Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2015:11584

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
29-09-2015
Datum publicatie
20-10-2015
Zaaknummer
C/09/469796 / FA RK 14-5426
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

echtscheiding met nevenvoorzieningen; verzameling Lego niet verknocht; schulden niet verknocht; in geschil is de vraag of sprake is van een lening/gemeenschapsschuld of een schenking?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FJR 2016/24.21

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Meervoudige Kamer

Rekestnummers: FA RK 14-5426 en FA RK 15-2662 (verdeling)

Zaaknummers: C/09/469796 (scheiding) en C/09/486389 (verdeling)

Datum beschikking: 29 september 2015

Scheiding en verdeling

Beschikking op het op 15 juli 2014 ingekomen verzoek van:

[verzoeker] ,

de vrouw,

wonende te [plaats] (gemeente [woonplaats]),

advocaat: mr. M.J. Boers te ’s-Gravenhage.

Als belanghebbende wordt aangemerkt:

[verweerster]

de man,

wonende te [plaats] ,

advocaat: mr. H.A. Schipper te ’s-Gravenhage.

Procedure

De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:

- het verzoekschrift;

- het F9-formulier d.d. 25 augustus 2014, met bijlage, van de zijde van de vrouw;

- het verweerschrift tevens verzoekschrift;

- het verweer tegen het zelfstandig verzoek, tevens aanvullend verzoekschrift;

- het verweer tegen het aanvullend verzoekschrift;

- het F9-formulier d.d. 16 december 2014, met bijlagen, van de zijde van de vrouw;

- het formulier verdelen en/of verrekenen, ontvangen op 31 maart 2015, van de zijde van de man;

- het F9-formulier d.d. 26 mei 2015, met bijlagen, van de zijde van de vrouw;

- het F9-formulier d.d. 13 augustus 2015, met bijlagen, van de zijde van de vrouw;

- het F9-formulier d.d. 14 augustus 2015, met bijlagen, van de zijde van de man;

- het F9-formulier d.d. 25 augustus 2015, met bijlagen, van de zijde van de vrouw.

Op 25 augustus 2015 is de zaak ter terechtzitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen: beide partijen met hun advocaten. Van de zijde van de man en de vrouw zijn nadere stukken overgelegd.

Na de terechtzitting heeft de rechtbank ontvangen:

- het F9-formulier d.d. 27 augustus 2015, met bijlagen, van de zijde van de man;

- het F9-formulier d.d. 31 augustus 2015 van de zijde van de vrouw.

Verzoek en verweer

Het verzoek, zoals dat thans luidt, strekt tot echtscheiding, met nevenvoorzieningen tot:

- opname van het ouderschapsplan in de beschikking;

- bepaling dat, in aanvulling op het ouderschapsplan, de minderjarige kinderen van partijen op de dagen voorafgaand aan een schooldag niet later dan om 20.00 uur in bed liggen, althans hierover een beslissing te nemen die de rechtbank juist acht;

- vaststelling van de verdeling van de huwelijksgemeenschap, conform

het voorstel van de vrouw zoals weergegeven in de punten II e tot en met i en l, opgenomen in het aanvullend verzoek van de vrouw van 9 december 2014;

- toekenning aan de vrouw van het voortgezet gebruik van de echtelijke woning te [plaats] (gemeente [woonplaats]), [adres] (hierna: de echtelijke woning) gedurende zes maanden na inschrijving van de echtscheidingsbeschikking;

- ( kort gezegd) bepaling dat de echtelijke woning verkocht dient te worden aan een derde;

- ( primair) te verstaan tussen partijen dat is afgesproken dat de man zal betalen de hypotheekrente- en aflossing, de premies levensverzekeringen en de helft van de werkelijke eigenaarslasten, waaronder doch niet uitsluitend de onroerende zaakbelasting en waterschapsbelasting, dan wel (subsidiair) te bepalen dat ieder van partijen de helft van de hypotheekrente- en aflossing, de premies levensverzekeringen en de helft van de werkelijke eigenaarslasten, waaronder doch niet uitsluitend de onroerende zaakbelasting en waterschapsbelasting zal voldoen én
- vaststelling van door de man te betalen kinderalimentatie van € 272,-- per maand per kind, telkens bij vooruitbetaling te voldoen;

- vaststelling van door de man aan de vrouw te betalen partneralimentatie van € 792,-- per maand, telkens bij vooruitbetaling te voldoen;

- ( primair) toedeling aan de man van het huurrecht van de woning te [plaats]

[adres] , met ingang van 17 april 2014, met bepaling dat voornoemde datum de dag van ingang van de huur met de man is en dat op dezelfde dag de huur met de vrouw eindigt, dan wel (subsidiair) met ingang van de datum van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand, met bepaling dat voornoemde datum de dag van ingang van de huur met de man is en dat op dezelfde dag de huur met de vrouw eindigt;

- bepaling dat de man dient over te gaan tot afgifte van de navolgende bescheiden:

* bankafschriften van de privérekening van de man (ING [rekeningnummer 2]) vanaf

1 november 2011 tot heden;

* afschriften van het doorlopend krediet van partijen bij de ING Bank [nummer] vanaf 1 november 2011 tot heden;

* bankafschriften van de nieuwe betaalrekening van de man vanaf de datum van opening daarvan tot heden,

althans afgifte van door de rechtbank in goede justitie te bepalen bescheiden,

een en ander voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.

De man voert verweer, welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.

Tevens heeft de man thans nog zelfstandig verzocht om de echtscheiding uit te spreken, met nevenvoorzieningen tot:

- opname van het ouderschapsplan in de beschikking;

- ( kort gezegd) bepaling dat de echtelijke woning verkocht dient te worden aan een derde;

- bepaling dat de vrouw met ingang van 1 oktober 2014 alle gebruikerslasten verbonden aan de echtelijke woning en een gebruiksvergoeding van

€ 200,-- per maand voor het gebruik van die woning zal voldoen,

- toedeling aan de man van het huurrecht van de woning te [plaats]

, [adres] ;

- vaststelling van de verdeling van de huwelijksgemeenschap, conform

het voorstel van de man;

een en ander voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.

