Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2015:11517

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
03-09-2015
Datum publicatie
06-10-2015
Zaaknummer
AWB 15/14470
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank doet uitspraak in een asielzaak, waarin het besluit dateert van na 20 juli 2015, en artikel 83a van de Vreemdelingenwet van toepassing is. Eiser, afkomstig uit Sudan, stelt dat hij zijn herkomst aannemelijk heeft gemaakt. Daarvoor is allereerst van belang dat eiser heeft gesteld zijn broer in Nederland te hebben gevonden. Nu zijn broer behoort tot de Nuba behoort ook eiser tot de Nuba. Eiser biedt aan om DNA-onderzoek te laten verrichten om aan te tonen dat zij broers zijn. De rechtbank ziet geen aanleiding om gelegenheid te bieden voor het verrichten van DNA-onderzoek. Zelfs als door middel van DNA-onderzoek wordt aangetoond dat eiser en de door hem gestelde broer inderdaad broers zijn, staat niet vast dat eiser daardoor tot de Nuba behoort. Verweerder heeft namelijk voldoende onderbouwd dat ten aanzien van de gestelde broer niet vaststaat dat hij tot de Nuba behoort. De overige verklaringen van eiser ten aanzien van zijn herkomst zijn evenmin aannemelijk. De verklaringen van eiser ten aanzien van zijn aanhouding, detentie en vrijlating alsmede over de politieke activiteiten van zijn oom en broer heeft verweerder ongeloofwaardig mogen achten. Ook is niet gebleken van een risico op schending van artikel 3 EVRM. Het beroep is ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 15/14470

uitspraak van de meervoudige kamer van 3 september 2015 in de zaak tussen

[eiser] , geboren op [1990] , van Sudanese nationaliteit, eiser

(gemachtigde: mr. M.C.M. van der Mark),

en

de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder

(gemachtigde: mr. D.P.A. van Laarhoven).

Procesverloop

Bij besluit van 28 juli 2015 (het bestreden besluit) heeft verweerder - voor zover relevant - de aanvraag van eiser van 3 juni 2015 tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd afgewezen als ongegrond op grond van artikel 31 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw).

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting door de enkelvoudige kamer heeft plaatsgevonden op 13 augustus 2015. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Tevens is verschenen [A] ( [A] ). Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Bij brief van 18 augustus 2015 heeft de rechtbank partijen meegedeeld het onderzoek in deze zaak te heropenen, omdat de zaak is verwezen naar de meervoudige kamer. Op 27 augustus 2015 heeft er een tweede onderzoek ter zitting plaatsgevonden. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verder zijn verschenen [A] en een tolk, H.A. Mohamed. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. De rechtbank stelt voorop dat de toetsing van de rechtbank, gelet op hetgeen is bepaald in artikel 83a van de Vw, een volledig en ex nunc onderzoek omvat naar zowel de feitelijke als de juridische gronden, met inbegrip van, indien van toepassing, een onderzoek naar de behoefte aan internationale bescherming.

2. Eiser heeft aan zijn asielrelaas – kort samengevat – ten grondslag gelegd dat hij tot de [naam] stam behoort. Op de Nationale Universiteit van Um Dorman, in Sudan, waar hij studeerde, waren soms problemen tussen aanhangers van de regerende partij, [X] , en aanhangers van de oppositiebewegingen [naam] Revolutionary Front ( [Y] ) en [Z] . Eiser nam af en toe deel aan een activiteit van de [naam] Revolutionary Front door te luisteren naar een toespraak. Eiser is op de universiteit meerdere malen in elkaar geslagen en uitgescholden. Eiser werd begin februari 2015 gearresteerd door de veiligheidsdienst en is ongeveer anderhalve maand in detentie geweest, waar hij meermalen is verhoord en gemarteld. Eiser stelt dat de veiligheidsdienst via hem informatie wilde verkrijgen over de beweging [naam] Revolutionary Front, omdat zijn oom en broer daarbij betrokken zijn. Eiser is vervolgens onder voorwaarden vrijgelaten en naar het ziekenhuis gebracht waar hij twee dagen heeft verbleven. Daarop is eiser naar het vluchtelingenkamp in [naam] vertrokken, waar hij heeft verbleven bij een tante. Zij heeft eiser geholpen te vluchten.

