Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2015:11488

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
06-10-2015
Datum publicatie
20-10-2015
Zaaknummer
C/09/494358 / FA RK 15-6305
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verzoek tot teruggeleiding van de minderjarigen naar Liberia toegewezen. Gewone verblijfplaats van de minderjarigen voorafgaand aan de ongeoorloofde vasthouding in Liberia. Moeder heeft het eenhoofdig gezag over de minderjarigen. Geen sprake van de weigeringsgronden als bedoeld in artikel 13 lid 1b (ernstige risico...) en/of artikel 13 lid 2 (verzet minderjarige) HKOV.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Den HAAG

Meervoudige Kamer

Rekestnummer: FA RK 15-6305

Zaaknummer: C/09/494358

Datum beschikking: 6 oktober 2015

Internationale kinderontvoering

Beschikking op het op 12 augustus 2015 ingekomen verzoek van:

[verzoekster]

de moeder,

wonende te Liberia,

advocaat: mr. M.T. Wernsen te Den Haag.

Als belanghebbende wordt aangemerkt:

[verweerder] ,

de vader,

wonende te [woonplaats] ,

advocaat: voorheen mr. A. van Haga te Den Haag, thans mr. C. Hartmann te Den Haag.

Procedure

De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:

- het verzoekschrift;

- de brief d.d. 19 augustus 2015, met bijlagen, van de zijde van de vader;

  • -

    het verweerschrift;

  • -

    de brief d.d. 10 september 2015, met bijlagen, van de zijde van de moeder.

Op 20 augustus 2015 is de zaak ter terechtzitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen: de moeder, bijgestaan door mr. S. Kouwenhoven waarnemend voor de advocaat van de moeder, alsmede de vader, bijgestaan door mr. A.F. Braun waarnemend voor de advocaat van de vader. Het betrof hier een regiezitting met het oog op crossborder mediation in internationale kinderontvoeringszaken met als behandelend rechter, tevens kinderrechter, mr. I.D. Bellaart. De behandeling ter terechtzitting is aangehouden.

Na genoemde regiezitting hebben de vader en de moeder getracht door middel van crossborder mediation, gefaciliteerd door het Mediation Bureau van het Centrum Internationale Kinderontvoering, tot een minnelijke regeling te komen. Op 24 augustus 2015 heeft het Mediation Bureau de rechtbank bericht dat de mediation tussen partijen heeft geresulteerd in een spiegelovereenkomst. Partijen hebben echter geen overeenstemming bereikt over de gewone verblijfplaats van de minderjarigen. De moeder handhaaft daarom het teruggeleidingsverzoek.

De minderjarige [minderjarige] is op 22 september 2015 in raadkamer gehoord.


Op 22 september 2015 is de behandeling ter terechtzitting van de meervoudige kamer voortgezet. Hierbij zijn verschenen: de moeder, bijgestaan door de advocaat mr. H. Dreesmann-Bruijntjes, alsmede de vader, bijgestaan door zijn advocaat en vergezeld door de tolk mevrouw [naam] . Van de zijde van de moeder zijn pleitnotities met nadere stukken overgelegd.

Verzoek en verweer

De moeder heeft verzocht, met toepassing van artikel 13 van de Uitvoeringswet internationale kinderontvoering (hierna: de Uitvoeringswet):

 de onmiddellijke terugkeer van na te melden minderjarigen te bevelen, zo nodig met behulp van de sterke arm, althans de terugkeer van de minderjarigen vóór een door de rechtbank in goede justitie te bepalen datum te bevelen, waarbij de vader de minderjarigen dient terug te brengen naar Liberia, dan wel – indien de vader nalaat de minderjarigen terug te brengen – te bepalen op welke datum de vader de minderjarigen met de benodigde geldige reisdocumenten aan de moeder zal afgeven, zodat zij de minderjarigen zelf mee terug kan nemen naar Liberia;

 (naar de rechtbank begrijpt) een gecertificeerde instelling als bedoeld in artikel 1.1 van de Jeugdwet te belasten met de voorlopige voogdij over de minderjarigen;

 met veroordeling van de vader in de kosten die de moeder heeft moeten maken in verband met de ontvoering en teruggeleiding, zoals de advocaatkosten en het retourticket voor de vlucht naar Nederland en – indien de moeder hen zelf zal moeten terugbrengen – de kosten die hiermee gemoeid zijn, nog nader door de moeder te specificeren;

een en ander voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.