De vrouw voert verweer, welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.

Feiten

- Partijen zijn gehuwd op [datum] te [plaats] .

- Zij zijn de ouders van volgende thans nog minderjarige kinderen:

- [minderjarige] , geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] ;

- [minderjarige] , geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats]

- De minderjarigen verblijven thans bij de vrouw.

- Partijen oefenen het gezamenlijk gezag over de minderjarigen uit.

- Partijen zijn gehuwd in gemeenschap van goederen.

- Deze rechtbank heeft op 17 juni 2014 voorlopige voorzieningen getroffen, voor zover thans van belang inhoudende:

* dat de vrouw bij uitsluiting gerechtigd zal zijn tot het gebruik van de echtelijke woning;

* de minderjarige kinderen van partijen aan de vrouw zullen worden toevertrouwd;

* een voorlopige zorgregeling.

Beoordeling

Aan de wettelijke formaliteiten is voldaan.

Echtscheiding

Beide partijen stellen dat het huwelijk duurzaam is ontwricht, zodat de daarop steunende, over en weer gedane verzoeken tot echtscheiding als op de wet gegrond voor toewijzing vatbaar zijn.

Opname ouderschapsplan

Partijen hebben een ouderschapsplan overgelegd en hebben eensluidend verzocht om dit op te nemen in de beschikking.

De vrouw verzoekt om als aanvulling op het ouderschapsplan in de beschikking op te nemen dat de minderjarigen kinderen voorafgaand aan een schooldag niet later dan om 20.00 uur in bed liggen. De man heeft verweer gevoerd en heeft in dit verband aangevoerd dat hij het belang van de kinderen voorop stelt en dat hij, net als de vrouw, rekening houdt met de schoolgang van de kinderen bij het bepalen van de bedtijden en dat bedtijden bovendien door het ouder worden van de kinderen niet in een ouderschapsplan of beschikking kunnen worden vastgelegd. De man heeft aangegeven dat hij op dit moment een (uiterlijke) bedtijd hanteert van 20.30 uur op en voorafgaand aan schooldagen. De rechtbank ziet gegeven dit geringe verschil van inzicht geen aanleiding tot toewijzing van het verzoek van de vrouw. De rechtbank gaat er van uit dat partijen hier met elkaar over zullen (blijven) overleggen en over alle kwesties betreffende de minderjarigen.

De rechtbank zal het ouderschapsplan aanhechten en bepalen dat het onderdeel uitmaakt van deze beschikking.

Huurrecht van de woning te Den Haag

Partijen zijn het erover eens dat de man het huurrecht van de woning dient te krijgen.

De rechtbank zal conform het verzoek van de vrouw bepalen dat de man met ingang van

17 april 2014 huurder is van de woonruimte te [plaats] , [adres] . Uit de wet volgt reeds dat op voornoemde datum de huur met de vrouw eindigt, zodat het verzoek in zoverre zal worden afgewezen bij gebrek aan belang.

Voortgezet gebruik en gebruiksvergoeding van de echtelijke woning te [plaats]

De man heeft ingestemd met het voortgezet gebruik van de echtelijke woning door de vrouw, onder de voorwaarde dat zij de woning uiterlijk een week voor de opleveringsdatum zal hebben verlaten. De vrouw heeft hier gemotiveerd bezwaar tegen gemaakt. De rechtbank zal in redelijkheid bepalen dat de vrouw het voortgezet gebruik van de echtelijke woning zal hebben tot 28 december 2015, waardoor de man de woning nog kan inspecteren en (indien nodig) reparaties kan verrichten voor de oplevering op 31 december 2015.

Partijen zijn het niet eens over de verdeling van de woonlasten van de echtelijke woning. De man heeft in dit verband gesteld dat de eerder in de voorlopige voorziening gemaakte afspraak dat hij de volledige lasten draagt, financieel niet meer haalbaar is. De rechtbank zal de verzoeken die partijen in dit kader over en weer hebben gedaan, afwijzen bij gebrek aan een wettelijke grondslag.

De rechtbank gaat er evenwel in het kader van de hierna te berekenen kinder- en partneralimentatie van uit dat partijen, naar hun eigendomsverhouding, ieder voor de helft zullen bijdragen in de hypotheek- en eigenaarslasten van de echtelijke woning en dat de vrouw de gebruikerslasten voor haar rekening neemt.

Tevens heeft de man verzocht om ten laste van de vrouw een gebruiksvergoeding te bepalen van € 200,-- per maand. De vrouw heeft gemotiveerd verweer gevoerd. De rechtbank is van oordeel dat de man zijn verzoek onvoldoende heeft onderbouwd. Hierbij neemt de rechtbank in aanmerking dat de woning geen overwaarde heeft en dat in het kader van de partneralimentatie zal worden overwogen dat de vrouw de helft van de hypotheek- en eigenaarslasten van de woning voor haar rekening dient te nemen.

Kinderalimentatie

De vrouw verzoekt te bepalen dat de man aan haar als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarigen dient te betalen een bedrag van € 272,-- per maand per kind, hetgeen neerkomt op € 544,-- per maand.

De man betwist de hoogte van de behoefte aan deze kinderbijdrage en hij plaatst vraagtekens bij de verdeling van die behoefte over beide ouders.

Bij het bepalen van de behoefte aan een kinderbijdrage hanteert de rechtbank de uitgangspunten, zoals deze zijn neergelegd in de tabel eigen aandeel kosten van kinderen en de richtlijn van de Expertgroep Alimentatienormen.

Tussen partijen staat vast dat het netto besteedbaar inkomen (NBI) ten tijde van het huwelijk € 3.517,-- bedroeg. Het NBI, gevoegd bij het ten aanzien van de minderjarigen toepasselijke aantal kinderbijslagpunten (4), levert een tabelbedrag op van € 798,-- per maand.