3. Verweerder heeft aan de afwijzing van de asielaanvraag als ongegrond allereerst ten grondslag gelegd dat niet geloofwaardig wordt geacht dat eiser behoort tot de [naam] stam. Eiser heeft geen specifieke en concrete informatie kunnen geven over de substam [naam] waar hij volgens zijn verklaring toe behoort. Wat eiser heeft verklaard over culturele aspecten van de [naam] is erg algemeen en kan eveneens op andere wijze worden verkregen. Eiser woonde bij zijn oom en tante. Het is onaannemelijk dat eisers oom, die volgens eiser tot de [naam] stam behoort, geen stamtaal met hem zou hebben gesproken, te meer nu uit het relaas van eiser volgt dat zijn familieleden veel waarde hechten aan hun herkomst. Uit verschillende openbare bronnen blijkt dat het merendeel van de [naam] een eigen taal spreekt, terwijl eiser uitsluitend Arabisch spreekt. De weerlegging van eiser dat dit komt omdat hij het overgrote deel van zijn leven in Khartoem heeft gewoond en is opgevoed door zijn tante die tot de [naam] stam behoort, acht verweerder onvoldoende. Verweerder acht het ook bevreemdingwekkend dat eiser zijn eigen stamtaal niet kan benoemen. Blijkens de door eiser afgelegde verklaringen gaat eiser er bovendien vanuit dat er één Nubische stamtaal is terwijl uit diverse bronnen blijkt dat er binnen de [naam] meerdere bevolkingsgroepen zijn die allemaal een eigen naam en taal hebben. Eiser heeft zijn herkomst onvoldoende aannemelijk gemaakt, aldus verweerder.

4. Eiser heeft in beroep tegen het bestreden besluit allereerst naar voren gebracht dat [A] zijn broer is, met wie hij in Nederland inmiddels recent weer in contact is gekomen. [A] heeft in 1999 in Nederland een verblijfsvergunning asiel gekregen en is inmiddels in Nederland genaturaliseerd. Dat [A] en eiser broers zijn volgt volgens eiser onder meer uit kopieën van het paspoort en de gelegaliseerde geboorteakte van [A] . Nu [A] tot de [naam] behoort, geldt dit eveneens voor eiser. Eiser heeft zijn herkomst daarmee voldoende aannemelijk gemaakt. Verweerder heeft dan ook ten onrechte niet aannemelijk geacht dat eiser als [naam] behoort tot een risicogroep in de zin van paragraaf C2/3.2 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc) en tot een kwetsbare minderheidsgroep in de zin van paragraaf C2/3.3 van de Vc. Voor zover de rechtbank onvoldoende aannemelijk acht dat eiser en [A] broers zijn, zijn zij bereid om een DNA-test te ondergaan. In dit verband voert eiser voorts aan dat hem ten onrechte wordt tegengeworpen dat hij slechts algemene verklaringen heeft afgelegd. Op alle vragen is een juist antwoord gegeven en in het nader gehoor heeft eiser uit zichzelf een aanvulling gegeven. Er is niet doorgevraagd ten aanzien van de gebruiken van zijn eigen substam. Dat eiser niet de stamtaal van de [naam] spreekt komt omdat hij zijn hele leven in Khartoem heeft gewoond, waar alleen Arabisch wordt gesproken. Zijn oom spreekt met zijn vrouw en kinderen, en dus ook met eiser, alleen Arabisch. Bovendien is eiser opgevoed door de vrouw van zijn oom die tot de [naam] stam behoort.