De vader heeft verweer gevoerd tegen het verzoek van de moeder, welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken. De vader heeft - voor het geval het verzoek van de moeder tot teruggeleiding wordt toegewezen - verzocht de datum van teruggeleiding zodanig vast te stellen dat een eventueel hoger beroep in Nederland kan worden afgewacht en de minderjarigen tot de kerstvakantie in Nederland kunnen blijven om de eerste helft van het schooljaar af te maken, met veroordeling van de moeder in de kosten.

Feiten

- Partijen hebben tot medio 2013 een affectieve relatie gehad.

- Zij zijn de ouders van de volgende thans nog minderjarige kinderen:

 [minderjarige] geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] Verenigde Staten van Amerika,

 [minderjarige] , geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] .

- Tot het eindigen van de affectieve relatie in 2013 hebben partijen samengewoond in [plaats] .

- Begin juli 2013 is de moeder met de minderjarigen naar Liberia vertrokken. Eind september 2014 zijn de minderjarigen naar Nederland gebracht door een tante van de moeder.

- De moeder oefent in ieder geval het éénhoofdig gezag uit over de minderjarige [minderjarige] .

- De vader, de moeder en de minderjarigen hebben de Nederlandse nationaliteit. De minderjarige [minderjarige] heeft daarnaast nog de Amerikaanse nationaliteit.

- De moeder heeft zich niet gemeld bij de Nederlandse Centrale Autoriteit.

Beoordeling

De moeder heeft haar verzoek gebaseerd op het Haagse Verdrag inzake de burgerrechtelijke aspecten van internationale kinderontvoering van kinderen van 25 oktober 1980 (hierna: het Verdrag). Hoewel Liberia geen partij is bij het Verdrag, is volgens artikel 2 van de Uitvoeringswet deze wet tevens van toepassing in de gevallen van internationale ontvoering van kinderen die niet door een verdrag worden beheerst.

Op grond van artikel 11 lid 1 van de Uitvoeringswet is de rechtbank Den Haag bevoegd kennis te nemen van alle zaken met betrekking tot de gedwongen afgifte van een internationaal ontvoerd kind aan degene wie het gezag daarover toekomt en de teruggeleiding van een zodanig kind over de Nederlandse grens.

De rechtbank ziet in het bepaalde in artikel 2 en 13 lid 3 van de Uitvoeringswet aanleiding de regels van het Verdrag naar analogie toe te passen. De rechtbank overweegt daarbij dat, nu onderhavige zaak betrekking heeft op ontvoering uit een staat die noch bij het Verdrag, noch bij het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) is aangesloten, geen sprake is van samenloop van verdragen in de zin van artikel 30 van het Weens verdragenverdrag. Wel is er sprake van samenloop tussen een nationale regeling – te weten de Uitvoeringswet – en een internationale regeling – te weten het EVRM. In dat geval gaat de internationale regeling – het EVRM – voor. Dit heeft tot gevolg dat de rechtbank het HKOV weliswaar zal toepassen, maar daarbij tevens rekening zal houden met de vereisten uit het EVRM, zodat de rechtbank minder restrictief zal toetsen en het belang van de minderjarigen meer zal meewegen dan te doen gebruikelijk op grond van het Verdrag.