Hierop dient het kindgebonden budget dat de vrouw thans ontvangt van € 406,-- per maand in mindering te worden gebracht, zodat de behoefte wordt vastgesteld op € 392,-- per maand.

Nu de gevraagde kinderbijdrage de hiervoor vastgestelde behoefte van de minderjarigen te boven gaat, hanteert de rechtbank laatstbedoeld bedrag als uitgangspunt voor de behoefte van de minderjarigen.

Vervolgens dient te worden beoordeeld in welke verhouding dit eigen aandeel in de kosten van de minderjarigen tussen de ouders moet worden verdeeld. De rechtbank volgt ook in dit opzicht de richtlijn van de Werkgroep Alimentatienormen, inhoudende dat het eigen aandeel kosten van kinderen tussen de ouders moet worden verdeeld naar rato van hun beider draagkracht. Het bedrag aan draagkracht wordt vastgesteld aan de hand van de formule 70% x [NBI – (0,3 NBI + 875)]. Voor de lagere inkomens (beneden een NBI van € 1.500,--) zijn vaste bedragen per categorie van toepassing.

De rechtbank gaat aan de zijde van de vrouw uit van een bruto jaarinkomen uit WAO-uitkering van € 16.792,--. In dit jaarinkomen zit begrepen de uitkering van (omgerekend)

€ 1.296,-- per maand en 8% vakantiegeld. De rechtbank is bij voornoemde bedragen uitgegaan van de door de vrouw overgelegde meest recente uitkeringsspecificatie van

19 juli 2015. De rechtbank is van oordeel dat man zijn stelling dat de vrouw mogelijk (recht op) een hogere uitkering heeft, na betwisting door de vrouw, onvoldoende heeft onderbouwd.

De man heeft zich op het standpunt gesteld dat aan de zijde van de vrouw rekening moet worden gehouden met bijverdiensten die zij zou (kunnen) hebben uit kledingverkoop voor [bedrijf] of ander werk. De vrouw heeft verweer gevoerd en heeft in dit verband gesteld dat zij deze bijverdiensten sinds het uiteengaan van partijen niet meer heeft gehad en dat zij activiteiten zoals af en toe vrijwillig lesgeven op de school van de kinderen – mede gelet op haar beperkingen – alleen kon doen met ondersteuning van de man bij de verzorging van de kinderen. De rechtbank is van oordeel dat de man zijn standpunt - na gemotiveerde betwisting door de vrouw - onvoldoende heeft onderbouwd, zodat de rechtbank hieraan voorbij zal gaan, en – mede gelet op het feit dat de vrouw volledig is afgekeurd - geen verdiencapaciteit zal aannemen aan de kant van de vrouw.

De rechtbank becijfert het NBI van de vrouw, rekening houdende met de gebruikelijk heffingskortingen, op 1.072,-- per maand.

De rechtbank gaat aan de zijde van de man uit van een bruto jaarloon van € 48.721,--. In dit loon zit begrepen: het bruto maandsalaris van € 3.610,-- per maand, 8,3% vakantiegeld en de bonusuitkering van een half (bruto)maandsalaris. Voorts is rekening gehouden met de aftrek van de pensioenpremie van gemiddeld € 318,-- per maand en onbelaste onkostenvergoeding van € 81,91 per maand. De rechtbank is bij voornoemde bedragen uitgegaan van de door de man overgelegde salarisstroken van de maanden juni, juli en augustus 2015.

De rechtbank becijfert het NBI van de man, rekening houdende met de gebruikelijk heffingskortingen, op € 2.663,-- per maand.

De man heeft een draagkrachtverweer gevoerd en heeft zich daarbij op het standpunt gesteld dat zijn werkelijke woonlasten hoger liggen dan het bedrag waarmee rekening wordt gehouden in de formule, omdat hij – kort gezegd – dubbele woonlasten heeft.

De rechtbank zal conform de richtlijn van de Expertgroep Alimentatienormen rekening houden met de dubbele woonlasten aan de zijde van de man, met dien verstande dat de rechtbank ervan uitgaat dat de man, naast de huurlasten van zijn eigen woning van € 592,-- per maand tevens de helft van de hypotheekrente en de overige eigenaarslasten voldoet, door de rechtbank becijferd op € 500,-- per maand. De rechtbank gaat ervan uit dat laatstgenoemde last per 1 januari 2016 zal komen te vervallen, omdat de woning dan verkocht en geleverd is aan een derde. De rechtbank zal om die reden een draagkrachtvergelijking maken over twee periodes.

Periode 1 (tot en met 31 december 2015)

De draagkracht van de vrouw is volgens de tabel € 50,-- per maand.

De draagkracht van de man bedraagt in deze periode volgens de – aangepaste – formule: 70% x [2663 – (1092 + 875)], te weten € 487,-- per maand.

De verdeling van de kosten over beide ouders wordt dan berekend volgens de formule: ieders draagkracht gedeeld door de totale draagkracht vermenigvuldigd met de behoefte, oftewel:

het eigen aandeel van de man bedraagt: 487 / 537 x 392= € 356,--

het eigen aandeel van de vrouw bedraagt: 50 / 537 x 392 = € 36--

samen € 392,--

Derhalve komt van de totale behoefte van de minderjarigen een gedeelte van € 356,--

per maand voor rekening van de man en een gedeelte van € 36,-- per maand voor rekening van de vrouw.

De man maakt aanspraak op toepassing van een zorgkorting van 35% op de door hem verschuldigde kinderbijdrage. De vrouw heeft verweer gevoerd tegen de hoogte van de zorgkorting, voor zover deze meer dan 25% beloopt. De rechtbank zal, gelet op de hoeveelheid zorg die gemiddeld minder dan drie dagen per week bedraagt, in dit geval rekening houden met een zorgkorting van 25%. Nu het aandeel van de ouders in de behoefte is vastgesteld op € 392,-- per maand, beloopt de zorgkorting een bedrag van € 98,-- per maand.

