IND verzocht een bezoek aan de Chinese ambassade te faciliteren en zich ter verkrijging van een LP schriftelijk gewend tot de DT&V en de Internationale Organisatie voor Migratie (IOM). Hoewel eiser in het bezit is van een Chinese identiteitskaart is hij – voor de afgifte van een LP – toch afhankelijk van de Nederlandse instanties. Eiser heeft alle mogelijke inspanningen verricht om terugkeer naar China te realiseren.

De rechtbank overweegt als volgt.

3. Op grond van artikel 14, tweede lid, van de Vw 2000 wordt een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd verleend onder een beperking verband houdende met het doel waarvoor het verblijf is toegestaan.

Artikel 3.48, tweede lid, onder a, van het Vb 2000 bepaalt dat de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, bedoeld in artikel 14 van de Vw 2000, kan worden verleend aan vreemdelingen die buiten hun schuld niet uit Nederland kunnen vertrekken.

Paragraaf B8/4 van de Vc 2000, zoals geldend ten tijde van belang en voor zover hier aan de orde, bepaalt dat verweerder op grond van artikel 3.48, tweede lid, aanhef onder a, van het Vb 2000, ambtshalve of op aanvraag, een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd verleent aan een vreemdeling die zonder resultaat heeft geprobeerd uit Nederland te vertrekken, als uit het ambtsbericht met positief zwaarwegend advies van de DT&V blijkt dat wordt voldaan aan vijf cumulatieve voorwaarden:

1. de vreemdeling heeft zelfstandig geprobeerd zijn vertrek te realiseren. Hij heeft aangetoond of aannemelijk gemaakt dat hij zich heeft gewend tot de vertegenwoordiging van het land of van de landen waarvan hij de nationaliteit heeft, dan wel tot het land of de landen waar hij als staatloze vreemdeling eerder zijn gewone verblijfsplaats had, en/of tot andere landen waarvan op basis van het geheel van feiten en omstandigheden kan worden aangenomen dat de vreemdeling aldaar de toegang zal worden verleend;

(...)

4. de DT&V heeft, op grond van objectieve en verifieerbare feiten en omstandigheden die zien op de persoon van betrokkene en die in beginsel zijn onderbouwd met bescheiden, vastgesteld dat sprake is van een samenhangend geheel van feiten en omstandigheden waaruit blijkt dat betrokkene buiten zijn schuld Nederland niet kan verlaten (…).

De DT&V zal door middel van een ambtsbericht aangeven aan de IND of al dan niet sprake is van buitenschuld.

Uit paragraaf B8/4.3 van de Vc 2000 volgt dat de IND uitsluitend een ambtsbericht van de DT&V, waarin wordt aangegeven dat de vreemdeling buiten zijn schuld niet uit Nederland kan vertrekken, als bewijsmiddel beschouwt dat de vreemdeling zich tot de DT&V heeft gewend en dat bemiddeling van de DT&V niet het gewenste resultaat heeft gehad.

4. De rechtbank acht dit beleid niet kennelijk onredelijk.

5. Verweerder heeft zich naar het oordeel van de rechtbank overeenkomstig het gevoerde beleid in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat eiser niet voor de gevraagde verblijfsvergunning in aanmerking komt. Het is aan eiser om aan te tonen dat hij voldoet aan de voorwaarden. Eiser heeft zich weliswaar gewend tot de IND, de DT&V en de IOM, maar hiermee heeft hij niet aannemelijk gemaakt dat hij zelfstandig heeft geprobeerd zijn vertrek te realiseren. Aan dit oordeel draagt bij dat de in rechtsoverweging 2 genoemde brieven niet zijn gestuurd voorafgaand aan of na afloop van zijn verblijf in bewaring, maar in de periode dat eiser in vreemdelingenbewaring zat. Verweerder heeft ter zitting terecht gewezen op het Algemeen ambtsbericht van het Ministerie van Buitenlandse zaken van december 2012, waarin staat dat ieder Chinees gezin in het bezit is van een hukou (een huishoudregistratieboekje) waarin alle mutaties als verhuizing, geboorte, huwelijk en overlijden worden geregistreerd. Sinds 2000 is China bezig met het digitaliseren van de hukou-registratie. Zolang een persoon zijn correcte naam, geboortedatum en laatst bekende adres opgeeft, moet die persoon in de hukou-registratie terug te vinden zijn. Daarbij komt dat eiser in het bezit is van een Chinese identiteitskaart en zich hiermee ook zelfstandig had kunnen wenden tot de Chinese autoriteiten om zijn vertrek te realiseren. Eiser heeft geen ambtsbericht van de DT&V overgelegd waaruit blijkt dat hij buiten zijn schuld niet uit Nederland kan vertrekken.

6. Voor zover eiser heeft beoogd te stellen dat het beleid onredelijk is, omdat verweerder en DT&V tot dezelfde organisatie behoren en een positief zwaarwegend advies daarom een fictie is, volgt de rechtbank deze stelling niet. DT&V is immers belast met terugkeer en vertrek en is in dat kader ook belast met advisering aan verweerder. De rechtbank ziet geen grond voor de stelling dat DT&V geen positief zwaarwegend ambtsbericht zou verstrekken als eiser aan de voorwaarden zou voldoen. Voor het oordeel dat verweerder had moeten afwijken van het gevoerde beleid bestaat geen grond.

7. Het beroep is ongegrond.

8. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.W. Ente, rechter, in tegenwoordigheid van mr.

A.E. Paulus, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 1 oktober 2015.

Afschrift verzonden aan partijen:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.