Het Verdrag heeft – voor zover hier van belang – tot doel de onmiddellijke terugkeer te verzekeren van kinderen die ongeoorloofd zijn overgebracht naar of worden vastgehouden in een Verdragsluitende staat. Het Verdrag beoogt hiermee een zo snel mogelijk herstel van de situatie waarin het kind zich bevond direct voorafgaand aan de ontvoering of vasthouding. Een snel herstel van de aan de ontvoering of vasthouding voorafgaande situatie wordt geacht de schadelijke gevolgen hiervan voor het kind te beperken.

Ongeoorloofde overbrenging of vasthouding in de zin van artikel 3 van het Verdrag

Er is sprake van ongeoorloofde overbrenging of ongeoorloofde vasthouding in de zin van het Verdrag wanneer de overbrenging of het niet doen terugkeren geschiedt in strijd met een gezagsrecht ingevolge het recht van de staat waarin het kind onmiddellijk voor zijn overbrenging of vasthouding zijn gewone verblijfplaats had en dit recht alleen of

gezamenlijk werd uitgeoefend op het tijdstip van het overbrengen of van niet doen terugkeren, dan wel zou zijn uitgeoefend indien een zodanige gebeurtenis niet had plaatsgevonden (artikel 3 van het Verdrag).

Het gezagsrecht over de minderjarigen

Niet in geschil is dat de moeder het eenhoofdig gezag uitoefent over de minderjarige [minderjarige] .

Ten aanzien van de minderjarige [minderjarige] heeft de vader gesteld dat partijen op grond van het familierecht in Maryland, Verenigde Staten, het gezamenlijk gezag over deze minderjarige uitoefenen, nu [minderjarige] de geslachtsnaam van de vader heeft. Volgens de vader betekent dit dat de vereiste registratie heeft plaatsgevonden, op grond waarvan de vader mede belast is met het gezag over deze minderjarige. De moeder heeft betwist dat de door de vader bedoelde registratie heeft plaatsgevonden.

De rechtbank stelt voorop dat naar het recht van Maryland een ongehuwde vader die in aanmerking wil komen voor het ouderschap met de moeder een zogenaamde “affidavit” moet ondertekenen. Na de ondertekening van de affidavit kan de vader vervolgens het gezagsrecht aanvragen bij de rechtbank. Tot op die aanvraag is beslist, blijft het gezagsrecht bij de moeder. De vader heeft ter terechtzitting verklaard dat hij niet kan aantonen dat de vereiste registratie naar het recht van Maryland heeft plaatsgevonden. Evenmin is gesteld dat de vader een dergelijke aanvraag heeft gedaan. Aldus is niet gebleken dat naar het recht van Maryland sprake is van gezamenlijk gezag over [minderjarige] . Dat [minderjarige] de geslachtsnaam van de vader heeft betekent niet zonder meer dat vader aan de vereisten voor verkrijging van gezag heeft voldaan.

De rechtbank zal er daarom van uitgaan dat de moeder ook ten aanzien van de minderjarige [minderjarige] het eenhoofdig gezag uitoefent.

De rechtbank ziet in de stelling van de moeder dat de minderjarigen hun gewone verblijfplaats in Liberia hebben aanleiding om te bezien of de moeder ook naar Liberiaans recht met het gezag over de minderjarigen is bekleed. Naar het recht van Liberia heeft een onwettig kind alleen een familierechtelijke band met de moeder. Wettiging vindt plaats door een huwelijk van de biologische ouders van het kind en de opname van het kind in het ouderlijk huis, dan wel op verzoek van een van de ouders bij de rechtbank tot wettiging van het kind. Niet gebleken is dat aan één van deze voorwaarden is voldaan. De rechtbank leidt hieruit af dat de moeder ook naar het recht van Liberia belast is met het eenhoofdig gezag over de minderjarigen

De gewone verblijfplaats van de minderjarigen

Niet in geschil is dat de minderjarigen tot juli 2013 in Nederland hun gewone verblijfplaats hadden. De moeder is in juli 2013 met de minderjarigen naar Liberia vertrokken. In geschil is of de gewone verblijfplaats van de minderjarigen vervolgens is gewijzigd van Nederland in Liberia.

