Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2015:11551

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
08-10-2015
Datum publicatie
08-10-2015
Zaaknummer
VK-11_1111
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Toewijzing vovo

Fictief claimaccoord Hongarije

Dublin III

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg

Bestuursrecht

Zaaknummers: AWB 15/16954

V-nummer: [nummer]

uitspraak van de voorzieningenrechter in vreemdelingenzaken van 7 oktober 2015 in de zaak tussen

[naam], verzoeker,

gemachtigde mr. M.J. Paffen,

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder,

gemachtigde mr. L.J.T. van Es.

Procesverloop

Bij besluit van 15 september 2015 (het bestreden besluit) heeft verweerder besloten de asielaanvraag van verzoeker niet in behandeling te nemen.

Op 16 september 2015 heeft verzoeker tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Voorts heeft hij de voorzieningenrechter van de rechtbank verzocht een voorziening te treffen.

De behandeling van het verzoek heeft plaatsgevonden op 1 oktober 2015.

Partijen hebben zich doen vertegenwoordigen door hun gemachtigden.

Ter zitting is het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. Verzoeker heeft gesteld te zijn geboren op [geboortedatum] en de Afghaanse nationaliteit te bezitten.

2. Op 19 mei 2015 heeft hij een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Bij het bestreden besluit heeft verweerder de aanvraag niet in behandeling genomen op grond van artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000), omdat Hongarije volgens verweerder verantwoordelijk is voor de behandeling van verzoekers asielaanvraag.

3. Bij uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 22 september 2015 (nr. 201506653) is een verzoek om een voorlopige voorziening handende hoger beroep toegewezen in een zaak waarin een Syrische vrouw dreigde te worden overgedragen aan Hongarije op grond van de Verordening (EU) 604/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 tot vaststelling van de criteria en instrumenten om te bepalen welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van een verzoek om internationale bescherming dat door een onderdaan van een derde land of een staatloze bij een van de lidstaten wordt ingediend (Dublin III). Ter onderbouwing van dit verzoek om een voorlopige voorziening was onder meer verwezen naar recente informatie over de positie van asielzoekers van asielzoekers in Hongarije. De voorzieningenrechter van de Afdeling heeft, voor zover hier van belang, overwogen:

“De beoordeling van de grieven vergt nader onderzoek, waartoe deze procedure zich thans niet goed leent. Nu voorts is gebleken van een spoedeisend belang, als bedoeld in artikel 8:81 van de Awb, ziet de voorzieningenrechter, mede gezien de omstandigheid dat het hoger beroep op 9 oktober 2015 ter zitting zal worden behandeld, gelet op de betrokken belangen, aanleiding een voorlopige voorziening te treffen.”

Bij wijze van voorlopige voorziening is bepaald dat de vreemdeling niet mag worden overgedragen aan Hongarije totdat op het ingestelde hoger beroep is beslist.

Op 23 september 2015 heeft de voorzieningenrechter van de Afdeling in een andere zaak (nr. 201507322) met dezelfde motivering een identieke voorlopige voorziening gewezen betreffende een alleenstaande man uit Iran.

4. Ter zitting heeft verweerder zich verzet tegen toewijzing van de voorlopige voorziening in afwachting van de uitspraak van de Afdeling in de bovengenoemde bodemzaken. Het is voor verweerder onduidelijk op grond waarvan de Afdeling tot toewijzing van de verzoeken is gekomen. Er zijn (nog) geen schriftelijke vragen door de Afdeling gesteld met betrekking tot de zitting van 9 oktober 2015. Verweerder is van mening dat nog steeds uitgegaan kan worden van het interstatelijk vertrouwensbeginsel ten aanzien van Hongarije en dat om die reden het bestreden besluit rechtens juist is.

5. Gelet op de toewijzing van de onder 2. genoemde voorlopige voorzieningen door de voorzieningenrechter van de Afdeling en de op zeer korte termijn vastgestelde behandeling van de ingestelde hoger beroepen, is de voorzieningenrechter, gelet op de betrokken belangen, van oordeel dat de uitslag van deze hoger beroepen moet worden afgewacht.

De voorzieningenrechter zal om die reden het verzoek om voorlopige voorziening hangende zijn beroep bij de rechtbank toewijzen en bepalen dat verzoeker niet mag worden overgedragen tot één week nadat op zijn beroep tegen het bestreden besluit is beslist.

6. Omdat het verzoek wordt toegewezen, bepaalt de voorzieningenrechter dat verweerder aan verzoeker het door hem betaalde griffierecht vergoedt.

7. De voorzieningenrechter ziet in dit geval aanleiding verweerder te veroordelen in de door verzoeker gemaakte kosten. Deze kosten zijn op voet van het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op € 980 in verband met het verzoek om een voorlopige voorziening (1 punt voor het verzoekschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 490 en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De voorzieningenrechter:

- bepaalt bij wijze van voorlopige voorziening dat verzoeker niet wordt overgedragen tot één week nadat de rechtbank op zijn beroepschrift heeft beslist;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten ten bedrage van € 980 (negenhonderdtachtig euro) te betalen aan verzoeker.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.W. Ente, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. M. Valk, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 7 oktober 2015.

De griffier is buiten staat deze uitspraak mede te ondertekenen

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.