De rechtbank concludeert dat in deze periode (tot 1 januari 2016) een bijdrage van de man aan de vrouw in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarigen van € 129,--per maand per kind, redelijk en billijk en in overeenstemming met de wettelijke maatstaven is. De rechtbank zal dienovereenkomstig bepalen.

Periode 2 (vanaf 1 januari 2016)

De draagkracht van de vrouw is volgens de tabel € 50,-- per maand.

De draagkracht van de man bedraagt in deze periode volgens de formule: 70% x [2663 – (0,3 x 2663) + 875)], te weten € 692,-- per maand.

De verdeling van de kosten over beide ouders wordt dan berekend volgens de formule: ieders draagkracht gedeeld door de totale draagkracht vermenigvuldigd met de behoefte, oftewel:

het eigen aandeel van de man bedraagt: 692/ 742 x 392= € 366,--

het eigen aandeel van de vrouw bedraagt: 50/ 742 x 392 = € 26,--

samen € 392,--

Derhalve komt van de totale behoefte van de minderjarigen een gedeelte van € 366,--

per voor rekening van de man en een gedeelte van € 26,-- per maand voor rekening van de vrouw.

De rechtbank houdt, onder verwijzing naar hetgeen hiervoor is overwogen, rekening met een zorgkorting van € 98,-- per maand.

De rechtbank concludeert dat, met ingang van 1 januari 2016, een bijdrage van de man aan de vrouw in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarigen van

€ 134,-- per maand per kind, redelijk en billijk en in overeenstemming met de wettelijke maatstaven is. De rechtbank zal dienovereenkomstig bepalen.

Ingangsdatum

De rechtbank zal de ingangsdatum in redelijkheid bepalen op de datum van deze beschikking.

Partneralimentatie

Behoefte/behoeftigheid

De vrouw heeft haar behoefte berekend op grond van de Hofnorm en in haar aanvullende verzoekschrift nader onderbouwd aan de hand van een behoeftelijst.

De man heeft ter terechtzitting verweer gevoerd tegen de door de vrouw gestelde behoefte. Anders dan de man heeft gesteld acht de rechtbank de behoefte met de door de vrouw overgelegde behoeftelijst voldoende onderbouwd. Wel volgt de rechtbank de man in zijn stelling dat in de behoeftelijst diverse posten zijn opgenomen die zien op kosten voor de kinderen en om die reden niet tot de behoefte van de vrouw kunnen worden gerekend. Het gaat om de posten “sport kinderen”, “therapeut [voornaam 1]” en “therapeut [voornaam 2]”. De overige posten onder het kopje “uitgaven” heeft de man niet specifiek betwist, zodat de rechtbank uitkomt op een behoefte conform de lijst van € 1.296,--.

De vrouw heeft eigen inkomen uit WAO-uitkering (hiervoor becijferd op

€ 1.072,-- netto per maand) en zorgtoeslag van € 78,-- per maand. De rechtbank gaat, onder verwijzing naar hetgeen zij daarover hiervoor in het kader van de kinderalimentatie heeft overwogen, voorbij aan het verweer van de man dat de vrouw verdiencapaciteit zou hebben.

Voorts overweegt de rechtbank dat de vrouw geen post voor woonlasten heeft opgenomen, terwijl zij die kosten, gelet op het feit dat de man niet langer bereid is om deze volledig te voldoen, wel zal hebben. In onderlinge samenhang bezien, komt het de rechtbank niet onaannemelijk voor dat de vrouw ten minste een resterende behoefte heeft ter hoogte van het door haar verzochte bedrag van € 408,-- netto per maand (€ 792,-- bruto per maand), zodat daarvan zal worden uitgegaan.

Draagkracht van de man

Periode 1 (tot de datum van levering van de echtelijke woning aan een derde)

De rechtbank gaat, zoals hiervoor in het kader van de kinderalimentatie reeds is overwogen, aan de zijde van de man uit van een bruto jaarloon van € 48.721,-- en houdt rekening met de aftrek van de pensioenpremie van gemiddeld € 318,-- per maand en onbelaste onkostenvergoeding van € 81,91 per maand.

De rechtbank gaat er zoals gezegd van uit dat partijen in deze periode, naar hun eigendomsverhouding, ieder voor de helft zullen bijdragen in de eigenaarslasten van de echtelijke woning en dat de vrouw de gebruikerslasten voor haar rekening neemt.

De rechtbank houdt derhalve rekening met:

- het aandeel van de man van 50% in de fiscaal aftrekbare hypotheekrente van

€ 7.176,--;

- het aandeel van de man van 50% in de bijtelling eigenwoningforfait van € 979,--.

Daarnaast houdt de rechtbank rekening met de algemene heffingskorting en de arbeidskorting.

Uitgaande van bovenstaande gegevens berekent de rechtbank het in dit kader relevante netto besteedbaar inkomen van de man op € 2.892,-- per maand.

De man heeft geen draagkrachtberekening overgelegd. De rechtbank gaat uit van het door de man in zijn verweerschrift opgenomen overzicht van zijn uitgaven, met dien verstande dat de navolgende posten niet zullen worden meegenomen, nu deze reeds in de bijstandsnorm worden geacht te zijn inbegrepen: verzekeringen Ardanta en ASR, KPN internet, Eneco en Dunea.

De rechtbank neemt de volgende niet – dan wel onvoldoende – betwiste maandelijkse lasten in aanmerking:

- premies levensverzekeringen van € 199,-- per maand;

- huur van € 592,--;

- hypotheekrente van € 598,--;

- eigen woning forfait van € 48,--;

- premie zorgverzekering van € 140,--.

Daarnaast houdt de rechtbank rekening met de kosten van de kinderen (inclusief zorgkorting) van € 356,-- per maand.

Voor de man geldt de bijstandsnorm voor een alleenstaande en een draagkrachtpercentage van 60. De rechtbank corrigeert het opgevoerde bedrag van de nominale premie ZVW met het in de bijstandsnorm begrepen nominale deel van € 39,-- per maand en de opgevoerde woonlast met de in de bijstandsnorm begrepen gemiddelde basishuur van € 227,-- per maand.