De rechtbank merkt op dat het begrip “gewone verblijfplaats” als bedoeld in artikel 3 van het Verdrag een feitelijk begrip is waar inhoud aan wordt gegeven door de feiten en omstandigheden van het concrete geval. Hierbij spelen de duur van het feitelijke verblijf en het bestaan van nauwe maatschappelijke banden een belangrijke rol.

De rechtbank is van oordeel dat de gewone verblijfplaats van de minderjarigen na het vertrek van moeder naar Liberia is gewijzigd van Nederland in Liberia. De rechtbank overweegt hiertoe als volgt. Tussen partijen is niet in geschil dat de moeder kort voor haar vertrek naar Liberia is ontslagen en dat partijen de woning waarin zij woonden hebben teruggegeven aan de woningbouwvereniging, omdat zij deze woning niet meer konden financieren, alsmede dat de moeder in Liberia zou proberen een baan te vinden. Uit de door de moeder verzonden appberichten volgt genoegzaam dat zij kort na aankomst in Liberia druk doende was met het vinden van werk. Voorts is niet in geschil dat de moeder in Liberia een baan heeft geaccepteerd, promotie heeft gemaakt en een vast contract heeft gekregen, een huis heeft gehuurd op een compound, in de buurt van familie woonde en de dochters in Liberia naar privéscholen gingen. De vader heeft erkend dat de moeder hem in november 2013 heeft medegedeeld dat zij niet voornemens was om naar Nederland terug te keren. De rechtbank is van oordeel dat uit deze mededeling genoegzaam kan worden afgeleid dat de moeder met de minderjarigen naar Liberia is geëmigreerd om daar een nieuw bestaan op te bouwen. Ten tijde van het vertrek van de moeder met de minderjarigen was een definitieve vestiging in Liberia wellicht nog onzeker en afhankelijk van het vinden van vast werk, maar na het bericht van de moeder in november 2013 was haar beslissing tot emigratie definitief. De acceptatie van de baan, het huren van een woning en de inschrijving van de minderjarigen op een school bevestigen de beslissing van de moeder om zich met de minderjarigen in Liberia te vestigen. Tegen deze achtergrond is het dan ook niet relevant dat de moeder op basis van een tijdelijk visum naar Liberia is gereisd. Het stond de moeder ook vrij om haar emigratieplan uit te voeren, nu zij belast is met het eenhoofdig gezag over de minderjarigen en dus beslissingen mag nemen over de gewone verblijfplaats van de minderjarigen. Dat de emigratie van de moeder en de minderjarigen definitief was ziet de rechtbank voorts bevestigd in de omstandigheid dat de moeder met de minderjarigen in de zomer 2014 voor vakantie drie weken naar Nederland is gekomen om vervolgens weer met de minderjarigen naar Liberia terug te keren.

Zo de vader heeft bedoeld te betogen dat de gewone verblijfplaats van de minderjarigen in september 2014 weer in Nederland is gewijzigd, kan de rechtbank hem daar niet in volgen.

Vast staat immers dat de moeder haar baan en haar woning in Liberia heeft aangehouden. Daarnaast volgt uit de door partijen overgelegde correspondentie, mede tegen de achtergrond van de overgelegde informatie omtrent de uitbraak van de epidemie in Liberia, genoegzaam dat de overbrenging van de minderjarigen geschiedde uit veiligheidsoverwegingen in verband met de Ebola-epidemie die in Liberia heerste en dat deze overbrenging van tijdelijke aard was.