5. Verweerder heeft zich ten aanzien van de grond dat eiser en [A] broers zijn op het standpunt gesteld dat dit onaannemelijk is, onder meer omdat [A] in zijn asielprocedure nooit melding heeft gemaakt van zijn broer, geboren in 1990 (eiser), maar daarentegen wel van zijn broer ( [B] ) geboren in 1980 alsmede van zijn zussen geboren in 1985 en 1987. Verder hebben eiser en [A] afwijkende verklaringen afgelegd over de naam van hun moeder en het al dan niet in leven zijn van hun moeder. Eiser heeft verklaard dat zijn moeder ( [moedernaam 1] ) zeven maanden na zijn geboorte is overleden en [A] heeft het overlijden van zijn moeder ( [moedernaam 2] ) niet gemeld. Ook verklaren eiser en [A] verschillend over de oorzaak van overlijden van hun vader. Indien wordt aangenomen dat eiser en [A] broers zijn, hetgeen verweerder betwist, dan stelt verweerder zich op het standpunt dat daarmee nog niet aannemelijk is dat eiser tot de [naam] behoort. Aan [A] is een verblijfsvergunning asiel verleend op de zogenoemde d-grond. In 2003 heeft verweerder aanleiding gezien om [A] te onderwerpen aan een herkomstonderzoek, in welk verband een taalanalyse is verricht. De uitkomst van deze taalanalyse was dat [A] wel te herleiden was tot [naam] , maar niet tot de [naam] . De door [A] gevraagde contra-expertise leverde dezelfde conclusie op, namelijk dat niets in de spraak van [A] wees op een socialisatie binnen het [naam] gebied. Gelet op de uitkomst van de taalanalyse heeft verweerder op 16 november 2005 een voornemen tot intrekking van de verblijfsvergunning asiel bekendgemaakt aan [A] . Bij brief van 25 juli 2007 is hem echter medegedeeld dat zijn verblijfsvergunning niet zal worden ingetrokken gelet op de Regeling Nalatenschap Oude Vreemdelingenwet (Ranov). Bij brief van 25 november 2007 is [A] wel medegedeeld dat niet langer zonder meer wordt uitgegaan van de door hem gebruikte persoonsgegevens. Volgens verweerder maken de overgelegde geboorteakte, het paspoort en de verklaring van de directeur van [naam] Survival van 21 december 2001 evenmin aannemelijk dat [A] tot de [naam] behoort. Het enkele gegeven dat in de geboorteakte en het paspoort vermeld staat dat [A] is geboren in [geboorteplaats] is onvoldoende om te concluderen dat hij dus tot die bevolkingsgroep behoort, aldus verweerder.

6. Eiser heeft in reactie hierop naar voren gebracht dat aan onjuistheden in de gehoren van [A] niet veel gewicht moet worden toegekend. [A] was op het moment dat hij naar Nederland kwam nog maar zestien jaar oud en uit de verslagen van de gehoren blijkt dat hij erg in de war was. Aan de overgelegde stukken, waaronder de gelegaliseerde geboorteakte, dient doorslaggevende betekenis te worden toegekend, te meer nu eiser bereid is daarnaast DNA-onderzoek te ondergaan. Verder voert eiser aan dat verweerder er ten onrechte van uitgaat dat [A] niet tot de [naam] behoort. Uit de geboorteakte en het paspoort blijkt dat [A] is geboren in [geboorteplaats] . Dat enkele feit is voldoende om aannemelijk te achten dat hij tot de [naam] behoort, nu deze plaats in [naam] gebied ligt. Dat uit de spraak van [A] niet kon worden afgeleid dat hij in [naam] gebied heeft gewoond komt doordat hij een groot deel van zijn leven in Khartoem heeft doorgebracht en daarmee de taal is kwijtgeraakt. De verblijfsvergunning van [A] is bovendien niet ingetrokken. Er is geen beschikking waaruit blijkt dat zijn herkomst niet aannemelijk is geacht, zodat er vanuit gegaan dient te worden dat de herkomst wel aannemelijk is. Bovendien kan niet voorbijgegaan worden aan de verklaring van de [naam] Survival van 21 december 2001.