Gezien het voorgaande en gelet op de fiscale gevolgen is de rechtbank van oordeel dat, zolang de echtelijke woning nog niet is verkocht, een uitkering tot levensonderhoud aan de vrouw van € 25,-- per maand redelijk en billijk en in overeenstemming met de wettelijke maatstaven is. Als ingangsdatum geldt het moment van inschrijving van de beschikking van echtscheiding in de registers van de burgerlijke stand

Periode 2 (vanaf het moment dat de echtelijke woning is verkocht)

In deze periode zal geen rekening meer gehouden worden met de fiscale voordelen en de lasten van de echtelijke woning. Voor het overige handhaaft de rechtbank de uitgangspunten genoemd in de berekening over periode 1.

De rechtbank becijfert het in dit kader relevante netto besteedbaar inkomen van de man op

€ 2.663,--,-- per maand.

De rechtbank neemt de volgende niet – dan wel onvoldoende – betwiste maandelijkse lasten in aanmerking:

- huur van € 592,--;

- premie zorgverzekering van € 140,--.

Daarnaast houdt de rechtbank rekening met de kosten van de kinderen (inclusief zorgkorting) van € 366,-- per maand.

Gezien het voorgaande en gelet op de fiscale gevolgen is de rechtbank van oordeel dat, vanaf het moment dat de echtelijke woning is verkocht en geleverd aan een derde, een uitkering tot levensonderhoud aan de vrouw van € 644,-- per maand redelijk en billijk en in overeenstemming met de wettelijke maatstaven is.

Verdeling van de huwelijksgemeenschap

Partijen zijn in algehele gemeenschap van goederen gehuwd, zodat als uitgangspunt heeft te gelden dat de ontbonden huwelijksgemeenschap bij helfte tussen partijen wordt verdeeld.

De rechtbank hanteert als wettelijke peildatum voor het vaststellen van de omvang en de waarde van de huwelijksgemeenschap 15 juli 2014, zijnde de datum van indiening van het verzoekschrift, tenzij – zoals hieronder aangegeven – wordt uitgegaan van de datum van de feitelijke verdeling of een anderszins vastgestelde of overeengekomen peildatum.

Partijen hebben in de stukken en ter terechtzitting de navolgende bestanddelen opgevoerd:

  1. de echtelijke woning aan de [adres] [plaats] ;

  2. de op de echtelijke woning rustende hypotheken bij Achmea en DSB;

  3. kapitaalpolissen verbonden aan de woning;

  4. inboedel;

  5. Lego-collectie;

  6. een bankrekening ING ten name van de man met nummer [rekeningnummer 1] ;

  7. een bankrekening ABN AMRO ten name van de man met nummer [rekeningnummer 1] ;

  8. een bankrekening Rabobank ten name van de vrouw met nummer [rekeningnummer 1] ;

  9. een gezamenlijke bankrekening bij ING;

  10. aandelen in [BV] ;

  11. afkoopsom wegens beëindiging dienstverband man;

  12. spaargeld kinderen

Ad a., b. en c. De echtelijke woning en de daaraan verbonden hypothecaire leningen en levensverzekeringen

Ter terechtzitting hebben partijen verklaard dat de woning (onder voorbehoud) is verkocht aan een derde. De overeengekomen leveringsdatum is 31 december 2015.

Partijen zijn het erover eens dat het verkoopbedrag en de uitkering(en) van de aan de woning verbonden levensverzekering(en) zullen worden aangewend ter aflossing van op de woning rustende hypothecaire schuld. Voorts zijn partijen het erover eens dat zij de restschuld, in hun onderlinge verhouding, ieder voor de helft zullen dragen.

De rechtbank zal dienovereenkomstig beslissen.

Ad d. Inboedel

De inboedel is reeds verdeeld. Partijen het er over eens dat een ieder behoudt wat hij/zij thans onder zich heeft, zonder nadere verrekening, zodat hierop niets meer behoeft te worden beslist.

Tussen partijen is nog in geschil of in voornoemde afspraak tussen partijen de Lego-collectie als onderdeel van de inboedel zou zijn inbegrepen zoals de vrouw stelt, of juist niet, zoals de man stelt. De rechtbank acht het, uitgaande van wat partijen in dit verband over en weer hebben gesteld, niet aannemelijk dat de Lego-collectie is meegenomen in de algemene verdeling van de inboedel, zodat op dit onderdeel in het navolgende afzonderlijk zal worden beslist.

Ad e. De Lego-collectie

De man heeft zich ter terechtzitting op het standpunt gesteld dat deze collectie aan hem is verknocht zodat zij buiten de verdeling dient te blijven, vanwege kort weergegeven de bijzondere aard van de collectie en de grote emotionele waarde.

De vrouw erkent dat de Lego een bijzondere emotionele waarde heeft voor de man, maar heeft weersproken dat er sprake is van verknochtheid.

De rechtbank overweegt dat van verknochtheid van goederen in de zin van artikel 1:94 van het Burgerlijk Wetboek (BW) sprake is indien en voorzover een goed een zodanige band heeft met de persoon van een der echtgenoten, dat het ongewenst is dat een of meer van de gevolgen die verbonden zijn aan het vallen in de gemeenschap met betrekking tot dat goed intreden. Hoewel de rechtbank kan begrijpen dat de man een grote gehechtheid heeft aan de genoemde stukken, is in casu geen sprake van onvervreemdbare en hoogst persoonlijke goederen of rechten die zijn verbonden met de persoon van de man. Ondanks de bijzondere affectiewaarde zijn de gevolgen van het in de gemeenschap vallen van de verzameling Lego juridisch niet ongewenst. Immers, de verzameling Lego kan aan de man worden toegedeeld en de waarde worden verrekend. Aldus zal ook worden beslist.

Partijen twisten over de aan de Lego-collectie toe te kennen waarde.

