Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2015:11382

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
25-09-2015
Datum publicatie
19-10-2015
Zaaknummer
487708
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

wijziging van omstandigheden?; omgang en kinderalimentatie; door de vrouw is onvoldoende gesteld voor de stelling dat sprake is van een wijziging van omstandigheden. Zij wordt niet-ontvankelijk verklaard in haar verzoek.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Enkelvoudige kamer

Rekestnummer: FA RK 15-3260

Zaaknummer: C/09/487708

Datum beschikking: 25 september 2015 (bij vervroeging)

Alimentatie

Beschikking op het op 30 april 2015 ingekomen verzoek van:

[verzoekster] ,

de vrouw,

wonende te [woonplaats] ,

advocaat: mr. M. Heere-Helmink te Rotterdam.

Als belanghebbende wordt aangemerkt:

[verweerder]

de man,

wonende te [woonplaats] ,

advocaat: mr. N.T. Vogelaar te Naaldwijk, gemeente Honselersdijk.

Procedure

De rechtbank heeft kennis genomen van de stukken, waaronder:

  • -

    het verzoekschrift;

  • -

    het verweerschrift tevens verzoekschrift;

  • -

    de brief d.d. 22 juni 2015 met bijlagen van de zijde van de vrouw;

  • -

    de brief d.d. 31 augustus 2015 met bijlagen van de zijde van de man;

  • -

    de brief d.d. 7 september 2015 met bijlagen van de zijde van de vrouw.

De minderjarige [minderjarige] heeft schriftelijk haar mening kenbaar gemaakt, inhoudende dat zij graag om het weekend bij de man wil zijn. Indien dat soms niet lukt dan is dat volgens haar niet erg.

Op 16 september 2015 is de zaak ter terechtzitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen: partijen, bijgestaan door hun advocaten.

Verzoek en verweer

Het verzoek van de vrouw luidt thans – met wijziging van na te melden beschikking – te bepalen dat de minderjarige bij de man zal zijn iedere week een doordeweekse avond (zijnde maandag tot en met donderdag zonder overnachting), in de oneven weken het weekend, de helft van de vakanties in onderling overleg te verdelen, en met ingang van 1 januari 2015, de kinderalimentatie op € 264,- per maand te bepalen, althans op zodanig bedrag als de rechtbank juist acht, een en ander voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad.

De vrouw stelt als grond voor dit verzoek een wijziging van omstandigheden waardoor na te melden beschikking niet langer voldoet aan de wettelijke maatstaven.

De man voert verweer dat hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.

Tevens heeft de man zelfstandig verzocht de vrouw te veroordelen in de proceskosten, bestaande uit de kosten advocaat van € 1.250,- vermeerderd met het griffierecht van € 282,- dan wel tot een bedrag dat de rechtbank in goede justitie vaststelt.

Feiten

  • -

    Partijen zijn gehuwd geweest van [d.d.] tot [d.d.] .

  • -

    Zij zijn de ouders van het volgende thans nog minderjarige kind:

• [minderjarige] , geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] .

  • -

    De minderjarige verblijft thans bij de vrouw.

  • -

    Partijen oefenen het gezamenlijk gezag over de minderjarige uit.

  • -

    Bij beschikking van deze rechtbank d.d. [datum] is de echtscheiding uitgesproken en is, voor zover hier van belang, bepaald dat de minderjarige bij de man zal zijn een keer per week op een door partijen in onderling overleg te bepalen doordeweekse avond, per vier weken twee van de weekenden dat de man niet werkt, in onderling overleg door partijen te bepalen en gedurende de vakanties in overleg evenredig tussen partijen te verdelen. Het verzoek om kinderalimentatie is afgewezen.

Beoordeling

Zorgregeling

Ingevolge artikel 1:253a, vierde lid, juncto artikel 1:377e van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) kan de rechtbank, voor zover hier van belang, op verzoek van de ouders of van een van hen een beslissing inzake de zorgregeling wijzigen op grond dat nadien de omstandigheden zijn gewijzigd. De vrouw heeft gesteld dat sprake is van een wijziging van omstandigheden, in die zin dat het voor de man thans mogelijk is om op zijn werk bij de planning rekening te houden met drie weken vrij achter elkaar waardoor hij de minderjarige om het weekend bij zich kan hebben.

De man acht het feit dat hij twee weken met vakantie is geweest geen wijziging van omstandigheden. Hij heeft recht op een aantal weken vakantie en met collega’s is in onderling overleg afgesproken dat men de betreffende vakanties voor elkaar opvangt.

De rechtbank overweegt dat de vrouw onvoldoende heeft gesteld voor de stelling dat sprake is van een gewijzigde omstandigheid. Louter de stelling dat de man drie weken met vakantie kan en dat zij dat een wijziging van omstandigheden acht, is daarvoor onvoldoende. Gelet hierop kan de vrouw in zoverre niet worden ontvangen in haar verzoek. De rechtbank zal de vrouw dan ook niet-ontvankelijk verklaren in haar verzoek. De omstandigheid dat de vrouw de zorgregeling graag op een andere wijze ingevuld ziet, maakt dit niet anders.

Kinderalimentatie

Een rechterlijke uitspraak betreffende levensonderhoud is op voet van het bepaalde in artikel 1:401 lid 1 en lid 4 van het Burgerlijk Wetboek (BW) voor wijziging of intrekking vatbaar, wanneer zij nadien door wijziging van omstandigheden ophoudt aan de wettelijke maatstaven te voldoen dan wel indien zij van de aanvang af niet aan de wettelijke maatstaven heeft beantwoord doordat bij die uitspraak van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan.

