Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2015:11474

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
18-09-2015
Datum publicatie
14-10-2015
Zaaknummer
AWB 15-16381
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2015:4075, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bewaring: bewaring op grond van artikel 59b, eerste lid, onder C en D, van de Vw 2000, cumulatieve voorwaarden, niet louter volstaan met opsommen feiten.

De voorwaarden van artikel 59b, eerste lid, onder C zijn cumulatief. Bij een bewaring gebaseerd op artikel 59b, eerste lid, onder D, van de Vw 2000 kan verweerder niet louter volstaan met het opsommen van de feiten waarvoor eiser is veroordeeld.

Wetsverwijzingen
Vreemdelingenwet 2000
Vreemdelingenwet 2000 59b
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2015/338

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Amsterdam


Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 15/16381


V-nr: [V-nummer]

uitspraak van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken van 18 september 2015 in de zaak tussen

[eiser] ,

geboren op [geboortedag] 1982, van Chinese nationaliteit, eiser,

(gemachtigde mr. M.B.J. Strooij),

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder

(gemachtigde R.L.F. Zandbelt).

Procesverloop

Op 2 september 2015 is eiser op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef onder c en d van de Vreemdelingenwet (Vw) 2000 in bewaring gesteld.

Bij beroepschrift van 4 september 2015 heeft eiser beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder tot oplegging van de vrijheidsontnemende maatregel.

Op grond van artikel 94, eerste lid, van de Vw 2000 houdt het beroep tevens in een verzoek om toekenning van schadevergoeding.

De rechtbank heeft het beroep behandeld ter openbare zitting van 16 september 2015. Eiser is in persoon verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder is vertegenwoordigd door zijn gemachtigde. Ook was ter zitting aanwezig K.P. Woo als tolk in het Mandarijn.

Overwegingen

1. De gemachtigde van verweerder heeft ter zitting aangegeven dat de maatregel van bewaring is gebaseerd op artikel 59b, eerste lid, aanhef onder c en d van de Vw 2000.

2. Artikel 59b van de Vw 2000 luidt als volgt:

1. De vreemdeling die rechtmatig verblijf heeft op grond van artikel 8, onder f, g of h, voor zover dit betrekking heeft op een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning als bedoeld in artikel 28, kan door Onze Minister in bewaring worden gesteld, indien:

a. bewaring noodzakelijk is met het oog op vaststelling van de identiteit of nationaliteit van de vreemdeling;

b. bewaring noodzakelijk is met het oog op verkrijgen van gegevens die noodzakelijk zijn voor beoordeling van een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28, met name indien er sprake is van een risico op onttrekking;

c. de vreemdeling:

1e. in bewaring werd gehouden in het kader van een terugkeerprocedure uit hoofde van de Terugkeerrichtlijn;

2e. reeds de mogelijkheid van toegang tot de asielprocedure heeft gehad; en

3e. op redelijke gronden aangenomen kan worden dat hij de aanvraag louter heeft ingediend om de uitvoering van het terugkeerbesluit uit te stellen of te verijdelen; of

d. de vreemdeling een gevaar vormt voor de nationale veiligheid of openbare orde als bedoeld in artikel 8, derde lid, onderdeel e, van de Opvangrichtlijn (…).

Verweerder heeft ter zitting toegelicht dat in dit geval is voldaan aan de 2e voorwaarde genoemd onder artikel 59b, eerste lid, onder c, en de onder 1e en 3e genoemde voorwaarden in dit geval niet van toepassing zijn. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat de voorwaarden genoemd onder artikel 59b, eerste lid, onder c, van de Vw 2000 niet cumulatief zijn en dat de maatregel kan worden opgelegd wanneer is voldaan aan één van de onder c genoemde voorwaarden. De rechtbank volgt dit standpunt niet. Daarbij overweegt de rechtbank dat uit de redactie van het artikel blijkt dat de voorwaarden genoemd onder artikel 59b, eerste lid, onder c, cumulatief gelden. Nu verweerder ter zitting heeft aangegeven dat niet is voldaan aan de 1e en 3e genoemde voorwaarden kon verweerder de maatregel van bewaring niet baseren op artikel 59b eerste lid, onder c, van de Vw 2000.