Nu de moeder heeft gesteld dat zij met de vader heeft afgesproken dat zij in juli 2015 de minderjarigen zou ophalen en meenemen naar Liberia en de vader de moeder op 29 juli 2015 te kennen heeft gegeven dat hij niet bereid is de minderjarigen bij de moeder alleen te laten, is laatst genoemde datum aan te merken als de datum waarop de moeder niet langer heeft ingestemd met het verblijf van de minderjarigen in Nederland. Nu de gewone verblijfplaats van de minderjarigen onmiddellijk vóór deze datum in Liberia is gelegen en de moeder ook naar Liberiaans recht is belast met het gezag over de minderjarigen, staat vast dat de vasthouding van de minderjarigen in Nederland is geschied in strijd met dit gezagsrecht en dat deze vasthouding aangemerkt dient te worden als ongeoorloofd in de zin van artikel 3 van het Verdrag.

Onmiddellijke terugkeer in de zin van artikel 12 van het Verdrag

Ingevolge artikel 12 lid 1 van het Verdrag wordt de onmiddellijke terugkeer van een kind gelast wanneer er minder dan één jaar is verstreken tussen de overbrenging of het niet doen terugkeren van een kind en het tijdstip van indiening van het verzoek bij de rechtbank.

Op grond van lid 2 van artikel 12 van het Verdrag wordt de terugkeer van een kind gelast, zelfs als de termijn van één jaar is verstreken, tenzij wordt aangetoond dat het kind inmiddels is geworteld in zijn nieuwe omgeving.

Nu er minder dan één jaar is verstreken tussen de vasthouding van de minderjarigen in Nederland en het tijdstip van indiening van het verzoek, komt de rechtbank niet toe aan de vraag of de minderjarigen in Nederland zijn geworteld en dient in beginsel de onmiddellijke terugkeer van de minderjarigen te volgen, tenzij er sprake is van één of meer weigeringsgronden als bedoeld in artikel 13 van het Verdrag.

De vader heeft betoogd dat er sprake is van de weigeringsgronden, zoals bedoeld in artikel 13 lid 1 sub b en artikel 13 lid 2 van het Verdrag. De rechtbank overweegt als volgt.

Weigeringsgrond ex artikel 13 lid 1 sub b van het Verdrag

Op grond van artikel 13 lid 1 sub b van het Verdrag is de rechter van de aangezochte Staat niet gehouden de terugkeer van het kind te gelasten, indien de persoon die zich tegen de terugkeer verzet, aantoont dat er een ernstig risico bestaat dat het kind door zijn terugkeer wordt blootgesteld aan een lichamelijk of geestelijk gevaar, dan wel op enigerlei andere wijze in een ondragelijke toestand wordt gebracht.

De vader heeft gesteld dat de minderjarigen in Liberia zowel fysiek als geestelijk gevaar lopen. Hij heeft er op gewezen dat de Ebola-uitbraak in Liberia weliswaar voorbij is, maar dat dit niet geldt voor heel Afrika. Nu epidemieën zich niet houden aan landgrenzen, is het gevaar volgens de vader in Afrika nog lang niet geweken. Voor geheel Liberia wordt bovendien nog steeds een negatief reisadvies afgegeven door het Ministerie van Buitenlandse Zaken in Nederland. Daarnaast blijft Liberia volgens de vader een zeer kwetsbaar land, aangezien er nog steeds grote politieke onrust bestaat. De vader heeft er voorts op gewezen dat de minderjarigen bij de moeder in één bed slapen, dat zij in een teiltje op straat baden en dat het in de Liberiaanse cultuur nog normaal is om kinderen te tuchtigen, hetgeen de oma van de minderjarigen dan ook doet. Voorts is volgens de vader het onderwijs en de onderwijsvoorzieningen in Liberia zeer slecht.