De vrouw stelt de totale waarde van de collectie op € 4.365,02. De vrouw heeft zich daarbij op het standpunt gesteld dat uitgegaan moet worden van de nieuwwaarde, omdat sommige stukken in de loop der tijd meer (verzamel)waarde hebben gekregen en andere stukken minder dan de oorspronkelijke nieuwprijs.

De man stelt de totale waarde van de collectie op € 1.510,85, naar zijn zeggen de huidige waarde in het economisch verkeer. De man heeft daarbij verwezen naar het prijsoverzicht dat een bevriende verzamelaar voor hem heeft opgesteld.

De rechtbank zal de waarde van de Lego-collectie in redelijkheid vaststellen op € 2.900,--., het gemiddelde van de door partijen genoemde bedragen. De rechtbank overweegt daartoe dat de vrouw onweersproken heeft gesteld dat de stukken in goede staat zijn en dat in veel gevallen de originele verpakking nog aanwezig is, zodat de rechtbank er vanuit gaat dat er sprake is van een aanzienlijke (verzamel)waarde. Dit leidt ertoe dat de man een bedrag van € 1.450,-- dient te betalen aan de vrouw.

Ad f., g. en h. Bankrekeningen op naam van één van partijen

Partijen zijn het er over eens dat een ieder het saldo op zijn haar bankrekening(en) behoudt, onder de verplichting om de helft van het op de peildatum aanwezige saldo op die rekening aan de andere echtgenoot te vergoeden. Uit de na de terechtzitting overgelegde stukken blijkt naar het oordeel van de rechtbank niet van een schenking aan de man, waardoor voor de rekening met nummer [rekeningnummer 1] zou moeten worden afgeweken van een verdeling bij helfte. De man dient de vrouw nog inzage te geven in het saldo per peildatum op de rekening [rekeningnummer 1] , maar beslist wordt dat ook dat saldo bij helfte zal worden gedeeld, dan wel indien het een negatief saldo betreft bij helfte zal worden gedragen.

Nu de man niet heeft betwist dat het saldo op de op zijn naam staande rekening met nummer [rekeningnummer 1] voor verdeling bij helfte in aanmerking komt, zal aldus worden beslist.

Ad i. Gezamenlijke bankrekening bij ING

Partijen zijn het erover eens dat deze rekening dient te worden opgeheven met ingang van de datum van de beschikking en dat zij, voor zover er op het moment van opheffing een batig saldo is, dit tussen partijen bij helfte zal worden gedeeld.

Partijen hebben naar voren gebracht dat het saldo op deze rekening op de peildatum negatief was. De rechtbank zal dit onderwerp om die reden onder het kopje “schulden” nader beoordelen .

Ad j. Aandelen in [BV]

Partijen zijn het er over eens dat deze aandelen dienen te worden toebedeeld aan de man. De rechtbank acht het redelijk - nu partijen het erover eens zijn dat geen nadere verrekening zal plaatsvinden - dat de kosten die verbonden zijn aan de overdracht van die aandelen volledig voor rekening zal komen van de man, zoals de vrouw heeft verzocht. De rechtbank zal dienovereenkomstig bepalen.

Ad k. Afkoopsom c.q. ontslagvergoeding

De vrouw heeft onweersproken gesteld dat de man bij de beëindiging van zijn dienstverband een afkoopsom heeft ontvangen van € 5.663,43. Tussen partijen staat voorts vast dat van dit bedrag € 1.016,16 is besteed aan kosten van de huishouding. De vrouw maakt uit hoofde van de verdeling aanspraak op de helft van het resterende bedrag, te weten € 2.323,64.

De man stelt zich bij wijze van verweer op het standpunt dat de gehele afkoopsom verknocht is. De vrouw heeft dit standpunt gemotiveerd weersproken.

De rechtbank overweegt dat naar vaste rechtspraak het antwoord op de vragen of de ontslagvergoeding op bijzondere wijze aan een der echtgenoten is verknocht en, zo ja, in hoeverre die verknochtheid zich ertegen verzet dat de ontslagvergoeding in de gemeenschap valt – een en ander als bedoeld in artikel 1:94, derde lid, BW –, afhangt van de aard van de ontslagvergoeding, zoals deze aard mede door de maatschappelijke opvattingen wordt bepaald. Bij beantwoording van deze vragen is in beginsel niet van belang waar de ontslagvergoeding aan is besteed. De wijze van besteding kan echter onder omstandigheden wel een aanwijzing vormen voor de aard van de vergoeding.

In dit geval is gebleken dat de man de ontslagvergoeding gebruikt heeft om, naar hij zelf stelt, gemeenschappelijke huishoudelijke kosten te voldoen, advocaatkosten te betalen en een rekening van de B.V. te voldoen. De man heeft de ontslagvergoeding niet gereserveerd ter vervanging van toekomstig inkomen. Naar het oordeel van de rechtbank is in dit geval dan ook geen sprake van enige verknochtheid en valt de afkoopsom in de huwelijksgemeenschap. De afkoopsom komt in beginsel voor verdeling in aanmerking, met dien verstande dat de rechtbank van oordeel is dat de vrouw wel een vordering heeft op de gemeenschap voor het bedrag van € 254,-- dat de man heeft aangewend om rekeningen van de B.V. te betalen. Immers deze betaling is niet ten bate van de gemeenschap gekomen.

De rechtbank zal in redelijkheid bepalen dat de man de helft van voornoemd bedrag, te weten € 127,-- dient te betalen aan de vrouw.

Voor het resterende bedrag van de afkoopsom is de rechtbank van oordeel dat de man voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat dit bedrag ofwel volledig is opgegaan aan de kosten van de huishouding ofwel nog op de bankrekening van de man stond ten tijde van de peildatum, zodat deze gelden mede ten goede aan de vrouw zijn gekomen en dat er in zoverre derhalve niets meer te verdelen valt. De rechtbank zal om die reden tevens het verzoek van de vrouw om inzage in de bankafschriften van de rekening van de man waarop de afkoopsom is gestort, afwijzen bij gebrek aan belang.