7. De rechtbank laat in het midden of eiser en [A] broers zijn en ziet dan ook geen aanleiding voor een DNA-onderzoek, om de navolgende redenen. Verweerder heeft zich naar het oordeel van de rechtbank op het standpunt mogen stellen dat eiser zijn herkomst onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt. Verweerder heeft het bevreemdingwekkend mogen achten dat eiser geen stamtaal spreekt en niet op de hoogte was van het bestaan van meerdere stamtalen onder de [naam] . De stellingen dat eiser door zijn tante is opgevoed die tot een andere stam behoort, en dat eiser met zijn oom thuis alleen Arabisch sprak mocht verweerder onvoldoende achten om dit gebrek aan kennis te verklaren. Vervolgens stelt de rechtbank vast dat, indien zou worden aangenomen dat eiser en [A] broers zijn, daarmee niet aannemelijk wordt dat eiser tot de [naam] behoort. De rechtbank volgt verweerder namelijk eveneens in zijn standpunt dat gelet op de resultaten van de voornoemde taalanalyses niet aannemelijk is dat [A] tot de [naam] behoort. De omstandigheid dat de resultaten van de taalanalyses niet zijn opgenomen in een beschikking, gericht aan [A] , doet niet af aan de uitkomst van de taalanalyses. Dat aan de taalanalyses geen belang moet worden gehecht omdat [A] rond zijn achtste levensjaar naar Khartoem is verhuisd, en daardoor zijn kennis van de stamtaal verloren is gegaan, volgt de rechtbank niet. Uit het door verweerder overgelegde rapport van Bureau Land en Taal van 10 januari 2007 blijkt dat in de taalanalyses rekening is gehouden met de omstandigheid dat [A] is verhuisd naar Khartoem. Desondanks komen beide taalexperts tot de conclusie dat [A] niet is te herleiden tot [naam] gebied. Het enkele feit dat uit de gelegaliseerde geboorteakte en het paspoort van [A] blijkt dat hij in [geboorteplaats] is geboren acht de rechtbank onvoldoende om aan te nemen dat hij tot de [naam] behoort. Indien komt vast te staan dat eiser en [A] broers zijn, volgt daaruit, gelet op het voorgaande derhalve niet dat eiser tot de [naam] behoort. Verweerder mocht dan ook als uitgangspunt nemen dat niet aannemelijk is geworden dat eiser behoort tot een kwetsbare minderheidsgroep of een risicogroep in de zin van de paragrafen C2/3.2 en C2/3.3 van de Vc.

8. De rechtbank komt vervolgens toe aan de (on)geloofwaardigheid van het asielrelaas van eiser. Verweerder heeft aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd dat de door eiser afgelegde verklaringen over zijn aanhouding, detentie en vrijlating alsmede over de politieke activiteiten van zijn oom en broer niet geloofwaardig zijn. Volgens verweerder heeft eiser vage, summiere en tegenstrijdige verklaringen afgelegd die niet overtuigen. Zo weet eiser weinig van de politieke activiteiten van zijn broer en oom, de arrestaties van zijn oom en de politieke bewegingen waartoe zij behoren, terwijl eiser zijn volledige asielrelaas daarop stoelt. Eiser heeft bovendien verklaard dat zijn broer en oom al lid waren van de [naam] Revolutionary Front toen eiser klein was, terwijl de partij pas is opgericht op 11 november 2011. Dat eiser geringe kennis heeft van de [naam] Revolutionary Front bevreemdt des te meer nu eiser heeft verklaard dat hij met enige regelmaat toespraken van deze beweging bijwoonde en beluisterde. De gang van zaken omtrent de aanhouding, hetgeen is voorgevallen tijdens de detentie, de (voorwaarden voor) vrijlating en het verblijf in het ziekenhuis acht verweerder ook ongeloofwaardig. Verweerder acht het merkwaardig dat de veiligheidsdienst naar een winkel in de buurt van eisers woning gaat om naar eiser te vragen, terwijl het meer voor de hand ligt dat eiser bij zijn woning zou worden opgewacht. Volgens eisers verklaringen was de veiligheidsdienst immers op de hoogte van de familieband van eiser met zijn oom en broer. Verweerder weegt ook mee dat eiser geen bijzonderheden kan verstrekken over de toedracht van zijn aanhouding. Eiser kan de persoon die hem aansprak niet beschrijven, hij kan niet zeggen met welke persoon deze persoon heeft gebeld of waar dit gesprek over ging. Ook heeft eiser geen specifieke informatie verstrekt over de vier personen die hem naar de plek van zijn detentie hebben gebracht. Ten aanzien van de voorwaarden waaronder hij is vrijgelaten heeft eiser summier verklaard. De door eiser gestelde ernst van de martelingen valt volgens verweerder niet te rijmen met het gegeven dat hij in het ziekenhuis waar hij twee dagen heeft verbleven enkel is behandeld met vitamines en een infuus. Bovendien heeft eiser tegenstrijdig verklaard over bij wie hij naderhand in het vluchtelingenkamp in [naam] heeft verbleven.