De rechtbank stelt voorop dat Liberia het land van herkomst is van de moeder, haar familie daar woonachtig is en de foto’s ervan getuigen dat de moeder met de minderjarigen een redelijk luxe bestaan hebben. Moeder en de minderjarigen wonen op een compound, voorzien van beveiliging en maken gebruik van een auto met chauffeur. Hoewel de ebola-uitbraak in de buurlanden Guinee en Sierra Leone nog gaande is, de landsgrenzen weer open zijn en er in juni 2015 één geval van ebola is gesignaleerd, brengt dit tegen de achtergrond van de situatie waarin de moeder met de minderjarigen woont en leeft – niet met zich dat sprake is van een ernstige risico op blootstelling aan lichamelijk- of geestelijk gevaar. Ook het reisadvies van het Nederlandse Ministerie van Buitenlandse Zaken leidt niet tot de conclusie dat de politieke en economische situatie in Liberia zodanig risicovol is dat de minderjarigen in hun kring van bestaan onvoldoende veilig zijn. De door de vader gestelde omstandigheden dat de minderjarigen niet in een eigen bed slapen, in een teiltje op straat baden en door oma getuchtigd zouden worden, is door de moeder nadrukkelijk betwist en door de vader onvoldoende concreet onderbouwd. Met de moeder is de rechtbank van oordeel dat verschil in kwaliteit van het onderwijs geen relevante afwegingsfactor is bij de beoordeling van een beroep op artikel 13 lid 1 sub b van het Verdrag.

Weigeringsgrond ex artikel 13 lid 2 van het Verdrag

Ingevolge artikel 13 lid 2 van het Verdrag kan de rechtbank eveneens weigeren de terugkeer van het kind te gelasten, indien zij vaststelt dat het kind zich verzet tegen zijn terugkeer en een leeftijd en mate van rijpheid heeft bereikt, die rechtvaardigt dat met zijn mening rekening wordt gehouden.

De vader heeft gesteld dat de minderjarige [minderjarige] zowel bij hem als op school heeft aangegeven dat zij niet wenst terug te keren naar Liberia. De moeder heeft de stelling van de vader betwist.

De rechtbank heeft Alicia in raadkamer gehoord en ter terechtzitting kort verslag van dit verhoor gedaan.

Uit het verhoor maakt de rechtbank op dat [minderjarige] loyaal is naar beide ouders. [minderjarige] heeft aangegeven dat zij in Nederland wil blijven, maar zij heeft niet kunnen verwoorden waarom dit het geval is. Uit het verhoor maakt de rechtbank voorts op dat [minderjarige] het zowel in Nederland als in Liberia naar haar zin heeft. Voor zover de verklaring van [minderjarige] gekwalificeerd kan worden als verzet tegen haar terugkeer, is de rechtbank van oordeel dat [minderjarige] nog niet de mate van rijpheid heeft bereikt die rechtvaardigt dat met haar mening rekening wordt gehouden. Van belang daartoe acht de rechtbank dat de minderjarige nog maar zes jaar oud is en dat niet kan worden uitgesloten dat zij zich in zekere mate laat leiden door haar loyaliteit aan de vader, door wie zij op dit moment reeds geruime tijd wordt verzorgd. De rechtbank is dan ook van oordeel dat geen sprake is van de weigeringsgrond als bedoeld in artikel 13 lid 2 van het Verdrag.

Nu er geen sprake is van de weigeringsgronden als bedoeld in artikel 13 lid 1 sub b en 13 lid 2 van het Verdrag en ook niet gebleken is dat er sprake is van de in artikel 13 lid 1 sub a van het Verdrag genoemde weigeringsgrond – de vader heeft hier ook geen beroep op gedaan –, terwijl er minder dan een jaar is verstreken tussen de ongeoorloofde overbrenging van de minderjarige en de indiening van het verzoekschrift, dient ingevolge artikel 12 lid 1 van het Verdrag de onmiddellijke terugkeer van de minderjarige te volgen. Niet gebleken is bovendien dat het belang van de minderjarigen zich tegen de terugkeer naar Liberia verzet.