3.1

Eiser heeft zich onder verwijzing naar het arrest van het Hof van Justitie van 11 juni 2015 inzake Z. Zh. tegen de Staatssecretaris van Justitie (hierna: het arrest, C-554/13) op het standpunt gesteld dat verweerder bij de beoordeling of eiser een ernstige bedreiging vormt voor de openbare orde niet kan volstaan met het opsommen van de feiten waarvoor eiser is veroordeeld. Eiser voert daarbij onder meer aan dat uit het arrest volgt dat verweerder aan de hand van individuele omstandigheden moet beoordelen of de vreemdeling een ernstige bedreiging vormt voor de openbare orde. Nu verweerder hier niet aan heeft voldaan kon de maatregel van bewaring niet worden gebaseerd op artikel 59b, eerste lid, onder d van de Vw 2000.

3.2

Desgevraagd heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat het arrest ziet op een andere situatie en dus geen rol kan spelen in deze zaak. In die zaak ging het er namelijk om in welke omstandigheden het begrip openbare orde een rol kan spelen bij verkorting van de vertrektermijn van een terugkeerbesluit, daarvan is hier geen sprake.

4 De rechtbank overweegt dat in het arrest onder meer het volgende is opgenomen:

(…)

50 Bijgevolg dient een lidstaat het begrip ,,gevaar voor de openbare orde” in de zin van artikel 7, lid 4, van richtlijn 2008/115 per geval te beoordelen teneinde na te gaan of persoonlijke gedragingen van de betrokken derdelander een daadwerkelijk en actueel gevaar voor de openbare orde vormen. Wanneer een lidstaat daarbij steunt op een algemene praktijk of vermoeden om vast te stellen dat er sprake is van een dergelijk gevaar, zonder dat naar behoren rekening wordt gehouden met de persoonlijke gedragingen van de derdelander en met het gevaar dat van die gedragingen uitgaat voor de openbare orde, gaat die lidstaat voorbij aan de vereisten die voortvloeien uit een individueel onderzoek van het betrokken geval en uit het evenredigheidsbeginsel. Daaruit volgt dat het enkele feit dat een derdelander wordt verdacht van het plegen van een naar nationaal recht als misdrijf strafbaar is gesteld feit of daarvoor is veroordeeld, er op zich geen rechtvaardiging voor kan vormen dat deze derdelander wordt beschouwd een gevaar voor de openbare orde te zijn in de zin van artikel 7, lid 4, van richtlijn 2008/115 (…).

De rechtbank stelt vast dat in de maatregel van bewaring ter motivering van het gevaar voor de openbare orde en veiligheid de volgende overweging is opgenomen:

(..) Tevens is de openbare orde en veiligheid in het gedrang. Betrokkene is veroordeeld door het gerechtshof in Amsterdam. In dit geval is gebleken dat betrokkene bij vonnis d.d. 17 februari 2015 door het gerechtshof te Amsterdam was veroordeeld tot 24 maanden gevangenisstraf wegens overtreding van artikel 285 lid 1 van het Wetboek van Strafrecht, artikel 317 lid 1 van het Wetboek van Strafrecht, artikel 285 lid 1 van het Wetboek van Strafrecht, artikel 317 lid 1 van het Wetboek van Strafrecht, artikel 420 bis lid 1 ahf/ond a van het Wetboek van Strafrecht, artikel 420bis lid 1 ahf/ond b van het Wetboek van Strafrecht, artikel 10 lid 3 van de Opiumwet, artikel 2 ahf/ond C van de Opiumwet en artikel 26 lid 1 van de Wet wapens en munitie. De door u gepleegde delicten hebben als kwalificatie “de eendaadse samenloop van poging tot afpersing en bedreiging met zware mishandeling en bedreiging met enige misdrijf tegen het leven gericht” en “de eendaadse samenloop van poging tot afpersing en bedreiging met zware mishandeling en bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht” en “ witwassen” en “opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod” en “handelen in strijd met artikel 25, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een wapen van categorie II”. Gelet op het voorgaande stel ik vast dat betrokkene een gevaar voor de openbare orde vormt volgens artikel 62, lid 2, aanhef en onder c, Vw. Om deze reden moet betrokkene ook Nederland onmiddellijk verlaten (…).