9. Eiser voert aan dat verweerder bij de beoordeling van het asielrelaas heeft miskend dat eisers oom hem heeft aangeraden om zich afzijdig te houden van politiek. Van hem kan daarom niet worden verwacht dat hij specifiek kan verklaren over de politieke bewegingen van zijn oom en broer. Ook kan van eiser niet worden verlangd te verklaren over de reden van arrestatie door de veiligheidsdienst, waarom naar eiser is geïnformeerd bij een winkel in plaats van bij hem thuis, dan wel waarom hij niet eerder is opgepakt. Ook verwacht verweerder ten onrechte dat hij meer kan verklaren over de aanhouding zelf. De man die eiser had gevraagd met hem mee te lopen sprak zacht met een andere persoon via de telefoon, zodat eiser niet kon verstaan wat hij zei. Bovendien is het niet vreemd dat eiser niet meer kan verklaren over de vier mannen die hem vervolgens hebben meegenomen, nu hij direct werd geblinddoekt. Uit het bericht van Amnesty International van 19 maart 2015, “Sudanese National Intelligence Service empowered to violate human rights”, blijkt dat het optreden van de veiligheidsdienst sinds januari 2015 en de daarmee gepaard gaande mensenrechtenschendingen zijn geïntensiveerd en dat het mandaat van de veiligheidsdienst is uitgebreid, hetgeen bevestigd wordt in paragraaf 2.1.2 van het Algemeen ambtsbericht Sudan van 23 juli 2015 van het Ministerie van Buitenlandse zaken (algemeen ambtsbericht). De verklaringen van eiser over zijn aanhouding en detentie passen binnen dit algemene beeld, zodat daaraan ten onrechte geen geloof is gehecht. De voorwaarden voor zijn vrijlating heeft eiser genoemd, zodat ten onrechte is tegengeworpen dat zijn verklaringen hierover summier zijn. De verklaringen van eiser over de martelingen komen overeen met hetgeen bekend is uit algemene bronnen. Eiser verwijst in dit verband naar de paragrafen 2.3.7 en 2.4.5 van het algemeen ambtsbericht. Ten aanzien van de marteling en het verblijf in het ziekenhuis heeft verweerder miskend dat eiser op eigen verzoek het ziekenhuis heeft verlaten, hij mocht pas gaan nadat hij had verklaard dat hij van de veiligheidsdienst niet naar het ziekenhuis mocht gaan. Gezien eisers slechte toestand is het niet vreemd dat er eerst een infuus en versterkende medicatie gegeven werd. Verdere behandeling was niet mogelijk nu eiser na twee dagen weer is vertrokken. Gelet op zijn toestand kan van eiser niet worden verwacht dat hij weet welk ziekenhuis het was. Eiser voert verder aan dat hij niet tegenstrijdig heeft verklaard over de laatste twee weken in Sudan . Zowel in het gehoor aanmeldfase als in het nader gehoor is door eiser verklaard dat hij bij de zus van de vrouw van zijn oom verbleef in het vluchtelingenkamp in [naam] . In het eerste gehoor is abusievelijk opgeschreven dat het om de echtgenote van zijn oom ging.