Ingevolge artikel 13 lid 5 van de Uitvoeringswet schorst een eventueel hoger beroep de tenuitvoerlegging van de beschikking, tenzij de rechter in het belang van het kind op verzoek of ambtshalve anders bepaalt. De rechtbank acht het wenselijk dat de minderjarigen een eventuele uitspraak in hoger beroep in Nederland kunnen afwachten en zal het verzoek van de moeder om de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren afwijzen. De rechtbank zal de terugkeer gelasten als na te melden op uiterlijk 21 oktober 2015, zijnde de eerste dag na afloop van de termijn waarbinnen hoger beroep tegen onderhavige beslissing kan worden ingediend. Het verzoek van de vader om te bepalen dat de minderjarigen tot de kerstvakantie in Nederland kunnen blijven om de eerste helft van het schooljaar af te maken zal bij gebrek aan belang worden afgewezen.

Sterke arm

Ingevolge artikel 13 lid 6 van de Uitvoeringswet juncto artikel 813 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is van rechtswege voorzien in het met behulp van de sterke arm ten uitvoer leggen van de onderhavige beschikking. Het betreffende verzoek van de moeder zal dan ook bij gebrek aan belang worden afgewezen.

Voorlopige voogdij

Het verzoek van de moeder een gecertificeerde instelling als bedoeld in artikel 1.1 van de Jeugdwet te belasten met de voorlopige voogdij over de minderjarigen zal worden afgewezen. De vader woont met de minderjarigen immers reeds geruime tijd op een voor de moeder bekend adres in Nederland en de moeder heeft geen concrete feiten of omstandigheden gesteld om aan te nemen dat de vader de minderjarigen zal onttrekken aan de tenuitvoerlegging van het bevel tot terugkeer.

KAls er uit de overgelegde buitenlandse bewijsstukken tegenstrijdigheden blijken over de persoonsgegevens, dan kan zulks hieronder ipv met "De persoonsgegevens...vermeld." overwogen worden met bijv: "Blijkens..., doch blijkens..."

osten op grond van artikel 26, vierde lid, van het Verdrag

Het verzoek van de moeder om de vader te veroordelen in de kosten die de moeder heeft moeten maken in verband met de ontvoering en teruggeleiding en – indien de moeder de minderjarigen zelf zal moeten terugbrengen – de kosten die hiermee gemoeid zal worden afgewezen, nu de moeder de kosten die zij heeft gemaakt en nog zal moeten maken niet nader heeft gespecificeerd.

Proceskosten

Gelet op het feit dat het hier een procedure van familierechtelijke aard betreft, zal de rechtbank de proceskosten compenseren als hierna vermeld. Het verzoek van de vader om de moeder te veroordelen in de proceskosten zal worden afgewezen.

(alleen opnemen indien kostenveroordeling is verzocht)

Beslissing

De rechtbank:

gelast de terugkeer van de minderjarigen:

 [minderjarige] , geboren op [geboortedatum] te Prince Georges, Verenigde Staten van Amerika,

 [minderjarige] , geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats]

naar Liberia uiterlijk op 21 oktober 2015, waarbij de vader de minderjarigen dient terug te brengen naar Liberia en beveelt, indien de vader nalaat de minderjarigen terug te brengen naar Liberia, dat de vader de minderjarigen met de benodigde geldige reisdocumenten aan de moeder zal afgeven uiterlijk op 21 oktober 2015, opdat de moeder de minderjarigen zelf mee terug kan nemen naar Liberia;

bepaalt dat iedere partij de eigen proceskosten draagt;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. H.M. Boone, J. Visser, K.M. Braun, tevens kinderrechters, bijgestaan door P. Lahman als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 6 oktober 2015.

Van deze beschikking kan -voor zover er definitief is beslist- hoger beroep worden ingesteld binnen twee weken (artikel 13 lid 7 Uitvoeringswet internationale kinderontvoering) na de dag van de uitspraak door indiening van een beroepschrift ter griffie van het Gerechtshof Den Haag. In geval van hoger beroep zal de terechtzitting bij het hof - in beginsel - plaatsvinden in de derde of vierde week na deze beslissing.