Ad l. Spaarrekeningen kinderen

De vrouw heeft in dit verband (kort samengevat) verzocht om de man te veroordelen tot terugbetaling van bedragen van € 1.000,-- en € 1.159,-- aan de minderjarige kinderen van partijen, dan wel te bepalen dat partijen in hun onderlinge verhouding ieder voor de helft draagplichtig zijn voor de vordering van de minderjarigen.

Tussen partijen staat vast dat er vóór de peildatum bedragen zijn opgenomen van de spaarrekeningen die partijen aanhielden ten behoeve van de kinderen. Voorts staat tussen partijen vast dat een gedeelte van deze opnames is doorgestort naar de bankrekening ten name van de man, en een gedeelte naar de en/of rekening ten name van beide van partijen. Partijen zijn het erover eens, dat voor zover de bedragen zijn doorgestort op de en/of rekening, deze zijn besteed aan de kosten van de huishouding en derhalve niet meer voor vergoeding in aanmerking komen.

De man heeft de stelling van de vrouw die er op neer komt dat de man de op zijn eigen rekening gestorte bedragen niet heeft besteed aan de kosten van de huishouding, dan wel andere gemeenschappelijke kosten, naar het oordeel van de rechtbank voldoende gemotiveerd betwist. Het enkele feit dat er ook bedragen van de spaarrekeningen zijn afgehaald die niet op de en/of rekening werden gestort, is onvoldoende om te kunnen concluderen dat de man de gemeenschap zou hebben benadeeld, zoals de vrouw kennelijk heeft bedoeld te stellen. Voor een terugbetalingsverplichting aan de gemeenschap dan wel direct aan de minderjarigen ziet de rechtbank dan ook geen grond.

Partijen zijn het er terechtzitting over eens geworden dat, voor zover er op de peildatum nog saldi op de spaarrekeningen van de kinderen stonden, deze bedragen gereserveerd zullen blijven voor de kinderen en om die reden buiten de verdeling gehouden zullen worden.

Schulden

Partijen brengen de navolgende schulden naar voren:

- 1. DSB;

- 2. doorlopend krediet ING;

- 3. ING roodstand en/of rekening;

- 4. geldlening [naam] ;

- 5. geldlening [naam] .

Partijen zijn het erover eens dat zij in de onderlinge verhouding ieder voor de helft draagplichtig zijn voor de schuld onder 1.

Voor wat betreft de schulden onder 2., 3. en 4., stelt de vrouw zich op het standpunt dat deze schulden – voor zover deze nog bestonden op de peildatum - verknocht zijn aan de man, omdat deze schulden door hem zijn aangegaan met het oog op zakelijke activiteiten.

De rechtbank stelt voorop dat voor de onderhavige schulden op grond van artikel 1:94 lid 2 BW als uitgangspunt heeft te gelden dat - kort gezegd - de gemeenschap alle schulden van ieder der echtgenoten omvat. Lid 3 van artikel 1:94 BW maakt hierop een uitzondering en bepaalt dat goederen en schulden die aan een der echtgenoten op enigerlei bijzondere wijze verknocht zijn slechts in de gemeenschap vallen voor zover die verknochtheid zich hiertegen niet verzet. De wetgever heeft met deze bepaling vooral het oog gehad op schulden die zouden zijn aangegaan met betrekking tot privé-goederen. De rechtbank is van oordeel dat op grond van de feiten en omstandigheden die de vrouw naar voren heeft gebracht, voornoemde schulden niet kunnen worden aangemerkt als aan de man verknochte schulden. De rechtbank is voorts van oordeel dat de vrouw onvoldoende heeft onderbouwd dat op gronden van redelijkheid en billijkheid slechts de man draagplichtig zou moeten zijn ten aanzien van deze schulden. De rechtbank zal derhalve bepalen dat partijen in de onderlinge verhouding ieder voor de helft van de schulden genoemd onder 2, 3 en 4, draagplichtig zijn.

Ten aanzien van de schuld onder 5 overweegt de rechtbank als volgt. Tussen partijen staat wel vast zij in 2006 een geldbedrag van € 35.000,-- hebben geleend van mevrouw [naam] (de moeder van de man), en dat zij het geleende bedrag destijds hebben aangewend voor de verbouwing van de echtelijke woning.

De vrouw stelt zich op het standpunt dat de schuld op de peildatum niet meer bestond. Volgens de vrouw is een deel van de lening reeds terugbetaald (€ 7.050,--) en voor het overige deel omgezet in een schenking in 2011, hetgeen de man gemotiveerd heeft betwist. De man heeft ter onderbouwing van zijn betwisting een geldleningsovereenkomst, gedateerd op 19 september 2013, overgelegd. De vrouw heeft – kort gezegd - de geldigheid van deze overeenkomst betwist.

De rechtbank is van oordeel dat de vrouw haar stelling voor wat betreft de door haar gestelde kwijtschelding/schenking, in het licht van de gemotiveerde betwisting door de man, onvoldoende heeft onderbouwd. De vrouw heeft, nu partijen kennelijk niet langer aflosten op de lening of rente betaalden, mogelijk in de veronderstelling verkeerd dat de lening zou worden kwijtgescholden, maar hiermee heeft de vrouw haar stelling dat de geldlening is omgezet in een schenking – mede gelet op de betwisting op dit punt door de man - niet aangetoond. De door de vrouw in het geding gebrachte verklaringen maken dat niet anders. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat zij tevens uitgaat van de geldigheid van de door de man overgelegde geldleningsovereenkomst, nu de vrouw onvoldoende heeft aangetoond dat er bij de ondertekening sprake is geweest van misleiding of een wilsgebrek.

De rechtbank zal, nu naar haar oordeel sprake is van een gemeenschapsschuld, bepalen dat partijen in de onderlinge verhouding ieder voor de helft draagplichtig zijn voor deze schuld.

Verzoek tot afgifte bescheiden (843a Rv)

De vrouw verzoekt om inzage (vanaf november 2011) in de privérekening van de man , het doorlopend krediet bij ING en de nieuwe betaalrekening van de man. De man betwist het belang bij het verzoek.