10. De rechtbank is van oordeel dat verweerder hetgeen eiser heeft verklaard over zijn aanhouding, detentie en vrijlating ongeloofwaardig heeft mogen achten. Verweerder heeft eisers verklaring over zijn aanhouding ongeloofwaardig mogen achten, nu hij geen informatie heeft kunnen verstrekken over degene die hem aansprak, over het telefoongesprek dat vervolgens plaatsvond en de vier personen die hem naar de plek van detentie hebben gebracht. Verweerder heeft eiser ook mogen tegenwerpen dat hij niet weet in welk ziekenhuis hij behandeld is en heeft het eveneens bevreemdingwekkend mogen achten dat eiser in het ziekenhuis slechts is behandeld met vitaminen en een infuus, terwijl eiser heeft verklaard dat hij is gemarteld en er slecht aan toe was. Dat het optreden van de veiligheidsdienst is geïntensiveerd vanaf januari 2015 blijkt inderdaad uit de stukken waar eiser naar heeft verwezen. Die algemene informatie is echter onvoldoende om geloof te kunnen hechten aan de verklaringen van eiser. Eiser dient aannemelijk te maken dat de veiligheidsdienst ook jegens hem is opgetreden. Verweerder heeft eiser eveneens mogen tegenwerpen dat hij weinig kan verklaren over de [naam] Revolutionary Front, nu eiser heeft verklaard met enige regelmaat bijeenkomsten van die beweging bij te wonen. Van hem mocht worden verwacht dat hij op zijn minst over enige kennis zou beschikken van deze politieke beweging, ondanks het advies van zijn oom om zich afzijdig te houden van politiek. Deze gronden slagen niet.

11. Eiser heeft verder naar voren gebracht dat hij bij terugkeer een risico loopt op schending van artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Uit informatie van het Landelijk Bureau van Vluchtelingenwerk van 4 augustus 2015 blijkt dat de autoriteiten politieke opposanten in het buitenland en ook familieleden daarvan monitoren en arresteren. De oom van eiser is nog steeds politiek actief in Sudan . De broer van eiser, [A] , is al vele jaren politiek actief in Nederland. Hij bekleedt de functie van secretaris binnen de [naam] Justice and Equality Movement Nederland (JEM Nederland), neemt deel aan maandelijkse bestuursvergaderingen en heeft aan een groot aantal conferenties deelgenomen, onder andere in Duitsland. Aan de politieke activiteiten is nooit getwijfeld. Eiser heeft onder meer verwezen naar bewijsstukken die ook zijn overgelegd in de procedure van [A] in 2006, een verklaring van JEM Nederland van 31 juli 2015, een tweetal visa voor reizen naar Zuid- Sudan en een tweetal filmpjes op YouTube van politieke bijeenkomsten, waarbij [A] duidelijk in beeld is. Daar komt bij dat ook eiser inmiddels per 28 juli 2015 lid is geworden van de JEM Nederland. Uit het arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) van 7 januari 2014, A.A. tegen Zwitserland (nr. 58802/12), blijkt dat de veiligheidssituatie en mensenrechtensituatie in Sudan alarmerend is. Uit het arrest is bovendien af te leiden dat niet alleen high-profile politieke activisten een risico lopen op marteling en vervolging. Dit geldt voor iedere (vermeende) opposant van het huidige regiem. Ook blijkt uit het arrest dat Sudan politiek opposanten buiten Sudan monitort.