De vrouw heeft gesteld dat de financiële situatie van de man aan een herbeoordeling dient te worden onderworpen, omdat de man sinds 1 januari 2015 niet meer aflost op zijn schulden van € 199,42 per maand. Volgens de vrouw heeft de man zijn schulden afgelost. Voorts stelt de vrouw dat sprake is van een wijziging van omstandigheden nu haar draagkracht is verminderd. Zij dient € 70,- maandelijks af te lossen. Ook worden door partijen geen enkele betalingen aan de bank gedaan in verband met de restschulden welke zijn ontstaan door de gedwongen verkoop (van de echtelijke woning).

De man stelt dat hij geen draagkracht heeft enige alimentatie te betalen. Naast de aflossing op schulden van € 199,42 per maand heeft de man nog een enorme schuldenlast bestaande uit hypotheekschulden en bankkrediet. Dat de vrouw maandelijks € 70,- dient af te lossen, is volgens de man niet aangetoond. De man stelt verder dat het traject voor schuldhulpverlening op dit moment loopt. De vrouw heeft het proces voor schuldhulpverlening onnodig vertraagd. Zij heeft niet mee willen werken aan de inschrijving van de echtscheidingsbeschikking.

De rechtbank overweegt dat de vrouw onvoldoende heeft gesteld voor de stelling dat sprake is van gewijzigde omstandigheden. De stelling dat de man een bepaalde schuld niet meer aflost en de vrouw dit een wijziging van omstandigheden acht is daarvoor onvoldoende, in het bijzonder nu hiermee niet is gesteld dat in het licht van de omstandigheden ten tijde van de beschikking waarvan wijziging wordt verzocht, in het bijzonder de “enorme schuldenlast”, enige wijziging is opgetreden. Dit geldt eveneens voor de stelling van de vrouw dat haar draagkracht is verminderd, nu dit eveneens niet voldoende is voor de stelling dat omstandigheden ten opzichte van de te wijzigen beschikking zijn gewijzigd, nu bij deze beschikking reeds is uitgegaan van de minimale draagkracht.

Gelet hierop komt de rechtbank tot het oordeel dat niet aan het vereiste van artikel 1:401 lid 1 BW is voldaan, zodat de vrouw niet kan worden ontvangen in haar verzoek. De rechtbank zal de vrouw dan ook in zoverre niet-ontvankelijk verklaren in haar verzoek.

Proceskosten

De man stelt zich op het standpunt dat de wijze waarop de vrouw zich in de procedure heeft opgesteld moet leiden tot een proceskostenveroordeling. De vrouw heeft het traject van de schuldhulpverlening vertraagd, waardoor het thans nog niet duidelijk is hoe het met dit traject zit. De door de vrouw betoogde wijziging van omstandigheden voor wat betreft de zorgregeling heeft geen enkele kans van slagen en die voor wat betreft de kinderalimentatie is niet aangetoond. Daarbij komt nog dat de vrouw geen rekening heeft gehouden met het door haar ontvangen kindgebonden budget. De man procedeert op basis van een bedrijfsafspraak met zijn advocaat en is aan proceskosten een bedrag van € 1.250,- kwijt.

De vrouw stelt dat er geen enkele aanleiding voor een proceskostenveroordeling bestaat. Er is volgens haar wel degelijk sprake van een wijziging van omstandigheden. Daarbij komt dat de man procedeert op basis van een toevoeging, althans op basis van een toevoeging kan procederen, aldus de vrouw.

De rechtbank overweegt als volgt. In familiezaken, daaronder begrepen zaken tussen
ex-partners, wordt in het algemeen besloten tot compensatie van de proceskosten, hetgeen inhoudt dat iedere partij de eigen kosten dient te dragen. De redelijkheid en billijkheid brengen met zich mee dat niet te snel tot een kostenveroordeling van een der partijen wordt overgegaan.

Ook in familierechtelijke zaken kunnen zich echter gevallen voordoen waarbij het juist in strijd is met de redelijkheid en billijkheid om de proceskosten te compenseren. Wil sprake zijn van een dergelijke situatie, dan dient zeer duidelijk sprake te zijn van het nodeloos in rechte betrekken van de wederpartij. De rechtbank is van oordeel dat daarvan, gelet op het door de vrouw gedane verzoek, sprake is. De rechtbank zal dan ook tot een veroordeling in de proceskosten van de vrouw overgaan.

De rechtbank is evenwel van oordeel, mede gelet op het verweer van de vrouw, dat de man onvoldoende heeft onderbouwd dat hij niet op grond van een toevoeging kan procederen. De rechtbank zal bij de proceskostenveroordeling dan ook geen rekening houden met de gestelde proceskosten van € 1.250,- maar met de hoogste eigen bijdrage in de kosten, zijnde € 849,-. Dat de griffiekosten, zoals door de man gesteld € 282,- bedragen, is niet betwist.

Beslissing

De rechtbank:

*

verklaart de vrouw niet-ontvankelijk in haar verzoek;

*

veroordeelt de vrouw in de kosten van de procedure, aan de zijde van de man begroot op € 1.131,- en verklaart deze proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beschikking is gegeven door mr. C.G. Meeder in tegenwoordigheid van mr. I. van der Kamp als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 25 september 2015.