Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2015:11435

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
30-09-2015
Datum publicatie
05-10-2015
Zaaknummer
C-09-494660 - HA ZA 15-951
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Incident tot niet-ontvankelijkheid. Na verstekvonnis wordt gedaagde in staat van faillissement verklaard. Gefaillieerde komt in verzet tegen het verstekvonnis, maar is niet-ontvankelijk in zijn verzet, omdat dit verzet door de curator had moeten worden ingesteld. Artikel 6 EVRM is niet geschonden

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
INS-Updates.nl 2015-0276
AR 2015/1862
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK DEN HAAG

Team handel

zaaknummer / rolnummer: C/09/494660 / HA ZA 15-951

Vonnis in incident van 30 september 2015

in de zaak van

[A] ,

wonende te [woonplaats] ,

opposant in de hoofdzaak,

verweerder in het incident,

advocaat mr. S.D. van de Kant te Amsterdam,

tegen

[B] ,

wonende te [woonplaats] ,

geopposeerde in de hoofdzaak,

eiser in het incident,

advocaat mr. P.A. de Lange te Barendrecht.

Partijen zullen hierna [A] en [B] genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding in verzet van 10 februari 2015, met 8 producties;

  • -

    het herstelexploot van 1 mei 2015;

  • -

    de incidentele conclusie houdende beroep op niet-ontvankelijkheid, met 3 producties;

  • -

    de conclusie van antwoord in het incident houdende beroep op niet-ontvankelijkheid.

1.2.

Ten slotte is een datum voor vonnis bepaald in het incident.

2 De beoordeling in het incident

2.1.

In de hoofdzaak is [A] in verzet gekomen tegen het verstekvonnis van deze rechtbank van 11 april 2012. Bij dit vonnis heeft de rechtbank voor recht verklaard dat [A] als bestuurder van CB-NL Development B.V. onrechtmatig heeft gehandeld en dat hij aansprakelijk is voor de door [B] geleden en nog te lijden schade. Daarnaast is [A] veroordeeld tot betaling van schadevergoeding, nader op te maken bij staat en is [A] nog veroordeeld tot betaling van buitengerechtelijke kosten en proceskosten.

2.2.

[B] vordert in het incident dat de rechtbank [A] in zijn verzet niet-ontvankelijk verklaart omdat i) [A] bij vonnis van 13 januari 2015 van de rechtbank Amsterdam in staat van faillissement is verklaard en ii) [A] niet tijdig verzet tegen het verstekvonnis heeft ingesteld. Dit verstekvonnis is volgens [B] op 11 juni 2013 aan het toenmalige adres van [A] in Spanje betekend en daarnaast is het verstekvonnis op 18 december 2014 aan het woonadres van [A] te [woonplaats] meebetekend bij de betekening van het verzoek tot faillietverklaring, aldus [B] .

2.3.

[A] voert gemotiveerd verweer in het incident.

tijdig verzet?

2.4.

De rechtbank gaat allereerst in op de vraag of [A] al dan niet tijdig in verzet is gekomen. Deze vraag dient te worden beantwoord aan de hand van artikel 143 Rv. Dit artikel bepaalt, voor zover thans van belang, dat verzet moet worden ingesteld bij dagvaarding binnen vier weken na betekening van het verstekvonnis aan de veroordeelde in persoon, of na het plegen door deze van enige daad waaruit noodzakelijk voortvloeit dat het verstekvonnis aan hem bekend is. De hiervoor bedoelde termijn is acht weken indien de gedaagde ten tijde van de betekening of daad van bekendheid een bekende woonplaats buiten Nederland heeft.

2.5.

Niet gesteld is dat het verstekvonnis aan [A] in persoon is betekend en die betekening in persoon blijkt ook niet uit de door [B] overgelegde exploten. Zoals [A] in de dagvaarding in verzet onweersproken heeft aangevoerd, is zijn eerste daad van bekendheid met het verstekvonnis zijn verzetschrift van 22 januari 2015 tegen het vonnis tot faillietverklaring. De dagvaarding is binnen vier weken na dit verzetschrift, namelijk op 10 februari 2015 uitgebracht. Dit betekent dat [A] tijdig in verzet is gekomen.

faillissement [A]

2.6.