Naar het oordeel van de rechtbank behelst deze motivering louter een verwijzing naar de delicten waarvoor eiser is veroordeeld. Nu uit deze overweging niet blijkt dat verweerder is nagegaan of de persoonlijke gedragingen van eiser een daadwerkelijk en actueel gevaar voor de openbare orde vormen, zoals vereist door voornoemd arrest van het Hof van Justitie, heeft verweerder de oplegging van de maatregel op grond van artikel 59b, eerste lid, onder d, van de Vw 2000, onvoldoende gemotiveerd. Nu verweerder dit ook ter zitting niet verder heeft toegelicht, is de rechtbank van oordeel dat verweerder de maatregel van bewaring niet kon baseren op artikel 59b, eerste lid, onder d, van de Vw 2000. Weliswaar wordt in het door eiser aangehaalde arrest het begrip ‘gevaar voor openbare orde’ uitgelegd in de zin van artikel 7, vierde lid, van de Terugkeerrichtlijn, maar naar het oordeel van de rechtbank is er geen ruimte om dit Unierechtelijke begrip in het kader van artikel 8, derde lid, onder e, van de Opvangrichtlijn zodanig anders uit te leggen, dat kan worden volstaan met louter een verwijzing naar de veroordeling. Het betoog van eiser slaagt.

5. Hieruit volgt dat de toepassing van de vrijheidsontnemende maatregel van meet af aan, te weten 2 september 2015, in strijd is met de wet. De rechtbank verklaart het beroep dan ook gegrond en beveelt de onmiddellijke opheffing van de bewaring.

6. De rechtbank ziet in het vorenstaande aanleiding eiser ten laste van de Staat der Nederlanden een vergoeding als bedoeld in artikel 106 van de Vw 2000 toe te kennen en wel tot een bedrag van € 105,-- per dag dat eiser op een politiebureau ten onrechte aan de vrijheidsontnemende maatregel onderworpen is geweest en € 80,-- per dag dat eiser in het huis van bewaring ten onrechte aan de vrijheidsontnemende maatregel onderworpen is geweest, in totaal € 1330,- (2x politiecel en 14x detentiecentrum).

7. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 980,-- 1 punt voor het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 490,--, en een wegingsfactor 1). Omdat aan eiser een toevoeging is verleend, moet verweerder de proceskostenvergoeding betalen aan de rechtsbijstandverlener.

Beslissing

De rechtbank

- verklaart het beroep gegrond;

- beveelt dat verweerder de bewaring onmiddellijk opheft;

- veroordeelt de Staat der Nederlanden tot het betalen van een schadevergoeding aan eiser tot een bedrag van € 1330,-- (zegge: dertienhonderd en dertig euro);

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 980,-- (zegge: negenhonderd en tachtig euro).

Deze uitspraak is gedaan op 18 september 2015 door mr. A.A. Spoel, rechter, in aanwezigheid van M.M.J. Mooijer, griffier, en bekendgemaakt door verzending aan partijen op de hieronder vermelde datum.

Afschrift verzonden aan partijen op:

Conc.: EK

Coll:

D:

VK

Tegen deze uitspraak kan binnen één week na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (adres: Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, Postbus 16113, 2500 BC 's-Gravenhage). Naast de vereisten waaraan het beroepschrift moet voldoen op grond van artikel 6:5 van de Awb (zoals het overleggen van een afschrift van deze uitspraak) dient het beroepschrift ingevolge artikel 85, eerste lid, van de Vw 2000 een of meer grieven te bevatten. Artikel 6:6 van de Awb (herstel verzuim) is niet van toepassing.