Voor over de vrouw heeft gesteld dat de man de gemeenschap heeft benadeeld, zou dat op zichzelf een belang kunnen opleveren. In dit geval is de rechtbank echter van oordeel dat de vrouw onvoldoende feiten en omstandigheden heeft gesteld om benadeling van de gemeenschap aan te nemen. De rechtbank zal het verzoek van de vrouw om die reden in zoverre afwijzen.

Wel dient de man inzage te geven in het bestaan van zijn nieuwe, rond de peildatum geopende rekening bij ABN AMRO, waarvan hij het bestaan ter zitting heeft erkend. Indien deze rekening reeds voor de peildatum bestond, komt het saldo daarvan immers voor verdeling bij helfte in aanmerking.

Beslissing

De rechtbank:

*

spreekt uit de echtscheiding tussen: [verzoeker] en [verweerster] , gehuwd op [datum] in de gemeente [plaats] ;

*

neemt op de door partijen getroffen onderlinge regeling van hun betrekkingen na de echtscheiding, zoals neergelegd in het (in fotokopie) aan deze beschikking gehechte ouderschapsplan, en verklaart deze beschikking, voor zover het de getroffen onderlinge regelingen omtrent hoofdverblijfplaats, informatie en raadpleging met betrekking tot de minderjarigen en de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken betreft, uitvoerbaar bij voorraad;

*

bepaalt dat de man, van 29 september 2015 tot en met 31 december 2015, voor de verzorging en opvoeding van de minderjarigen:

- [minderjarige] , geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats]

- [minderjarige] , geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] ,

aan de vrouw zal betalen een bedrag van € 129,-- per maand per kind, telkens bij vooruitbetaling te voldoen, en verklaart de bepaling van deze bijdrage uitvoerbaar bij voorraad;

bepaalt dat de man, met ingang van 1 januari 2016 voor de verzorging en opvoeding van de minderjarigen voornoemd aan de vrouw zal betalen een bedrag van € 134,-- per maand per kind, telkens bij vooruitbetaling te voldoen, en verklaart de bepaling van deze bijdrage uitvoerbaar bij voorraad;

*

bepaalt dat de man met ingang van de dag dat de beschikking van echtscheiding zal zijn ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand, en zolang de echtelijke woning nog niet is verkocht en geleverd aan een derde, aan de vrouw tot haar levensonderhoud zal uitkeren een bedrag van € 25,-- per maand, telkens bij vooruitbetaling te voldoen, en verklaart deze bepaling uitvoerbaar bij voorraad;

bepaalt dat de man, vanaf het moment dat de beschikking van echtscheiding zal zijn ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand, en de echtelijke woning verkocht en geleverd is aan een derde, aan de vrouw tot haar levensonderhoud zal uitkeren een bedrag van € 644,-- per maand, telkens bij vooruitbetaling te voldoen, en verklaart deze bepaling uitvoerbaar bij voorraad;

*

bepaalt dat de man met ingang van 17 april 2014 de huurder is van de woonruimte te [plaats] , [adres] , en verklaart deze voorziening uitvoerbaar bij voorraad;

*

bepaalt dat de echtelijke woning te [plaats] (gemeente [woonplaats]), [adres] , zal worden verkocht en geleverd aan een derde en dat het verkoopbedrag en de uitkering(en) van de aan de woning verbonden levensverzekering(en) zullen worden aangewend ter aflossing van op de woning rustende hypothecaire schuld;

bepaalt dat partijen de resterende hypotheekschuld, in hun onderlinge verhouding, ieder voor de helft zullen dragen;

*

bepaalt dat de vrouw jegens de man bevoegd is de bewoning van de woning te [plaats] (gemeente [woonplaats]), [adres] , en het gebruik van de zaken, die behoren bij deze woning en tot de inboedel daarvan, voort te zetten na de inschrijving van deze beschikking tot (uiterlijk) 28 december 2015, mits deze woning op het ogenblik van die inschrijving door de vrouw wordt bewoond en aan de man uitsluitend of mede toebehoort of ten gebruike toekomt, en verklaart deze beschikking in zoverre uitvoerbaar bij voorraad;

*

stelt de verdeling van de huwelijksgemeenschap als volgt vast, onder de voorwaarde van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand:

1. aan de man worden toebedeeld:

1.1

de Lego-collectie, onder de verplichting om een bedrag van € 1.450,-- te betalen aan de vrouw;

1.2 (

het saldo op) de bankrekening van ING met nummer [rekeningnummer 1] ten name van de man, onder de verplichting om de helft van het saldo (per de peildatum) te vergoeden aan de vrouw;

1.3 (

het saldo op) de bankrekening van ABN AMRO met nummer [rekeningnummer 1] ten name van de man, onder de verplichting om de helft van het saldo (per de peildatum) te vergoeden aan de vrouw;

1.4 (

het saldo op) de bankrekening van de man met nummer [rekeningnummer 1] , onder de verplichting de helft van het saldo (per de peildatum) te vergoeden aan de vrouw;

1.5

de aandelen in [BV] ., onder de verplichting om de overnamekosten van de overdracht voor zijn eigen rekening te nemen,

2. aan de vrouw worden toebedeeld:

2.1 (

het saldo op) de bankrekening met nummer [rekeningnummer 1] ten name van de vrouw, onder de verplichting om de helft van het saldo (per de peildatum) te vergoeden aan de man,

en verklaart deze vaststelling uitvoerbaar bij voorraad;

*

bepaalt dat de man uit hoofde van de door hem ontvangen afkoopsom aan de vrouw dient te betalen een bedrag van € 127,--, en verklaart deze bepaling uitvoerbaar bij voorraad;

*

bepaalt dat in de onderlinge verhouding tussen partijen elk van de hen de helft van de schulden onder 1 tot en met 5 voor zijn/haar rekening neemt;

*

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. K.M. Braun, J. Visser en A.M.A. Keulen, tevens kinderrechters, bijgestaan door mr. K. Beukhof als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 29 september 2015.