12. Verweerder stelt zich op het standpunt dat eiser bij terugkeer naar Sudan geen risico loopt op schending van artikel 3 van het EVRM. Ten aanzien van de politieke activiteiten van [A] heeft verweerder allereerst opgemerkt dat de vergunning die hem per 15 maart 1999 is verleend, is gebaseerd op de zogenoemde d-grond. Verweerder acht daarom niet aannemelijk dat de vergunning is gebaseerd op de politieke activiteiten van [A] . Voor zover daarvan wel sprake is geweest, is de vraag of dit nog van belang is voor de Sudanese autoriteiten, nu [A] al zestien jaar in Nederland is. Verweerder heeft niet weersproken dat [A] enige politieke activiteiten verricht. Verweerder ziet in de door eiser overgelegde documentatie van het Landelijk Bureau Vluchtelingenwerk van 4 augustus 2015 echter onvoldoende aanknopingspunten om te kunnen concluderen dat de Sudanese autoriteiten in Nederland een ieder die betrokken is bij een oppositiebeweging in de gaten houden. De politieke activiteiten van [A] zijn volgens verweerder niet zodanig dat het reëel is dat eiser als gevolg van die politieke activiteiten een risico op schending van artikel 3 van het EVRM zou lopen bij terugkeer naar Sudan . Verweerder verwijst naar het hiervoor genoemde arrest van het EHRM van 7 januari 2014, A.A. tegen Zwitserland. In dat geval heeft het EHRM geoordeeld dat er een risico was op schending van artikel 3 van het EVRM. De specifieke omstandigheden van dat geval zijn echter niet vergelijkbaar met die van [A] . Dat [A] op de radar zou staan van de Sudanese autoriteiten is niet gebleken. Dit volgt volgens verweerder ook niet uit de filmpjes op YouTube waar eiser naar heeft verwezen. Daarin is [A] slechts zijdelings en gedurende een kort moment in beeld. Op de beelden zijn mensen te zien die in discussie zijn. Eisers naam wordt in de filmpjes niet genoemd. Het enkele gegeven dat uit de informatie van het Landelijk Bureau Vluchtelingenwerk blijkt dat de Sudanese autoriteiten de mogelijkheid hebben om gemeenschappen in het buitenland te monitoren maakt niet dat [A] ook wordt gemonitord, aldus verweerder. Uit de informatie blijkt bovendien dat deze mogelijkheid zich met name in Egypte en het Verenigd Koninkrijk voordoet. Ten aanzien van eisers lidmaatschap van JEM Nederland heeft verweerder opgemerkt dat eiser pas na ontvangst van het bestreden besluit lid is geworden. Voor die tijd is eiser nooit politiek actief geweest. Het argument van eiser dat hij zich in Nederland niet langer afzijdig hoeft te houden acht verweerder onvoldoende om de betrokkenheid bij JEM Nederland als oprecht te beschouwen. Eiser is immers al vanaf mei 2015 in Nederland en is pas op 28 juli 2015 lid geworden van JEM Nederland.

13. Zoals onder punt 7 van deze uitspraak is overwogen laat de rechtbank in het midden of eiser en [A] broers zijn. Voor zover ervan uit wordt gegaan dat zij wel broers zijn acht de rechtbank niet aannemelijk dat eiser een risico op schending van artikel 3 van het EVRM loopt enkel vanwege de politieke activiteiten van [A] . Voor het oordeel dat de politieke activiteiten van [A] zodanig zijn dat aannemelijk moet worden geacht dat hij onder de aandacht is van de Sudanese autoriteiten en eiser daardoor bij terugkeer een risico loopt op schending van artikel 3 van het EVRM bestaan onvoldoende concrete aanknopingspunten. Verweerder heeft zich naar het oordeel van de rechtbank op het standpunt mogen stellen dat uit de filmpjes op Youtube, waarnaar in beroep is verwezen en waarop [A] slechts zijdelings en kort in beeld is gebracht, niet is af te leiden dat hij in de belangstelling zou staan van de Sudanese autoriteiten. Ook het algemene gegeven dat de Sudanese autoriteiten de mogelijkheid hebben om politiek opposanten en familieleden in het buitenland te monitoren, acht de rechtbank onvoldoende concreet om een risico op schending van artikel 3 van het EVRM aan te nemen. Er is geen sprake van een situatie die vergelijkbaar is aan die in voornoemd arrest van A.A. tegen Zwitserland. Ook het lidmaatschap van eiser van JEM Nederland vanaf 28 juli 2015 acht de rechtbank in dit verband onvoldoende. De beroepsgronden slagen niet.

14. Ook wat verder is aangevoerd, leidt niet tot het oordeel dat het bestreden besluit onrechtmatig is. Eiser komt dan ook niet in aanmerking voor een verblijfsvergunning asiel op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a of b van de Vw. Het beroep is ongegrond.

15. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. L.M. Reijnierse, voorzitter, en mr. G.A. Bouter-Rijksen en mr. M. Wolfrat, in aanwezigheid van mr. L.N. Foppen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 3 september 2015.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.