[B] heeft niet toegelicht op grond waarvan de omstandigheid dat [A] in staat van faillissement is verklaard zou moeten leiden tot zijn niet-ontvankelijkheid in de verzetzaak. Artikel 25 lid 1 Faillissementswet (Fw) bepaalt dat rechtsvorderingen, welke rechten of verplichtingen tot de failliete boedel behorende ten onderwerp hebben, zowel tegen als door de curator worden ingesteld. Hierbij dient het begrip rechtsvorderingen ruim te worden gelezen. De in het verstekvonnis toegewezen vordering van [B] valt in de failliete boedel. Toewijzing van hetgeen [A] in verzet heeft gevorderd leidt ertoe dat de vordering van [B] jegens de boedel vervalt. Hieruit volgt reeds dat, anders dan [A] heeft aangevoerd, zijn rechtsvordering in verzet rechten of verplichtingen behorende tot de failliete boedel tot onderwerp heeft.

2.7.

Door het verstekvonnis is de zaak (in eerste instantie) tot een einde gekomen. Om tegen het verstekvonnis in verzet te komen diende een dagvaarding te worden uitgebracht, waarmee de verzetprocedure is aangevangen. Daarom dient de verzetprocedure naar het oordeel van de rechtbank als een nieuwe procedure te worden aangemerkt, ook al is door het verzet materieel sprake van heropening van de instantie (artikel 147 Rv). Nu de rechtsvordering van [B] ten tijde van de faillietverklaring niet aanhangig was, bestaat geen grond voor schorsing van de verzetprocedure als bedoeld in artikel 29 Fw. In dit verband wijst de rechtbank nog op het arrest van de Hoge Raad van 16 januari 2009 over onder meer de schorsingsregeling van artikel 29 Fw (ECLI:NL:HR:2009: BH0070). Uit deze uitspraak volgt dat rechtsmiddelen tegen een vonnis, dat vóór de faillietverklaring is uitgesproken, na de faillietverklaring moeten worden ingesteld door de curator. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat het verzet tegen het verstekvonnis had moeten worden ingesteld door de curator althans door [A] zelf, procederend met een daartoe door de curator verstrekte procesvolmacht. Niet gesteld of anderszins gebleken is dat [A] het verzet als gevolmachtigde van de curator heeft ingesteld.

2.8.

Uit artikel 25 lid 2 Fw volgt weliswaar dat de gefailleerde ten aanzien van rechten tot de boedel behorende als eiser kan optreden, maar de gedaagde in de procedure kan dan, zoals [B] heeft gedaan, de niet-ontvankelijkheid van de eiser inroepen (HR 1 mei 1914, NJ 1914, 709).

artikel 6 EVRM

2.9.

Ten slotte is nog aan de orde het beroep van [A] op artikel 6 EVRM. Hij voert hiertoe aan dat het uit dit artikel voortvloeiende recht op ‘fair trial’ in ieder geval het recht omvat om tenminste in één instantie inhoudelijk verweer te voeren en dat dit recht wordt geschonden indien hij niet-ontvankelijk is in zijn vordering. In dat geval heeft [A] noch in het verleden inhoudelijk verweer kunnen voeren, noch heeft hij die mogelijkheid in de toekomst.

2.10.

De rechtbank onderkent het zwaarwegende belang van [A] om tegen het verstekvonnis inhoudelijk verweer te voeren. Artikel 6 EVRM kan er echter niet toe leiden dat het wettelijk systeem van de Faillissementswet, waaraan onder meer ten grondslag ligt dat de curator procedures met betrekking tot de failliete boedel voert, wordt doorbroken. Dit wettelijk systeem voorzag namelijk in een mogelijkheid tot het voeren van inhoudelijk verweer, hetgeen tot gevolg heeft dat de toegang tot de rechter niet in de kern is aangetast. Of de curator op goede gronden geen verzet heeft willen instellen van het verstekvonnis althans geen procesvolmacht aan [A] heeft verstrekt, staat in deze zaak echter niet ter beoordeling. Deze kwestie had aan de orde kunnen worden gesteld in een verzoekschriftprocedure als bedoeld in artikel 69 Fw.

2.11.

Het voorgaande leidt tot de slotsom dat [A] niet-ontvankelijk wordt verklaard in het verzet.

2.12.

Bij deze uitkomst past dat [A] wordt veroordeeld in de kosten van de verzetprocedure. Deze kosten worden aan de zijde van [B] begroot op € 452,- aan salaris advocaat (1 punt van liquidatietarief II).

3 De beslissing

De rechtbank

in het incident en in de hoofdzaak

3.1.

verklaart [A] niet-ontvankelijk in zijn verzet;

3.2.

veroordeelt [A] in de kosten van de procedure, tot op heden aan de zijde van [B] begroot op € 452,-;

3.3.

verklaart onderdeel 3.2 uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. D.R. Glass en in het openbaar uitgesproken op 30 september 2015.1

1 type: 1554 coll: